Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Vlaamse regering vindt stenen belangrijker dan mensen

Politiek Posted on za, oktober 24, 2020 12:10:00

Hij was er nog trots op ook, de Vlaamse minister-president: er zou maar liefst 160 miljoen euro — voor de oudere lezers: 6,4 miljard Belgische frank — geïnvesteerd worden in de noodlijdende cultuursector. Relanceplan, heet dat in een dure bewoording. “Dit is een nooit eerder gezien bedrag,” benadrukte de MP, die in zijn vrije tijd ook nog cultuurminister is. Dit is een nooit eerder geziene volksverlakkerij, zou dichter bij de waarheid liggen. Want, u weet dat inmiddels al, 62,5 procent van dat bedrag, oftewel 100 miljoen euro, moet dienen voor culturele infrastructuur. Niet onsympathiek, maar het lost de acute problemen van wie actief is in de sector niet op. Tenzij die bakstenen dienen om de Vlaamse canon in te beitelen, natuurlijk, want dat geniet dan wel weer de hoogste prioriteit. Jan Jambon had moeten aankondigen dat er zou geïnvesteerd worden in stenen én in mensen, dat zou pas revolutionair geweest zijn. En logisch. En menselijk. En het zou getuigd hebben van een oprechte liefde voor cultuur en al wie het bedrijft.

Er wordt geïnvesteerd in bakstenen, klonk algauw de kritiek. Terechte bedenking. Het is niet omdat er her en der — onder meer de Museumsite in Brugge, de Kortrijkse Schouwburg, de Bijlokesite in Gent — restauraties mogen uitgevoerd worden, of (bij)gebouwen opgetrokken, dat je daarbij tegemoetkomt aan een zeer concrete vraag om hulp. Een dj zei het deze week nog op Studio Brussel: eenendertig mensen uit zijn kennissenkring, allen actief in de brede cultuursector, hebben sinds het uitbreken van de coronacrisis zelfmoord gepleegd. Zagen geen uitweg, zaten vast in een tunnel waarin je niet meer achteruit kon en er geen licht te zien was. Dit is erg. Héél erg. Onwezenlijk erg. Voor de betrokkenen, voor hun familie en vrienden, voor hun collega’s, voor het gemoed van anderen die het bijzonder moeilijk hebben. Het duidt op uitzichtloosheid. No future, ooit een stevige punkkreet, nu de harde coronarealiteit.

Je helpt die mensen niet met de aankondiging dat de bouwsector ondersteund zal worden. Het is, zoals de Engelsen zeggen, ‘adding insult to injury’, de belediging die volgt op de mentale kwetsuur.Je biedt hen geen vooruitzichten, integendeel: je zegt ermee, als overheid, dat stenen belangrijker zijn dan mensen. En, och ja, de minister-president heeft de aangekondigde besparingen qua projectsubsidies teruggeschroefd: die blijven op het bestaande niveau, 9 miljoen euro per jaar. Applaus!

Weet u, beste lezer, in de processie van Echternach springen de deelnemers afwisselend op hun linker- en rechtervoet. In de oude versie van de processie van Echternach, die tot 1947 gold, ging men drie stappen vooruit en dan twee achteruit. In tegenstelling tot wat men in de volksmond dacht, ging men uiteindelijk wel voorwaarts in dat Luxemburgse stadje, zij het zeer langzaam. De processie van Echternach van de Vlaamse regering verloopt volgens een alternatieve aanpak: één stap vooruit, drie achteruit. De economie dient gered, maar cultuur is geen economische sector in de ogen van onze beleidsmensen: het is volksvermaak. Hooguit leuk, niet nuttig, niet noodzakelijk. Zij dwalen. Cultuur (én sport) staan in de behoeftepiramide één rijtje onder eten, drinken, een dak boven je hoofd en iemand die je graag ziet. Bij Maslow valt cultuur onder ‘zelfrealisatie’ voor wie werkt in de sector, helemaal bovenaan, en onder ‘behoefte aan sociaal contact’ voor wie cultuur consumeert, om het met een vieze term te zeggen, maar goed: economen moeten het ook begrijpen. Cultuur verrijkt. Het zegt alles dat deze Vlaamse regering niet eens een volwaardige minister van Cultuur heeft. Je kan er alleen maar uit besluiten dat N-VA, CD&V en Open VLD cultuur geen warm hart toedragen. Frans Van Mechelen, Rika De Backer en Karel Poma draaien zich om in hun graf. Ik kan me niet voorstellen dat Patrick Dewael en Sven Gatz dit een prettige evolutie vinden, allen voormalige ministers van Cultuur, van het land of de regio Vlaanderen.

Wie actief is in de brede culturele sector, weet dat de coronacrisis nog minstens aanhoudt tot eind vólgend jaar, 2021, en meer dan waarschijnlijk zelfs tot de zomer van 2022. Dat is twee jaar en drie maanden met weinig of geen inkomsten, geen zekerheid, geen regelmaat. En dan moet je hopen dat het vaccin tegen dan voor groepsimmuniteit heeft gezorgd. Niet verwonderlijk dat depressieve gevoelens het halen van optimisme.

Wat Jan Jambon deze week heeft gedaan, is in het beste geval een goedbedoelde misser, in het slechtste geval lachen met de culturo’s, de subsidieslurpers, de snoodaards die door een Vlaams-nationalistische bril bekeken hun kont afvegen met de Vlaamse leeuwenvlag. Er zit een vorm van eerlijkheid in, dat wel: je lacht de culturele wereld, al die ‘linkse’ kerels en meiden, recht in hun gezicht uit. Bravo, ze draaien er tenminste niet omheen dat ze hen haten. De handlangers van de christendemocratische en de liberale familie applaudisseren mee.

Het is niet omdat je weleens naar een opera gaat, dat je oprecht van cultuur houdt. Het is niet omdat je, als politicus, weleens over de rode loper paradeert en veel te lang op een receptie blijft hangen, dat je je een cultuurliefhebber mag noemen. Het is niet omdat je een toespraak mag houden op een culturele prijsuitreiking, dat je affiniteit hebt met het domein. Het is niet omdat je straks, als minister-president, een eerste steen mag gaan leggen van een cultuurhuis, dat je een bijdrage hebt geleverd tot de toekomst van de Vlaamse cultuur. Een aantal culturele vertegenwoordigers zullen best wel wereldvreemd zijn, maar heel wat mensen die het voor het zeggen hebben zijn tegelijk cultuur- én wereldvreemd. Dat is veel erger.

Als we niet willen dat Jef Eagle binnenkort mag komen vertellen dat de teller van de zelfdodingen op zestig staat, zullen er toch nog andere steunmaatregelen moeten aangekondigd worden. Steun die rechtstreeks naar de mensen gaat, of naar organisaties die met dat geld mensen in dienst kunnen houden; niet naar stenen, niet naar lobbyisten die vlot de weg naar beleidsverantwoordelijken vinden, niet naar bouwheren.



Allegro non molto

Journalistiek, Politiek Posted on za, oktober 03, 2020 11:32:21

De grootste verdienste van de nieuwe federale regering is dat ze er ís. Dat zeggen vrienden en tegenstanders van deze bonte coalitie. De kans dat het Vivaldi-project mislukt is even groot als dat het lukt. Dat zeggen tegenstanders van de regering-De Croo I en geven vrienden ootmoedig toe. De eensgezindheid van de voorbije dagen kan snel plaatsmaken voor gekibbel over details in het regeerakkoord die anders geïnterpreteerd worden door de verschillende partijen. Dat zeggen tegenstanders en zullen vrienden alleen maar kunnen beamen. De tegenstrijdige interpretaties zijn trouwens al volop bezig.

Optimisme is een morele plicht, maar het moet wel realistisch haalbaar blijven, natuurlijk. En dat hebben een regeerakkoord, een verbindende persconferentie, een eendrachtige kamerzitting en tig interviews nog niet kunnen aantonen. Omdat ze dat simpelweg ook niet kúnnen. Het hangt allemaal af van het beleid, van de bekwaamheid van de bestuurders, van economische impulsen waar een Belgische regering nauwelijks vat op heeft, en van altruïsme en goede wil. Het is niet de oppositie die deze nooit geziene coalitie — bont allegaartje mag ook, als omschrijving — zal doen struikelen: het welslagen ligt bij de premier, zijn regeringsleden en de partijvoorzitters — en ook van een tikkeltje geluk. Een coronacrisis kan je moeilijk zien aankomen. Al is dat natuurlijk de ultieme test voor de kwaliteit van zij die ons besturen.

