Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Woke (bis)

Geschiedenis, Samenleving Posted on za, september 18, 2021 11:14:04

We moeten het nogmaals over woke hebben. Twee weken geleden riep ik op deze plek begrip op voor de mensen die zich woke noemen — ‘wokies’ volgens de tegenstanders —, omdat ze voor mij de kanaries zijn in de koolmijn die Samenleving heet. Zoals we in het verleden dankbaar gebruik hebben gemaakt van zeer uiteenlopende emancipatiebewegingen (vakbonden, feministen, 68’ers, vredesactivisten, etcetera), moeten we gewoon blij zijn dat er zoiets bestaat als de #MeToo-beweging en #BlackLivesMatter. De uitwassen moeten we er, helaas bij nemen, zonder ze daarom honderd procent te accepteren of ze onder de mat van de geschiedenis te vegen omdat ze voor de goede zaak waren of zijn. Vernielingen blijven vernielingen, slachtoffers blijven slachtoffers, hoe nobel het doel ook is. Dat doel heiligt niet alle middelen.

De voorbije weken waren er enkele van die spijtige uitwassen. In de provincie Ontario, Canada, werden als racistisch beoordeelde boeken verwijderd uit bibliotheken en ritueel verbrand. Onder meer strips van Asterix en Kuifje gingen in vlammen op. Het verleidde Bart De Wever en Sam Van Rooy om gelijktijdig een citaat van Heinrich Heine uit 1823 op te diepen: ‘Dort wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.’ Bien étonnés de se trouver ensemble? Ach neen, die Chinese Muur tussen N-VA en Vlaams Belang is in de praktijk niet meer dan een lage haag, waarlangs vrolijk ideeën worden uitgewisseld. Of, met een ander beeld: een draaideur, langs waar heel wat heen-en-weerbewegingen te noteren vallen.

Dichter bij huis, in Antwerpen, werd De man die de wolken meet, een bronzen beeld van Jan Fabre een half jaar geleden stiekem verwijderd van het dak van De Singel. Het lekte pas deze week uit (kan je nagaan hoezeer het beeld gemist werd, maar ook: hoeveel impact het in werkelijkheid had op ons!). En in Charleroi werd een dansvoorstelling van diezelfde Fabre geschrapt, vanwege negatieve reacties en anonieme bedreigingen. Cancelcultuur, wordt dan meteen geroepen, vooral uit rechtse hoek. Men wil die kunstwerken cancelen omdat ze niet (meer) beantwoorden aan wat maatschappelijk verantwoord wordt geacht. Eerder zagen we dat bij de films van of met onder anderen Roman Polanski, Woody Allen, Kevin Spacey en producer Harvey Weinstein. U kent hun vermeende of aangetoonde wandaden, daarover hoeven we het niet te hebben.

Het is goed dat er ondubbelzinnig wordt gewezen op manifest foute uitlatingen, gedragingen of werken. Het is niet goed dat wie die dingen zegt, doet of gemaakt heeft, zonder meer uit het publieke leven moet worden gebannen. Polanski en Allen hebben meesterwerken gemaakt, daar heeft hun gedrag niet rechtstreeks iets mee te maken. Spacey is een magnifieke acteur, ondanks zijn misdragingen. De films die Weinstein producete blijven geweldig: het feit dat de man een seksueel roofdier is, verandert daar niets aan. Fabre zal, allicht, op een of andere manier juridisch veroordeeld worden voor het systematisch belagen en chanteren van zijn danseressen, maar die stukken blijven even goed (of slecht, dat hangt van uw persoonlijke appreciatie af). Jazeker, vooral de vroege Asterixen en Kuifjes blinken niet uit in subtiliteit, staan bol van de clichés en — laten we de dingen benoemen — geven geen blijk van een breeddenkende kijk op de mensheid. In Kuifje vind je racistische karikaturen terug, net als in vroegere Suskes en Wiskes of Nero’s. Je moet dat niet goedpraten. Dat racisme, dat seksisme en die homofobie zijn er. Dat je het in de geest van de tijd moet bekijken, gaat slechts gedeeltelijk op. De makers hadden toen al kunnen weten dat het eenzijdige beeld dat ze toonden onjuist was. Moeten die strips daarom alsnog verbrand worden?

***

Racistisch. Seksistisch. Homofoob. Eurocentrisch. Die predicaten zijn doorgaans terecht. Laten we die er dan ook op kleven. Of beter: ernaast kleven, of als voorwoord meegeven. Want veel beter dan boeken verbranden — een praktijk die onder meer de nazi’s al gretig toepasten —, is het om die boeken te duiden voor een publiek van nu. Ik vind het terecht dat Jan Fabre nu even langs de zijlijn moet staan, maar opvoeringen van zijn vorige theaterwerken moet je laten passeren. Geef er dan wel een woordje uitleg bij, over wat de artiest waarschijnlijk heeft uitgericht. Anders doe je wat fanatieke katholieken in het verleden deden bij filmvoorstellingen van The temptation of Christ: belemmeren dat de vertoningen konden plaatsvinden. Of wat joodse demonstranten in 1985 tegen het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder deden in Rotterdam: de opvoering verhinderen omdat die antisemitisch zou geweest zijn. Zo ongeveer niemand had de tekst gelezen, ze namen de commotie uit het buitenland gewoon over.

Als iemand in opspraak is gekomen en er zijn voldoende elementen om aan te nemen dat het niet om roddels, geruchten of vermoedens gaat, zijn er redenen om die persoon tijdelijk geen podium meer te bieden. Dat is rechtmatig, tot de zaak is opgehelderd. Het is natuurlijk buitengewoon wrang dat die voorstelling in Charleroi wordt afgelast — waardoor al die dansers technisch werkloos worden en, wellicht, geen vergoeding zullen ontvangen —, terwijl men die opdracht nooit had mogen toekennen aan een artiest die door tientallen ex-medewerkers wordt beschuldigd van seksuele intimidatie. Akkoord, dan hadden die dansers nu misschien óók geen werk, maar dan hadden ze tenminste naar alternatieven kunnen zoeken. Nu zijn die er niet.

Je kan het verleden niet zomaar wissen, dat is veel te simpel. Daar zijn een paar redenen voor te bedenken. Eén, je maakt van de betrokken kunstenaar een dader voor de enen en een martelaar voor de anderen, en die polarisatie helpt niemand vooruit. Twéé, verboden vruchten trekken aan. Mein Kampf bleef een gegeerd object in de decennia dat het boek verboden was. (Ooit eens begonnen aan dat onding. Na een vijftigtal pagina’s gaf ik het op, de gezwollen taal stootte mij vanaf de eerste regels af.) Drie, je raakt niet alleen de persoon die geviseerd wordt, maar een veel ruimere entourage die dan collateral damage wordt. Een uitgeverij, een theater, een bioscoop, de onschuldige medewerkers van de dader.

***

Het slechtste wat woke mensen kunnen doen, is de geschiedenis proberen te deleten, want dan verwijder je de bron van wat het begin moet zijn van een maatschappelijk leerproces. Verbrand dus Kuifje in Afrika niet, maar gebruik de strip om uit te leggen hoe dat nu weer zat met Belgisch Congo, waar Hergé over de schreef gaat en hoe fout racisme is. Veel efficiënter dan een bonfire of the vanities, gevolgd door een rondje applaus, een Kumbaya-stonde en een collectief goed gevoel dat na een week weer is weggeëbd. Boeken kan je verbranden, ideeën niet. Laten we het openlijk over die ideeën hebben. Woke is, in mijn ogen, dat je Kuifje in Afrika en consoorten net wél laat verspreiden, maar dat je er duiding bij geeft. Of dat je een spandoek met ‘Sorry’ erop aan dat beeld van Fabre hangt, zoals enkele studenten deden. Humor is dodelijk voor onbeschaafde luitjes. Vooral dóen.

Dat we Cyriel Verschaeve niet langer eren via straatnamen, moeten we vooral consequent blijven toepassen. Die man heeft vele naïeve Vlamingen de dood ingestuurd om een verderfelijk regime te helpen, die hommages waren totaal misplaatst en een naambordje is uiteindelijk máár een naambordje. Massamoordenaars als Leopold II verdienen geen standbeeld, zelfs als je heel genuanceerd naar zijn regime kijkt (‘Hij heeft ook veel goede dingen gedaan’ moet je gewoon onmiddellijk counteren met ‘Ja, maar Congo…’). Moet je dat standbeeld dan vernietigen, wetende dat dit ook ontworpen is door een kunstenaar die daar zijn ziel in gelegd heeft? Of geef je daar een objectief en duidelijk leesbaar woordje uitleg bij, zodat voorbijgangers weten dat deze man schaamteloos de rijkdommen van een ver land tot de zijne heeft gemaakt en miljoenen Congolezen liet vermoorden of verminken zonder in te grijpen, en doe je dat ook consequent op school? Ik prefereer het tweede. We mogen Leopold II, Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot en andere onverlaten niet gunnen dat ze vergeten worden. Onthouden moeten we ze, verdomme, in een educatieve estafette die pas vele eeuwen later mag worden opgegeven, wanneer er ongetwijfeld een handvol nieuwe potentaten zijn gepasseerd die de geschiedenis hebben bezwadderd, en dan nog moeten de genoemde heren in een aangepast rijtje blijven staan met nieuwe massamoordenaars. Als wie woke is dezelfde technieken toepast (boekverbrandingen) als de wreedaardigste dictaturen, dan zijn er twee mogelijke en even perverse gevolgen: één, de mensen die dat onder de noemer ‘woke’ doen, zijn dan toch niet zo woke als dat ze beweren, of twéé, nog veel erger, ook de nazi’s waren op hun manier en binnen hun context woke. Wil je daarmee geassocieerd worden?

