Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Mijn Beerschot-memoires (deel 1)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 25, 2022 11:44:49

Tien jaar geleden liep mijn kortstondig avontuur als woordvoerder bij Beerschot AC ten einde, na amper tien maanden en een paar weken. ‘Avontuur’ is de juiste omschrijving van dat ene intense, prettige, onprettige, knotsgekke, waanzinnige, absurde seizoen 2011-2012, waarin ik van de ene verbazing in de andere viel. Voetbal, een feest. En een nachtmerrie. En een immorele wereld. En nog wat van die dingen. Ik zou er een boek mee kunnen vullen, maar omdat ik betwijfel of er een uitgeverij geïnteresseerd is in wat er toen — bij een, laten we wel wezen, bescheiden club vol onbescheiden grootspraak — allemaal is gebeurd, bal ik de ‘belangrijkste’ gebeurtenissen samen in twee ietwat ruim bemeten blogposts. Vandaag deel 1, volgende week zaterdag het vervolg.

***

Kort voor de zomervakantie van 2010 las ik op een of andere site dat een zekere Patrick Vanoppen van plan was om Germinal Beerschot over te nemen. Officieel en voluit: Germinal Beerschot Antwerpen. Een kunstmatig gedrocht van bij het begin, een fusie tussen noodlijdende clubs uit Ekeren en op het Kiel, die voorjaar 1999 met de nodige tamtam werd bezegeld: Beerschot VAC stond op het punt om failliet te gaan, Germinal Ekeren had geen stadion meer. Verstandshuwelijken missen passie, dat is geweten.

            Ik had een verleden op het Kiel. Samen met mijn grootvader langs moeders kant ging ik sinds november 1966 naar Beerschot, ik was niet eens acht jaar oud. Bompa had tussen de twee wereldoorlogen alle zeven titels van de club meegemaakt, hij had Raymond Braine en Rik Coppens zien schitteren in dat Olympisch Stadion. Ik werd al snel meegezogen in die aparte sfeer, tikkeltje arrogant, met zijn veeleisende supporters, die terugdachten aan de gloriejaren die de meesten niet eens zelf hadden beleefd, die koppig hoopten op beterschap en die in de plaats vooral sportieve en financiële miserie kregen. Maar toch ook een flinke portie kirrend voetbalplezier dankzij Lothar Emmerich, Guido Mallants, Arto Tolsa, de unieke jonge artiest Juan Lozano, Emmanuel Sanon, Jan Tomaszewski, Rik Coppens als trainer. Aardig tot zeer aardig voetbal, zeer gemotiveerde spelers tegen de groten van het Belgische voetbal, ongeïnteresseerde lamlendelingen tegen de kleintjes. Spelen tegen Anderlecht vonden ze prettig, Beringen interesseerde hen niet. Die desinteresse was nog groter bij uitwedstrijden. Een team van Net Niet. En een club van veel grootspraak, vóóral veel grootspraak. Veel meer grootspraak dan de prestaties toelieten alleszins.

            Mijn club(je).

            Mijn kleuren.

            Mijn jeugdliefde.

            Een club met een grote potentie in een stad die best wel twee ambitieuze eersteklassers kon herbergen, en dat is geen grootspraak.

Bij Germinal Beerschot voelde grote baas Jos Verhaegen — de man die Germinal heel knap van tweede provinciale naar eerste klasse had gevoerd met een zuinig en hyperrealistisch beleid — zich nooit thuis. Het Kiel was het Veltwijckpark niet. Verhaegen leidde bouwbedrijf Versnel samen met René Snelders, de vader van Eddy. Samen leidden ze ook een provinciaal voetbalclubje. Verhaegen werd in de jaren 90 een geslaagde handelaar in verloren voetbalproducten, spelers die elders waren gedumpt, vol revanchegevoelens, en die hij voor een appel en een ei op de kop had getikt: een methode die perfect werkte in Ekeren, maar niet aan de andere kant van de stad. Daar wilde men méér. Daar wilde men, bijvoorbeeld, niet dat onmiddellijk na de bekertriomf van 2005 (2-1 tegen Club Brugge) de beste speler en aanvoerder van het team, de Colombiaan Daniel Cruz, voor een habbekrats verpatst werd aan de eerste de beste geïnteresseerde, in zijn geval Lierse. Na een half jaar stond Cruz terug op het Kiel. Heimwee naar die unieke fans, steeds op het randje, er soms ook genadeloos over, compromisloos. Zuid-Amerikaanse voetballers zijn altijd welkom geweest bij Beerschot. Liever een dribbel te veel dan een fantasietje te weinig. Verhaegen wilde in de eerste plaats cashen. Dat stond voor hem boven elke vorm van sportieve ambitie. Zo ontstond een logisch schisma met die duizenden succeshongerigen op de tribunes. Verhaegen werd de vijand van de supporters, werd zelfs in zijn eigen woonst belaagd, wat in geen enkel opzicht goed te praten valt. Niet onbegrijpelijk dat de man zo snel mogelijk dat vergiftigd stedelijk geschenk probeerde te verpatsen. Cashen, weet u wel.

            Exit Jos Verhaegen.

VOORZITTER IN BERENPAK

Toen ik dat bericht las van de mogelijke overname was ik drie en een half jaar aan de slag als hoofdredacteur op de redactie van PRIME Sport (dat later Sporting Telenet ging heten en nog later Play Sports). Ik zat daar in principe goed: kwalitatief sterke, gemotiveerde redactie. Grote tv- én sporttalenten, nauwelijks tafelspringers. Fijn loon, verwarmde zetels van de salariswagen onder mijn kont, behoorlijk tevreden bazen, behoorlijk tevreden kijkers, interessant aanbod van buitenlandse topcompetities in de portefeuille.

            Ik had er ongetwijfeld nog heel wat ongestoorde jaren voor de boeg, maar ik voelde me stilaan een conciërge. Zorg dat je netjes binnen het vooropgestelde budget blijft en we laten je gerust, Van Laeken. Met andere woorden: wees vooral niet ambitieus, maak televisie volgens de normen van een allang gepasseerd decennium (want we willen winst maken!), hou je troepen in het gareel. Van Laeken wilde echter meer: meer studio-omkaderingen (die er nadien ook zouden komen), meer eigen reportages (die er nadien ook zouden komen), meer een tv-station met een eigen smoel dan een soort jukebox die op verzoek live voetbal uitspuwt (wat het nadien ook is geworden). Dus schreef ik die meneer Vanoppen in juni 2010 aan op het e-mailadres van zijn bedrijf, Vivinvest. Of hij geen woordvoerder nodig had.

            Ik kreeg geen antwoord.

            De projectmakelaar nam op 16 februari 2011 de club over, naar verluidt voor vijf miljoen euro, geld dat hij niet had (al blijft hij het tegenovergestelde beweren), maar dat kwamen we pas later te weten. Hij kondigde een naamsverandering aan: Germinal Beerschot moest opnieuw Beerschot worden, de AC van Antwerpen Club erachter was niet meer dan een onbeduidend detail. En het ‘magische’ stamnummer 13 zou terugkeren, zo beloofde hij.

            Eerlijk, ik was die e-mail al vergeten, toen ik de derde week van mei 2011 opeens gebeld werd door Jacques Vanderveren, secretaris van de ‘nieuwe’ club en rechterhand van Vanoppen op de Beerschotkantoren. Of ik nog altijd geïnteresseerd was. En of ik dan even wilde langskomen. Wat ik deed, in het gedacht dat het een vrijblijvend gesprek zou worden. Tot ik vijf dagen later al uitgenodigd werd voor een tweede gesprek, deze keer in het bijzijn van Patrick Vanoppen. Wat ik zag: een dynamische man, snel pratend, veel volume, misschien wel de juiste man op de juiste plek om mijn clubje uit de vergeethoek te halen. Wat ik niet zag: dat die dynamiek en dat volume een gebrek aan inhoud moesten camoufleren, en dat deze meneer niet de middelen noch de connecties had om een professionele voetbalclub te leiden. Ik was verblind, kreeg hetzelfde nettoloon voorgeschoteld als bij mijn toenmalige werkgever, firmawagen, gsm (de iPhone moest ik maar overkopen van mijn werkgever), ja, ik zou zelfs gegarandeerd zes maanden opzeg krijgen, ook al zetten ze me na een paar maanden al op straat. Enfin, op wat details na — die ik niet goed had nagekeken —zou ik er financieel niet op achteruitgaan. Dacht ik. Maar wat bovenal speelde: werken voor mijn favoriete club? Dit was niet eens een stoute droom die waar kon worden, zoiets dúrfde ik niet eens te dromen, zo onrealistisch leek dit scenario wel.

            Tijdens mijn vakantie in Toscane werden de laatste contractuele afspraken op papier gezet — echtgenote niet blij, want ze vond die voetbalwereld maar een raar zootje, plus dat ik elk weekend zou moeten gaan werken —, vanaf 1 augustus 2011 mocht ik me pers- en communicatieverantwoordelijke van Beerschot AC noemen. Het werd zomer en net als de zestienjarige Rob de Nijs liet ik me al te makkelijk verleiden.

            De voorzitter had intussen in berenpak geposeerd in het gezelschap van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens, notoir Beerschotsupporter. De buitenwacht lachte Vanoppen vierkant uit, de supporters vonden het geweldig. Ik stond er niet bij stil: ik kon niet wachten op 1 augustus. Ik was tweeënvijftig en klaar voor een laatste grote klus in mijn professionele leven. Het voelde als thuiskomen. Ik stuurde een overdreven enthousiaste e-mail naar al mijn vrienden en professionele contacten. ‘Een bescheiden “Yes we can”-kreet wil ik mezelf niet onthouden’, stond daarin onder meer te lezen. Je bent jong en je wil wat. Obama citeren, bijvoorbeeld.

            Op de ploegvoorstelling stond ik nog niet op het podium, maar ervoor, onder de fans. Het meeste applaus oogstten de teruggekeerde lokale vedette Hernán Losada, een Argentijn met kwieke voetjes die alleen op het Kiel gedijde, en materiaalmeester Jos Van Hout — Beersgod hebbe zijn ziel. In zijn onnavolgbare stijl riep die: ‘Ik zen blaai dat die kiekes aaindelek van ons logo verdwejne zaain!’, verwijzend naar de nogal komiek uitziende roofvogels op het originele embleem van Germinal (Beerschot).

            ‘The bear is back’, juichten de fans. Er had toen al een belletje moeten rinkelen om nakend gevaar te signaleren. Niet alleen bleven enkele honderden oorspronkelijke Germinalfans voortaan clubloos thuis, de verwachte toestroom van nieuwe/oude Beerschotsupporters bleef ook uit. Gemiddeld zouden er vijfhonderd toeschouwers minder zijn dan het vorige seizoen, maar dat wisten we dan nog niet. The bear was alleen in naam back.

            De keizer droeg geen kleren, op dat berenpak na.