En toch… We hébben een federale regering. Voorzichtige juichkreten zijn gepast. Na net geen vijfhonderd dagen afwisselend onderhandelen en ruziemaken. Afwijzen en aantrekken. Politieke spelletjes spelen en ernstig proberen een evenwichtige ploeg samen te stellen. Eind vorig jaar lag paars-groen al op tafel. Toen deden de donkerblauwe Open VLD’ers hun uiterste best om er een flinke stok voor te steken, al was het maar om uittredend voorzitter en ambitieuze politica Gwendolyn Rutten tot enige bescheidenheid te nopen. Dat is bijna een jaar geleden, in de naherfst van 2019. Waarom moest de vorming van deze vierseizoenenregering zeven seizoenen duren, terwijl het ook in drie of vier had gekund? Het was te veel adagio en largo, te weinig allegro vivace tijdens die 493 dagen.

Maar hé, we hebben dus een regering. Ze telt voor het eerst evenveel mannen als vrouwen. Er zitten drie landgenoten met een migratieachtergrond in. Ervaren gezagsdragers zitten zij aan zij met neofieten. De politieke vernieuwing lijkt voor het eerst geen dode letter te blijven. Je kan het regeerakkoord lezen als een reeks vage intenties, maar ook als een catalogus van noodzakelijke bijsturingen. Dat geldt trouwens voor elke tekst die vooraf werd opgesteld: als die niet in de praktijk wordt omgezet, blijven het dode letters op papier. De verbindende woorden van de aanstaande premier op de persconferentie waarop het regeerakkoord werd aangekondigd, staken schril af tegen alle polariserende verklaringen van de voorbije jaren, onder meer in het kibbelkabinet-Michel. De Croo had veel van Obama en weinig van Trump, wat aanbevelenswaardig is. Vergelijk met de overwinningsspeech van Bart De Wever als nieuwe burgemeester van Antwerpen in 2012, die uitsluitend gericht was op de eigen achterban: verbinding was ver weg toen. Alexander De Croo overtroefde de ‘belangrijkste politicus van deze eeuw’ — volgens een zich voorheen progressief noemende krant zelfs de ‘grootste intellectueel van Vlaanderen’ — in zijn maidenspeech. Faut le faire, als u mij toestaat in de taal van de bevolkingsgroep die wél een regionale meerderheid in de federale coalitie heeft te praten.

Nog meer goed nieuws: Frank Vandenbroucke is terug, de slimste politieke mens in de Belgische wereld, de sociaaldemocraat die zich niet zal laten leiden door debatfiches, de academicus die boven de partijpolitiek staat. Kans is groot dat hij al zijn collega’s zal overtreffen, desnoods met priemend vingertje, maar dat zullen ze binnenkort wel ontdekken. Buitenlandse media merkten op dat er een transgender in de regering zit: het siert onze politiek (en ons!) dat weinigen die bedenking nog maken, net zoals er tien jaar geleden nauwelijks iets te doen was om de homoseksualiteit van de toenmalige premier. In het land waar abortus, euthanasie en homohuwelijk wettelijk geregeld zijn, moeten we soms onze zegeningen durven te tellen. Dit is er zo eentje.

Het meest positieve is nog dat de partijen hun mannetjes en vrouwtjes hebben kunnen posteren op departementen die ze van nature claimen. Open VLD levert de premier en de minister van Justitie, CD&V heeft Binnenlandse Zaken (inclusief Asiel en Migratie) en Financiën in handen, de MR buigt zich over Buitenlandse Zaken en de Middenstand, de PS beheert Economie en Werk, Groen Energie, Ecolo Klimaat en Duurzame Ontwikkeling en Mobiliteit, sp.a Volksgezondheid en Sociale Zaken, en Ontwikkelingssamenwerking. Dat biedt het voordeel dat de verantwoordelijkheid niet kan worden afgeschoven en het nadeel dat de verantwoordelijkheid niet kan worden afgeschoven: het is van móeten. Een betere motivatie is ondenkbaar. Vraag is wel hoe dit op een budgettair verantwoorde manier zal gebeuren, want de regel is doorgaans: hoe hoger de betrokkenheid bij het domein, hoe groter de kans dat men zal willen investeren. Voor minder gaat de zon zelden op. Dat was wat de regeringen-Verhofstadt, en dan vooral de eerste, mét de groenen, parten heeft gespeeld. Dat er toen, in tijden dat het economisch goed ging, geen reserves werden aangelegd, wreekt zich nu nog altijd. Dezelfde lankmoedige attitude tegenover de begroting zou in volle coronacrisis, met alle economische gevolgen van dien, meerdere toekomstige generaties parten kunnen spelen. Iemand moet dus op de centen letten, terwijl Begroting net in deze regering geen volwaardige regeringspost meer is: het zit bij een staatssecretaris (Eva De Bleeker) die ressorteert onder de minister van Justitie (Vincent Van Quickenborne). Twee paar blauwe ogen die waakzaam zullen moeten blijven. De realist Vandenbroucke zal een handje toesteken.

Deze regering heeft alles in zich om meer haters dan liefhebbers te tellen, maar ze heeft ook de kans om die haters op z’n minst tot voorzichtige sympathisanten om te toveren. Dat heet een geloofwaardig beleid uitbouwen. Ze heeft daar drie en een half jaar voor. Allegro non molto, opgewekt maar niet té veel, de opening van L’estate, de zomer, het tweede van de vier seizoenen van Vivaldi,mag daarbij het Leitmotiv zijn: het moet vooruitgaan, maar niet blind. Geduldig haasten luidt de boodschap.

De oppositie zal de regering dat geduld niet gunnen. Hopelijk doen de media dat wel, al lijkt dat niet de intentie. De nadruk lag in de eerste interviews op wat er zoal kan — en aan de harde vraagstelling af te leiden naar verwachting ‘zal’ — mislukken. Op wie met wie ruzie zal maken. De vraag ‘Wat bent u van plan op uw departement?’, die nochtans voor de hand ligt omdat het de eerste is die je zou moeten stellen, wordt niet meer gesteld. Het gaat dadelijk over de politique politicienne, de kleine kantjes van medestanders en tijdelijke bondgenoten. Alsof het conflict het normale is. Alsof harmonie onmogelijk is. Alsof de neuzen nooit in dezelfde richting kunnen staan. Alsof Het Volk daarvan wakker ligt. De media zijn verslaafd aan relletjes en voeden het pessimisme van de bevolking. Mislukken wordt dan bijna een selffulfilling prophecy. Niet dat ankers, interviewers en politieke journalisten terug moeten naar de onzalige tijden dat ze één, vooraf afgesproken vraag mochten stellen, waarna de minister minutenlang ononderbroken mocht praten, o neen. Maar de bedoeling was nu ook weer niet om de slinger helemaal de andere kant te laten op gaan. Het voordeel van de twijfel moet bijwijlen gegund worden.

Voor iemand als Frank Vandenbroucke moet dit toch enigszins verbijsterend zijn geweest, na jaren in de academische luwte. In Terzake kreeg hij voor de voeten geworpen dat hij wellicht niet meer mee is met de agressieve communicatie via sociale media. “Ik heb geen tien jaar in de diepvries gezeten”, luidde zijn passend antwoord. Ik denk niet dat Vandenbroucke zich zal laten opjagen door de rel van de dag. Eigenlijk moeten de media de zaak omdraaien: wie niet mee stapt in de meedogenloze mars van het moment, zou het nieuwe normaal moeten worden. Een beetje dimmen zou iedereen goed doen, het land in de eerste plaats. Het gaat al veel te lang over anekdotiek in onze kranten en op radio en televisie. Wie messen in wiens rug heeft gestoken, is interessant om te achterhalen in eenzijdig geschreven memoires, veel minder als het over dagelijks beleid gaat, wat nog altijd de essentie is van politiek. Dát en een langetermijnvisie hebben en uitwerken. In geen van beide hebben de media nog interesse. Te saai. Te vaag. Te weinig concreet.

Lang verhaal kort: ik ben voorzichtig optimistisch. Het tweede is mijn morele plicht, het eerste is mijn natuur. Geef De Croo I een kans en dan zien we wel.



Coronamoe

Communicatie, Journalistiek, Politiek, Samenleving Posted on za, september 19, 2020 12:55:29

We zijn coronamoe, lees en hoor je steeds vaker. Je leest en hoort het zó vaak, dat je zelfs moe wordt van de term ‘coronamoe’. Maar ik begrijp het. Ik begrijp u, ons, mezelf. We zijn inderdaad coronamoe en worden met de dag coronamoeër. Ik ben het hartsgrondig beu om nog een tijdje als een kluizenaar te moeten leven, ook al ben ik — geef ik toe — toch wel een beetje asociaal van nature. Ik ben graag op mezelf, werk liefst op mijn eenzame bureautje thuis, ben niet geneigd om kennis te maken met weer nieuwe mensen. Maar nu komt het: als je verplicht bent asociaal te zijn, is dat niet meer leuk en wil je mensen zien, ook al interesseren de meesten je geen sikkepit. Zo zit een mens nu eenmaal in elkaar. Als iets niet mag, wordt het pas aanlokkelijk. De verboden vrucht van 2020: mensen ontmoeten.

