Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Belgische Politici Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on do, juli 09, 2020 11:46:07

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: neen, Bart De Wever staat er niet tussen. Dat heeft niet te maken met een speciale aversie voor de man of zijn partij, noch met zijn politiek gewicht. De Wever is momenteel zonder meer de beste van de klas. Probleem: het is een bijzonder zwakke lichting, nu al een hele tijd. De Wever is een intellectueel, stuurt het maatschappelijke debat — mede dankzij goed gekozen ‘handlangers’ in de Vlaamse media — in een richting die hij wil, werd niet voor niets ‘schaduwpremier’ genoemd ten tijde van de regering-Michel I, heeft de rol van Philippe Dewinter overgenomen als invloedrijkste politicus zonder zelf (officieel) aan de knoppen te hoeven zitten. Máár: wat heeft hij, lokaal, Vlaams en federaal, gedaan met de macht die de kiezer hem heeft toegeworpen? Is Antwerpen een nieuwe stad na acht jaar burgemeester De Wever? Is Vlaanderen een andere regio sinds de verkiezingen van 2014? En wat heeft De Wever, in de schaduw, weten te realiseren op federaal niveau, als leider van de grootste partij in de coalitie, met een Franstalige minderheid, met drie andere partijen die het dichtst bij zijn programma aanleunden? Bitter weinig, is het antwoord. Dus, daarom, geen De Wever. Laat hem eerst maar eens écht iets betekenen voor het Vlaamse volk.

Ook geen andere politici van nu. Maggie De Block en Theo Francken stonden jaren bovenaan in de polls als populairste politicus, maar dat was niet echt een gevolg van hun uitzonderlijke, politieke talent. Hun populariteit had álles te maken met het departement Asiel en Migratie, en met hun onverzettelijke houding ten aanzien van asielzoekers. Dat zag de Vlaming graag, iemand die de ‘vreemdelingen’ buiten hield. De Block heeft gefaald op een departement dat haar op het lijf geschreven leek (no pun intended), Volksgezondheid. Francken heeft veel geroepen — hoe ranziger, hoe meer de rechtse achterban dat apprecieerde —, maar was als staatssecretaris gewoon een uitvoerder, zoals het hoort. Een passant met een grote mond, quoi.

Beke, Rutten, Crombez, Rousseau, Almaci, Mertens, Reynders, vader en zoon Michel, Calvo, Van Grieken, Bourgeois, Leterme, Somers, Crevits, Milquet, Onkelinx, Magnette, Nollet, Spitaels, Busquin, Gol, Stevaert, zelfs de invloedrijke Dewinter, etcetera: neen, ze scoren meestal een onvoldoende, heel af en toe kan er van een zesjescultuur gesproken worden, of van een (te) korte periode van succes (Stevaert). Sommigen kunnen pas over een paar decennia objectief beoordeeld worden: misschien vinden we Alexander De Croo of Koen Geens over twintig jaar wel absolute toppers, het zou zomaar kunnen.

Mijn intentie was om een top 20 op te stellen voor de periode 1920-2020, sinds de Eerste Wereldoorlog zeg maar. Ik heb die uiteindelijk gereduceerd tot de periode 1945-2020, vanaf de Tweede Wereldoorlog dus. Hoe kan ik met de ogen van vandaag Edward Anseele, Camille Huysmans of Hubert Pierlot beoordelen? Het zou van iets te veel pretentie getuigen: de samenstelling van deze lijst is op zich al pretentieus genoeg.

U mag zich verwachten aan 7 christendemocraten, 7 sociaaldemocraten, 4 liberalen, 1 Vlaams-nationalist en 1 groene politicus. Drie Franstaligen en zeventien Nederlandstaligen: dat zegt meer over mijn eerder gebrekkige kennis van politiek in Wallonië in combinatie met het gegeven dat onze federale regeringen en de cruciale departementen doorgaans geleid werden door een Vlaming. Zo konden die meer in beeld komen.

Vandaag belicht ik de nummers 20 tot en met 11, morgen 10 tot en met 4, zaterdag 3 tot en met 1. Het boos reageren mag een aanvang nemen.