INTRODUCING: STIJN STIJNEN

De paarswittebroodsweken verliepen uitstekend. Trainer Jacky Mathijssen nodigde mij dadelijk uit om kennis te maken met de spelersgroep. Ik stelde mezelf in het Nederlands en het Engels voor, en benadrukte hoe ik mijn rol zag: loyale werknemer van de club, aanspreekpunt voor staf en spelers, met als voornaamste missie om de club op een positieve manier in de pers te krijgen. Ik maakte een document op met richtlijnen voor interne en externe communicatie. Alle interviewaanvragen zouden voortaan via mij lopen, na overleg met de trainer konden spelers beschikbaar worden gesteld voor een gesprek met een journalist. De belangrijkste stelregel in mijn, toegegeven, iets te lange en iets te hoogdravende tekst was dat er nooit gelogen mocht worden. Dingen niet of omfloerst zeggen, dat kon, maar liegen niet.

            Zou er iemand binnen de club die volledige tekst ooit gelezen hebben?

            Vanoppen liep hoog op met zijn nieuwe persman. Hij stelde me aan iedereen voor als ‘vroegere chefsport op de VRT’. Prestige, natuurlijk. Zie eens wie ik heb kunnen strikken! De gestrikte mocht dan wel de titel ‘pers- en communicatieverantwoordelijke’ voeren, in werkelijkheid kwam het erop neer dat ik én het woord voerde én de prille socialemediakanalen moest beheren én de ploegopstellingen intikte en printte voor pers en VIPs én de wedstrijdverslagen en alle nieuwsberichten op de website plaatste én die website zelf hielp creëren én… Het takenpakket hield niet op. Ik was, naar de hit uit 1974 van Leo Sayer, in alle opzichten een one man band (‘Well I’m a one man band / Nobody knows nor understands / Is there anybody out there wanna lend me a hand / To my one man band?’).

            Op wedstrijdavonden was er een handvol getrouwen dat instond voor live verslaggeving op Twitter, die reacties sprokkelden bij staf en spelers, en die de aanwezige perslui op hun wenken bedienden, dat wel, maar daarnaast stond ik er alleen voor. Centen om filmpjes en reportages te draaien waren er niet. Voor niets waren er trouwens centen. Er was niet eens een eigen website toen ik begon. De voorzitter schakelde een gereputeerd communicatiebedrijf in om de website te creëren, betalen deed hij hen niet. Want, u raadt het al, geen centen.

            Al snel kwam er een eerste bedenkelijke klus aan. Ik moest dringend op zoek naar een lokaal om de pers te kunnen ontvangen. De vorige perszalen waren immers omgetoverd in respectievelijk VIP-ruimte en spelershome. Nauwelijks iemand binnen de club was geïnteresseerd in het mee zoeken naar een oplossing, hoewel een goed geoutilleerd perslokaal een verplichting was, van de Pro League én van de sportpersbond. Maar binnen alle geledingen van de club werd de pers diep gehaat: journalisten schreven te negatief over Beerschot, ze waren alleen uit op sensatie, ze zochten naar spijkers op laag water.

            Calimero op het Kiel.

            Alleen community manager Paul Beloy, een van de helden die ik in 1979 de beker zag winnen op de Heizel en algauw een fijne collega, en liaison manager Luc Van den Bosch, een pragmatische cynicus met een verleden bij de liberale vakbond, werkten mee. De eerste thuiswedstrijd, zaterdag 6 augustus tegen AA Gent, kwam er na een paar werkdagen al aan. Ik had geluk: een van de VIP-ruimten was nog niet verhuurd voor het nieuwe seizoen, de eerste drie matchen konden we daar de pers ontvangen. Oef! Pas begin september, een maand na mijn aantreden, werd een definitieve locatie gevonden. Primitief, maar bruikbaar. En zeer tegen de zin van enkele mensen binnen de club. Die hadden liever gehad dat de journalisten op de parking bleven staan, bij voorkeur in de gietende regen, zonder paraplu.

            Dinsdag 9 augustus riep sportief directeur Chris Van Puyvelde me ’s ochtends bij zich: of ik als de wiedeweerga de voetbaljournalisten wilde uitnodigen voor een persconferentie waarop nog diezelfde namiddag een ‘spraakmakende transfer’ zou worden bekendgemaakt. Ik stuurde een cryptische e-mail de deur uit. Om wie het dan wel ging, wilde ik toch wel even weten. Stijn Stijnen, zei Van Puyvelde. Nou! Spraakmakend was inderdaad het juiste adjectief, minder dan een half jaar voordien was de dertigjarige doelman, dertigvoudig international, bij Club aan de deur gezet omdat hij zijn concurrenten in het Brugse doel onder de schuilnamen Frigo en Piop zou hebben bezwadderd op internetfora. Deze aankondiging was een bom. Gegarandeerd veel persaandacht.

            Alleen jammer dat de verantwoordelijke voor de afhandeling van de transfers blijkbaar zat te slapen, want het lukte niet om Stijnen voor de eerstvolgende wedstrijd, opnieuw op eigen veld tegen Westerlo, speelgerechtigd te maken. Een domper op de feestvreugde. Gelukkig zaten er nog drie andere keepers in de spelerskern. Weelde. (Maar geen centen.)

‘KAWASHIMA FUKUSHIMA!’

De comeback van Stijn Stijnen door de grote poort moest dan maar gebeuren de daaropvolgende speeldag: vrijdag 19 augustus. Uit bij Lierse, een regionale derby. Een dag voordien had een noodweer vijf dodelijke slachtoffers geëist op Pukkelpop. De minuut stilte vóór Lierse-Beerschot werd door beide supportersclans integraal gerespecteerd. Mooi. De vijandigheid na het eerste fluitsignaal was minder mooi. ‘Stijnen janet’, riepen de thuisfans tegen de debuterende nieuwkomer in het Beerschotdoel.

            In de tweede helft stond de Japanse doelman Eiji Kawashima met zijn rug naar de vijandige aanhang. Beerschot kwam 1-0 achter. ‘Kawashima Fukushima!’ riepen de paarswitte supporters toen de doelman halfweg de tweede helft tergend traag een bal ging ophalen achter de doellijn. De verwijzing naar de ramp in de kerncentrale in de stad Fukushima, in maart van dat jaar, was bijzonder pijnlijk voor de geëmotioneerde doelman van de Japanse nationale ploeg. Er werd ook met bekertjes bier richting keeper gesmeten. Scheidsrechter Luc Wouters legde de wedstrijd stil. Op de perstribune keek ik schichtig achterom naar het handvol Japanse journalisten dat elke beweging van Kawashima volgde voor de voetballiefhebbers op het thuisfront. Zij zagen onmiddellijk de ernst van de situatie in, keken elkaar vol ongeloof aan, de rest van de pers en bij uitbreiding de vele duizenden op de tribunes hadden het alleen maar over de projectielen en hoe vervelend het wel niet was dat de wedstrijd stilgelegd was.

            Beerschot had twee keer geluk. Na de onderbreking stonden ze bij de thuisploeg nog te pitten, zodat Losada op aangeven van een Lierse-verdediger de gelijkmaker kon binnenschieten. En de ref had het in zijn rapport achteraf alleen maar over de bierbekers, niet over de wansmakelijke gezangen. Dat zou nog van pas komen.

            De dagen nadien, die zich vooraf aankondigden als een vrij weekend voor mij, was het op eieren lopen. De ambassadeur van Japan in ons land riep premier Leterme op het matje. Een hoge pief van de voetbalbond liet optekenen dat Beerschot streng gestraft moest worden. In de Japanse media werd Beerschot met de grond gelijkgemaakt, een club met racistische supporters, wat denken die wel. Patrick Vanoppen en Jacques Vanderveren vroegen zich af waar al die heisa voor nodig was, toch niet voor het roepen van een paar onheuse dingen, zeker?

            De raadsman van de club, Bob van Jole, was slimmer. Hij zag de ernst wél in, maar wilde ook dat de communicatie voorzichtig verliep. Terughoudend. De club mocht vooral geen excuses aanbieden, want dat zou een schuldbekentenis hebben ingehouden. Dus hield ik het in een communiqué op ‘betreuren’ en ‘distantiëren’ van wat er geroepen werd. Vager kon ik het echt niet formuleren.

            Maandagochtend werd ik opgebeld door een reporter van Radio 2 Antwerpen. Ik bleef de hele tijd op de vlakte, het wereldrecord rond-de-pot-draaien werd flink scherper gesteld die dag. Máár: ik hield me aan mijn adagium, niet liegen. Nóóit liegen. Zo werd het een gesprek met alleen maar vragen, geen echte antwoorden. ‘Onnozelaar’, beet de journalist mij toe na het gesprek, toen hij dacht dat de lijn al verbroken was. Het is de jonge Dennis van den Buijs hierbij vergeven.

            ’s Avonds zat Patrick Vanoppen in de studio van Extra Time. Ook hij dribbelde op zeer handige wijze om de hete brij heen. Een zeldzaam communicatief sterk moment. ‘Die man heeft geen coaching nodig’, zei mijn vrouw. Ik knikte. Een frisse wind in het vermolmde, verstarde voetbalmilieu, dachten we op dat moment. We hadden gelijk, maar niet om de juiste redenen. Ook frisse winden kunnen behoorlijk stinken.

            Lang duurde het niet voor de voetbalbond met een ‘gepaste straf’ afkwam: een boete van vijftienduizend euro, later nog verhoogd tot 24.700 euro. Van Jole bleef kalm. De club verwees naar het officiële wedstrijdblad, waarop geen sprake was van ongepaste uitlatingen. Bovendien is het de thuisploeg die verantwoordelijk is voor het ordentelijk verloop van een wedstrijd, op en naast het veld. Dat was Lierse, niet Beerschot. En tenslotte duidde de in de media geponeerde eis van een bondsbobo om Beerschot streng te straffen op partijdigheid, zo vond de club. (Het zou nog maanden en een lange procedure vergen tot de enige mogelijke juridische conclusie was dat de club Beerschot niet verantwoordelijk kon worden gesteld. Weg boete. Wat bleef was schaamte.)

            Nog meer ophef veroorzaakte de diplomatieke rel tussen Japan en België, en tussen Japan en Beerschot (en tussen de rest van de voetbalwereld en Beerschot). Dit was niet iets dat we met een simpel perscommuniqué konden opvangen. Ik werd in de rol van crisiscommunicator gedwongen. Er werden lijntjes uitgezet naar de Japanse gemeenschap in België, het gedrag van de eigen fans werd openbaar gelaakt (maar er volgden geen excuses), de club deed er alles aan om zich in de weken na het incident keurig te gedragen. De inspanningen loonden. Via de zaakwaarnemer van Eiji Kawashima werd er dinsdag 20 september – één maand en één dag na de feiten — een flink bijgewoond persmoment georganiseerd in een Liers restaurant, waar de voorzitter van Beerschot en de doelman van Lierse zij aan zij zaten, de eerste om zich te verontschuldigen, de tweede om die excuses te aanvaarden.