Hoe begripvol ik ook ben — zeker ten aanzien van alleenstaanden, eenzamen, ouderen die zitten te verkommeren op een paar vierkante meter, mensen die niet meer zonder lijfelijk menselijk contact kunnen —, ik weiger te begrijpen waarom mensen bij het minste de teugels vieren, aangevuurd door een communicatief stuntelende overheid met haar bubbels van vijf, tien andere mensen per week, en wat was het ook allemaal weer? Aangevuurd door kortzichtige, populistische versoepelingen, uit angst dat een verderzetting van de lockdown zich zou vertalen in het kieshokje, dat nog altijd een realistische piste blijft als Vivaldi-Avanti-Forza niet tot een regering leidt. Aangevuurd door opstandige leden van de meningenfabriek die de media zijn geworden, luitjes die hun vijftien minuten lokale beroemdheid misbruiken om verwarring te zaaien of aan te sporen tot opstandigheid tegen al te veel regelneverij in hun libertaire ogen.

Ik zag deze week het non-debat tussen Lieven Annemans en Joël De Ceulaer in De afspraak. ‘Razend interessant’ tweette iemand die ik heel erg apprecieer; hij vroeg zich wel af waarover het weer ging. Kan het dan wel razend interessant zijn, repliceerde ik. Ik blijf bij die strenge observatie. Het is niet omdat er in primetime live degens worden gekruist, dat het gevecht ook iets oplevert, behalve tig oppervlakkige verwondingen. Je kunt je vragen stellen bij de defenestratie van gezondheidseconoom Annemans door hem te melden dat er de dag nadien in De Morgen een artikel zou staan waarin hij, anoniem, zou worden bedolven onder kritiek van zijn collega’s in Celeval, het orgaan dat ons naar betere tijden moet leiden en de opvolger van de GEES, waarvan we al heel snel zijn vergeten waarvoor die afkorting alweer stond. Zo snel gaat het in crisistijden. Ik vond dat gênante televisie, eerder voor het programma dan voor Annemans. Die was perfect in staat om zichzelf in de vernieling te praten, hij had daarvoor geen krantenartikel, een boze senior writer die net een stuk van tien pagina’s had afgescheiden voor de weekendkrant, of een kritische vragensteller nodig. Annemans ging af als een gieter, praatte zichzelf in een hoek, begon met een redenering die nergens heen leidde. Maar, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, dat deed het discours van De Ceulaer ook: waarover ging zijn punt ook weer? Waarom was hij nu precies boos? Paroles paroles

Wat De afspraak van donderdagavond mij wel influisterde, was een controversiële these die ik op deze plek wil verdedigen. Er worden te veel meningen te snel verspreid om er te makkelijk mee te kunnen scoren. De controverse wordt gevoed, maar door die kakofonie van stemmen weet de kijker, luisteraar, lezer niet meer waaraan hij zich moet houden. Een te makkelijk excuus, ik weet het, want de basisregels zijn eenvoudig: de hele dag door je handen wassen, overal waar je binnenstapt handgel gebruiken, anderhalve meter afstand houden, mondmasker dragen in gesloten ruimtes of op plekken waar veel volk is, niet knuffelen, niet zoenen. Ik geef mijn eigen moeder een zacht kneepje in de schouders bij wijze van begroeting en afscheid. Is dat hartelijk? Neen, maar het is het beste wat ik momenteel kan doen, het veiligste voor haar, een geste van liefde en erkenning bij gebrek aan andere mogelijkheden.

Maar goed, we zijn mensen en het is des mensen om regels te proberen omzeilen, zeker als er tegenstrijdige dingen worden verkondigd. “Er zijn meer besmettingen.” “Neen, er zijn niet méér besmettingen, we testen gewoon meer en daarom lijkt het alsof er meer besmettingen zijn.” “Jawel, er zijn méér besmettingen, de ziekenhuisopnamen stijgen weer en straks ook het aantal doden.” Statistische relevantie wordt betwist, puur om het eigen gelijk te benadrukken, maar wat bén je met dat eigen gelijk? En waarom krijgt dat eigen gelijk zoveel media-aandacht? Een mens krijgt er een punthoofd van en dan is het niet eenvoudig om een mondmasker te dragen dat niet in de hoogte maar in de breedte gaat.

Mijn controversiële these: ik pleit voor zelfcensuur in de media. Ik wil dat meningen die de mensen in de war kunnen brengen in deze bizarre, letterlijk levensgevaarlijke periode niet meer klakkeloos worden gepubliceerd, maar alleen nadat de inhoud van open brieven en dergelijke grondig getest en geëvalueerd werd. Geen bewijswaarde, niet publiceren. Sta me toe eerst een denkbeeldige analogie te maken.

***

Beeld u in: het is 2020, het is écht oorlog (dus geen oorlog tegen een onzichtbare vijand), we zijn een half jaar geleden binnengevallen door een vreemde mogendheid die niet het beste met ons voor heeft. Laten we dan, na een ongetwijfeld verwarrende periode vlak na de inval, toe dat eender wie eender wat mag verkondigen in de media? Laten de media zelf toe dat iemand — noem hem of haar gerust een collaborateur — er in een vrije tribune voor pleit om samen te werken met de vijand die zijn tanks heeft binnengerold wat al honderden mensenlevens heeft gekost? Laten radio en televisie toe dat zelfverklaarde experten vrijuit dingen mogen roepen die indruisen tegen wat we op dat ogenblik — zes maanden na de inval, we beginnen net te hergroeperen en een strategie uit te voeren die ons militair succes moet opleveren — erkennen als algemeen belang? Ik dacht het niet. Ik hoop het vooral niet. Misschien maar goed dat er in de Tweede Wereldoorlog nog geen internet en sociale media waren…

***

De vrijheid van meningsuiting is een bijzonder hoog recht, maar het is geen plicht. Op wettelijk verboden uitlatingen na kan iedereen overal alles zeggen, maar niets zegt dat die meningen ook moeten verkondigd en gepubliceerd worden via de reguliere media. Je kan op een zeepkist gaan staan op de hoek van de straat en dingen roepen. Dat mag. Daarom moet ’s anderendaags nog niet in de krant staan wat je geroepen hebt. We verwarren een vrije mening nog te vaak met een verplichte weergave ervan in een massamedium, liefst meerdere. Dat zijn twee gescheiden zaken. Het is aan de media om het onderscheid te maken tussen een mening die relevant is en generieke aandacht verdient, en een mening die weinig of niets toevoegt aan het maatschappelijke discours, of die zelfs grote risico’s inhoudt voor de volksgezondheid.

Terug naar het oorlogsbeeld, nu niet met een zichtbare vijand, maar met dat dekselse virus. Ik heb dat beeld van een land, en bij uitbreiding een continent en een planeet, in oorlog met iets als een virus altijd onzinnig gevonden, maar misschien moeten we het toch even aanhouden. Hadden al die open brieven dan wel moeten gepubliceerd worden? Moest Lieven Annemans dan wel in De afspraak hebben gezeten? Zou Joël De Ceulaer zich dan nog boos hebben moeten maken, en zou hij dan op die tien krantenpagina’s niet beter een interview met een interessante medemens hebben kunnen publiceren?

Ja, ik pleit voor (zelf)censuur en dat is not done. Het is controversieel, het is gevaarlijk, het is in normale omstandigheden contraproductief. De omstandigheden zijn echter verre van normaal en dat is virus ís ook gevaarlijk. Als de media, in een niet aflatende drang om clickbait te genereren, de kijk- en luistercijfers op te krikken of de dagverkoop tijdelijk op te vijzelen, in deze ‘oorlog’stijden de focus leggen op tegenstrijdige meningen, krijg je als tegenreactie een bevolking die daar haar eigen waarheid uit distilleert. Zeer gevaarlijk, ontdekken we nu, nogal aan de late kant.