***

Toen ik zestien was, ergens halfweg de jaren zeventig, ging ik voor het eerst naar het wassenbeeldenmuseum Madame Tussauds in Londen. Tussen de beelden van de wereldleiders van de twintigste eeuw stond er ook een van Hitler. Achter glas, om te vermijden dat het beschadigd zou worden. Wat ik miste, was een woordje uitleg. Ik had uiteraard al van Hitler gehoord, ook al werd daar thuis nooit over gepraat, door ouders en grootouders die de oorlog hadden meegemaakt.

Laat jongeren van vandaag vooral kennismaken met de erfenis van deze vreselijke figuur. Als je doet alsof hij er nooit geweest is, zal hij er op een bepaald moment ook niet meer zijn, voor de volgende generaties. En dat zou jammer zijn, want net omdát er dat vreselijke verleden is, kan je daaruit leren om het heden en de toekomst beter te maken. Dat zou pas woke zijn, en dan heb je meteen een bondgenoot in mij, want de strijd is hard. Tegenstanders zullen je ervan beschuldigen dat je overdrijft, ze zullen zeuren dat het recht op vrije meningsuiting wordt geschaad, ze zullen zichzelf tot het kamp van de slachtoffers rekenen, iets wat in een handomdraai lukt, want ze zijn met velen. Word dus niet zoals je tegenstanders, want dan ben je in feite een tegenstander van je eigen oprechte overtuigingen.



Racisme, een boek

Samenleving Posted on za, september 11, 2021 11:27:44

We moeten het over racisme hebben. We, dat zijn Paul Beloy en ik. Vijf herfsten geleden schreven we samen Vuile zwarte, over racisme in het Belgische voetbal. Volgend voorjaar publiceren we een nog ambitieuzer boek over dit thema, over racisme in de hele samenleving, een hopelijk wervende en toch zeer accurate titel is in de maak.

De timing is perfect, al zeggen we het zelf. Niet alleen is racisme alomtegenwoordig in dit tijdsgewricht, hier en elders, bovendien is het in maart 2022 precies honderd jaar geleden dat de Belgische filoloog Théophile Simar een studie publiceerde onder de titel Etude critique sur la formation de la doctrine des races au XVIIIe siècle et son expansion au XIXe siècle, waarin hij het voor het eerst over ‘racisme’ heeft. Honderd jaar later valt die term elke dag tientallen keren op duizenden plaatsen. Soms ten onrechte of voorbarig, doorgaans terecht, in bijzonder schrijnende en mensonwaardige omstandigheden.

Het boek zal een beknopt overzicht van de geschiedenis van het racisme brengen, waarbij we na een korte terugblik op de Oudheid via de katholieke middeleeuwen passeren langs de slavernij, de Ku Klux Klan en #BlackLivesMatter in de States, de uitwassen van kolonialisme (handjes hakken in de Congo!), de Holocaust en apartheid, om uit te komen bij racistische incidenten in hedendaags België. Incidenten die, zo vinden we, niet los van elkaar kunnen gezien worden. Er zit wel degelijk een patroon in.

Aan de hand van een strikte definitie van racisme en discriminatie zullen we nagaan hoe die zich manifesteren op het domein van de directe leefomgeving, het onderwijs, het werk, de huurmarkt, de politiek, de culturele sector, de sport en de (sociale) media, en we belichten hardnekkige stereotypes (Zwarte Piet!).

Máár — en daarom pleeg ik deze voor de gelegenheid vrij korte semi-blogpost — we zullen ook slachtoffers uitgebreid aan het woord laten, want voor hen is racisme nooit relatief. Ook de occasionele dader zal zijn zegje mogen doen, over het waarom van zijn handelen, als hij dat tenminste wil en durft. Anekdotiek mag een ernstige, afstandelijke studie niet in de weg staan, maar het zal de maatschappelijke uitwas die racisme is, concreter maken. Want die ‘we’ uit de eerste zin, slaat ook op u en u en u, op ons allemaal.

We zoeken dus mensen die zelf met racisme te maken hebben gekregen. Dat kan uitzonderlijk geweest zijn, maar ook systematisch en structureel. Dat kan een licht incident geweest zijn, maar ook een majeur. Dat kan zware gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, maar ook niet-blijvende.

Bent u of kent u zo iemand, neem dan als de wiedeweerga (= snel!) contact op met ons. Dat kan via frankvanlaeken@icloud.com. Of via een privé-berichtje op de sociale media. Discretie gegarandeerd. En het eindproduct, de geschreven tekst, zal alleen met volledige instemming in het boek gepubliceerd worden.

We moeten het dus over racisme hebben. We, dat zijn Paul Beloy en ik, de auteurs van het boek, de mensen die we binnenkort gaan interviewen en liefst ook u, als aandachtige en betrokken lezer.En wel nú.

Dit boek komt tot stand dankzij de steun van het Fonds Pascal Decroos.



Woke

Samenleving Posted on za, september 04, 2021 11:21:05

Mijn oorspronkelijke bedoeling was het definitieve essay te schrijven over woke. Verschoning, beste lezer, het is slechts een vingeroefening geworden, een snelle schets, een probeersel. Alhoewel, is ‘essay’ niet de vertaling van ‘probeersel’? Essayisten, ach, ze proberen ook maar wat.

Woke, zo leerde ik van Britt Anciaux, de dochter van senator Bert, is een verbastering van ‘awakening’ en werd gelanceerd door de Afro-Amerikaanse samenleving. Ik deed die kennis op tijdens interviewsessies die hebben geleid tot het zeer lezenswaardige boek Over generaties: memoires, visie en manifest in één, door Vic, Bert en Britt Anciaux, waarbij uw dienaar de eer genoot als spookschrijver te mogen fungeren. Op Wikipedia gaat het over een ‘actieterm (…) die verwijst naar een groter bewustzijn van de samenleving’. ‘Woken up’ blijkt dan aan de oorsprong te liggen.

Actie. Bewust zijn en bewustzijn. Wakker worden. Wie kan daar nu tegen zijn? (Velen, zo blijkt.)

Als ik even in de achteruitkijkspiegel kijk, ben ik mijn hele leven al behoorlijk woke geweest. Op wat aangebrande flauwe moppen en het niet terechtwijzen van ultrarechtse typetjes na heb ik me altijd vrij consequent gedragen. Als mens, als man, als sociaal wezen. Als linkse, al is dat geen noodzakelijke premisse. In theorie kan je ook woke zijn door als rechts gecatalogeerde waarden te beschermen. In de praktijk niet, omdat rechtse mensen woke als scheldwoord zijn beginnen te gebruiken, als uiting van politieke correctheid, en zoals bekend krijgen ze daarvan jeuk over hun hele lichaam.

De term viel deze week opnieuw in de marge van een gesprek dat gisteren in Luik plaatsvond over de gevolgen van de coronacrisis, die de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft vergroot. Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit Sarah Schlitz (Ecolo) had zich ingeschreven voor dit evenement waarop alleen vrouwen en genderminderheden welkom waren. Schlitz omschreef het als een safe space, een veilige omgeving waarin vrouwen hun verhaal kwijt konden. Zelf ben ik aanhanger van Groucho Marx’ observatie ‘I don’t want to belong to any club that would accept me as one of its members’, maar ik wil wel de kans kunnen krijgen om een uitnodiging te weigeren. Ik wil wel dat segregatie en apartheid geen kans meer krijgen in de samenleving. Ik wil wel dat vooroordelen geen oordelen worden. En toch begrijp ik ook de nood aan een safe space, zeker voor vrouwen en genderminderheden, omdat zij in een stelselmatig verrechtsende maatschappij kwetsbaarder zijn geworden, zoals ze dat meer dan een halve eeuw geleden ook waren. Wat ik niet begrijp is dat er wel logebroeders zijn en geen logezusters, terwijl die tweedeling daar compleet onzinnig is. Er is een verschil tussen een safe space en een geheim genootschap dat vanalles bekokstooft. Daar hoor je dan weer weinig tegenkanting over. Heeft het dan toch met vrouwonvriendelijkheid te maken?

Ik moet ook weleens grimlachen om de eisen die mensen die zich woke noemen, stellen. Soms zijn die ronduit naïef, vaak nodeloos agressief. Maar dan lees ik een opiniestuk van Mia Doornaert, een tweet van Rik Torfs of een zure oprisping van Theo Francken, of ik verneem dat Vlaams Belang een jacht op linkse leerkrachten heeft ingezet, inclusief kliklijn, en denk: dan toch maar liever wat die woke persoon zegt. Want aan de basis ligt altijd wel maatschappelijke betrokkenheid en de vaststelling dat er heel wat zaken fout lopen, iets wat je van reactionair rechts niet kunt zeggen, die laten maar betijen. Als je even niet oplet, of niet reageert, leven we hier binnenkort ook in een Vlaams Texas, een Orbánstaat of een lightversie van Nazi-Duitsland. Waakzaamheid is geboden, met de W van, jawel, Woke. Laat de Doornaerts en Torfsen van deze wereld dan maar klagen over de cancelcultuur in een drukbekeken praatprogramma op de Vlaamse televisie of in een veelgelezen krantenrubriek, want zo ironisch is het wel: luidop en zonder tegenspraak ‘Wat mogen we dan nog wél?’ vragen in een ruim verspreid medium. ‘Help, wij worden gecanceld!’ komt meestal neer op: wil er iemand alstublieft mensen met een andere mening cancelen, dan kan ik ongestoord verkondigen waar ik zin in heb.