            Een dag later werd een delegatie van Beerschot — voorzitter Vanoppen, raadsman Van Jole, uw dienaar — plechtig ontvangen op de Japanse ambassade in Brussel. Ik zat een rijtje achter de officiële vertegenwoordigers, zoals het hoort voor een lakei. ‘Hoewel wij als club niet verantwoordelijk mogen worden gesteld voor het gedrag van enkele supporters, betreuren wij toch ten zeerste wat er is gebeurd en hopen we met deze excuses een betere en diepere relatie uit te mogen bouwen met de mensen van Japan’, stamelde een opvallend nerveuze Vanoppen. Elk woord telde en dus werd de tekst netjes en integraal afgelezen. Geen ruimte voor improvisatie. De vertaler fluisterde discreet in het oor van de ambassadeur wat dat rare mannetje allemaal aan het zeggen was. ‘Ik hoop dat u er alles aan doet om dit soort incidenten in de toekomst te voorkomen en dat het niet meer gebeurt’, zei de heer Jun Yokota, terwijl hij het hem geschonken Beerschotshirt met zijn naam op de rug met enige verwondering bekeek.

            Het algemene gevoel na die hoffelijke ontmoeting, waarmee het incident officieel werd afgesloten, was dat de commerciële verantwoordelijken van de club dringend contact moesten opnemen met Belgische vestigingen van Japanse bedrijven: hier zat business in, dachten alle betrokkenen. Daarmee werd ‘Kawashima Fukushima!’ — op het vergeefse gepruttel van het machteloze bondsparket na — aan de geschiedenisboeken toevertrouwd, meer bepaald aan het nogal lijvige hoofdstuk ‘Ongepaste en smakeloze supporterskreten’.

Op vraag van Patrick Vanoppen werkte ik een basisdocument uit dat moest dienen als toekomstig charter ‘Positief supporteren’, waarmee Beerschot de positieve toon moest zetten in het Belgische voetbal.

            ‘Zeer goede tekst’, repliceerde de voorzitter. Hij zou dode letter blijven.

WOUTER VERSCHELDEN IS BOOS

Zondag 2 oktober 2011 ontving Beerschot Club Brugge, in wat de eerste confrontatie met zijn ex-club zou worden voor Stijn Stijnen. Uiteraard wilde de pers daar uitgebreid op ingaan. Om een resem aparte aanvragen voor te zijn, had ik met de trainer en met Stijnen zelf afgetoetst of zij een persmoment van een uur zagen zitten. Stijnen was niet al te enthousiast, maar besefte dat de aandacht onvermijdelijk was. Hij eiste wel dat er niet over De Zaak zou gepraat én geschreven worden.

            Er werd afgesproken de pers de vrijdag voor de wedstrijd uit te nodigen. In mijn e-mail vermeldde ik de eis van Stijnen en vroeg ik de journalisten om te bevestigen dat ze hiermee akkoord gingen. Als er toen een negatieve reactie zou geweest zijn — of (ex-)collega’s die me hadden verteld dat ik niet het recht had om die eis te stellen —, dan zou ik dat in mijn diepste binnenste toegejuicht hebben. Maar neen, de bevestigingen stroomden binnen. Zoveel buigzaamheid en onderdanigheid, ik vond dat vreemd, als journalist. Als woordvoerder kon ik het alleen maar prettig vinden. De interviewsessie verliep vlekkeloos. Hooguit werd er gepolst naar wat De Zaak voor de gemoedstoestand van Stijn Stijnen had betekend. Een persoonlijke vraag, daar wilde de Limburger nog wel op ingaan.

            Bij het tiental aanwezige journalisten zat ook een jonge, Nederlandse stagiair van De Morgen. Een jaar of twintig, derde- of vierdejaarsstudent aan een Nederlandse hogeschool of universiteit, bezig aan een buitenlandse stage van een paar maanden (‘want dat is goed voor je!’). Het was geweten dat De Morgen geen eigen sportredactie had, sportberichten werden overgenomen van Het Laatste Nieuws of neergepend door tijdelijke medewerkers. De stagiair stuurde me het stuk (‘samen met Jan-Pieter de Vlieger geschreven’) door dat ’s anderendaags in de zaterdagkrant zou afgedrukt worden over een volledige pagina, waarin een paar flarden uit het gesprek van die middag werden gebruikt in een lang verhaal over De Zaak. Goed geschreven, maar dit was niet de afspraak.

            Stijnen in alle staten. Ik stuurde de journalist een harde e-mail om aan te klagen wat hij gedaan had, ook al wist ik intussen dat de officieuze chefsport van de krant de basistekst had geschreven. Maar ik wilde niet over het hoofd van de jonge medewerker heen springen. ‘We willen je dan ook dringend vragen om de antwoorden van Stijn én van Jean-Pierre Stijnen (de vader van Stijn, fvl) uit het stuk te verwijderen’, schreef ik. De Stijnens dreigden met juridische stappen als dat niet zou gebeuren, liet ik nog weten.

            Een paar uur later kreeg ik een razende Wouter Verschelden aan de lijn, toen nog geen officieuze woordvoerder van de N-VA of nieuwsaap, maar hoofdpief van het progressief dagblad voor Vlaanderen. Of ik er plezier aan had beleefd om een jonge kerel te intimideren? ‘Neen’, zei ik naar waarheid, ‘hebben jullie er misschien plezier aan beleefd om ons om de tuin te leiden?’ (Wellicht gebruikte ik op dat ogenblik iets pittiger beeldspraak, maar dat herinner ik me niet meer woordelijk. Wel dat we meer dan een halfuur een dovemansgesprek voerden dat chaotisch eindigde. Overigens zou ik alle respect voor hem en hen hebben gehad, mocht De Morgen niet zijn opgedaagd voor de persconferentie maar wel een stevig duidend stuk over het ontslag van Stijnen bij Club hebben geschreven, daar waren journalistiek gegronde redenen voor. Maar dan niet eerst braafjes toezeggen en vervolgens woordbreuk plegen, ha nee!)

            Het was een in alle opzichten warme herfstdag die tweede oktober. Vooraf werd een nieuw clublied geïntroduceerd, WO Beerschot, mee te zingen als ‘wejo wejo Beerschot’. Een creatie van Krema Kawa, with a little help from Hernán Losada en Sherjill MacDonald. Alleen… zong bijna niemand mee op de tribunes. De eigengereide harde kern zingt niet mee met verplichte nummers. Nooit. Noejt! Afgezaagde supportersliederen als ‘Waar is da feesje? Hier is da feesje’ worden brutaal afgewezen op het Kiel. Originaliteit is een must, op de evergreen You’ll never walk alone na dan. De match eindigde op 1-1, Adrie Koster beleefde geen leuke avond in de dug-out van Club, voor Jacky Mathijssen was het, net als voor Stijn Stijnen, een halve revanche na hun niet zo fijn verlopen vertrek uit Brugge.

            Koster en Mathijssen, onthoud de namen, ze komen in deel 2 nog samen aan bod.

‘BEERSCHOT LEEFT!’

Sportief verliep alles naar wens voor Beerschot. Na negentien van de dertig speeldagen stond paarswit negende, in de buik van de rangschikking, veilig en wel. Geen degradatieperikelen, zoals een jaar voordien, maar een door een stevig thuisparcours geschrankt seizoen. Alleen KV Kortrijk, met trainer Hein Vanhaezebrouck, kwam winnen in het Olympisch Stadion, 0-1. Tegen Club, Anderlecht, Standard en Gent werd verdiend gelijkgespeeld. Landskampioen Genk werd met 2-0 naar huis gestuurd, twee doelpunten van een ontketende Sherjill MacDonald. Van Antwerp was geen sprake, die verbleven al een poos in tweede klasse. Hernán Losada ontpopte zich opnieuw tot de publiekslieveling die hij in zijn eerste Beerschotperiode was geweest. Gary Kagelmacher, de Uruguayaanse centrale verdediger, was een voorbeeldige aanvoerder. Wim De Decker was de stofzuiger op het middenveld. In goede dagen viel spurtbom Sherjill MacDonald niet af te stoppen. En Stijn Stijnen bleef natuurlijk in de eerste plaats een uitstekende doelman.

            Eind oktober, nauwelijks drie maanden na de start van de competitie en amper acht maanden nadat Vanoppen de club in handen had gekregen, doemden echter de eerste financiële donderwolken op aan de hemel. De lonen van de spelers konden niet uitbetaald worden, die van de (minder betaalde) medewerkers gelukkig nog wel. De voorzitter beloofde een oplossing vóór Kerstmis. Eind november werden de achterstallige sommen gestort.

            ‘Beerschot leeft!’ werd een door de supporters in het hart gesloten (nood)kreet. Even leek Play-off 1 zelfs in zicht, na zeges tegen Genk en in Gent. De vreugde was van korte duur. Beerschot verloor met een halve B-ploeg met 3-1 in Westerlo, omdat de trainer zijn sterkhouders wilde sparen voor het bekerduel tegen Kortrijk, dat vervolgens ook… verloren ging, 2-0.

            De laatste Belgische voetbalnoot van 2011 werd uitgeblazen op tweede kerstdag. Beerschot-Lierse. Verdorie, net díe affiche. Een hele week had ik supporters via sociale media aangespoord om vooral geen domme dingen te roepen. Het resultaat: onbegrip en boze reacties in de stijl van ‘Wat denken jullie wel? Wij doen gewoon ons goesting!’ Ik was er niet gerust op. De hardliners vonden sowieso al dat de club te kruiperig was geweest tijdens de ‘Kawashima Fukushima!’-affaire.

            Met een bang hartje nam ik die ijskoude maandagavond plaats op de perstribune. Mijn oog viel plots op een spandoek hoog in de tribune aan de overkant. Wat erop stond illustreerde perfect waar de Beerschotaanhang voor staat: humor met een ranzig randje. Gedurfd, origineel, uitdagend. Als je er diep over nadenkt, was het nogal racistisch wat ik las, maar voor diep nadenken was er geen plaats in de kerstperiode. Hoe dan ook, in de persbar werd gul gelachen om de stunt en Eiji Kawashima nam dit keer geen aanstoot aan de boodschap die hij misschien niet eens had opgemerkt.

            ‘Telug vliend?’



Waarom ik mezelf links noem

Memories & mijmeringen, Politiek, Samenleving Posted on za, mei 28, 2022 11:12:53

Ik heb even moeten opzoeken waar de politiek-ideologische opdeling links-rechts vandaan komt. Alweer blijkt dit, zoals heel veel dingen, zijn oorsprong te hebben in die verdomde Franse Revolutie en moet je het heel letterlijk opvatten. In de Franse Staten-Generaal zaten de voorstanders van het behoud van de bestaande machtsverhoudingen — conservatieven, reactionairen, klerikalen, edellieden — rechts van de voorzitter, seculiere liberalen die de traditionele orde wilden doorbreken links. Zo eenvoudig is het soms. Links-rechts. Het had net zo goed omgekeerd kunnen zijn en dan stonden we daar met onze terminologie.

Ik had toen dus links gezeten, en nu nog altijd. Maar ‘links’ gaat voor mij veel verder dan de simpele progressief-conservatief breuklijn. Niet alles is even eenduidig. Ik wil dat de natuur zo integraal mogelijk beschermd wordt, op dat vlak ben ik dus conservatief. Ik wil dat de mens zoveel mogelijk zelfbeschikkingsrecht heeft, op dat vlak ben ik dan weer progressief.