We hebben nood aan meer terughoudendheid, zeker in de media. We moeten aandacht geven aan zij die die aandacht verdienen en die in volle coronacrisis in het algemeen belang praten. Daarom zitten we al een half jaar te wachten op de aanstelling van een coronacommissaris, die als enige rechtstreeks met de bevolking communiceert over het virus. Ik doe een suggestie: Pierre Van Damme. Rustige, vlotte, serene prater. Dit zou zijn voltijdse job moeten zijn, hij zou als enige radio- en tv-studio’s mogen afdweilen, en kranteninterviews geven, om over onze omgang met het virus te praten. De premier zou het volk niet moeten toespreken via knullig gemaakte huis-, tuin- en keukenfilmpjes, en ook niet op persconferenties na een veel te lange Veiligheidsraad, waarbij ze af en toe spichtig links en rechts kijkt naar de ministers-presidenten met een blik van ‘Zeg ik het zo goed, heren?’ De onzalige regeringsmededelingen zaliger zijn voor het eerst in de zes decennia van mijn leven op hun plaats: staatshoofd of federale regeringsleider spreekt het volk toe, zonder tegenspraak, zonder vragen. Dat is heel ver van een ideale situatie waarin eender wie eender wat mag vragen, maar ‘Desperate times call for desperate measures’, waarbij we die ‘desperate’ liefst niet vertalen als ‘wanhopig’ maar als ‘moeilijk’: het is niet de bedoeling er permanent depressief van worden, nietwaar.

Ik weet het: dit is geen populaire mening en ik pen ze zelf ook met lichte tegenzin neer. Maar het is, volgens mijn bescheiden mening, de enige manier waarop we nog enigszins de vijand tegemoet kunnen treden. Mocht Covid-19 de leider zijn van een échte vijandige natie, hij of zij zou nogal tevreden zijn over hoe die Belgen — “Waren die vroeger niet dapper, generaal?” — over de vloer rollen met elkaar, in plaats van met de oorlogszuchtige staat Corona. Een beschamend schouwspel. Laten we vooral concluderen dat dit niet de afspraak mag zijn.



Een samenzwering van idioten

Politiek Posted on za, september 05, 2020 12:06:08

Het zal me eerlijk gezegd worst wezen dat de toekomstige federale coalitie Vivaldi of Avanti wordt genoemd. Onze politieke elite — ik gebruik dat laatste woord met stevige tegenzin en een wrange smaak in mijn mond — is beter in het bedenken van marketingachtige termen dan in het uittekenen van een realistisch beleid voor het land. Is dat trouwens ook niet de definitie van marketing: de zaken verbloemen, ook al stellen ze in wezen nauwelijks iets voor? Windowdressing. Wat in de etalage ligt, is belangrijker geworden dan wat er in het winkeltje wordt aangeboden. Volksverlakkerij voor gevorderden.

Ik heb het gehad met deze politieke generatie en dan met name met de stuurlui: over wie aan wal is blijven staan roepen, al dan niet noodgedwongen of op een zijspoor gezet, kan ik moeilijk oordelen, al ben ik niet optimistisch. Ik heb mezelf jarenlang behoed voor antipolitieke oprispingen, maar nu is het genoeg geweest. Niet omdat ik antipolitiek ben geworden, neen, ik ben nog altijd pró politiek. Maar ik ben wel anti deze vorm van politiek bedrijven, of beter: niet bedrijven. Begin jaren 90 deed de voormalige hofmaarschalk van koning Boudewijn, Herman Liebaers, een opmerkelijke uitspraak in De Morgen: “Hij kan het niet, hé”, zei hij toen over de toenmalige prins Filip. Maar kijk, bijna dertig jaar later is Filip na een periode op de invallersbank toch koning en blijkt hij het toch wel redelijk te kunnen, hoewel hij nooit een frivole vlerk zal worden. Ach, liever een terughoudende stijve hark dan die parade van veel woorden misbruikende nietszeggers die ten paleize opdraven. Sire, er zijn geen politici met inhoud meer. Ze zijn dood, met pensioen, uitgerangeerd, weggepromoveerd, hebben lucratievere oorden opgezocht. We moeten het doen met tweederangsbestuurders. Backbenchers die opeens vooraan blijken te zitten en denken dat ze dat ergens aan verdiend hebben.

En we zullen het verdorie nog een tijdje met hen moeten stellen. Een voorbeeld: deze week riepen de CD&V-burgemeesters luid dat ze tégen Vivaldi en pro paars-geel waren. U moet zich dat proberen voor te stellen: luitjes die met hun paar duizend voorkeurstemmen veilig en wel in hun bubbeltje verblijven en die, lid zijnde van een wegkwijnende partij, vanonder de kerktoren in hun peperkoeken gemeentehuisje riposteren tegen een volstrekt democratische coalitie. Hoogmoediger wordt het niet. De CVP-staat is al een tijdje dood en begraven, alleen willen de steeds minder voorstellende lokale functionarissen van een partij die eerst de N-VA gered heeft door ermee in kartel te gaan en die daarna werd voorbijgestreefd en achtergelaten door diezelfde N-VA, nu worden opgepikt door, jawel, de N-VA, wie weet zelfs in een omgekeerd kartel. Is het dat? Of is het ronduit onbekwaamheid? Minachting voor de democratische geplogenheden? Misplaatste nostalgie?

Het signaal van de kiezer moet gerespecteerd worden, zo wordt her en der geroepen, zelfs door doorgewinterde volgers van de politieke karavaan. Wat willen zij dan? Een coalitie van de winnaars? Vlaams Belang (+ 15 zetels na de federale verkiezingen 26 mei 2019), PVDA-PTB (+ 10 zetels, vooral in Wallonië), Ecolo (+ 7) en Groen (+ 2) komen samen aan 34 zetels, terwijl je er minstens 76 nodig hebt om een meerderheid te vormen. Zullen we de grootste partij van elke regio eraan toevoegen? N-VA (25 zetels) en PS (20) zorgen voor 45 extra zetels. Totaal: 79. Hoera, we hebben een meerderheid. Oei, ik denk niet dat we met dit onsamenhangend kluitje partijen kans maken op een voldragen regeerakkoord. Ze willen niet eens in dezelfde kamer vertoeven.

Wat is trouwens dat signaal als het over Vlaams Belang gaat? Vlaanderen onafhankelijk? Fair enough, maar dan moet je in eerste instantie in Vlaanderen ‘samen een meerderheid’ hebben en die is er vooralsnog niet. Polls zijn geen verkiezingsuitslagen, het zijn verwaarloosbare momentopnamen die toch voor de nodige zenuwachtigheid zorgen binnen de ivoren torens van de partijpolitiek. Bovendien blijkt uit gedegen onderzoek dat dé Vlaming België niet meteen wil laten vallen. Wat is het dan wel, dat fameuze signaal: ‘vreemdelingen buiten’? Zou kunnen, maar is dat dan een signaal dat N-VA ook uit volle borst meezingt, of alleen diegenen die uit puur opportunisme bij de verkeerde partij zitten? En wat dan met de zogeheten linkse sociaaleconomische accenten waar Vlaams Belang in 2019 mee uitpakte? Het signaal is dus niet eenduidig, zoals de kiezer niet eenduidig is: hij (m/v) weet het al een tijdje niet meer. Je moet hem/haar respecteren, zo gaat dat in een democratie, maar hem/haar ook niet over de hele lijn au sérieux nemen.

Nog los daarvan: een meerderheid is een meerderheid, ook al betekent dit een minderheid in Vlaanderen, zoals er de voorbije zes jaar een (ruime) minderheid in Wallonië was en daarvoor weer een minderheid in Vlaanderen (die in 2014 beloond werd door de Vlaamse kiezers). Dat is de keuze die men gemaakt heeft bij de opeenvolgende staatshervormingen: de regio’s kunnen gedeeltelijk hun eigen weg gaan. Het zou des te absurd zijn dat die regio’s nu willen opleggen hoe een federale regering er moet gaan uitzien. Opnieuw: hoogmoed. Komt voor de val, naar het schijnt.

De voorbije weken was er veel te doen rond de politieke verantwoordelijkheid van voormalig minister van Binnenlandse Zaken Jambon — en in mindere mate justitieminister Geens — in de affaire-Chovanec. Ik heb me, met het restantje mildheid dat nog in mij zit, onthouden van commentaar, maar het is wel duidelijk dat het communicatief gekronkel van Jambon zijn geloofwaardigheid allerminst goed heeft gedaan. Zelfs al werd hij onvolledig op de hoogte gehouden en wees tot voor het uitlekken van de hallucinante beelden niets op een schandaal: wie gelooft die man nu nog? Politiek krediet komt stapsgewijs te voet en galoppeert weg op een racepaard. Hoe kan je dit in hemelsnaam tot mei 2024 volhouden als regeringsleider?