Denk aan de jaarlijks terugkerende Zwarte Piet-discussie: als ik moet kiezen tussen ‘Het is een verouderde voorstelling die gebaseerd is op raciale vooroordelen’ en ‘Blijf van onze tradities af!’, ga ik resoluut voor het eerste. Samenlevingen evolueren, mensen evolueren, dus moeten ook onze handelingen, gedachten en tradities evolueren. Noem het gerust voortschrijdend inzicht. Ik verdiep me momenteel in de geschiedenis van het racisme — later meer daarover — en ik kan u verzekeren dat het niet meer dan normaal is dat we een zwarte niet meer neger noemen, zoals dat veertig jaar geleden nog normaal werd bevonden. Het is heus geen schande om even na te denken over de gevolgen van wat je doet, zegt of schrijft. Ook gevoeligheden evolueren, laten we daar dan ook rekening mee houden. Een voorbeeld: er wordt door rechtse luitjes om gelachen dat zij die woke zijn termen als ‘zwartrijden’ zouden willen verbieden, omdat die stigmatiserend zouden kunnen zijn voor mensen met een donkere huidskleur. Mijn eerste gedacht was: waarom is dit nodig, dit heeft toch niets met zwarte mensen te maken? Puur semantiek. Maar dan las ik over een studentenconferentie in 1965 in Kopenhagen, waar studenten uit verschillende landen komaf wilden maken met termen als ‘blackmail’ en ‘black sheep’, omdat die als stigmatiserend werden beschouwd. Als die vaststelling zesenvijftig jaar geleden al werd gemaakt, is het misschien niet eens zo’n slecht idee om de taal — die ook evolueert — aan te passen?

Mensen die we denigrerend woke noemen, zijn de kanariepietjes in de koolmijn die Samenleving heet. Zij signaleren het gevaar, of dat wat afwijkt van het normale. Net als alle anderen zijn ze niet perfect, dat waren hun voorgangers — die nog niet zo werden genoemd — evenmin. Af en toe roepen ze ten onrechte dat er gevaar is, kan gebeuren. Maar het is goed dat ze er zijn. Hebben de vakbonden een eeuw geleden terecht sociale en politieke correcties laten doorvoeren? Absoluut, we profiteren daar nog elke dag van, alleen waren er acties bij die té gewelddadig waren. Wilde de studentenbeweging eind jaren 60 terecht sociale en politieke correcties laten doorvoeren? Zeer zeker, alleen hadden die stenen door die winkelruiten niet gehoeven. Was de opstand tegen de communistische regimes eind jaren 80 noodzakelijk om sociale en politieke correcties te kunnen doorvoeren in het Oostblok? Wees gerust, maar de snelle executie van een Roemeens staatshoofd kan je onmogelijk juridisch koosjer noemen. Zijn de ‘Black Lives Matter’- en #metoo-bewegingen nuttig om sociale en politieke correcties te laten doorvoeren? You bet, al zal er daar ook wel wat collateral damage zijn. ’t Zou niet mogen zijn, maar nog erger zou in al die genoemde en ontelbare andere gevallen zijn dat er géén tegenreacties waren geweest.

Liever een beetje te veel woke dan te weinig. Het zal mij niet beletten af en toe de draak te steken met een overdreven actieve ‘wokie’, waarbij ik tegelijkertijd de bedenking zal maken: hij (m/v/x) overdrijft dan wel, maar gelukkig is hij wakker. Iemand moet het doen. Volgende keer dat iemand die zich woke noemt mij aanvankelijk tegen de haren in strijkt, zal ik hem/haar/hen liefdevol een arm rond de schouders leggen, een geste die hij/zij/hen ongetwijfeld als paternalistisch zal beschouwen, maar wat deert het: ik bedoel het heus wel goed. En zij ook, in the long run.



Het moet verkeren

Politiek, Samenleving Posted on za, augustus 28, 2021 11:22:18

Twee jonge kinderen begonnen aan deze week, zoals u, beste lezer, dat hebt gedaan. Misschien huppelend, zoals dat ene onverwacht vrolijke meisje uit Afghanistan op een Belgisch tarmac. Misschien boos, omdat ze hun zin niet hadden gekregen vorig weekend. Ongetwijfeld vol verwachtingen, omdat ze op weg waren naar wat in hun jonge ogen grote avonturen waren. Maar zeker niet met het idee dat ze er op dinsdagnamiddag niet meer zouden zijn.

Het is zinloos om uitgebreid terug te komen op reconstructies en verklaringen achteraf: u heeft die ongetwijfeld zelf gelezen en als dat niet het geval was, heeft u ze niet wíllen lezen. Een kruispunt dat een paar maanden, bij wijze van experiment, conflictvrij was, bleek nefast voor de doorstroming en dus kregen voetgangers en chauffeurs toch weer op hetzelfde moment het signaal dat ze mochten oversteken of doorrijden. Ook die twee kindjes en die ene vrachtwagenbestuurder. De schepen van Mobiliteit van de stad A riep eerst in dat de situatie was teruggedraaid op vraag van een nabijgelegen ziekenhuis, waarvan de woordvoerder onmiddellijk liet weten dat zij géén vragende partij waren geweest, waarop er een nietszeggende persconferentie volgde van de schepen. Er zal niets aan de verkeerssituatie veranderd worden, luidde het eindverdict. En neen, de schepen zal niet zijn verantwoordelijkheid nemen, mocht u ooit die illusie gekoesterd hebben.

Als er straks weer een dodelijk ongeval gebeurt op diezelfde plek, zal er dus gedanst worden op het graf van de twee kindjes die het nooit woensdag hebben zien worden. U zult mij dat cynisme wel even vergeven. Want het uitgangspunt dat de situatie niet kan veranderd worden vanwege de o zo noodzakelijke vlotte doorstroming van het verkeer, is nog veel cynischer. Het is een principe dat vertrekt van een letterlijk en figuurlijke dodelijke logica: het recht van de sterkste. In verkeerstermen is dat onveranderlijk diegene die zich verplaatst met het zwaarste vervoermiddel. De lobby van de luchtvaartmaatschappijen is bijzonder machtig, dat bleek al snel in volle coronacrisis. Gevlogen zou er worden. De lobby van de (internationale) transportsector is zeer machtig, alles voor u, consument, nietwaar. Gereden zal er worden, desnoods op het tweede rijvak als het hevig regent, de klant (ú!) kan niet wachten. Just in time! De lobby van de automobielsector is machtig, u weet toch ook dat time = money, er mag geen tijd verloren worden in de file, toch zeker niet aan een onnozel rood licht in de stad? Doorgereden zal er worden. De lobby van de fietsers is minder machtig, maar af en toe hoort u een vertegenwoordiger iets piepen, wanneer er dan toch eens een microfoon in de buurt is. Somtijds met ware doodsverachting zal er gereden worden. De lobby van de voetgangers is… Euh, bestaat die eigenlijk wel? En de lobby van de overstekende kindjes, die moet toch ook nog bedacht worden.

Zo moet u doorstroming zien. Er is altijd wel een machtigere partij, die meer in de pap te brokken heeft, tot je finaal uitkomt bij de vliegende sector. U zult dat ook wel opgemerkt hebben. Verkeersagressie kom je in alle geledingen tegen, maar de gevolgen ervan gaan wel degelijk top-down: een vliegtuig nemen is nog altijd veiliger dan op een doordeweekse zonnige dag rechtmatig een zebrapad oversteken. Verkeersgebruikers wordt een zelfverzekerdheid aangepraat die recht onevenredig is met verkeersveiligheid. Hoe steviger u omringd bent met metaal en glas, hoe veiliger u zichzelf voelt. Maar ook: hoe arroganter velen zich gaan gedragen en hoe onveiliger het wordt voor wie onbeschermd rondrijdt of -loopt.

U kunt er donder op zeggen dat áls er al een onafhankelijk rapport komt, de conclusie zal zijn dat het aan die meisjes zelf ligt, of aan hun moeder, die een eindje achter hen aan liep met nog een ander kindje. Hoe dúrfde ze? Zelfs al staat dat niet letterlijk zo in het rapport, het zal u wel zo worden ingelepeld door handige ‘vertalers’. En er zal ook worden benadrukt dat het een spijtig ongeval is, die sukkel van een chauffeur, zelf in shock, kon er ook niets aan doen (wat overigens zeer nauw bij de waarheid zou kunnen aanleunen, maar dit terzijde).