De termen links en rechts zijn in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw een tijdje in onbruik geraakt. Ze werden onmiddellijk als verdacht beschouwd. Waarom dat precies gebeurd is, weet ik niet, het gebeurde gewoon. Opeens kreeg je te horen dat links-rechts een onzinnige splitsing van de geesten was. Iedereen is een beetje links en een beetje rechts, dat was de teneur. Met Reagan in het Witte Huis en Thatcher in Downing Street 10 was het trouwens niet zo moeilijk: iedereen met een beetje redelijkheid in zijn botten stond links van die twee hardvochtige regimes, ja toch?

Sinds een jaar of tien noem ik mezelf weer veel nadrukkelijker links. Niet extreemlinks, voor alle duidelijkheid en om te vermijden dat er goed menende mensen meteen medische hulp voor mij inroepen. Ook in de jaren 80 — mijn twenties — heb ik nooit gedweept met communisme en aanverwanten. Er was nochtans keuze zat in het kleine Vlaanderen: de KP (de stalinisten), de PVDA (ex-Amada, de maoïsten) en de SAP (later RAL, de trotskisten). En maar ruziemaken met elkaar, want natuurlijk vonden de militanten de onderlinge verschillen veel relevanter dan de kloof die er was met rechts(er)e partijen. Het leek wel een confrontatie tussen The People’s Front of Judea en de Judean People’s Front in Monty Python’s Life of Brian, maar dan in het echt en niet om te lachen.

***

Links-zijn heeft voor mij vooral te maken met maatschappelijke keuzes die je maakt. Dat brengt me in de eerste plaats toch weer bij die verduivelde Franse Revolutie.

Vrijheid. Iedere mens geniet een zo groot mogelijke mate van vrijheid, die eindigt waar de vrijheid van een ander begint (en die uiteraard ook ingeperkt wordt door de Grondwet en wetten en decreten van een land). Ga je voorbij die grens, dan ben je egoïstisch. Steken heel veel mensen die onzichtbare maar toch zeer aanwezige grens over, dan gaat het om collectief egoïsme, wat altijd ten koste van anderen gaat, meestal minderheden waarvan de meerderheid vindt dat die ondergeschikt zijn aan de macht van het getal. Zelfbeschikkingsrecht zou normaal moeten zijn. Dat wij, die zo vaak (en zo terecht) klagen en zeuren over onze politici, liberale wetten als de abortuswet, de euthanasiewet en het homohuwelijk kennen, is een zegen die we mogen koesteren. In andere landen bestaan die logische vrijheden niet, of worden ze acuut bedreigd. Dat kan ook hier gebeuren, met de foute lieden aan de macht. Niets is voor altijd verworven.

Gelijkheid. Iedere mens zou gelijke rechten moeten hebben. Klinkt logisch, gebeurt niet. Laten we het vooral blijven herhalen.

Broederlijkheid. Iedere mens moet zo goed mogelijk proberen overeen te komen met zijn medemensen en wordt geacht anderen te steunen en te helpen wanneer dat nodig is. In ruil hebben wij recht op andermans steun.

Gelijkwaardigheid. We zijn allemaal evenwaardig. Huidskleur, afkomst, religieuze voor- of afkeur, ideologische keuzes van de voorouders zouden daarbij geen rol mogen spelen. Onderscheid is goed, maar niet wanneer we dit als maatstaf voor achteruitstelling hanteren. Genderdiversiteit is een realiteit en verder geen argument om mensen kwalitatief te beoordelen. Deal with it!

Solidariteit. Wie het moeilijk heeft, verdient aandacht, mededogen en bijstand (waar dat nodig blijkt en zonder paternalistisch te worden). Als ex-kolonisator moet België niet alleen ontwikkelingshulp blijven bieden, het moet ook herstelbetalingen doen, gestolen kunst teruggeven en de ex-kolonies als volwaardige partners zien (niet als ondergeschikte naties).

Mededogen. Een vergeten deugd, zowaar. Iedereen moet mee, in óns tempo, volgens ónze waarden en normen (wat die verder ook mogen zijn), met als hoogst bereikbare doel ónze levensstandaard. Er wordt niet achterom gekeken. Wie niet volgt, valt af. De harde wet van een wereld waar economie boven ecologie en humanisme staat. Niet míjn wereld.

Sociale herverdeling. Op papier was in de communistische landen iedereen gelijk, in de praktijk was er een elite die zichzelf ruim bediende ten koste van de man (m/v/x) in de straat. Net als het kapitalisme is het communisme een verderfelijke ideologie gebleken, die heeft geleid tot uitwassen zoals onderdrukking, onverdraagzaamheid en maatschappelijke uitsluiting. Ik ben er heus geen voorstander van dat we allemaal evenveel moeten verdienen, er mag gerust een onderscheid zijn, liefst op basis van reële meritocratie. Maar dat mag niet betekenen dat een ceo 20 tot 100 keer meer verdient dan de laagste in rang in zijn bedrijf. Het is niet meer dan logisch dat mensen die hun centen vooral verdienen op een niet-productieve manier (aandeelhouders, bijvoorbeeld, of mensen die een flinke erfenis in de schoot geworpen kregen) meer afdragen aan de samenleving. Ook dat is solidariteit. Elke vorm van kapitaalvlucht is verschrikkelijk asociaal en daarom laakbaar, ook al past het zogezegd binnen de toegelaten achterpoortjesregels. Er is een verschil tussen belastingoptimalisering en belastingontduiking.

Eerlijk werk voor een eerlijk loon. Ik erger me bij elke autorit aan die bumperklevende bestelwagens die zich haastig naar een volgende klant begeven, maar ik bedenk meteen na mijn onderdrukte vloek dat die chauffeurs zich ook maar aanpassen aan hun onmenselijke werkritme. Niet alleen moeten we consuminderen — een hatelijk modewoord dat ik hier toch maar even hanteer —, we moeten bij ons consumeergedrag ook rekening houden met de manier waarop iets tot bij ons geraakt. We zijn zodanig gewend en verwend geraakt door het verderfelijke just in time-principe, dat we niet eens beseffen dat er in de keten tussen grondstof en afgewerkt en afgeleverd product mensen worden uitgebuit, bij ons en in ver afgelegen landen. Bewust consumeren is een must.

Migratie is de natuurlijke gang van zaken. De mens is van nature migrant. Anders zouden we nu allemaal Marokkanen zijn, want de eerste moderne mens, die driehonderdduizend jaar geleden leefde, werd daar in een grot teruggevonden. Eind negentiende, begin twintigste eeuw verhuisden talloze verpauperde Vlamingen naar Wallonië — waar toen, in tegenstelling tot het achtergestelde Vlaanderen, wel nog werk was — of naar andere continenten. Dat was hun plicht tegenover hun gezinsleden en latere nakomelingen. Wat die Vlamingen destijds deden, doen oorlogs- en economische vluchtelingen vandaag: hun vaderland verlaten en veiliger (of leefbaarder) oorden opzoeken. Migratie is normaal. Misschien best wel met goede afspraken, want het moet beheersbaar blijven. Maar een gebrek aan goede afspraken mag geen excuus zijn om mensen in nood niet meer op te vangen. Dat is onze plicht, als medemensen. Wie dan roept dat hij zich in een gemeente waar veel ‘nieuwe Belgen’ wonen, niet thuis voelt, sluit zich de facto aan bij de ‘Eigen volk eerst’-club.

De aarde moet nog een tijdje mee. Heel vreemd dat natuurbescherming in rechtse kringen onbelangrijk wordt geacht. Klimaatverandering wordt ofwel ontkend, ofwel zwaar gerelativeerd, ofwel straal genegeerd. ‘No time to waste’ gaat als slogan al bijna veertig jaar mee. Vergeefs, wat de grote massa betreft. Laat ons een bloem van Louis Neefs en het eerste verslag van de Club van Rome zijn zelfs al vijftig jaar oud. Ecorealisten zijn in werkelijkheid geen haar beter dan lieden die de opwarming van de aarde ontkennen, want het eindresultaat met hen aan de macht zal hetzelfde zijn: milieurampen, milieuvluchtelingen, milieuoorlogen. En een wereld die steeds onleefbaarder wordt. Ecologie is belangrijker dan economie. Dat laatste is enkel een hulpmiddel om de kapitaalstromen te regelen (economen staan op hun achterste poten bij het lezen van de vorige zin, dus herhaal ik hem nog even voor de duidelijkheid en met uitroepteken: ‘Ecologie is belangrijker dan economie!’).

Internationalisme staat boven nationalisme. Het gaat om de macrokosmos, niet de microkosmos. ‘Eigen volk eerst’ is een (extreem)rechtse anomalie, het is een vorm van extreem egoïsme. Vlaanderen is een kunstmatige constructie — net zoals Wallonië dat is — en is bovendien, in mijn ogen, ondergeschikt aan het grotere Europa, hoe moeilijk die samenwerking in de praktijk ook verloopt. De Europese Unie zou ook een politieke en militaire unie moeten worden, niet alleen een economisch gedrocht. Maar dan moeten de onwillige landen er wel uit, anders raak je geen stap vooruit.

***

Dus ja, ik ben uitgesproken links en ik spreek dat met plezier ook uit. Door dat consequent toe te passen (of dat alleszins toch te pogen), maak ik het mezelf niet makkelijk, want waar kan een linkse jongen nog terecht binnen de huidige politieke constellatie wanneer je je noch met een van de extremen, noch met het centrum wil vereenzelvigen?

Dat werkpuntje zal mij niet beletten mijn linkse idealen consequent uit te dragen.



Sudoku

Literatuur Posted on wo, mei 25, 2022 12:05:15

Ik wil uw aandacht voor één keer vestigen op een debuutroman van een hele goede vriend die een goed boek heeft geschreven, wat ik u niet zeg omdat hij een hele goede vriend is, maar omdat het echt een goed boek is. Debuteren op je 63ste, het is niet iedereen gegeven. Allemaal de schuld van uitgeverijen die in het verleden geen brood zagen in zijn absurde verhalen — een van die manuscripten bestond uit zo’n vijfhonderd volgetikte pagina’s! —, wat wil je anders in een tijdsgewricht en een taalgebied waar conservatisme en voorspelbaarheid troef zijn. Uitgeverijen zoeken altijd maar meer van hetzelfde, succesvolle auteurs kopiëren is lonender dan een eigen smoel hebben, copy/pasten krijgt de voorkeur op originaliteit. Kookboeken genieten de voorkeur op fictie.

Sudoku, want zo heet die roman, is het soort boek dat je best in één ruk uitleest, omdat het verhaal je ontvoert naar een ander, tijdelijk universum, waar de gebeurtenissen elkaar in recordtempo opvolgen en waar alles met alles samenhangt, en toch weer niet. ‘Niets bestaat dat niet iets anders aanraakt’, wist wijlen Jeroen Brouwers al. Bij Luc Marteleur, want zo heet mijn vriend-de-auteur, krijg je de meest waanzinnige connecties binnen één etmaal. Om goed te kunnen blijven volgen, moet je dus blijven lezen.