In de zwaarste sociale-, economische- en gezondheidscrisis die ons land sinds de Tweede Wereldoorlog heeft getroffen, heb je mannen en vrouwen van stavast nodig in de stuurcabine, geen watjes, geen gladde opportunisten, geen verantwoordelijkheidsontduikers. Geen kruiperige, betweterige, misantropische flapdrollen zoals Ignatius J. Reilly, het tegelijk meelijwekkend, lachwekkend en pathetisch hoofdpersonage uit mijn favoriete boek Een samenzwering van idioten (A Confederacy of Dunces). Ik mis empathie, mededogen, leiderschap, staatsmanschap, langetermijnvisie, onmisbare eigenschappen voor wie aan de knoppen van het land wil draaien. Deze generatie politici wil verkozen worden óm verkozen te worden, terwijl je van een politicus mag verwachten dat hij/zij verkozen wordt om dingen te realiseren. De beloften aan de kiezer, bijvoorbeeld. En we leven nu wel op hoop dat er wie-weet-stel-u-voor binnenkort een regering zal zijn — eerst draaien de pre-formateurs nog een rondje, waarna allicht een formateur mag proberen de flosj vast te grijpen, u vergeeft me de kermistaal wel in deze kermisloze tijden —, maar wordt het een regering die regeert of eentje die louter reageert op de waan van de dag? Ik ben benieuwd. Ik ben niet geheel vrij van pessimistische bevooroordeeldheid.

Een volk krijgt de leiders die het verdient, zo luidt het spreekwoord. Waaraan hebben we dit verdiend?



Belgische Politici Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on za, juli 11, 2020 12:13:37

Waar waren we gebleven? O ja…

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. Hugo Schiltz

9. Guy Verhofstadt

8. Herman Van Rompuy

7. Gaston Eyskens

6. Wilfried Martens

5. Lucienne Herman-Michielsens

4. Karel Van Miert

3. PAUL-HENRI SPAAK (1899-1972). In de wieg gelegd voor de politiek. Zijn grootvader langs moederskant, Paul Janson, wordt als vader van het sociaalliberalisme beschouwd, zijn oom, Paul-Emile Janson, was korte tijd premier van België. Hoewel ze tot de liberale tak van de familie behoorde, was zijn moeder actief voor de Belgische Werkliedenpartij, de unitaire voorloper van de sp.a en de PS. En om het familieverhaal af te maken: de dochter van Paul-Henri, Antoinette, voerde lange tijd het communautaire FDF aan. Spaak zelf koos van jongs af aan, als hoofd van de Socialistische Jonge Wacht, voor de sociaaldemocratie, waarbij in de eerste plaats zijn pacifisme opviel. In de tweede helft van de jaren 30 werd hij achtereenvolgens minister van PTT en Transport, minister van Binnenlandse Zaken, premier (1938-1939) en minister van Buitenlandse Zaken, een functie die hij bleef bekleden in ballingschap in Londen. Op 31 maart 1946 werd hij gedurende net geen jaar voorzitter van de eerste Algemene Vergadering van de pas opgerichte Verenigde Naties. Kort voordien had hij opnieuw een Belgische regering geleid en dat zou hij opnieuw doen van maart 1947 tot augustus 1949. In de jaren 50 werd hij voorzitter van de gemeenschappelijke vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, EGKS. In een rapport deed hij de aanbeveling om de Europese Economische Gemeenschap, EEG, op te richten, de voorloper van de Europese Unie: dat gebeurde in 1957. Dat jaar werd hij ook secretaris-generaal van de NAVO, wat hij bleef tot 1961. Op het eind van zijn politieke carrière werd hij voorstander van het federalisme en steunde hij de francofone partij FDF van zijn dochter Antoinette. Paul-Henri Spaak ontving eretekens in vierendertig landen. Zo iemand waarvoor de term ‘staatsman’ bedacht werd.

2. ACHIEL VAN ACKER (1898-1975). Eerstgeborene in mijn top 20 en een generatiegenoot van Spaak. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij actief in de Brugse afdeling van de Belgische Werkliedenpartij. Hij kwam op voor de rechten van de arbeider, richtte daartoe mee enkele coöperatieven op en een socialistisch weekblad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield hij zich bezig met het in standhouden van de socialistische beweging. Pas daarna kwam hij op het voorplan, eerst als minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, daarna tot vier keer toe als premier tussen 1945 en 1958. Lag aan de basis van de Kolenslag, een beleid dat erop gericht was de steenkoolproductie op te drijven, een belangrijk onderdeel van de economische heropbouw na de oorlog. Het leverde hem de bijnaam ‘Achille Charbon’ op. Hij wordt ook gezien als de ‘vader van de sociale zekerheid’, omdat hij als minister van Sociale Voorzorg een besluitwet had opgesteld die de basis vormt van de sociale zekerheid zoals we die nu nog kennen. Van 1961 tot 1974 was hij Kamervoorzitter.

1. JEAN-LUC DEHAENE (1940-2014). Was ‘slechts’ iets meer dan zeven jaar premier van het land, goed voor twee regeringen die zijn naam droegen, maar slaagde er in die relatief korte periode in om het land door moeilijke situaties te loodsen. Met het Sint-Michielsakkoord realiseerde hij in 1993 de tot dan toe grootste staatshervorming in België, twee jaar later wist hij — nota bene in een coalitie met sociaaldemocraten — met een streng begrotingsbeleid het land in de eurozone te manoeuvreren. In de jaren 80 was Dehaene al opgevallen als matchmaker van zeer diverse regeringen en als minister van sociale Zaken. Legendarisch is zijn uitspraak van begin 1988 toen de koning hem vroeg om als informateur de weg naar een nieuwe regering te plaveien: “Sire, geef me honderd dagen.” Die onmogelijk ogende karweien leverden hem de ietwat denigrerende bijnaam ‘de loodgieter’ op. Door zijn nogal kortaffe communicatie kwam hij boertiger en minder empathisch over dan hij in werkelijkheid was. Vooral ten tijde van de affaire-Dutroux en de Witte Mars was dat een nadeel. Zijn adagium “Een probleem moet je pas oplossen als het zich stelt” versterkte het beeld van de loodgieter, terwijl hij echt wel visionaire capaciteiten bezat. Ik heb de man drie keer mogen interviewen bij hem thuis in Vilvoorde. Dat plompe was niet gespeeld, anderzijds was hij best wel open en hartelijk. Omschreef zichzelf een politicus van de vorige eeuw: een Dehaene zou niet renderen in deze tijden van sociale media en veelvuldige lekken. Iemand met zijn capaciteiten wordt node gemist in deze ontregelende tijden. In zijn gloriejaren was hij de juiste persoon op de juiste plaats. Hadden we die nu nog maar…



Belgische Politici Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on vr, juli 10, 2020 11:56:12

Bent u al bekomen van de eerste helft van de lijst? Dan bent u klaar voor de nummers 10 tot en met 4. U zult hierin vergeefs zoeken naar de nochtans illustere namen van bijvoorbeeld Théo Lefèvre, Pierre Harmel, Paul Vanden Boeynants, Frans Grootjans of Willy De Clercq. Twintig is nu eenmaal een restrictief aantal. En ik beoordeelde hen, in alle onbescheidenheid, als net iets minder belangrijk dan de twintig namen die er nu in staan, waarbij ik toch vooral ook de internationale impact — zoals aanwezigheid binnen de Europese Unie — probeerde te vatten. Hoe dan ook is dit een subjectieve lijst, laten we ’t daarover eens zijn.

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. HUGO SCHILTZ (1927-2006). Flirtte tijdens de Tweede Wereldoorlog als tiener met het nationaalsocialisme. Behield daarna wel zijn flamingantische overtuiging, maar wist dit in een democratische visie te integreren. Dat vloekte weleens met oudere partijgenoten binnen de Volksunie, waarin destijds nogal wat romantische flaminganten rondliepen, die de oorlog liever anders hadden zien eindigen. In 1965 werd Schiltz verkozen tot volksvertegenwoordiger. Tussen 1975 en 1979 was hij partijvoorzitter: het waren de woelige Tindemans-jaren, met onder meer het afgewezen Egmontpact. Daarna volgden ministeriële periodes: gemeenschapsminister van Financiën en Begroting (Vlaamse Executieve) en minister van begroting en wetenschapsbeleid en vicepremier (federaal). In 1991, op zijn vierenzestigste, werd hij senator, meestal het signaal van een fin-de-carrière. Schiltz was een groot voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte, een samengaan van Vlaanderen en Nederland, maar wat hem een staatsman maakte, was dat hij altijd realistisch en compromisbereid is gebleven. Dat hij op het eind van zijn leven na de implosie van ‘zijn’ Volksunie overstapte naar Spirit in plaats van bij de N-VA te gaan, maakt duidelijk waar hij ideologisch voor stond. Zeker geen nationalistische hardliner. Wel een bevlogen, soms genadeloze debater.