Wat ze u niet zullen vertellen, is dat verkeersveiligheid in dit land in de eerste plaats economisch wordt bekeken: er moet vlotte doorstroming zijn. De mens is ondergeschikt aan de economie. Nochtans zou veilig op openbare plekken kunnen rondlopen een mensenrecht moeten zijn. Een conditio sine qua non van het menselijke bestaan. Een zekerheidje, toch eentje in ons leven. Verkeer zou, in volgorde, zo veilig, zo comfortabel en zo snel mogelijk moeten kunnen verlopen. Met de nadruk op die ‘mogelijk’, maar ook op die volgorde. Veiligheid boven comfort boven snelheid. Vandaag wordt de perverse omgekeerde logica gehanteerd. Elke week wordt er wel ergens een slachtoffer van die logica begraven. Of twee.

”t Kan verkeren’, zei de Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaenszoon Bredero meer dan vijf eeuwen geleden. Zijn lijfspreuk mag wat onze verkeerssituatie betreft veranderd worden in: ‘Het móet verkeren!’ Om te voorkomen dat we nog kinder- en andere levens moeten betreuren. Dan zou de dood van de twee meisjes niet helemaal zinloos geweest zijn. Helaas lezen de lobbyisten van de automobielsector deze slogan ook, alleen interpreteren ze die anders: autoverkeer móet er zijn en het móet vooruitgaan. De Heilige Doorstroming, begrijpt u.



Kijk eens in de medaillespiegel (het moet beter)

Journalistiek, Sport Posted on zo, augustus 08, 2021 12:24:42

Ja, het was weer adembenemend, hartverwarmend, ontroerend, bewonderenswaardig en in een aantal gevallen uitmuntend hoe Belgische atleten de voorbije zestien dagen aanwezig waren op de Olympische Spelen van 2020, die om de bekende redenen met een jaar werden uitgesteld en nu — sfeerloos naast het sportveld, sfeervol erop — zonder publiek moesten plaatsvinden. Zeven medailles, dat is er één meer dan vijf jaar geleden in Rio de Janeiro. Drie gouden medailles, dat was dan weer geleden van de Spelen van 1924, zevenennegentig jaar geleden. Toen in Parijs en laat dat nu net de volgende bestemming van Circus Olympia zijn. Dat belooft (denkt de optimist). Alleen in de oerjaren 1900 en 1920 deed ons land beter, met respectievelijk vijf gouden medailles (vijftien in totaal), ook al in Parijs, en maar liefst veertien (zesendertig in totaal!) in Antwerpen. Knap, maar we mogen niet vergeten dat de Olympische Spelen toen nog veel meer een elitegebeuren waren: Afrikanen waren niet aanwezig, Aziaten nauwelijks, voor minder rijke sportbonden of atleten was de oversteek naar een ander continent onbetaalbaar.

Neen, we moeten streng zijn: naast de pech die er ongetwijfeld soms mee gemoeid was, kan je over het geheel van de prestaties niet tevreden zijn. België stagneert. Behaalden we in voorhistorische tijden nog 15 (Parijs 1900), 36 (Antwerpen 1920) of 13 medailles (opnieuw Parijs, 1924), na de Tweede Wereldoorlog raakten we nooit boven de zeven van Londen (1948) uit. Het werden er zes in Montreal (1976, geen enkele gouden), Atlanta (1996, twee keer goud) en Rio (2016, twee keer goud), en nu dus nog eens zeven in Tokio (2020-2021, drie keer goud). Dat klinkt als een vooruitgang, maar laten we wel wezen: het heeft ook iets van de processie van Echternach.

***

Toch niet slecht voor een klein landje, hoor ik sommigen denken. Het is die ‘cultuur van tevredenheid’ — een term die ik even leen van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, die het had over ‘culture of contentment’, zelfgenoegzaamheid, in de economische wereld — die ik zal blijven hekelen. We mogen luid juichen voor de successen van Nina, Nafi en de Red Lions, ook voor de medailles van Wout, Matthias, de jumpingmannen en die o zo ontwapenend sympathieke Bashir. We mogen blij zijn met de atleten die een olympisch diploma behaalden, een top 8-plaats in hun discipline. We mogen jammeren om de vierde plaatsen, de ‘net-nieters’. Maar we mogen, neen: we móeten, ook kritisch en afstandelijk blijven. Landen met minder inwoners als Nieuw-Zeeland, Hongarije, Tsjechië, Noorwegen, Jamaica, Zweden, Zwitserland, Denemarken en Kroatië eindigden boven België (29ste) in de medaillespiegel. Nederland behaalde bijna zes keer zoveel medailles als België (36 versus 7), terwijl onze noorderburen niet met zes keer meer zijn, hoogstens anderhalve keer.

Vóór de Spelen mikte delegatieleider Olav Spahl op eenentwintig olympische diploma’s. Als je ’t zo berekent, kan je stellen: doel gehaald met, als ik goed kan tellen, vierentwintig top 8-plaatsen. Enkele maanden vooraf berekende statistiekenbureau Gracenote dat België in staat moest zijn om, op basis van wereldranglijsten en recente prestaties, elf medailles mee naar huis te nemen. Na Rio, vijf jaar geleden, werd openlijk op tien gemikt. Het is net iets meer dan de helft geworden. We doen slechts een fractie beter dan vijf of vijfentwintig jaar geleden, op die ene extra gouden plak na, en dat met onze grootste delegatie ooit, 122 atleten. Mag ik dat tegenvallend noemen in de breedte?

***

Dat doet niets af aan de prestaties van onze medaillisten. Ondanks hun uiteenlopende sporttakken is er een opvallende rode draad tussen hen: ze zijn stuk voor stuk de besten in hun discipline. Nina Derwael is al jaren wereldtop op de brug met ongelijke leggers, ze werd al Europees-, wereld- en nu ook olympisch kampioen. Nafi Thiam legde een vergelijkbaar parcours af in de zevenkamp, het verlengen van haar olympische titel is een volstrekt unicum voor de Belgische sportwereld. Ook de Red Lions wonnen sinds donderdag alles wat er te winnen valt in het hockey. Wout Van Aert is misschien wel de beste eendagscoureur van het moment. Matthias Casse werd wereldkampioen in zijn judo-gewichtsklasse. De jumpingequipe was al eens de beste van Europa. Bashir Abdi is de uitzondering, maar hij wordt steeds beter op de marathon. Toppers die top waren. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ze gewoon gedaan hebben wat van hen verwacht werden, hun prestatie mag vooral niet gerelativeerd worden. Hulde!

Opvallend is dat we op deze Spelen niet konden kennismaken met een totaal onbekende of onverwachte medaillewinnaar. Geen Nafi Thiam, zoals die in 2016 de wereld verbaasde, of Greg Van Avermaet, die op een voor hem ongeschikt lijkend parcours de wegrit won. Geen Pieter Timmers die op het koninginnennummer in het zwembad zilver pakte. Geen Lionel Cox of Frans Peeters in de schietsport. Hooguit mogen we Bashir Abdi een aangename verrassing noemen, die het beter deed dan verwacht.

Het zou flauw zijn om als tegenargument te gebruiken dat we er zo vaak net naast grepen. Zeven vierde plaatsen worden als excuus gebruikt dat het zoveel meer had kunnen zijn voor ons land. Ik heb het even nageteld: Nederland zat op zaterdagmiddag al aan tien uitermate frustrerende vierde plekken. Zouden onze noorderburen ook hun zakdoeken bovenhalen om die ‘net niet’-medailles te bewenen? Team USA zat op de voorlaatste dag aan 26, Groot-Brittannië aan 14. België stond op de ranglijst van vierde plaatsen zestiende, niet eens top 10, kortom. Het is dus niet zo dat de Belgische atleten extra onfortuinlijk waren, alleen zijn we blijkbaar geneigd om snel naar pech te verwijzen, terwijl andere landen daar minstens evenveel of zelfs veel meer mee te maken krijgen. Is het onze volksaard? Wij, kleine Belgen, gedomineerd door god en klein pierke in onze geschiedenis, te nederig, te onderdanig, maar ook te berustend en te vlug klagend over onze onkans en al wat tegenzit?

***

Ondanks Nina, Nafi en de Lions doen we het niet goed genoeg en daar zijn een aantal redenen voor te bedenken. Om te beginnen hebben we in België geen sportcultuur. Voetbal en wielrennen, en af en toe een uitschieter die in beeld mag komen (Derwael, Thiam, de hockeymannen, in het verleden Clijsters en Henin), meer is het niet. Sjotten en koers, en zelfs daarin winnen we te weinig. Kijk naar de Rode Duivels, kijk naar het baanwielrennen of de grote wielerrondes. We bevinden ons in een vicieuze cirkel: veldrijden is een geweldige kijksport — alles zit vervat in dat ene uur —, maar dit korfbal-op-twee-wielen is tegelijk ook de doodsteek voor een discipline als baanwielrennen. Er valt veel meer te verdienen in de modder dan op een houten piste, dus kiezen de renners voor hun boterham, niet voor een eventuele olympische droom. Waardoor er niet gepresteerd wordt en de media blijven focussen op de populaire sporttakken. We maken weleens een meewarige opmerking over de Elfstedentocht — Giet et oan? —, maar vergeten dan dat alleen al die winterse schaatscultuur van Nederland een ruimdenkender sportland maakt. We fokken olympische toppaarden, we kweken te weinig olympische topatleten.