20. JOS GEYSELS (°1952). Loodste als politiek secretaris van Agalev (1997-2003) de groenen voor het eerst in regeringen, federaal en Vlaams, en wist daarbij als kleinste coalitiepartij heel wat ecologische programmapunten af te dwingen. Lag mee aan de basis van het ‘cordon sanitaire’ tegen het Vlaams Blok. Heldere communicator, die ver van het wollige discours van andere generatiegenoten bleef. Rekende zichzelf de ontluisterende nederlaag van Agalev bij de federale verkiezingen van 2003 zwaar aan. Trad onmiddellijk af als politiek secretaris, wat meteen ook zijn afscheid van de actieve politiek was. Zonde, voor iemand met zijn politiek talent en op die prille leeftijd (nog geen 53). Werd daardoor ook een pijnlijk voorbeeld van de manier waarop politici in dit land veel te vroeg opgebrand worden. Zie ook nummers 18, 15 en 14.

19. ELIO DI RUPO (°1951). Al twee decennia de machtige man van het Waalse socialisme en zo de natuurlijke opvolger van André Cools, Guy Spitaels en, in mindere mate, Philippe Busquin, al begon hij onder die toenmalige PS-minister wel zijn politieke carrière. Was tussen 1994 en 1999 federaal vicepremier onder Jean-Luc Dehaene en tevens minister van Economische Zaken. In de nasleep van de affaire-Dutroux werd hij door een fantast valselijk beschuldigd van pedofilie, wat zijn carrière bijna abrupt tot een einde bracht. Sinds 1999 was Di Rupo, met een paar onderbrekingen, partijvoorzitter van de PS, een partij die door een diepe crisis ging, in de eerste plaats vanwege tal van corruptieschandalen waarbij hooggeplaatste en machtige functionarissen betrokken waren. Pas na twintig jaar, een eeuwigheid in onze politieke constellatie, gaf hij de fakkel door aan Paul Magnette. Eind 2011 werd Di Rupo, na de fameuze 541 dagen, premier van een klassieke tripartite, met een minderheid aan Vlaamse kant. Ondanks het feit dat de Vlaamse partijen er bij de verkiezingen van 2014 op vooruit gingen, bleef het bij een ambtstermijn van net geen drie jaar. Di Rupo is tegenwoordig al voor de derde keer minister-president van Wallonië. Het politieke succes van Di Rupo is om twee redenen merkwaardig en hoopgevend: hij is de zoon van Italiaanse immigranten, waardoor hij een voorbeeldfunctie heeft naar gemeenschappen met andere wortels. En hij is de eerste openlijk homoseksuele politicus die tot de hoogste echelons van het land weet door te dringen. Dat is geen verdienste — hij is wie hij is —, maar het is eveneens hoopgevend dat dit geen issue was.

18. WILLY CLAES (°1938). Politicus-pianist-dirigent. Een pijnlijk voorval in zijn jeugd — het gezin-Claes werd uit een huurhuis gezet omdat een familielid van de verhuurder erin wilde komen wonen, waarna zijn oude piano oneerbiedig op het trottoir werd neergeplaveid — verklaart zijn keuze voor de sociaaldemocratie. In de jaren 70 was hij achtereenvolgens minister van Onderwijs en Economische Zaken (in twee regeringen, de tweede keer als vicepremier). Van 1975 tot 1977 was hij co-voorzitter, naast André Cools, van de nog unitaire BSP/PSB. Op zijn 44ste werd hij al tot minister van Staat benoemd, wat uitzonderlijk jong is. Tussen 1988 en 1994 werd hij opnieuw vicepremier en bemande hij ook de ministerposten van Economische Zaken, Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Zesentwintig jaar lang was hij ook volksvertegenwoordiger. Zijn grootste persoonlijke triomf, de benoeming tot secretaris-generaal van de NAVO in 1994, werd ook zijn grootste desillusie. Een jaar later moest hij aftreden vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Agusta-affaire. Pas vele jaren later, toen hij de actieve politiek teleurgesteld verlaten had, werd hij vrijgepleit. Zo komt het dat ook Claes al op z’n 57ste uitgerangeerd werd. Gelukkig voor hem was er nog de muziek.