9. GUY VERHOFSTADT (°1953). Voluntarist, zo wordt hij genoemd. Nochtans vond een flink deel van de Vlaamse bevolking dat hij als jonge politicus eerder een blaag was. Als jongerenvoorzitter stookte hij eind jaren 70, begin jaren 80 geregeld een neoliberaal brandje, als grote fan van Margaret Thatcher. Daarna werd hij de op dat moment jongste partijvoorzitter ooit, op zijn 28ste. Hij leidde de PVV met harde hand en luide mond tussen 1982 en 1985. De drie daaropvolgende jaren was hij minister van Begroting en Wetenschapsbeleid en vicepremier in de zesde regering onder Wilfried Martens. Vooral zijn genadeloos begrotingsbeleid, in een tijd van zware economische crisis, en zijn blijvende voorkeur voor neoliberale recepten leverden hem de bijnaam ‘da joenk’ op. Een snotneus met een grote mond, in de ogen van oudere heren van stand. Daardoor werd hij in 1988 buitenspel gezet door een entente van partij, vakbond en standenorganisaties binnen de christendemocratie. Hij werd opnieuw partijvoorzitter, ten koste van Annemie Neyts, en vormde de PVV om tot de VLD, waarbij politieke verruiming centraal stond. Opeenvolgende verkiezingszeges brachten hem geen stap dichter bij de regering, tot de dioxinecrisis in 1999 een uitweg bood. Heel snel werd een paars-groene coalitie gevormd, met Verhofstadt als bevlogen premier. De euthanasiewet en de wet op het homohuwelijk dateren uit die periode, maar ook de opnieuw ontspoorde begroting. In 2009 werd hij Europees parlementariër. Ook daar is hij, als overtuigd Europeaan, een opgemerkte verkozene.

8. HERMAN VAN ROMPUY (°1947). De studax die opklom in de partijgelederen. Als directeur van de studiedienst van de CVP, Cepess, lag hij mee aan de basis van verschillende regeringen en staatshervormingen. Dat hij partijvoorzitter zou worden, stond in de sterren geschreven (1988-1993). Geen dankbare taak, gezien de tegenstrijdige en elkaar bekampende standen binnen de partij. Van Rompuy zat op de lijn-Tindemans, bij wie hij nog adviseur geweest was, die lijnrecht tegenover de lijn-Martens stond. In de regering-Dehaene I werd hij minister van Begroting, wat hij zou blijven tot de verkiezingen van 1999. Na acht jaar in de luwte — het leverde talloze haiku’s op — werd Van Rompuy in 2007 Kamervoorzitter en tussen 30 december 2008 en 25 november 2009 zelfs premier, in woelige politieke tijden (kennen wij er andere?). Zijn kenmerk: rustige vastheid. Die leverde hem begin 2010 de titel van voorzitter van de Europese Raad op (verkeerdelijk vertaald tot ‘Europees president’), wat hij bijna vijf jaar zou blijven. Zijn terughoudendheid, niet-dogmatisch conservatisme en bemiddelingsbereidheid waren grote troeven in die functie. “Wij bezweren als politici voortdurend dat we alles onder controle hebben, maar eigenlijk zijn wij machtelozer dan ooit,” zei hij ooit. “De eenvoudige waarheid is dat het ons ontsnapt, dat we er zeer vaak gewoon als toeschouwer bij staan.”

7. GASTON EYSKENS (1905-1988). Geen discussie wie er het meeste impact had, vader of zoon. Zoon Mark mag dan een betere bedenker van spitante oneliners zijn, vader Gaston is de staatsman van de twee. Mocht in drie woelige periodes een regering leiden: kort na de oorlog (1949-1950, waarin een devaluatie van de frank gerealiseerd werd), in de jaren van de gecontesteerde Eenheidswet (1958-1961) en aan het eind van de woelige jaren 60 (1968-1973). Tussendoor was hij minister in verschillende regeringen. Onder zijn bewind werd in 1970 de Eerste Staatshervorming doorgevoerd. Vanaf dan is België een geregionaliseerde eenheidsstaat met cultuurgemeenschappen en gewesten. Een kwarteeuw lang was Gaston Eyskens een dominant figuur binnen zijn partij en binnen de Belgische politiek.

6. WILFRIED MARTENS (1936-2013). Negen regeringen leidde de Oost-Vlaming tussen 3 april 1979 en 7 maart 1992, met een onderbreking van een half jaar waarin Mark Eyskens iets mocht proberen. Een paar van die regeringen bleven de hele rit overeind, de meeste struikelden onderweg. Het communautair kruitvat Voeren was niet zelden een aanleiding daartoe. Voorafgaand was er nog een periode van twaalf jaar waarin de unionistische federalist opviel als jongerenvoorzitter én voorzitter van de CVP. Hij was een voorstander van artikel 35 van de Grondwet, waarbij alleen afgesproken bevoegdheden op het federale niveau zouden blijven. Toch kantte hij zich tegen confederalisme en separatisme. Dat ik Martens niet hoger rangschik, mag u eerder subjectief noemen. Dat hij de Amerikaanse kruisraketten tegen de wil van het volk en het parlement liet installeren, vond ik een democratie onwaardig. Hij vond dat ‘evident’, zijn stopwoordje. Zeker in de ‘liberale’ periode (1982-1988) was zijn beleid vaak hardvochtig. Hij vond geen adequaat antwoord op maatschappelijke uitwassen als het Heizeldrama (waarbij minister van Binnenlandse Zaken Nothomb weigerde zijn verantwoordelijkheid te nemen) en de aanslagen van de Bende van Nijvel. Weifelde toen de koning weigerde de abortuswet te ondertekenen (terwijl de boodschap simpel had moeten zijn: sire, u heeft geen keuze, u móet tekenen!). Bovendien was de rol van Jean-Luc Dehaene bij regeringsvormingen belangrijker dan die van de toekomstige premier zelf. In 1992 nam hij een leidende rol op bij de EVP, de Europese christendemocraten. Op het eind van zijn leven kon hij nog genieten van mooie liefdesjaren met Miet Smet.

5. LUCIENNE HERMAN-MICHIELSENS (1926-1995). De hoogst geklasseerde vrouw — vrouwen worden pas sinds kort, en dan nog veel te weinig, naar waarde geschat in de Belgische politiek — zal bij u misschien een ‘Wie?’ oproepen. Bijna dertig jaar lang maakte ze deel uit van het partijbureau van de liberalen. Ze was ook een tijdje ondervoorzitter en, van 1984 tot 1991, fractieleider in de Senaat voor de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang. De domeinen waarop ze zich specialiseerde waren gezinsbeleid en gezondheidszorg. Dankzij haar inspanningen achter de schermen werd de vrijzinnigheid grondwettelijk erkend, naast de bestaande erediensten. Maar we moeten haar vooral onthouden als de stuwende kracht achter nieuwe wetgeving rond huwelijksrecht, evenwaardigheid van man en vrouw binnen het huwelijk, en de vrije verkoop van anticonceptiva, wat in het katholieke Vlaanderen niet voor de hand lag. En als u slechts bereid bent één ding te onthouden: ze lag mee aan de basis van de abortuswet van 1990, het resultaat van meer dan twintig jaar parlementair werk. De wet draagt ook de naam van de Waalse sociaaldemocraat Roger Lallemand. Minder dan vijf jaar na haar politieke triomf, die haar razend populair maakte in feministische en vrijzinnige middens, overleed ze aan de gevolgen van diabetes. Deze hoge plek voor Herman-Michielsens is tegelijk ook een hulde aan parlementariërs die zich, soms wars van de partijlijn en maatschappelijke tendensen, vol overgave van hun taak kwijten.