Er is ook geen beleid. Er zijn drie ministers van Sport in dit land, maar niemand neemt de federale honneurs waard, terwijl internationale prestaties onder de Belgische vlag worden geleverd. De Vlaamse minister juicht als een Vlaming het goed doet en zwijgt als een ‘andere Belg’ een medaille haalt (of noemt de namen van de atleten niet), de Waalse minister heeft nauwelijks een reden om te juichen (sportbeleid is daar helemaal een zootje). Nederland heeft voor topsport een dubbel zo groot budget veil als België: 70 miljoen euro versus 37 (26 voor Vlaanderen, 11 voor Wallonië). Australië geeft jaarlijks 140 miljoen uit en dat rendeert al enkele decennia. Het is een beleidskeuze: wil je prestaties, dan zal je daarvoor ruim moeten investeren. Wil je een beleid, dan zal er op federaal niveau gestuurd moeten worden. Wil je als minister écht een reden hebben om trots te zijn op Twitter, dan zal je er eerst een flinke inspanning voor moeten leveren. Tot dan is zwijgen eerzamer dan mee een stukje roem claimen.

Visie — beleid — middelen — hard werken — prestaties, dat is de volgorde. In België gaat het meestal om individuele uitschieters, professionals die buiten de structuren om succes behalen. De topsportscholen leveren prima werk (kijk naar Derwael en de andere gymnasten), maar het mag en het moet veel meer zijn. Waar zit de talentdetectie? Meer centen, meer investeren in jonge talenten, meer geld voor deskundige trainers, meer werken in de luwte, meer geduld gekoppeld aan hoge eisen (maar dan zonder mentale terreur). Alleen dan kan je oogsten op middellange- en lange termijn. Als België nú principiële keuzes zou maken — gecentraliseerd beleid, groter budget, meer vakkennis aanstellen binnen de sportbonden —, zouden we eventueel in 2036 aan twintig medailles kunnen denken. Niet eerder. Tot dan zouden we ’t moeten stellen met de toppers die buiten de structuren om hun ding doen en een uitzondering zoals de hockeyers, want de hockeybond is wel uitstekend bezig. Alleen: die principiële keuzes zullen niet gemaakt worden, zodat we ons over drie jaar in Parijs opnieuw zullen afvragen of het wel genoeg is en hoe we het anders zouden kunnen aanpakken. Onze sportbonden worden nog altijd in grote mate bevolkt door recepties afschuimende, zelfgenoegzame bobo’s. Op hun plek zou een (ervarings)deskundige kunnen zitten. Móeten zitten.

***

Die ‘cultuur van tevredenheid’ moet eruit. We moeten strenger zijn, veeleisender, kritischer, een tikkeltje afstandelijker. We moeten afstand nemen van dat hardnekkig underdoggevoel, dat ‘Och, ja, ze hebben toch hun best gedaan’-gedoe. We moeten vooral geen leedvermaak hebben met landen die het een paar dagen moeilijk hebben, maar die op het eind hoog boven België uitsteken. We moeten naar onszelf kijken. De spiegel zegt: het kan beter. De medaillespiegel zegt: het moet beter.



Wie is de beste Rode Duivel ooit?

Sport Posted on zo, juli 11, 2021 16:42:23

Hieronder leest u een poging om de beste Rode Duivel van pakweg de laatste vijftig jaar aan te duiden. Maar eerst een combinatie van uitgangspunten en spelregels die ik mezelf heb opgelegd.

1) Ik ga niet koketteren met mijn kennis van onze volledige voetbalgeschiedenis. Ik beperk me tot de spelers die ik bij volle bewustzijn heb zien spelen. Dus: niemand uit het olympisch elftal van 1920 (onze enige titel, toen beschouwd als een officieus wereldkampioenschap), geen Raymond Braine (die als eerste Belg furore maakte in het buitenland, bij het in de jaren 30 toonaangevende Sparta Praag), geen Bernard Voorhoof (heel lang topschutter bij de Rode Duivels, in een periode dat er nog niet tegen de San Marino’s van deze wereld werd gespeeld), geen Jef Mermans (Der Bomber), geen Rik Coppens (de tribunespeler die in het shirt van België onder meer de penalty in drie tijden introduceerde), zelfs geen Paul Van Himst (die op zijn enige grote toernooi, Mexico 70, vooral uitblonk in heimwee en mentale afwezigheid op het veld: zijn gloriejaren lagen vroeger).

2) Het gaat om prestaties in het shirt van de nationale ploeg, niet voor een club. (Mocht u, bijvoorbeeld, Luc Nilis missen in de lijst.)

3) Elk lijstje is arbitrair en onderhevig aan wijzigingen. Het is subjectief. Weliswaar gebaseerd op een doorgedreven redenering en tegen elkaar afwegen van prestaties, maar periodes vergelijken heeft toch ook iets weg van appelen met peren vergelijken. Al was het maar omdat het spelletje voetbal nu een business is geworden, dat er veel sneller wordt gespeeld dan veertig jaar geleden en dat voetballers veel completere atleten zijn geworden. Van wetenschappelijke begeleiding hadden ze vroeger niet gehoord. Vóór de EK-finale van 1980 in Rome dronken de Rode Duivels nog een pintje bij de lunch. Dat zou vandaag ondenkbaar zijn, al was het maar omdat we niet in de finale staan…

4) Best mogelijk dat ik volgende week andere nuances zou leggen. En laten we hopen dat de prestaties van de Rode Duivels op de Nations League en het WK in Qatar een aanpassing zullen opdringen, dan doe ik dat met veel plezier. (Al geloof ik daar niet echt in, eerlijk gezegd.)

***

20. ERWIN VANDENBERGH

Ik begin met een staaltje scorebordjournalistiek, omwille van die openingsgoal tegen uittredend wereldkampioen Argentinië op de Mundial van 1982. Op het EK 1980 zat Vandenbergh in de finale op de bank, op de Mundial in Mexico viel hij door de mand. Vandenbergh was vooral sant in eigen land. (Hij lag voor mij in de weegschaal met Marc Degryse, René Vandereycken en Marc Wilmots.)

19. LUC MILLECAMPS

Hét voorbeeld van een speler die voetbalde naar zijn beperkingen: een keiharde, technisch beperkte voorstopper die uitsluitend in dienst van het elftal speelde en perfect was ingespeeld op zijn maatje centraal achterin, Walter Meeuws. Nuttig met hoofdletter N. En symbolisch voor vier Belgische voetbalgeneraties geleden: minder talent, meer grinta.
18. TOBY ALDERWEIRELD

Even nuttig als nummer 19, maar een veel betere voetballer. Goede voeten, vista, snel anticiperend, heeft nauwelijks overtredingen nodig in één-tegen-éénsituaties. 113 interlands, die moet je verdienen. Op basis van het laatste seizoen bij Tottenham Hotspur lijkt het beste er helaas een beetje af.

17. SWAT VAN DER ELST

Polyvalente voetballer, die werd opgeleid als aanvaller, maar bij Anderlecht debuteerde op de rechtsbackpositie. Bij de Rode Duivels speelde hij zowel als rechtermiddenvelder (in een 4-4-2), als tweede spits of als diepe spits. Hard werkend, vlot scorend op cruciale momenten, razendsnel op de eerste meters.

16. GEORGES GRÜN

Aanwezig op vier grote toernooien tussen 1984 en 1994, op het eind als aanvoerder. Eerst als rechtsback, later centraal in de defensie. Kopbalsterk, slim, technisch prima en bovendien een uitstekende ploegspeler. Pikte ook al eens een doelpuntje mee.

15. FRANK VERCAUTEREN

Linkspoot die als geen ander krullende voorzetten vanaf links kon geven. Zie opnieuw die goal van Vandenbergh tegen Argentinië (1982). Vreemd genoeg mocht Vercauteren niet mee naar het EK van 1980, hoewel hij toen toch al 24 was. Scoorde een wonderbaarlijke goal op het EK 1984 (‘Dag moeder!’) en gaf een typische assist op de Mundial 1986 in de kwartfinale tegen Spanje.

14. WALTER MEEUWS

De slimme libero die zijn collega-verdedigers instrueerde om de buitenspelval open te zetten. Vooral tegen sterkere tegenstanders was dat bijzonder intelligent. Opgeleid als spits, zakte hij in zijn Beerschot-tijd af naar het hart van de verdediging. Hard en onverzettelijk, technisch onderlegd, leidersfiguur op het EK 1980.

13. AXEL WITSEL

Begon als aanvallende middenvelder in zijn jonge Standard-jaren, zakte daarna af naar de positie van controlerende middenvelder. Zo verdomd jammer dat hij onder bondscoach Wilmots alleen maar ongevaarlijke laterale passjes mocht geven, want later (en ook in het clubvoetbal) bewees hij hoe intelligent en opbouwend hij kan voetballen. 114 interlands, een van de eerste namen op het wedstrijdblad.

12. WILFRIED VAN MOER

Een van de weinige Belgen op niveau in Mexico 70, scoorde toen twee doelpunten. Beslissend tegen Italië in de EK-kwartfinale 1972, maar brutaal kaltgestellt door de Italiaan Bertini. Beenbreuk. Daardoor miste hij het EK. Verdween dan uit beeld om in de aanloop van het EK 1980 te worden heropgevist (‘Je veux Van Moer!’). Onmisbaar in die EK-ploeg, iets minder prominent twee jaar later op de Mundial in Spanje. Slimme voetballer, goeie passing, meedogenloos als het moest.