Enfin, u wil een synopsis, begrijp ik. Goed dan, een poging tot. Eddy Stoelen, een rockjournalist die randje pensioen staat, meldt zich aan op de Arbeidsdienst, waar hij in een lange wachtrij aanschuift, zó lang dat hij zich niet eens meer herinnert waarom hij überhaupt in die rij stond. Volgen: de vrouwelijke loketbediende die met hem naar buiten wandelt en allerlei metamorfoses ondergaat, een gangster die hem vraagt om op tijd een sudoku binnen te leveren waarmee ie een prijs kan winnen, die sudoku die vervolgens ontvreemd wordt door een dwergachtige figuur, ontmoetingen met andere maffiose figuren, enzovoort, enzoverder. En dat allemaal binnen ongeveer een etmaal en minder dan honderdvijftig pagina’s.

Ik weet dat Luc Marteleur een fan is van Kafka, kafkaiaans is dan ook een aardige manier om te omschrijven wat het hoofdpersonage allemaal overkomt. En niet overkomt. En herhaaldelijk overkomt. Het gebeurt allemaal in een grootstad die niet genoemd wordt en, behalve Eddy Stoelen zelf, hebben de figuren zowel bekend klinkende namen (Margriet Tatcher, Claudia Cardinale, Gina Lollobrigida, Kenzaburo Oë, Meyer Lansky) als absurde (wat dacht u van De Vogelaar Belhamels?).

Er zit vaart achter, never a dull moment in Sudoku. Het is spannend, al weet je dat het uiteindelijk allemaal maar om te lachen is. En het is bij momenten gruwelijk, maar zelfs dat mag u niet beletten verder te blijven lezen. Tarantino op speed, zo lijkt het wel, maar meer vergelijkingen wil ik u (én hem) besparen: het is in de eerste en de laatste plaats het onnavolgbare debuut van Luc Marteleur.

Sudoku is zo’n boek dat je niet zou missen mocht je niet van het bestaan ervan afweten, maar waarvan je na het lezen denkt dat je dit voor geen geld van de wereld — in dit geval de luttele som van niet eens twintig euro — had willen missen. Een goed boek van een hele goede vriend, had ik u dat al gezegd?

Sudoku, Luc Marteleur, Ertbrand, 147 pagina’s, 19,95 euro.



De roedel eenzame wolven breidt steeds verder uit

Politiek, Samenleving Posted on do, mei 19, 2022 13:19:26

Woensdag is het precies twee jaar geleden dat George Floyd zijn leven dramatisch beëindigd zag onder de knie van een witte politieagent en na het veelvuldig uitstoten van de genegeerde noodkreet ‘I can’t breathe’. De hashtag #BlackLivesMatter was opeens prominent aanwezig en dit keer niet alleen in de Verenigde Staten. Wereldwijd. Voetballers gingen voor het eerste fluitsignaal van een wedstrijd op één knie zetten, sommigen doen dat nog altijd. De onnodige dood van een zwarte man die met een vervalst biljet van twintig dollar zou hebben betaald — voorwaar een ge(we)ld(dad)ige reden om iemand op brutale wijze in te rekenen! —, leidde tot protest op zowat alle continenten, ondanks lockdowns en restrictieve overheden. Bemoedigend. Nog bemoedigender was dat Derek Chauvin, de witte agent die Floyd doodde, tot 22,5 jaar cel werd veroordeeld. Recht en rechtvaardigheid, zowaar.

Wat zijn we naïef geweest!

Eén veroordeelde racistische en corrupte politieman maakt de lente niet. In grote delen van de wereld is het voor een ruime minderheid van de mensen altijd winter, altijd duister, altijd gevaarlijk. Omdat ze een andere afkomst hebben, een andere huidskleur, een andere religieuze overtuiging (of geen), een andere genderidentiteit, een andere politieke voorkeur. Anders zijn wordt bijna overal ter wereld afgekeurd door de meerderheid. Verbaal, tot daaraan toe. Maar ook door reële discriminatie of fysiek en psychisch geweld.

***

Buffalo, zaterdag 14 mei 2022. Een achttienjarige white supremacist schiet tien mensen dood. Niet zomaar tien mensen. Mensen die eruitzien zoals George Floyd. Donker. Minderwaardig, in de ogen van figuren zoals deze Payton Gendron.

Telkens weer gaan de media dan in overdrive. Voer voor dagen nieuwtjes en analyses. Clickbaithoogtepunt. En zoals bij al die vorige aangelegenheden — en de volgende, want het stopt heus niet bij Gendron — hebben door witte mensen gerunde media het uitermate moeilijk om de termen ‘terrorist’, ‘white supremacy’ en ‘extreemrechts’ in de mond te nemen, laat staan dat ze zo iemand naar waarheid een ‘extreemrechtse, racistische terrorist’ zouden durven te noemen. ‘Lone wolf’, is een misplaatste term die je dan vaak ziet opduiken. Net als Brenton Tarrant, Dylann Roof, Anders Breivik of Hans Van Themsche voor hem zou die Payton Gendron dan helemaal alleen gehandeld hebben (wat allicht juist is), zonder enige connectie met extreemrechtse, fascistische bewegingen of politieke partijen (wat manifest onjuist is).

Als een zwarte man sterft onder de knie van een witte agent, dan is die agent voor de meeste media een ‘rotte appel’, een ‘lone wolf’ binnen het politiekorps dus. Over de georganiseerde racistische cultuur die er heerst onder agenten geen woord.

Als zwarte mensen sterven onder de gerichte geweerschoten van een witte man, dan is die man een eenzaat, met wie het fout is gelopen. Over de georganiseerde racistische cultuur waarin ie al een tijdje is ondergedompeld, wordt nauwelijks gepraat. Ook al had ook deze Payton Gendron net als zijn voorgangers duidelijke sympathieën, die hij niet verborgen hield, schreef hij zelfs een lang manifest waarin hij vooraf zijn toekomstige daden verklaarde, werd hij gevoed door aanhoudende haatboodschappen, liet hij zich bewonderen in een livestream. Hij had verdorie het n-woord op zijn automatisch geweer geschreven. En het cijfer 14, wat onder witte suprematisten verwijst naar een veertien woorden tellend statement: ‘We must secure the existence of our people and a future for white people.’ Op zijn to-dolijst stond ook nog een bezoek aan een zwarte wijk, die tien slachtoffers waren slechts een begin.

‘Witte suprematie is een vergif,’ zei president Biden achteraf. Beredeneerde gok: hij zal dit nog wel een aantal keren mogen zeggen tijdens zijn ambtstermijn. De zo goed als vrije wapenverkoop en het even vrije circuleren van waanzinnige complottheorieën en raciaal superioriteitsdenken vormen een explosieve combinatie. Incidents waiting to happen.

***

Je hebt maar één gek nodig om… O, wacht even. Ik las de voorbije dagen zelfs bij heel slimme mensen dat ze deze Payton Gendron ‘gestoord’ vinden. Ik wil niet diezelfde fout maken. Voor ‘normale’ mensen zoals u en ik, die geen medeburgers vermoorden omdat ze nog hartstochtelijk geloven in de democratie, de rechtsstaat, evenwaardig burgerschap, onderlinge solidariteit, en vrije meningsuiting die nooit absoluut kan zijn, is die Gendron natuurlijk ‘niet normaal’, maar laten we hem vooral niet ‘gestoord’ of ‘krankzinnig’ noemen. Want dan zeg je eigenlijk dat hij ‘ontoerekeningsvatbaar’ kan pleiten en niet in de gevangenis thuishoort maar in een gesloten instelling. Payton Gendron was zeer nadrukkelijk wél toerekeningsvatbaar, hij wist heel goed wat hij deed en hij wist nog beter dat hij hiervoor (stiekem) applaus zou krijgen op vele banken. Witte suprematie is inderdaad een vergif, een vroeger sluipend en nu openlijk krioelend gif dat blijkbaar steeds meer mensen aantast en niet alleen hun denken maar ook hun handelen beïnvloedt.

Ik wil voor één keer zondigen op het principe dat je niet mag vervallen in reductio ad Hitlerum. Als we Adolf Hitler ‘gestoord’ of ‘krankzinnig’ zouden noemen, dan spreken we hem eigenlijk vrij van alles wat er onder het nazisme is gebeurd. Hij zou immers ‘ontoerekeningsvatbaar’ zijn geweest, in de volksmond: ‘Hij wist niet beter’. Hitler wist wél beter. In de ogen van ‘normale’ mensen zoals u en ik was hij natuurlijk zowat de meest verderfelijke schurk uit de wereldgeschiedenis, de personificatie van Het Kwaad, maar laten we hem vooral niet gunnen dat we hem als gevolg van een mentale stoornis vrijpleiten van wat hij heeft laten aanrichten in de twaalf jaar dat hij Duitsland (mis)leidde.

Hetzelfde geldt voor Brenton Tarrant, Dylann Roof, Anders Breivik, Hans Van Themsche en Payton Gendron, en al hun opvolgers. Zij zijn niet gek, ze hebben zich alleen laten voeden door de als vrije meningsuiting verpakte raciale haatspraak van extreemrechtse politici en opiniemakers, en ze hebben daarnaar gehandeld, waardoor ze, gelukkig maar, uitzonderingen op de regel blijven. Die ongeschreven regel zegt: roepen en schrijven mag, ernaar handelen niet, toch niet zo lang extreemrechts het niet voor het zeggen heeft. Dan zullen we ongetwijfeld nog iets anders meemaken…

***

U moet er eens op letten: extreemrechtse politici zijn er als de kippen bij om terreurdaden te veroordelen, behalve van gelijkgezinde terroristen. Geen woord over Buffalo bij Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken deze week, of bij Filip Dewinter, die wel rapporteerde over een geslaagde boekvoorstelling van Omvolking, terwijl die omvolkingstheorie net mee aan de basis lag van de slachtpartij in Buffalo. Geert Wilders? Geen woord. Thierry Baudet? Geen letter. Niet dat ze afwezig bleven op Twitter, maar Buffalo was hen geen aandacht waard. Wat konden ze ook schrijven? Sorry, het is mede onze schuld (wat de waarheid zou geweest zijn)?

Er zijn intussen zodanig veel eenzame wolven opgedoken dat er sprake is van een uit de kluiten gewassen roedel. Payton Gendron is geen eenzaat, hij weet dat hij niet alleen staat, hij voelt zich gesteund door een racistische systematiek, die constant gevoed wordt door invloedrijke personages die het hen aangereikte forum — sociale én traditionele media — misbruiken om zaadjes van haat in de hoofden van onwetende lieden te planten, die op hun beurt in een tunnelvisie beland zijn, met dank aan algoritmes en dergelijke. Er zal wel een accurate psychologische of psychiatrische terminologie voor bestaan, maar ‘krankzinnigheid’ of ‘ontoerekeningsvatbaarheid’ is dat niet.