4. KAREL VAN MIERT (1942-2009). Reeds in zijn eindverhandeling toonde hij grote belangstelling voor de Europese Commissie. Begin jaren 70 werd hij medewerker van de Nederlander Sicco Mansholt, toenmalig Europees Commissaris voor Landbouwbeleid. Maar hij was ook actief in eigen land, bij de Rode Leeuwen en de Jongsocialisten, als kabinetsmedewerker van Henri Simonet en als kabinetschef van Willy Claes, minister van Economische Zaken. In 1978 werd hij covoorzitter van de nog unitaire BSP/PSB, die als gevolg van de discussies rond het Egmontpact een paar maanden later al opgesplitst werd in een Vlaamse en een Waalse vleugel. Zo werd Van Miert alleen partijvoorzitter, wat hij tot 1989 zou blijven. In die periode zou hij de slabakkende partij, mede dankzij een opvallende volksvertegenwoordiger als Louis Tobback, weer opkrikken. Bij de socialistische standen maakte hij zich minder populair door de partij te ontkoppelen van de vakbonden. Halfweg de jaren 80 werd hij ook ondervoorzitter van de Socialistische Internationale. In 1989 werd Van Miert benoemd tot Eurocommissaris voor Transport, Consumentenbeleid, Kredieten en Investeringen. Vier jaar later mocht hij daar de posten Personeel, Algemeen Beheer en Mededingingsbeleid aan toevoegen. Vooral op dat laatste vlak viel Van Miert op. Hij ging regelrecht in tegen multinationals en politieke lobbygroepen die zich tot dan toe almachtig hadden geacht. Het leverde hem de bijnaam ‘machtigste man van Europa’ op. Dat hij zijn in de Agusta-affaire in opspraak gekomen levenspartner Carla Galle onvoorwaardelijk is blijven steunen, zal wel een rol gespeeld hebben in het feit dat hij na zijn aftreden als Europees commissaris in 1999 geen rol van betekenis meer zou spelen. De nieuwe lichting keerde zich af van het verleden, ondanks de niet geringe verdiensten van Karel Van Miert voor partij, sociaaldemocratie in het algemeen, land en Europa.

Morgen: 3-2-1.



Belgische Politici Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on do, juli 09, 2020 11:46:07

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: neen, Bart De Wever staat er niet tussen. Dat heeft niet te maken met een speciale aversie voor de man of zijn partij, noch met zijn politiek gewicht. De Wever is momenteel zonder meer de beste van de klas. Probleem: het is een bijzonder zwakke lichting, nu al een hele tijd. De Wever is een intellectueel, stuurt het maatschappelijke debat — mede dankzij goed gekozen ‘handlangers’ in de Vlaamse media — in een richting die hij wil, werd niet voor niets ‘schaduwpremier’ genoemd ten tijde van de regering-Michel I, heeft de rol van Philippe Dewinter overgenomen als invloedrijkste politicus zonder zelf (officieel) aan de knoppen te hoeven zitten. Máár: wat heeft hij, lokaal, Vlaams en federaal, gedaan met de macht die de kiezer hem heeft toegeworpen? Is Antwerpen een nieuwe stad na acht jaar burgemeester De Wever? Is Vlaanderen een andere regio sinds de verkiezingen van 2014? En wat heeft De Wever, in de schaduw, weten te realiseren op federaal niveau, als leider van de grootste partij in de coalitie, met een Franstalige minderheid, met drie andere partijen die het dichtst bij zijn programma aanleunden? Bitter weinig, is het antwoord. Dus, daarom, geen De Wever. Laat hem eerst maar eens écht iets betekenen voor het Vlaamse volk.

Ook geen andere politici van nu. Maggie De Block en Theo Francken stonden jaren bovenaan in de polls als populairste politicus, maar dat was niet echt een gevolg van hun uitzonderlijke, politieke talent. Hun populariteit had álles te maken met het departement Asiel en Migratie, en met hun onverzettelijke houding ten aanzien van asielzoekers. Dat zag de Vlaming graag, iemand die de ‘vreemdelingen’ buiten hield. De Block heeft gefaald op een departement dat haar op het lijf geschreven leek (no pun intended), Volksgezondheid. Francken heeft veel geroepen — hoe ranziger, hoe meer de rechtse achterban dat apprecieerde —, maar was als staatssecretaris gewoon een uitvoerder, zoals het hoort. Een passant met een grote mond, quoi.

Beke, Rutten, Crombez, Rousseau, Almaci, Mertens, Reynders, vader en zoon Michel, Calvo, Van Grieken, Bourgeois, Leterme, Somers, Crevits, Milquet, Onkelinx, Magnette, Nollet, Spitaels, Busquin, Gol, Stevaert, zelfs de invloedrijke Dewinter, etcetera: neen, ze scoren meestal een onvoldoende, heel af en toe kan er van een zesjescultuur gesproken worden, of van een (te) korte periode van succes (Stevaert). Sommigen kunnen pas over een paar decennia objectief beoordeeld worden: misschien vinden we Alexander De Croo of Koen Geens over twintig jaar wel absolute toppers, het zou zomaar kunnen.

Mijn intentie was om een top 20 op te stellen voor de periode 1920-2020, sinds de Eerste Wereldoorlog zeg maar. Ik heb die uiteindelijk gereduceerd tot de periode 1945-2020, vanaf de Tweede Wereldoorlog dus. Hoe kan ik met de ogen van vandaag Edward Anseele, Camille Huysmans of Hubert Pierlot beoordelen? Het zou van iets te veel pretentie getuigen: de samenstelling van deze lijst is op zich al pretentieus genoeg.

U mag zich verwachten aan 7 christendemocraten, 7 sociaaldemocraten, 4 liberalen, 1 Vlaams-nationalist en 1 groene politicus. Twee Franstaligen en achttien Nederlandstaligen: dat zegt meer over mijn eerder gebrekkige kennis van politiek in Wallonië in combinatie met het gegeven dat onze federale regeringen en de cruciale departementen doorgaans geleid werden door een Vlaming. Zo konden die meer in beeld komen.

Vandaag belicht ik de nummers 20 tot en met 11, morgen 10 tot en met 4, zaterdag 3 tot en met 1. Het boos reageren mag een aanvang nemen.

20. JOS GEYSELS (°1952). Loodste als politiek secretaris van Agalev (1997-2003) de groenen voor het eerst in regeringen, federaal en Vlaams, en wist daarbij als kleinste coalitiepartij heel wat ecologische programmapunten af te dwingen. Lag mee aan de basis van het ‘cordon sanitaire’ tegen het Vlaams Blok. Heldere communicator, die ver van het wollige discours van andere generatiegenoten bleef. Rekende zichzelf de ontluisterende nederlaag van Agalev bij de federale verkiezingen van 2003 zwaar aan. Trad onmiddellijk af als politiek secretaris, wat meteen ook zijn afscheid van de actieve politiek was. Zonde, voor iemand met zijn politiek talent en op die prille leeftijd (nog geen 53). Werd daardoor ook een pijnlijk voorbeeld van de manier waarop politici in dit land veel te vroeg opgebrand worden. Zie ook nummers 18, 15 en 14.

19. ELIO DI RUPO (°1951). Al twee decennia de machtige man van het Waalse socialisme en zo de natuurlijke opvolger van André Cools, Guy Spitaels en, in mindere mate, Philippe Busquin, al begon hij onder die toenmalige PS-minister wel zijn politieke carrière. Was tussen 1994 en 1999 federaal vicepremier onder Jean-Luc Dehaene en tevens minister van Economische Zaken. In de nasleep van de affaire-Dutroux werd hij door een fantast valselijk beschuldigd van pedofilie, wat zijn carrière bijna abrupt tot een einde bracht. Sinds 1999 was Di Rupo, met een paar onderbrekingen, partijvoorzitter van de PS, een partij die door een diepe crisis ging, in de eerste plaats vanwege tal van corruptieschandalen waarbij hooggeplaatste en machtige functionarissen betrokken waren. Pas na twintig jaar, een eeuwigheid in onze politieke constellatie, gaf hij de fakkel door aan Paul Magnette. Eind 2011 werd Di Rupo, na de fameuze 541 dagen, premier van een klassieke tripartite, met een minderheid aan Vlaamse kant. Ondanks het feit dat de Vlaamse partijen er bij de verkiezingen van 2014 op vooruit gingen, bleef het bij een ambtstermijn van net geen drie jaar. Di Rupo is tegenwoordig al voor de derde keer minister-president van Wallonië. Het politieke succes van Di Rupo is om twee redenen merkwaardig en hoopgevend: hij is de zoon van Italiaanse immigranten, waardoor hij een voorbeeldfunctie heeft naar gemeenschappen met andere wortels. En hij is de eerste openlijk homoseksuele politicus die tot de hoogste echelons van het land weet door te dringen. Dat is geen verdienste — hij is wie hij is —, maar het is eveneens hoopgevend dat dit geen issue was.