11. ENZO SCIFO

Dé ontdekking van het EK 1984, toen de Rode Duivels als gevolg van het omkoopschandaal Standard-Waterschei drastisch moesten vernieuwen. Als 18-jarige voetbalde hij ongedwongen. Briljante technicus die ook op de WK’s van 1986 en 1990 een dragende rol kreeg in de Belgische tactiek. Had een voor die tijd niet-typisch Belgische frivoliteit in beide voeten.

10. JAN VERTONGHEN

Recordinternational met intussen 131 interlands. Werd eerst als verdedigende middenvelder uitgespeeld, daarna als linksback en — zijn natuurlijke positie – centraal achterin. Voetballende verdediger, kalm aan de bal, anticipeert uitzonderlijk goed, intelligente plaatsing en bovendien ook een leidersfiguur.

9. MICHEL PREUD’HOMME

Laten we drie doelmannen op een rij zetten. Qua atletische aanwezigheid was Preud’homme wellicht beter dan de namen die volgen. In 1990 had hij geen verhaal tegen hoe-heet-die-Engelsman-ook-weer-die-verdomme-scoorde-in-de-119de-minuut, op het WK in de Verenigde Staten was hij outstanding, beste keeper van het toernooi (en dus van de wereld). (Apropos, Christian Piot heb ik niet in deze lijst opgenomen, omdat die alleen maar 1970 en 1972 heeft meegemaakt, waar hij net iets minder was, maar wel een uitstekende doelman met enorme uitstraling.)

8. JEAN-MARIE PFAFF

El Sympatico, niet altijd even sympathiek bevonden door de rest van de spelersgroep vanwege zijn zucht naar aandacht. Maar als keeper — en daar gaat het hier om — bijzonder goed, een van de eerste Belgen die carrière maakte bij een buitenlandse topclub. Knap op het EK 1980 (maar wel in de fout bij de winnende Duitse goal), een van de beste doelmannen in Mexico (1986).

7. THIBAUT COURTOIS

Nog niet verkozen tot beste speler van een groot toernooi, zoals Preud’homme, nog niet in een finale gestaan, zoals Pfaff, en toch schat ik hem net iets hoger in dan die twee andere doelmannen. Minder spectaculair dan Preud’homme, minder elegant dan Pfaff, maar allicht completer, moderner, bedrijfszekerder. En sinds het WK van 2014 onbetwistbaar titularis. Belangrijke rol in moeilijke momenten tegen Brazilië en Portugal.

6. VINCENT KOMPANY

Boegbeeld van een generatie. Onbetwiste leider van de ‘gouden generatie’. In zijn hoogdagen een van de beste verdedigers van de wereld. Genadeloos tackelend, zeer snel, slim, belangrijk bij balrecuperatie die vlekkeloos overgaat in een eigen aanval. Schuwde soms de risico’s niet. Zou veel meer dan 89 interlands tellen zonder die vele blessures.

5. ROMELU LUKAKU

Ligt wat mij betreft in de balans met nummer vier. Topschutter aller tijden met 64 doelpunten in 98 interlands. Veegde de kritiek — technisch onvoldoende, mist te veel kansen, niet slim genoeg — stevig van tafel de jongste jaren bij Internazionale en de Rode Duivels. Nam de leidersrol van Kompany het voorbije jaar over. Schoolvoorbeeld van een voetballer die zichzelf door hard werken nog veel beter heeft gemaakt.

4. EDEN HAZARD

Aanvallende middenvelder die op het WK in Rusland de beste dribbelaar was. In zijn beste dagen ongrijpbaar en ook nog eens behoorlijk productief. Op de lijst van doelschutters staat hij tweede, met 32 goals (de helft van Lukaku) in 111 interlands. En toch… is hij nog net iets bepalender geweest in het clubvoetbal, tenminste: bij Lille en Chelsea, niet bij Real. Moet opnieuw voetballer worden na al dat blessureleed.

3. ERIC GERETS

De rechtsback die 86 keer uitkwam voor de nationale ploeg. Zonder die schorsing voor zijn betrokkenheid bij de omkopingsaffaire Standard-Waterschei zou hij aan 100 zijn geraakt. Was eigenlijk al een wingback lang voor die term werd bedacht. Zeer aanwezig op het EK van 1980, de Mundial 1982 (tenminste, tot hij met Pfaff botste…), de Mundial 1986 en de Mondiale 1990 (als 36-jarige). Onverzettelijk. Spijkerhard. Snel. Leider.

2. KEVIN DE BRUYNE

De Ballon d’Or zal hem allicht alweer ontsnappen, nadat Man. City de Champions League niet wist te winnen en de Rode Duivels al na de kwartfinales naar huis moesten. Lijkt op z’n 30ste steeds beter te worden en die chronologische verbetering zag je ook op zijn grote toernooien. Zeer jammer dat hij dit EK met blessures te kampen had. In één volledige en twee halve wedstrijden scoorde hij één keer en gaf hij drie assists. Veel meer dan Eden Hazard sterkhouder van deze Rode Duivels.

1. JAN CEULEMANS

De man die op het EK 1980 de voetbalwereld verbaasde. Allesbehalve een sierlijke voetballer, maar o zo onmisbaar. Hard werkend, bijzonder intelligent, snel, dribbelvaardig (op zijn, wat houterige, manier), scoorde op beslissende momenten. Was er ook bij in 1982, 1984, 1986 en 1990 (op z’n 33ste). Had niet veel woorden nodig om, samen met Gerets, de leider te zijn van de generatie-Duivels in de jaren 80. Hier op 1 omdat hij een EK-finale speelde en de halve finale op een WK, telkens in een dragende rol. Dat kan niemand van de huidige generatie zeggen. 96 interlands.



Een moment voor MoMeNT

Journalistiek Posted on za, juni 26, 2021 12:01:36

Terwijl u, hopelijk, van een beetje vakantie kunt genieten de komende dagen en weken, zit ik in volle voorbereiding van een reeks gesprekken met interessante gasten. Van 9 tot en met 14 augustus ben ik opnieuw ‘Tijdgeest’ op MoMeNT in Tongeren, een evenement dat volledig draait rond Tijd. Zes middagen mag ik van 12 tot 14 uur telkens drie gasten ontvangen en praten/filosoferen over Leven, Werk en hun verhouding tot Tijd. Ik vraag hen ook wie hun (onzichtbare) mentor is geweest en in welk tijdperk ze liefst hadden geleefd. Na de jammerlijke onderbreking vorige zomer verhuist de locatie van het gezellige Huis Theelen, waar de aanwezigen soms bijna letterlijk tot op de schoot van de gasten zaten, naar het ruimere en in de huidige omstandigheden veiligere auditorium van het Gallo-Romeins museum. U komt toch ook?

***

MAANDAG 9 AUGUSTUS

• Laura Janssens: Illustratrice en cartooniste die de jongste jaren een hoge vlucht heeft genomen onder de roepnaam ‘Niet nu Laura’. Het begon voor haar allemaal met illustraties in publicaties voor de Vlaamse overheid. Haar ‘graphic novels’ Niet nu Laura en Niet nog eens Laura oogstten veel bijval. Voor het Crazy Cat Lady-boek van Elke Van Huffel leverde ze de soms hilarische illustraties. Als ‘webcomic artist’ is ze heel actief en zichtbaar op sociale media.

Dahlia Pessemiers-Benamar: Actrice met Marokkaanse roots, die gastrollen speelde in tv-series als Thuis, Wittekerke, Witse en De Ridder. In 2011 trok ze het Vlaamse land rond met Draait den draad en zie ze zei…’, een reeks Berberse sprookjesvertellingen in een Nederlandse vertaling. Voor MoMeNT creëert ze de theatervoorstelling De eerste keer, waarvoor ze een korte tijd in Tongeren verbleef om in individuele en groepsgesprekken te polsen naar ‘de eerste keer’ van Tongenaren.

• Jean Paul Van Bendegem: Wiskundige, wetenschapsfilosoof, hoogleraar logica, die in zijn werk voortdurend op zoek gaat naar de grondslagen en filosofie van wiskunde en logica. In zijn opvatting van wiskunde is geen plaats voor het oneindige. Noemt zichzelf een ‘spiritueel atheïst’. Stichtend lid en erevoorzitter van SKEPP, de vereniging die pseudowetenschap probeert te ontmaskeren. Gefascineerd door de (fictieve) figuur van Sherlock Holmes. Maar bovenal een amusante en inspirerende causeur.

***

DINSDAG 10 AUGUSTUS

• Peter Adriaenssens: Als kinder- en jeugdpsychiater hield hij zich zijn hele leven bezig met de meest kwetsbaren in onze samenleving. Was docent aan de KU Leuven en is directeur van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling van Vlaams-Brabant. Tijdens de coronacrisis liet hij zich een aantal keren horen om te wijzen op de problematiek van toenemend huiselijk geweld, achterstelling en psychisch lijden van jongeren bij gebrek aan sociaal contact.

• Stefan Everts: Beste motorcrosser aller tijden. Zijn vader, Harry, werd vier keer wereldkampioen, Stefan behaalde maar liefst tien wereldtitels in de drie categorieën (125cc, 250cc, 500cc). Werd vijf keer verkozen tot Sportman van het Jaar, in 2003 was hij winnaar van de Nationale Trofee voor Sportverdienste, een eenmalige en ultieme bekroning voor een topatleet in ons land. Begeleidt nu zijn zoon Liam in het crosscircuit. Eind 2018 overleefde hij ternauwernood malaria.