Ik vind overigens niet dat Van Grieken & co zich persoonlijk moeten distantiëren van wat er in Buffalo gebeurd is, wat ze zelf wél eisen van moslims na een islamitisch geïnspireerde terreurdaad, maar hun verantwoordelijkheid is veel verpletterender dan die van de doorsnee moslim bij een aanslag van IS en consoorten. Wie haat zaait, zal haat oogsten. Dat is heus geen toeval. Joe Biden mag dan wel stellig beweren dat haat niet zal overwinnen, maar ik durf dat te betwijfelen — en niet alleen in Amerika. Extreemrechtse politici hebben dan misschien wel niet openlijk of letterlijk opgeroepen om zoveel mogelijk mensen met een andere huidskleur of een andere achtergrond te vermoorden, in de oren van de Payton Gendrons van deze wereld klinken hun woorden wel als een bevel. Zijn geweer heeft hij zelf gekocht, de schoten heeft hij zelf afgevuurd, maar de munitie werd hem wel degelijk aangereikt.



Een plek aan tafel

Journalistiek, Politiek, Samenleving Posted on vr, mei 13, 2022 13:14:20

Zelfs als mensen met andere dan Belgische/Vlaamse wortels de taal/talen spreken, de wetten respecteren en onze nationaliteit hebben, horen ze er niet bij. Dat leerden we deze week uit De Stemming, de peiling die De Standaard en VRT NWS hadden opgezet. Je kan je alleen maar een echte Belg of Vlaming noemen, als je daadwerkelijk hier geboren bent, vindt meer dan de helft van de respondenten. Maar het gaat verder dan dat: zeven op de tien deelnemers aan de poll vinden dat je onze gewoonten en cultuur moet overnemen, twee op de drie eisen dat mensen met een andere achtergrond zich ook effectief Belg of Vlaming voelen, meer dan één op de drie vindt zelfs dat ouders en grootouders uit ons land afkomstig moeten zijn om erbij te mogen horen.

Verbaasd? Neen, toch? Achttien jaar geleden stemde één op de vier Vlamingen voor een partij, Vlaams Blok, die kort voordien veroordeeld was wegens inbreuken op de antiracismewet, een veroordeling die enkele maanden na de Vlaamse verkiezingen zou bevestigd worden door het hof van beroep. Eén op de vier Vlaamse kiezers veegde dus zijn of haar voeten aan een gerechtelijk vonnis. Racisten horen erbij, mensen met een migratieachtergrond niet, dat was de teneur. En die is niet veranderd, want vandaag zit Vlaams Belang — andere naam, zelfde inhoud — opnieuw rond die één op de vier kiezers in Vlaanderen. Het is maar een peiling, akkoord, maar dan wel een peiling die griezelig nauw aanleunt bij de electorale realiteit van 2004. Het zal nooit goed genoeg zijn voor een stevige minderheid Vlamingen. Zelfs voor 57 procent van de mensen die aangaf voor Groen te zullen stemmen, mochten er weldra verkiezingen zijn, is assimilatie een basisvoorwaarde om welkom te zijn. Dat zegt alles. Assimileren gaat veel verder dan integreren. Als je integreert, respecteer je de Grondwet en de wetten van het land. Als je assimileert, neem je alle gewoonten en gebruiken bewust over.

Tel je bij de potentiële Vlaams Belang-kiezers ook nog eens die van N-VA (‘Racisme is een relatief begrip’, roepen ze daar van De Wever over Homans tot Kanko) en rechtse Open VLD’ers en CD&V’ers op, dan zit je aan meer dan de helft van de Vlamingen die zich nooit helemaal zullen verzoenen met mensen die er anders uitzien, een andere cultureel-religieuze achtergrond hebben, nog een andere nationaliteit bezitten en zich in het openbare leven anders gedragen. Dat is niet zozeer verbazingwekkend, dan wel angstaanjagend. Zet je even in de plaats van iemand met een niet-witte huidskleur en niet-Belgische roots. En bedenk dat ook de voorzitter van Vooruit laat verstaan dat ‘zij’ er niet helemaal bij horen, want hij voelt zich ‘niet in België’ wanneer hij door wijken met hoofdzakelijk inwoners met een migratieachtergrond rijdt.

Dit doet me spontaan denken aan het scorebord van mijn favoriete bron van frustratie, Beerschot. Daar staat ‘Wij – Zij’, met daaronder de stand in de wedstrijd. Toen ik dat eerst zag, dacht ik: oké, ludiek, typisch Antwerpse humor, lekker uitdagend, op het randje. Als je er echter dieper op ingaat, is het compleet misplaatst, omdat het een vorm van permanent vijanddenken inhoudt. ‘Zij’ zijn de slechteriken, ‘zij’ mogen beschimpt worden, ‘zij’ moeten verliezen, ‘zij’ horen hier niet thuis. Vlaanderen is een uitvergrote versie van dat scorebord van Beerschot geworden: wij versus zij. (Of is het omgekeerd? Is Vlaanderen begonnen en surft de voetbalclub gewoon mee op die negatieve sentimenten?)

Die wij tegen zij-attitude is veel breder verspreid dan de meesten beseffen, of durven toegeven. En het heeft heus niet alleen met racisme te maken. Xenofobie zit in alle geledingen van de maatschappij en die ‘angst voor het vreemde’ gaat veel verder dan huidskleur of afkomst. Bedrijfsleiders zijn in de eerste plaats op zoek naar spiegelbeelden van zichzelf in hun directe omgeving (waardoor ze stagneren, want te weinig verrassende inbreng, ze horen immers de hele tijd hun eigen echo). HR-medewerkers zijn doorgaans jong en hip — het is een beginnersjob, een opstapje naar beter betaald werk in de hopelijk zeer nabije toekomst — en dus gaan ze op zoek naar andere jonge en hippe mensen. Werkzoekende vijftigplussers kunnen erover meepraten. En zo kan ik nog een poos doorgaan. ‘Wij’ zien onszelf te veel als centrum van het universum, ‘zij’ moeten zich maar aanpassen. Discriminatie is van alle tijden, alle kleuren, alle klassen, alle omgevingen, alle samenlevingen.

Dat ‘de Vlaming’ negatief staat tegenover migranten, ook al zijn die hier geboren, spreken die dezelfde taal, hebben ze dezelfde nationaliteit, supporteren ze voor dezelfde nationale ploeg, luisteren ze naar dezelfde muziek, hoeft ons niet te verbazen. Dat de media dat wij-zij-denken domweg mee hebben overgenomen, wel. Een voorbeeld dat in We have a dream!, het boek over racisme en discriminatie dat Paul Beloy en ik recent schreven, om dit te illustreren. In de nacht van 31 december 2018 op 1 januari 2019 waren er in Molenbeek rellen met jongeren. ’s Anderendaags wilde Radio 1 dieper ingaan op de zaak. We vermoeden dat er die dag, een feestdag, geen uitgebreide redactievergadering met pro- en contra-stemmen zal zijn geweest en dat redacteurs werden verondersteld eigenhandig op zoek te gaan naar gesprekspartners. Dus belde de journalist die de opdracht had gekregen om dat nieuwsfeit te coveren in een op het eerste gezicht logisch lijkende reflex naar Theo Francken, tot drie weken voordien staatssecretaris voor Asiel & Migratie, afgetreden omdat de N-VA de ondertekening van een niet-bindend migratiepact, in Marrakesh, niet zag zitten en om die reden uit de regering-Michel was gestapt. Francken gebruikte de aangereikte megafoon om het migratiebeleid voor de zoveelste keer op de hekel te nemen. Als je er echter iets dieper over nadenkt, merk je hoe fout de redenering van de betrokken reporter was om net Francken aan het woord te laten. Allicht onbewust en ongewild bevestigde hij of zij daarmee dat het om een migratieprobleem ging, wie weet zelfs een gevolg van het asielbeleid, terwijl die jongeren hier geboren zijn, hier zijn opgegroeid, onze nationaliteit hebben. Het zijn geen migranten, het zijn verdorie Belgen. Vervelende Belgjes die zich misdroegen en die daarvoor gestraft zouden moeten worden, zeer zeker, maar wel ettertjes van bij ons. Geen migranten, geen ‘vreemdelingen’. Alleen al door die impuls om een voormalige staatssecretaris voor asiel en migratie te contacteren, gaf die redacteur, en bij uitbreiding de nieuwsredactie van Radio 1, aan dat die jongeren er nooit zullen bij horen. En dan klagen (extreem)rechtse luitjes over de ‘MSM’, de in hun ogen veel te linkse en veel te tolerante mainstream media, maar in werkelijkheid gaat zelfs een gerespecteerde redactie — dit ging niet om ’t Scheldt, Doorbraak of Pallieterke!— de anti-migratietoer op. Het zit vanbinnen en het wil er maar niet uit. Wie zich dan nog verbaasd toont dat er zo’n negatief ressentiment is tegenover migranten, nieuwkomers, ‘anderen’, ‘zij’, is hypocriet. Of blind en doof. Of heeft een zeer slecht karakter.

‘De wetenschap dat je er in uw eigen land toch nooit bij zult horen of als volwaardig aanzien zult worden — ongeacht wat je doet — of je hier nu 3 weken of 3 generaties bent, blijft een zeer sombere gedachte en een zwaar kruis om te dragen,’ schreef opiniemaker Youssef Kobo op Twitter. Kobo is de drijvende kracht achter A Seat At The Table, een organisatie die kansarme jongeren op weg wil helpen in een samenleving vol valkuilen.

‘A seat at the table’, een plaats aan tafel: dat zegt het helemaal wat mensen met een andere achtergrond betreft. Dit gaat niet om omvolking, om het omverwerpen van onze democratie, om het opdringen van een andere cultuur of religie: het gaat om een plekje aan tafel. Welkom zijn. Erbij horen. Deze week werd nogmaals pijnlijk duidelijk dat de doorsnee Vlaming niet bereid is een stoel bij te schuiven, of een vrijgekomen stoel ter beschikking te stellen aan iemand van wie de voorouders niet in deze regio geboren werden. Zo lang dat niet gebeurt, blijft Vlaanderen een kille, onvriendelijke, weinig uitnodigende, zelfgenoegzame omgeving. Dat is inderdaad een zeer sombere gedachte.



8 mei

Geschiedenis Posted on za, mei 07, 2022 11:09:19

Je kunt er zonder enig risico een fortuin op verwedden dat bij het begin en het einde van de ramadan islamhaters giftige reacties zullen sturen naar politici en opiniemakers die het aandurven om moslims een mooie ramadan of een fijn Suikerfeest toe te wensen. ‘En wat dan met de christelijke feestdagen, waarom wensen jullie óns dan niets toe?’, klinkt er telkens. Meestal slaat deze bedenking op niets, want wie moslims iets positiefs toewenst tijdens de ramadan doet dat doorgaans ook voor christenen rond Kerstmis of Pasen. Daar gaat het de haters ook niet om. Je mag moslims níets positiefs toewensen, daar draait het uiteraard om. ‘En dan krijgen die moslimkinderen ook nog eens een vrije dag,’ werd ons maandag door ongezond agressieve lieden toegebeten. Liefst zo snel mogelijk naar een oord ver hiervandaan vertrekken en als dat niet lukt, zwijgen en je honderd procent aanpassen aan ónze westerse wereld, met zijn tradities en zijn papieren waarden en normen, dat is de niet eens onderliggende boodschap, want iedereen mag, neen: móét, het horen.