18. WILLY CLAES (°1938). Politicus-pianist-dirigent. Een pijnlijk voorval in zijn jeugd — het gezin-Claes werd uit een huurhuis gezet omdat een familielid van de verhuurder erin wilde komen wonen, waarna zijn oude piano oneerbiedig op het trottoir werd neergeplaveid — verklaart zijn keuze voor de sociaaldemocratie. In de jaren 70 was hij achtereenvolgens minister van Onderwijs en Economische Zaken (in twee regeringen, de tweede keer als vicepremier). Van 1975 tot 1977 was hij co-voorzitter, naast André Cools, van de nog unitaire BSP/PSB. Op zijn 44ste werd hij al tot minister van Staat benoemd, wat uitzonderlijk jong is. Tussen 1988 en 1994 werd hij opnieuw vicepremier en bemande hij ook de ministerposten van Economische Zaken, Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Zesentwintig jaar lang was hij ook volksvertegenwoordiger. Zijn grootste persoonlijke triomf, de benoeming tot secretaris-generaal van de NAVO in 1994, werd ook zijn grootste desillusie. Een jaar later moest hij aftreden vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Agusta-affaire. Pas vele jaren later, toen hij de actieve politiek teleurgesteld verlaten had, werd hij vrijgepleit. Zo komt het dat ook Claes al op z’n 57ste uitgerangeerd werd. Gelukkig voor hem was er nog de muziek.

17. PATRICK DEWAEL (°1955). Volgens mensen die het kunnen weten de beste minister van Cultuur die Vlaanderen ooit heeft gekend. Nochtans is dat al een eeuwigheid geleden (1985-1992). Als rechterhand van Guy Verhofstadt zag hij de partij bij elke verkiezing groeien en toch aan de zijlijn blijven staan. De wraak was zoet, toen Verhofstadt in 1999 de sleutels van de Wetstraat 16 kreeg en Dewael, als minister-president, die van het Martelaarsplein 19. Hij bleef het vier jaar, waarna hij aan de zijde van Verhofstadt minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier werd. Dat een eminente kenner van de juridische geplogenheden van deze ingewikkelde staat vervolgens Kamervoorzitter werd, hoeft niet te verbazen. Sinds 1994 is Dewael ook burgemeester van Tongeren, een stad die onder zijn impuls van een ingedommeld groot dorp uitgroeide tot een levendige stad.

16. LOUIS TOBBACK (°1938). Groeide in de jaren 80 als fractievoorzitter van de SP uit tot gesel van de opeenvolgende regeringen-Martens. Vergeleek de premier met Caligula, een uitspraak die lang bleef hangen. Toch mocht hij in 1988 bij Martens en Dehaene aanschuiven om een nieuwe regering te vormen, waardoor ‘da joenk’ (bijnaam van de toen nog thatcheriaanse Verhofstadt) opzij geduwd kon worden. Werd twee keer minister van Binnenlandse Zaken, nam de tweede keer ontslag na de dood van de uitgewezen asielzoekster Semira Adamu. Vooral in de tussenperiode (1994-1998) was zijn rol onmisbaar voor de Vlaamse sociaaldemocraten. Met de slogan ‘Uw sociale zekerheid’ behoedde hij hen als partijvoorzitter in 1995 voor een forse nederlaag, waardoor de terugkeer van de VLD en Verhofstadt kon afgewend worden, ook al omdat Dehaene en Tobback een tandem vormden, met veel wederzijds respect. Startte in die periode ook de noodzakelijke vernieuwing van zijn partij op, wat een nieuwkomer als Steve Stevaert de kans gaf zich te profileren. Was ook vierentwintig jaar lang burgemeester van Leuven. Tobback was een van de eerste politici die besefte dat spitse oneliners een pluspunt zijn om een boodschap over te brengen.

15. FRANK VANDENBROUCKE (°1955). De intelligentste van de klas van de afgelopen dertig jaar. Meer academicus dan politicus, maar net daardoor een frisse verschijning in de vermolmde politieke wereld in ons land. Begon als volksvertegenwoordiger, was heel kort fractieleider, om dan al, op zijn drieëndertigste, partijvoorzitter te worden. Een vergiftigd geschenk, met een aantal schandalen met partijmedewerkers in het verschiet. In 1994 werd hij voor eventjes minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier, waarna hij in Oxford ging studeren (om nóg slimmer te worden). Hij keerde als een gelouterd man terug en werd minister van Sociale Zaken en Pensioenen, daarna Werk, om tenslotte op het Vlaamse niveau minister van Onderwijs en Vorming en viceminister-president te worden. Zijn partijprogramma’s overstijgende analyses op het vlak van pensioenen en onderwijs werden slechts matig geapprecieerd, vooral binnen de eigen partij. Hij werd dan ook met zachte dwang naar de uitgang begeleid. Zonde, voor een op dat moment nog maar 53-jarige politicus.

14. KAREL DE GUCHT (°1954). Zonde, deel vier, dat iemand als deze liberale topper ook al op vrij jonge leeftijd — in zijn geval zestig — uitgerangeerd werd. In de relatieve luwte van het Europees Parlement kon De Gucht, voormalig jongerenvoorzitter van de PVV, zich zachtjes aan profileren. Na het verkiezingsdebacle van 1994 moest hij zich terugwerpen op het Vlaamse niveau. In 1999 werd hij partijvoorzitter van een partij in bloei, met Verhofstadt en Dewael als premier en minister-president. In de discussie over het migrantenstemrecht — De Gucht was pro, maar voelde aan dat het momentum er niet was — demonstreerde hij zijn koppige rechtlijnigheid, niet altijd een bondgenoot. Als minister van Buitenlandse Zaken (2004-2009) vormde die rechtlijnigheid, gekoppeld aan vlijmscherpe communicatie, alweer een heikel punt, vooral in zijn relatie tot Congo. Tussen 2009 en 2014 was hij een opgemerkte Europees Commissaris voor Handel. Zijn mandaat eindigde niet vanwege onvoldoende prestaties, maar omdat in de traditionele koehandel die volgt op verkiezingen, Marianne Thyssen (CD&V) de voorkeur kreeg op hem.

13. MARIANNE THYSSEN (°1956). Als opvolgster van De Gucht kreeg ze in 2014 het departement Werk, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit toegewezen. In tegenstelling tot haar Belgische voorganger deed ze dat eerder discreet, mét resultaten. Sociaal beleid werd een belangrijke pijler van de Europese Unie, sociale rechten werden goedgekeurd, sociale dumping aangepakt. Tussen 2008 en 2010 kreeg ze van haar partij een vergiftigd geschenk toegeschoven: het voorzitterschap in een periode dat Yves Leterme er niet in slaagde zijn verkiezingsoverwinning, in een kartel met N-VA, te verzilveren. Zij mocht de brokken lijmen. In tegenstelling tot de andere CVP- en CD&V-voorzitters viel Thyssen op door een duidelijkere, minder omfloerste communicatie. Aan het eind van een politieke carrière mag de conclusie zijn: verdienstelijk, maar plus était en elle. Dat ze dat niet gerealiseerd heeft, is echter niet haar fout.

12. MIET SMET (°1943). Opgegroeid in het zogeheten ‘wonderbureau’ van de CVP Jongeren, duurde het wel tot haar vijfendertigste tot ze volksvertegenwoordiger werd. Ze viel het grote publiek voor het eerst op als staatssecretaris voor Milieu en Sociale Emancipatie in de tweede helft van de jaren 80, maar haar glorieperiode beleefde ze als minister van Tewerkstelling en Arbeid (1992-1999). Voor het eerst werd er écht werk gemaakt van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Smet toonde zich een hardnekkige tegenstander van de oude politieke school, die nogal seksistisch en patriarchaal van aard was. In 1999 werd ze aangeduid als lijsttrekker van de Europese lijst van de CVP, wat ten koste ging van… Wilfried Martens, die weigerde op de lijst te staan. In 2008 trouwde ze met de voormalige premier. Smet blijft een scherpe waarnemer van het politieke bestel.

11. LEO TINDEMANS (1922-2014). De man van het hoogste aantal voorkeurstemmen ooit: bijna één miljoen bij de Europese verkiezingen van 1979. Dat was nadat hij twee regeringen had geleid in de periode 1974-1978. Die tweede beëindigde hij abrupt met de legendarische woorden in het parlement: “Voor mij is de grondwet geen vodje papier. (…) Ik ga van deze tribune weg, ik ga naar de koning en ik bied het ontslag van de regering aan.” Daarmee kwam er een einde aan een lange discussie rond het Egmontpact, een beoogde staatshervorming waarbij de taalgemeenschappen meer bevoegdheden moesten krijgen, maar die uiteindelijk op verzet stuitte bij CVP en Volksunie. Tindemans werd ‘beloond’ met het partijvoorzitterschap (1979-1981), gevolgd door acht jaar als minister van Buitenlandse Zaken. Al die tijd was de relatie met partijboegbeeld Wilfried Martens ijzig.

Morgen: 10 t/m 4.



Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



« VorigeVolgende »