• Sofie Peeters: Documentairemaakster en journaliste, die in 2012 als studente de spraakmakende documentaire Femme de la rue draaide, over seksuele intimidatie op straat. Na haar studies ging ze aan de slag in de mediawereld, waar ze schrijft, filmt en regisseert over uiteenlopende onderwerpen: van kinderrechten tot ecologie. Voor MoMeNT draait ze de filosofische docu Alles gaat voorbij, maar niets gaat over, waarvoor ze in gesprek gaat met verschillende Tongenaren over hun eerste herinnering, hun grote voorbeeld, hun veilige thuis. Première dinsdag 10 augustus, daarna doorlopend te bekijken in Huis Theelen.

***

WOENSDAG 11 AUGUSTUS

• Hans Geybels: Theoloog die in 2004 doctor in de godgeleerdheid werd met een dissertatie over de geschiedenis van de religieuze ervaring. Tussen 2005 en 2010 was hij woordvoerder van kardinaal Godfried Danneels. Daarna lanceerde hij de christelijk geïnspireerde denktank Logia. Hij geeft les aan de KU Leuven en SYNTRA Hasselt. Zijn onderzoek spitst zich toe op de religieuze volkscultuur. Hij publiceert over de relatie tussen kerk en media, en is een specialist in rituelen.

• Roger Lybaert: 89-jarige bewoner van woonzorgcentrum De Vaeren in Reet, die tijdens de coronacrisis ongewild woordvoerder werd van zijn generatie. Getuigde in De zevende dag en De afspraak over wat het betekent om geïsoleerd te worden van de rest van de samenleving en over hoe de maatschappij omgaat met senioren. Verloor begin dit jaar zijn echtgenote Vera, maar ziet voor zichzelf nog een rol weggelegd als steun en toeverlaat van lotgenoten. Voor Canvas maakte zijn dochter Leentje over hem de beklijvende documentaire Roger. Een boek is in de maak.

• Caroline Vermeir: Visueel artieste en 3D-illustratrice die elke zaterdag in De Morgen een levensecht portret mag schetsen van de man/vrouw die in de wekelijkse brief van journalist Joël De Ceulaer figureert. Haar Studio Caro levert niet alleen werk voor Vlaamse tv-zenders als VRT en VTM, ze is ook internationaal actief met het ontwerpen van affiches voor theatershows en tv-uitzendingen. Haar creaties vallen op door hun levendig kleurgebruik.

***

DONDERDAG 12 AUGUSTUS

• Jerry Aerts: We hadden hem graag vorig jaar kort na zijn pensionering uitgenodigd, maar door de corona-omstandigheden werd dat uitgesteld. Uitstel is echter geen afstel. Achtentwintig jaar lang, van 1992 tot 2020, was hij artistiek directeur van de internationale kunstencampus deSingel in Antwerpen, als opvolger van Frie Leysen. DeSingel geniet internationale renommée op het vlak van theater, muziek, dans en architectuur. In 2005 werd hij uitgeroepen tot Cultuurmanager van het Jaar, in 2019 ontving hij de Klara Carrièreprijs.

• Esmé Bos: Zangeres die al sinds ze afstudeerde in 1994 op alle vlakken samenwerkt met muzikant Bart Voet. Zong mee op platen van dEUS, Gabriel Rios en Kapitein Winokio. Samen met Bart maakte ze furore met Duveltjeskermis, een programma met muziek uit de jaren 30 en 40. Ze toeren zowel met slaapliedjesconcerten voor de allerkleinsten als met ‘grote-mensen’-muziek. Op uitnodiging van MoMeNT creëerden ze samen het liedjesproject Ella, een ode aan de legendarische jazzzangeres Ella Fitzgerald. Esmé en Bart vernoemden zelfs hun dochter naar haar. Ella gaat op vrijdag 13 augustus in première in het Casino.

• Koen Vanmechelen: Hedendaagse conceptuele kunstenaar die in zijn werk de bioculturele diversiteit centraal stelt. Hij werkt hiervoor vaak samen met wetenschappers uit verschillende disciplines. Grote bekendheid verwierf hij sinds 1999 met zijn The Cosmopolitan Chicken Project, een wereldwijd kruisingsprogramma met nationale en regionale kippenrassen. Zijn werk was te zien op Documenta (Kassel) en de Biënnale van Venetië. In 2018 was hij onder meer op MoMeNT aanwezig met Coming World Remember Me, een kunstproject rond de Eerste Wereldoorlog met 600.000 kleine sculpturen in klei.

***

VRIJDAG 13 AUGUSTUS

• Bert Anciaux: Vandaag is hij senator voor Vooruit, in het verleden leidde hij onder meer de partijen Volksunie en Spirit. Als zoon van Vic, een van de boegbeelden van de VU in de jaren 70 en 80, werd hij in de jaren 90 de populairste politicus van Vlaanderen dankzij zijn jongensachtige flair en spontaniteit. Later werd hij onder meer Vlaams minister van Sport, Cultuur en Jeugd, en federaal minister van Mobiliteit. Binnenkort verschijnt Over generaties, een boek waarin hij samen met vader Vic en dochter Britt terug- en vooruitblikt op leven en carrière.

• Anneliese Billen: Studeerde aan de Toneelacademie Maastricht en werd vervolgens docente Nederlands. Als freelance theatermaakster was ze actief in Vlaanderen en Nederland. In haar producties wordt voortdurend de grens met de werkelijkheid opgezocht, waarbij er ruimte moet blijven voor chaos. Ze begeleidt in de zomer van 2021 voor MoMeNT elke dinsdag een dagkamp met ouders en kinderen, workshops waarbij er telkens een ander thema aan bod komt.

• Bieke Purnelle: Journaliste voor onder meer MO* en De Standaard, blogster en bestuurder. Sinds 2016 directeur van de vzw RoSa, het Belgisch kenniscentrum voor gender en feminisme, waarbij de ‘Ro’ staat voor ‘rol’ en de ‘Sa’ voor ‘samenleving’. RoSa werd opgericht als documentatiecentrum in de nasleep van de Tweede Feministische Golf. Daarnaast is ze wielerfanate en dat zullen we geweten hebben. Voor De Standaard schrijft ze na elke belangrijke koers in binnen- en buitenland een lyrische column.

***

ZATERDAG 14 AUGUSTUS

• Elise Bundervoet: Actrice die voor het eerst opviel in de legendarische jeugdreeks Buiten de zone, halfweg de jaren 90. Later speelde ze zowel op de planken (onder meer bij NTGent) als op tv (onder meer Heterdaad, Recht op recht, Flikken, Urbain en De luizenmoeder). Naast haar liefde voor acteren is ze ook verpleegkundige. Na jaren gewerkt te hebben in de palliatieve zorg ontstond het plan om creaties te maken die zorg en cultuur met elkaar verbinden. Voor MoMeNT creëert ze dit jaar de theatermonoloog De dag die komt. Een heel persoonlijk verhaal, dat gaat over passionele liefde, over al dan niet toegelaten worden tot iemands leefwereld, over loslaten en afscheid nemen De dag die komt wordt zaterdag 14 augustus opgevoerd in De Velinx. Personeelsleden van de palliatieve eenheid De Schelp van het AZ Vesalius zijn de eerste genodigden.

• Judith Nab: Nederlandse theatermaakster die een ode brengt aan het onbekende en de verbeelding. Haar theatrale installaties creëren atmosferen waarin de toeschouwers — afwisselend kinderen en volwassenen — worden ondergedompeld. Haar werken werden op internationale festivals vertoond. Op MoMeNT stond eerder De grote reis. Dit jaar creëerde ze op uitnodiging van MoMeNT Op een kleine dag, een voorstelling over de eerste vier jaar van ons leven, waarin we nog geen herinneringen opslaan.

• Jan Peumans: Voormalige politicus, moeten we tegenwoordig zeggen, maar het zal de N-VA’er, voorheen Volksunie-man, niet beletten om vrijuit te praten, zoals hij dat al zijn hele leven gedaan heeft. Leidde tien jaar lang kordaat maar met heel veel zin voor humor het Vlaams Parlement. Was ook vijftien jaar Vlaams volksvertegenwoordiger. Is op z’n 70ste nog altijd gemeenteraadslid in Riemst — gemeente waarvan hij ook twaalf jaar burgemeester is geweest — en voorzitter van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde. ‘Een zachte anarchist’, zo omschreef zoon Wim hem in zijn biografie.