Verdraagzaamheid is niet iedereen gegeven. De groep onverdraagzame burgers lijkt almaar toe te nemen, al kan dat ook een gevoel zijn, ingegeven door hun luidruchtigheid. Misschien gaat het om een kleine minderheid en moeten mensen zoals ik minder ongerust zijn. (Tot je de verkiezingsresultaten van de voorbije dertig jaar analyseert en een blik werpt op de meest recente peilingen, en die minderheid schrikbarend groot begint te worden. Toch maar waakzaam blijven, kortom.)

Al enkele jaren gaan er stemmen op om 8 mei uit te roepen tot een officiële feestdag, ter herdenking van de overwinning op het nazisme en het fascisme, morgen zevenenzeventig jaar geleden. Ik vind dat een zeer gezond voorstel, omdat datgene wat bijna acht decennia geleden zo hartstochtelijk bestreden werd en waarvan onze voorouders dachten dat het definitief op de knieën gedwongen was, zeer nadrukkelijk aanwezig blijkt in de samenleving anno 2022. Niet alleen de onze, maar wereldwijd. Een deel van de triomferende troepen tijdens de Tweede Wereldoorlog behoorde tot naties die zich de daaropvolgende jaren bezondigden aan krek dezelfde haat en onverdraagzaamheid tegen andersdenkenden als de nazi’s en hun bondgenoten. Denk aan de Sovjet-Unie (Stalin), de Chinese Volksrepubliek (Mao) en tig andere regimes, die dezelfde methodes gebruikten tegen hún volk of tegen naburige volkeren. Pseudowetenschappelijke theorieën, angstaanjagende propaganda, genadeloze vervolging, genocide, het was typisch voor nazi-Duitsland, maar duidelijk niet alléén voor Hitler en verwanten. Je zag en ziet het bij sympathiserende regimes, bij autocratische en semi-autocratische leiders, of die nu behoren tot wat we in het Westen als een schurkenstaat of dictatuur beschouwen, of tot een gerespecteerde democratie. Eén naam voor dat laatste: Trump. Het kan overal gebeuren. Het kan ons allemaal overkomen. We mogen nooit op onze lauweren rusten.

11 november is sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog een symbolische feestdag, waarin elk jaar wordt herdacht dat de toenmalige geallieerde krachten Duitsland hadden bedwongen. Mooi, maar intussen is er niemand nog in leven die de Groote Oorlog bewust heeft meegemaakt. Wat mij betreft blijft die elfde november voor altijd een feestdag, maar als er dan toch moet bespaard worden op het aantal wettelijke vrije dagen, mag die 11-11 vervangen worden door 8-5. (Er mag ook geknipt worden in het aantal door gelovigen opgedrongen feestdagen, vindt deze ongelovige, maar dit enigszins terzijde.)

Als we van 8 mei een officiële feestdag maken, zou dat een helder statement zijn tegen al wie toen dweepte én nu dweept met autoritaire regimes en ontmenselijkende ideologieën. Het zou een krachtig en breed gedragen maatschappelijk ¡No pasarán! kunnen zijn tegen alle gevaren die onze democratie bedreigen. Een signaal dat je als samenleving een lijn in het zand trekt, een ‘Tot hier en niet verder!’-markering. Om al die redenen schaar ik mij ondubbelzinnig achter die vraag om van 8 mei een feestdag te maken. Hoe sneller, hoe liever. Gewoon doen.



&

Politiek Posted on za, april 30, 2022 11:09:31

Dankzij Arno, Henny Vrienten en Elon Musk ging het de voorbije week niet alleen over de oorlog in Oekraïne en de strapatsen van vooraanstaande Vlaamse politici, waarvoor dank/merci/thanks, al had ik het in deze drie gevallen liever anders gezien: Arno en Henny Vrienten alive and kicking en Musk alive and tweeting (but without owning Twitter). Enfin, je kunt niet alles willen in het leven.

Dinsdag ging het op Twitter in onze contreien — dat wil zeggen: het kleine deel van Vlaanderen dat op dat specifieke sociale medium zit, kortom een zéér kleine maar zéér luidruchtige minderheid — over een uitspraak van Conner Rousseau in Humo. ‘Als ik door Molenbeek rijd, voel ik me ook niet in België’ had het weekblad boven een interview met de Vooruit-voorzitter gezet. Zo’n eindredacteur is ook niet van gisteren, en als hij al van gisteren is dan is hij zeker niet van eergisteren. Kies een pakkende titel, al dan niet binnen zijn context, en het volk zal lezen, zo zijn eindredacteuren nu eenmaal opgevoed, áls ze al opgevoed zijn. (Extreem)rechts vond dat Rousseau gelijk had, maar dat hij nu maar eens daden aan die woorden moest koppelen. Versta: honderd procent assimilatie, dat ze zich maar aan óns aanpassen, daar in Molenbeek. (Extreem)links vond dat Rousseau ongelijk had, en ook aan die zijde van het spectrum werden de hyperbolen niet gespaard. Het centrum zweeg, weinig moedig als het doorgaans is wanneer er juist moed vereist is.

Laten we er even de volledige quote bij halen. De Humo-reporter werpt op: ‘Bij de Franse verkiezingen speelde migratie weer een belangrijke rol. Drie kwart van de Fransen zegt dat ze het gevoel willen hebben dat ze in hun eigen land wonen.’ Rousseau repliceert: ‘Als ik door Molenbeek rijd, voel ik me ook niet in België. Maar de meeste van die mensen zijn hier geboren. Het belangrijkste is dat ze onze taal spreken en werken. In Brussel staan er door het lerarentekort mensen voor de klas die in het Arabisch lesgeven, omdat ze geen Frans spreken. Onaanvaardbaar. Maar wat doet de Vlaamse regering? De prijs van de taalcursussen verhogen om de wachtlijsten in te korten.’

Als je dit leest, is die titel boven het stuk helemaal geen goedkope clickbait. Er wordt niets uit de context gerukt. Rousseau heeft gezegd wat er staat en hij heeft ongetwijfeld de tekst mogen nalezen en waar nodig bijsturen. Wat hij en zijn communicatieadviseurs niet (of onvoldoende) gedaan hebben. Ofwel meent hij honderd procent wat hij zegt, wat het alleen maar erger maakt. En dus zegt Rousseau dat Molenbeek onbelgisch aanvoelt, dat ‘de meeste van die mensen’ hier geboren zijn (het woord ‘Belgen’ of ‘landgenoten’ krijgt hij blijkbaar niet over zijn lippen), dat er mensen in het Arabisch lesgeven omdat ze geen Frans spreken en dat de Vlaamse regering daar iets aan moet doen. Waarop Vlaams minister Dalle tweette dat er in het Vlaams onderwijs niet in het Arabisch gedoceerd wordt: naast de kwestie, want dát heeft Rousseau dan weer niet gezegd. Maar waarom legt Rousseau dan de link tussen Frans/Arabisch en de Vlaamse regering? Het zijn twee aparte dingen.

Conner Rousseau geeft in die ene uitspraak aan dat hij de situatie in Molenbeek niet begrijpt. Zijn maatschappijbeeld verschilt nauwelijks van dat van de doorsnee Reuzegommer: geprivilegieerde tunnelvisie, wereldvreemd, eurocentrisch, etnocentrisch, hautain. Sinnekloas is duidelijk de wereld niet, misschien moet Rousseau daar wat vaker een stapje in zetten. Flinks scoren is al te makkelijk, daar heeft pseudolinks trouwens Elchardus al voor. Om de problematiek van de enige wereldstad die dit land telt te kunnen doorgronden, moet je er ofwel zelf gaan wonen, ofwel regelmatig langsgaan en in contact treden met de plaatselijke bevolking, ofwel je laten informeren door experten in de grootstedelijke samenleving. Door Molenbeek rijden is niet voldoende.

Rousseau bepleit een betere sociale mix. Daar kan niemand iets op tegen hebben, alleen blijft er een gigantische kloof tussen iets bepleiten en er iets concreets aan doen. In de stad die ik het beste ken, Antwerpen, hebben opeenvolgende sociaaldemocratische burgemeesters het vertikt om de ghettoïsering te voorkomen, met als gevolg dat traditionele witte volkswijken als de Seefhoek en het Kiel helemaal ‘verkleurden’ — wat normaal is in een multiculturele samenleving, alleen vergat de politiek om de plaatselijke bewoners te ‘masseren’ en werden ‘nieuwkomers’ er gewoon gedumpt, omdat het er nog betaalbaar wonen was in de verkrotte huizen en appartementen —, waardoor de oorspronkelijke bevolking bijna automatisch werd opgezet tegen de als indringers beschouwde ‘gastarbeiders’. Een sociale mix verdient meer dan lippendienst, je moet het ook willen én doen. Dat zou pas echt socialistisch zijn.

***

Twee en een half jaar al is Conner Rousseau voorzitter van een partij die van oorsprong socialistisch was, daarna sociaaldemocratisch mocht genoemd worden en nu…, ja, wat nu? Wat is er nog sociaal of socialistisch aan Vooruit? Waarom zou een linkse jongen als ik nog op die partij moeten stemmen, op basis van welke standpunten of realisaties? Waar moet een linkse jongen als ik überhaupt nog op stemmen, wetende dat Groen communicatief bijzonder onhandig is en op alle vlakken buiten het ecologische verschillende richtingen uitschiet, en dat PVDA nog altijd moeite heeft om de oude demonen — stalinisme, maoïsme, aangekweekte sympathie voor Oost-Europese regimes — van zich af te schudden, om het nog niet te hebben over het soms iets te makkelijke populisme?

Een linkse jongen als ik kan maar één conclusie trekken: er zijn te weinig linkse jongens (m/v/x) zoals ik en dat maakt dat de van oorsprong linksere partijen uit puur opportunisme ofwel naar het centrum beginnen over te hellen, ofwel het extremisme omarmen.

Vooruit — een naam die dan nog gejat werd bij een historisch cultuurhuis, vadertje Anseele draait zich om onder zijn al bij al bescheiden grafzerk — probeert wanhopig de verloren kiezers uit het verleden terug te winnen. De naïeve gedachte daarbij is dat opschuiven naar rechts de verloren zonen en dochters zal terugbrengen die intussen al meer dan dertig jaar op Vlaams Blok/Belang stemmen. Waardoor het risico bestaat dat de overblijvende linkse kiezers worden afgestoten. Wat is er mis met de oorspronkelijke ideologische uitgangspunten en waarom worden die niet vertaald naar het eenentwintigste-eeuwse Vlaanderen?

Door de laatste restantjes socialisme van zich af te schudden, maken Conner Rousseau, en bij uitbreiding al wie hem volgt, zichzelf volstrekt overbodig. Ach ja, de peilingen geven veertien procent aan, maar daar kan je niets mee realiseren, noch in Vlaanderen, noch in België. Met instagrampopulariteit bouw je geen samenleving op. Tweets zijn geen wetteksten die het leven van de mensen beter maken. Populair zijn bij tienermeisjes levert geen stemmen op, want ze zijn nog niet stemgerechtigd. Met ‘Als ik door Molenbeek rijd, voel ik me ook niet in België’ krijg je schouderklopjes van lieden die nooit op Vooruit zullen stemmen. So what? Wat ben je daarmee? Gaat het dan toch alleen maar om de likes en de retweets, en niet om de inhoud? Kwantiteit boven kwaliteit? Het zou zomaar eens kunnen.

Linkse jongens zoals ik kijken niet optimistisch naar de toekomst van onze politiek.

***

En dan zouden we de amechtige pogingen van Open VLD en CD&V om relevant te blijven haast nog vergeten. ‘Van en voor het volk’ is nu de nieuwe mantra van de christendemocraten. Hoezo, is er dan een partij die zich profileert ’tegen het volk’? Indien niet, is dit niet meer dan een holle slogan, zoals die ampersand altijd al een kunstmatig gedrocht is geweest in de afkorting van de partijnaam. Een fantasietje, voor veel te veel centen bedacht door een marketinggoeroe. Als er dan toch weer een nieuwe partijnaam moet bedacht worden, kunnen Open VLD en CD&V misschien samenleggen. Mijn voorstel: ‘&Dan?’ Dan heb je én die modieuze ampersand én een veelzeggend vraagteken én je kan van die ‘Dan’ een acroniem maken voor ‘Democratisch Alternatief Niemandsland’. Van en voor niemand.

Voor liberalen en christendemocraten geldt hetzelfde als voor de sociaaldemocraten: it’s about the ideology, stupids! Vertaal de ideologie naar 2022 en je zult veel meer bereiken dan met dit staaltje windowdressing-voor-gevorderden. Een mooi opgesmukte etalage is in staat om mensen binnen te lokken in je winkeltje, dat klopt, maar ze zullen niets kopen als de uitgestalde waren hen niet aanstaan.

Tel uit onze winst, denken ze intussen bij N-VA en, nog veel meer, Vlaams Belang. Ook die laatste partij veranderde ooit van naam: in 2004, na de veroordeling wegens inbreuken tegen de antiracismewet. Maar Vlaams Belang verschilt in niets van Vlaams Blok. Meer nog: steeds meer eist extreemrechts sociale standpunten op, hoe nep die ook mogen zijn. Het eist zelfs de feestdag van de Arbeid van morgen op, in de wetenschap dat veel traditionele arbeiders allang niet meer achter een rode vlag aanlopen.

Als papieren links nu eens écht links zou worden, dat zou die partijen al een pak aantrekkelijker maken. Of niet, dat kan ook, maar dan weten we dat tenminste. Tussen rechts en links blijven zwalpen, zal zeker de oplossing voor het linkse debacle niet aanreiken. Door Molenbeek rijden met een huizenhoog dedain evenmin.



Systemisch racisme aanpakken interesseert onze media niet

Journalistiek, Samenleving Posted on do, april 21, 2022 09:58:06

Precies een maand geleden lag We have a dream! in de boekhandel, het boek dat Paul Beloy en ikzelf hebben geschreven over racisme en discriminatie, met als ondertitel Racisme vroeger en nu. 21 maart 2022, internationale dag tegen racisme. Uitstekende timing, dachten we. Een goed boek, al zeggen we het zelf. Een relevant boek, dat heeft met het onderwerp te maken, dat, helaas, blijvend actueel is. Een noodzakelijk boek, daar zijn wij, auteurs, weer met ons promopraatje.

Waar geen discussie over mag bestaan, is dat het thema alomtegenwoordig is. Elke dag lees of hoor je wel iets over racisme, in de traditionele en op de sociale media. Omdat je niet kunt weten waar je naartoe gaat als je niet doorhebt waar je vandaan komt, staat in We have a dream! het meest uitgebreide geschiedenishoofdstuk over racisme en discriminatie dat je kunt vinden in Nederlandstalige boeken. Niet ‘uitgebreid’ in de zin van het aantal pagina’s dat eraan besteed wordt — minder dan honderd —, maar door de link die gelegd wordt tussen religieuze en pseudowetenschappelijke theorieën en de slavernij, de Ku Klux Klan, het nazisme en zelfs het 70-puntenplan van Vlaams Blok. Dat mocht weleens gebeuren. Zo ziet de lezer het totale plaatje, van de middeleeuwen tot nu.

Waar evenmin discussie zou over mogen bestaan, is dat racisme en discriminatie ontwrichtend werken: voor de slachtoffers, uiteraard, maar ook voor de brede samenleving. Een belangrijke minderheidsgroep heeft het niet alleen moeilijk om aan bod te komen, de leden van die groep worden ook onbewust (en geregeld ook bewust) uit de maatschappij geweerd. Ze zitten niet op plekken waar de grote beslissingen worden genomen, ze horen er niet bij omdat ze er niet bij mógen horen. Dat is structureel en systemisch racisme, wat in het boek wordt aangetoond via tig wetenschappelijke bijdragen: doctoraatsstudies, thesissen, met betrouwbaar cijfermateriaal onderbouwd onderzoek. Bij mijn weten werd nooit eerder zo grondig aangetoond dat racisme en discriminatie voor achterstelling zorgen, op het vlak van de persoonlijke leefomgeving, het onderwijs, de huizenmarkt, de arbeidsmarkt, enzovoort. Je kunt die discriminatie aanklagen, maar nóg belangrijker, lijkt me, is dat je die eerst grondig kunt staven. Je kunt niet naast die bewijzen kijken. Ze zijn er, voor wie ze wil zien.

Waar je wel over kunt discussiëren, móét zelfs, is hoe je dit concreet kunt aanpakken. Daar werden wel al boeken en opiniestukken over geschreven, maar ook voor het eerst worden al die ideeën, voorstellen en meningen samengebracht in een slothoofdstuk met maar liefst achtendertig remediërende suggesties, drie van de auteurs, vijfendertig van experten en ervaringsdeskundigen. Daar kun je mee aan de slag, dachten we in al onze naïviteit.

***

Op 19 maart verscheen er een dubbelinterview met de auteurs in De Morgen. De dag nadien zat Paul Beloy in De ochtend op Radio 1 en ikzelf in Wakker op zondag bij ATV. Maandag 21 maart, de eigenlijke verschijningsdatum, zaten Paul en ik in een reportage op TV Oost en stond er een gesprek met ons in Gazet van Antwerpen. Daarna… de Grote Stilte. Ik schreef zelf een bijdrage over pseudowetenschappelijke theorieën in het maandblad Eos Wetenschap. Afgelopen weekend stonden er nog kleine recensies in de weekendbijlage van Het Laatste Nieuws en De Zondag. Dank daarvoor, het werd ten zeerste geapprecieerd.

Maar waar blijft de rest?

Waarom schrijven die andere bladen niets over het boek, desnoods een vernietigende recensie, maar íets?

Waarom doen al die andere radio- en tv-programma’s hier niets mee?

Of vinden ze racisme alleen maar aandacht waard als het over individuele incidenten gaat, liefst met bekende koppen als slachtoffer, zoals Romelu Lukaku of Vincent Kompany, want dat levert lekkere clickbait op?

Er iets vreemds aan de hand in onze pers en ik probeer dat te duiden aan de hand van enkele stellingen, die gebaseerd zijn op jarenlange ervaring.

1. Als De Morgen een exclusief gesprek of een exclusieve voorpublicatie rond een onderwerp doet, haken de andere ‘kwaliteitsmedia’ af. Dan mag je een artikel in De Standaard, De Tijd, Knack en Humo vergeten. Zo gaat dat nu eenmaal. Ook andersom, trouwens. Redacties gaan ervan uit dat iedereen alles leest of ziet (quod non!) en willen niet achteroplopen. Terwijl het om het thema gaat, stupids. Hoe relevanter, hoe interessanter om er iets mee te doen, los van wat de concurrentie doet. De lezer, luisteraar of kijker weet meestal niet eens dat het onderwerp al ergens anders behandeld werd.

2. Op radio en televisie speelt die hokjesgeest nog veel meer. Paul Beloy zat enkele maanden geleden in De afspraak, na het incident met Brugse supporters tegen de trainer, stafleden en spelers van Anderlecht. Prima reflex van de redactie — Kompany is toch niet beschikbaar voor gesprekken los van de context van een wedstrijd —, maar een onmiddellijk gevolg daarvan is dat diezelfde redactie drie maanden later zegt ‘Oh, maar dat hebben we al behandeld’. En andere redacties van de openbare omroep zeggen ‘Oh, maar dat zat onlangs nog in De afspraak‘. Alsof alle mediaconsumenten alle programma’s zien en horen. Alsof een thema niet relevant genoeg kan zijn om het meerdere keren te behandelen. Eventueel nodig je vaste gasten Mia Doornaert en Rik Torfs mee uit, probleem (min of meer) opgelost.

3. Je hoeft een boek niet goed te vinden om er iets mee te doen. Als het thema maatschappelijk voldoende relevant is — nogmaals: daar kan echt geen discussie over bestaan —, schrijf je erover. Desnoods door wat in dat werk staat, af te kraken of bij te sturen of er eigen bevindingen aan toe te voegen of…

4. Onze media zijn te zeer gefocust op anekdotiek en casuïstiek. Individuele incidenten. Die staan overigens óók in het boek, via persoonlijke getuigenissen, maar dat kan je pas ontdekken als je het gelezen hebt, natuurlijk. Verbanden en samenhang zien, ho maar.

5. Onze media zijn niet geïnteresseerd in oplossingen. Stel je maar even voor: als een probleem opgelost geraakt, kun je er niet meer over schrijven of spreken! Daar doen we niet aan mee, hoor. Er wordt dus wel gezegd dat er een probleem ís, en hoe erg dat is, en dat er dringend iets aan gedaan moet worden, maar concrete oplossingen die worden aangereikt, neen, dankjewel, dat is dan weer een stap te ver. Morgen moeten we opnieuw een incident kunnen belichten. En de dag nadien weer één.

6. De coördinatoren van boekenbijlagen laten zich maar wat graag opvrijen door grote uitgeverijen. Die krijgen voorrang. Of door grote buitenlandse namen waar ze mee kunnen uitpakken. Of door connecties uit het verleden. (Vier jaar geleden verscheen Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden? van Geert De Vriese en mezelf, toch ook niet belachelijk, denk ik, vijftig jaar na de feiten. We hadden pech, want het boek verscheen op hetzelfde ogenblik als de ‘viering’ van het tienjarig overlijden van Hugo Claus, waarmee volledige boekenbijlagen gevuld werden. Tip voor toekomstige auteurs: plan geen boeken in de periode maart-april 2028, 2033 of 2038, want dan zal de schrijver respectievelijk twintig, vijfentwintig en dertig jaar dood zijn.)

7. U kunt dit persoonlijke frustratie noemen, overigens terecht, maar deze problematiek gaat natuurlijk veel ruimer dan Frank Van Laeken, Paul Beloy, Geert De Vriese en noem al die net iets te weinig bekende auteurs maar op: het is — nu komen de grote woorden — systemisch en structureel. Het is een vorm van discriminatie. Ook dat nog.

***

Enfin, het is niet omdat ik even mijn rancune ventileer, dat het probleem opgelost is. U kunt het boek ook zelf lezen, uiteraard, kritische recensies zijn meer dan welkom.

Paul Beloy & Frank Van Laeken, We have a dream! Racisme vroeger en nu, Houtekiet, 24,99 euro.

we haveadream.one



Volgende »