***

Meer informatie vindt u op de website: moment.tongeren.be/tijdgeest-frank-van-laeken-geeft-tijd. De toegang is gratis, maar u moet wel vooraf reserveren (een coronamaatregel). Voor het hele programma van MoMeNT kunt u terecht op: moment.tongeren.be



Afscheid van een jeugdliefde

Journalistiek, Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 19, 2021 11:31:32

Ik besef heel goed dat dit een eerste wereldprobleem is, maar toch heeft het zich al verschillende weken in mijn hoofd genesteld, waar het in rechtstreeks duel ging met mijn hart: hernieuw ik mijn abonnement op mijn geliefde voetbalclubje, het alom gerespecteerde en uitermate sympathiek bevonden Beerschot, of doe ik dat niet? Ik heb net het beste seizoen van mijn club noodgedwongen voor tv moeten volgen — corona weet u wel — en keek er heel erg naar uit om me opnieuw onder te dompelen in dat veertiendaagse ritueel van veel te vettige frieten eten bij de mama, foeteren omdat de dichtstbijzijnde parkeerplaats weer een gemeente verderop te vinden is, mopperen over de ploegopstelling (de coach kent er, zoals algemeen bekend, niets van), applaudisserend rechtstaan om de gladiatoren welkom te heten op de groene rechthoek, klagen over gemiste kansen (of het gebrek daaraan), te vroeg juichen om een goal waarvan de maker volgens de VAR een okselhaar buitenspel stond, een buurman die alles beter denkt te weten (terwijl jij natuurlijk tactisch véél meer beslagen bent), lachend-boos-met een neutraal gezicht de lange tocht naar de auto (waar stond die ook alweer?) aanvatten, het begin van Match of the Day missen, enfin: heerlijk, toch?

Wie voor een club als Beerschot supportert, beseft al bij aanvang dat het vaker ‘niet’ of ‘net niet’ zal zijn, dan ‘ja, jàà, jààààààà!’ Maar dat neem je erbij, al sinds zondag 20 november 1966 toen mijn bompa, de vader van mijn moeder, mij meenam naar dat imposant Olympisch Stadion, alwaar dat in dat chique paarse tenue gestoken Beerschot met 3-6 verloor van Club Brugge — 1-5 bij de rust, een hattrick van de 22-jarige spits Raoul Lambert, maar dat heb ik moeten opzoeken. Het deerde niet: ik was plotsklaps opgenomen in de grotemensenwereld en dat voelde goed voor een jongen die nog acht moest worden. Het smaakte naar meer, véél meer. Eerst gebeurde dat nog spaarzaam, een paar jaar later kreeg ik ook zo’n kartonnen abonnement waar bij elke thuiswedstrijd een controleur een knip in gaf. Toen ik dacht de leeftijd der volwassenen bereikt te hebben, haakte ik af, om andere dingen te doen: dat bespaarde mij de miserie van de teloorgang van het oorspronkelijke Beerschot, maar het voelde toch ook een beetje als verraad aan. Veel later keerde ik terug, als werknemer zelfs, de club was ondertussen al een paar keer van naam veranderd. Lang duurde mijn aanwezigheid in de bureaus niet, een woordvoerder die intern kritische opmerkingen durft te maken tegen een eigenwijze voorzitter blijft niet lang het woord voeren.

Een jaar of vijf geleden, na een nieuw faillissement en een nieuwe naamswijziging, keerde ik terug op het Kiel, en omarmde ‘mijn’ club, koesterde wederom het ritueel van matchdagen en de wedstrijdbeleving zelf. Het echte Beerschot mocht dan wel al een poos niet meer bestaan, de identiteit Beerschot leefde nog wel, toch voor die zesduizend die er jaar na jaar een paar honderd euro voor overhadden. De club bleef maar promoveren, het aantal abonnees bleef stabiel. Vreemd fenomeen. De Antwerpenaar is altijd een successupporter geweest, dat weten ze op de Bosuil, op het Rooi en in het Olympisch Stadion maar al te goed. Maar ach, zolang je zelf maar deel van die wat aparte familie kon zijn, maakte het niet zoveel uit. Tot corona zich ermee kwam bemoeien.

***

Intermezzo.

Ik ben zelfstandig journalist. Als freelancer schrijf ik heel vaak over voetbal. Als auteur of coauteur van intussen dertien boeken, pende ik in 2015 £X€£$$ United. Het geld van het voetbal (Houtekiet) neer, een vlijmscherp traktaat over alles wat er misloopt in het topvoetbal, met de nadruk op de financiële excessen op hoog en laag niveau. Als voetbalromanticus pleitte ik tegen clubeigenaars à la Marc Coucke en Roman Abramovitsj, rijke tiepen die het alleen voor het zeggen hebben en ‘hun’ voetbalclub behandelen als privé-speelgoed, met de supporters als noodzakelijk kwaad. Die teneur trek ik door in al mijn werk: alert, kritisch, afstandelijk, wat een beetje haaks staat op dat opportunistisch wereldje vol scorebordjournalistiek, dienstbaarheid aan clubbestuurders en makelaars, en medeplichtigheid aan al wat er fout gaat in het voetbal. In De bankzitter, een wekelijkse rubriek in De Standaard, koppel ik pure bewondering aan kritische analyses en het signaleren van wanpraktijken en abject gedrag. Iemand moet het doen.

***

In januari 2018 nam bouwbedrijf DCA Beerschot Wilrijk over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen alleenheerschappij in de bestuurskamer, maar een Belgische eigenaar heeft tenminste nog voeling met club en achterban, pompte ik mezelf moed in.

In juli 2018 nam de Saudische prins Abdullah bin Mossaad bin Abdulaziz al Saud de helft van de aandelen over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen monopolies en oligopolies, maar er bleef die voeling met club en achterban, omdat de man die de zaken waarneemt voor de prins de club door en door kent.

In de zomer van 2019 werd KFCO Wilrijk, dat de naam van het failliete Beerschot zes jaar eerder had laten overleven in KFCO Beerschot Wilrijk, afgestoten, de naam nogmaals gewijzigd (in Beerschot VA) en het historische stamnummer 13 teruggekocht. Ik schreef daar enkele verontwaardigde tweets over, maar voor de rest zweeg ik en bleef ik supporteren.

Al een tijdje gonst het gerucht dat de prins hoofdaandeelhouder zal worden, iets wat ik betreurenswaardig vind, zoals ik in £X€£$$ United uitgebreid heb aangevoerd. Ik zweeg en bleef supporteren, de definitieve overname moest immers nog gebeuren, waar maakte ik me voorbarig druk over?

Op 20 mei 2021 maakte Beerschot bekend dat Peter Maes de nieuwe trainer van de club wordt. Hij werd weggeplukt bij STVV, tot daaraan toe, maar hij werd bijna drie jaar geleden ook nadrukkelijk genoemd in de marge van de ‘Propere Handen’-affaire. Jarenlang heeft Maes een deel van zijn loon in het zwart ontvangen, in envelopjes. Tot 2,5 miljoen euro zou hij zo aan het officiële circuit onttrokken hebben. Het onderzoek loopt nog, iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen wordt (zei Beerschot-ondervoorzitter Walter Damen afgelopen weekend nog in een krant), dat klopt allemaal, maar dat er onoirbare zaken zijn gebeurd, staat wel vast. En dan nog zou een club zolang er geen gerechtelijke uitspraak is, best wat terughoudend zijn met het in dienst nemen van een in opspraak gekomen figuur. Dat Lommel en STVV dat hadden gedaan, gaf mij de gelegenheid om daar iets kritisch over te zeggen of schrijven. Dat ‘mijn’ club dat nu doet, maakte het pijnlijker. Kon ik opnieuw blijven zwijgen en supporteren? Ik, die clubs als AA Gent en Standard door de mangel haalde omdat ze met Mogi Bayat bleven samenwerken? Ik, die Cercle Brugge een filiaal van AS Monaco blijft noemen? Ik, die de ‘Keuken is besteld’-affaire van KV Mechelen blijft oprakelen?

***

Ik moest voor mezelf een CD&V’tje doen, een enerzijds/anderzijds-afweging maken, maar dan liefst wel mét een bijbehorende conclusie. De afweging was tussen het plezier, de wedstrijdbeleving, het sociale gebeuren dat een sportwedstrijd is, de kameraadschappelijkheid en het veertiendaags ritueel dat ik hierboven al beschreven heb enerzijds, en ethische principes, beroepstrots, kritische zin en de rechtlijnigheid die ik zo gretig geëtaleerd heb in £X€£$$ United anderzijds. Kon ik dat wel maken, aan de ene kant hyperkritisch blijven over voetbal in het algemeen en aan de andere kant een oogje dichtknijpen voor mijn favoriete club? Het hart zei, och jongen, ze doen allemaal wel iets raars, het hoofd knetterde, man toch, hier hoef je niet eens over na te denken.

Eigenlijk was het een no-brainer en toch twijfelde ik. Nogmaals afscheid nemen van een jeugdliefde, het is niet makkelijk. Maar ik kan het voor mezelf niet maken de kritische journalist te zijn die ik wil zijn en blijven schrijven over alle aspecten, ook de negatieve, in het voetbal, en een club blijven steunen die zonder boe of ba een envelopjestrainer heeft aangesteld. Maar het doet verdorie wel pijn. Tegelijk geeft het me de geestelijke vrijheid om mijn beroep nog onpartijdiger en onafhankelijker uit te oefenen, en te zeggen en schrijven wat ik vind dat moet gezegd en geschreven worden.

***

Als u binnenkort op een zaterdag een hele luide kreet hoort op het ogenblik dat Rapha Holzhauser een vrije trap in de winkelhaak heeft geborsteld, vergeef het mij dan. Het zal sterker zijn dan mezelf. Je kan het mannetje dan wel weghouden van bij Beerschot, maar je kan Beerschot niet weghouden uit het mannetje. Jeugdliefdes zijn voor altijd, ook al zie je mekaar een poos niet.



Volgende »