17. PATRICK DEWAEL (°1955). Volgens mensen die het kunnen weten de beste minister van Cultuur die Vlaanderen ooit heeft gekend. Nochtans is dat al een eeuwigheid geleden (1985-1992). Als rechterhand van Guy Verhofstadt zag hij de partij bij elke verkiezing groeien en toch aan de zijlijn blijven staan. De wraak was zoet, toen Verhofstadt in 1999 de sleutels van de Wetstraat 16 kreeg en Dewael, als minister-president, die van het Martelaarsplein 19. Hij bleef het vier jaar, waarna hij aan de zijde van Verhofstadt minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier werd. Dat een eminente kenner van de juridische geplogenheden van deze ingewikkelde staat vervolgens Kamervoorzitter werd, hoeft niet te verbazen. Sinds 1994 is Dewael ook burgemeester van Tongeren, een stad die onder zijn impuls van een ingedommeld groot dorp uitgroeide tot een levendige stad.

16. LOUIS TOBBACK (°1938). Groeide in de jaren 80 als fractievoorzitter van de SP uit tot gesel van de opeenvolgende regeringen-Martens. Vergeleek de premier met Caligula, een uitspraak die lang bleef hangen. Toch mocht hij in 1988 bij Martens en Dehaene aanschuiven om een nieuwe regering te vormen, waardoor ‘da joenk’ (bijnaam van de toen nog thatcheriaanse Verhofstadt) opzij geduwd kon worden. Werd twee keer minister van Binnenlandse Zaken, nam de tweede keer ontslag na de dood van de uitgewezen asielzoekster Semira Adamu. Vooral in de tussenperiode (1994-1998) was zijn rol onmisbaar voor de Vlaamse sociaaldemocraten. Met de slogan ‘Uw sociale zekerheid’ behoedde hij hen als partijvoorzitter in 1995 voor een forse nederlaag, waardoor de terugkeer van de VLD en Verhofstadt kon afgewend worden, ook al omdat Dehaene en Tobback een tandem vormden, met veel wederzijds respect. Startte in die periode ook de noodzakelijke vernieuwing van zijn partij op, wat een nieuwkomer als Steve Stevaert de kans gaf zich te profileren. Was ook vierentwintig jaar lang burgemeester van Leuven. Tobback was een van de eerste politici die besefte dat spitse oneliners een pluspunt zijn om een boodschap over te brengen.

15. FRANK VANDENBROUCKE (°1955). De intelligentste van de klas van de afgelopen dertig jaar. Meer academicus dan politicus, maar net daardoor een frisse verschijning in de vermolmde politieke wereld in ons land. Begon als volksvertegenwoordiger, was heel kort fractieleider, om dan al, op zijn drieëndertigste, partijvoorzitter te worden. Een vergiftigd geschenk, met een aantal schandalen met partijmedewerkers in het verschiet. In 1994 werd hij voor eventjes minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier, waarna hij in Oxford ging studeren (om nóg slimmer te worden). Hij keerde als een gelouterd man terug en werd minister van Sociale Zaken en Pensioenen, daarna Werk, om tenslotte op het Vlaamse niveau minister van Onderwijs en Vorming en viceminister-president te worden. Zijn partijprogramma’s overstijgende analyses op het vlak van pensioenen en onderwijs werden slechts matig geapprecieerd, vooral binnen de eigen partij. Hij werd dan ook met zachte dwang naar de uitgang begeleid. Zonde, voor een op dat moment nog maar 53-jarige politicus.

14. KAREL DE GUCHT (°1954). Zonde, deel vier, dat iemand als deze liberale topper ook al op vrij jonge leeftijd — in zijn geval zestig — uitgerangeerd werd. In de relatieve luwte van het Europees Parlement kon De Gucht, voormalig jongerenvoorzitter van de PVV, zich zachtjes aan profileren. Na het verkiezingsdebacle van 1994 moest hij zich terugwerpen op het Vlaamse niveau. In 1999 werd hij partijvoorzitter van een partij in bloei, met Verhofstadt en Dewael als premier en minister-president. In de discussie over het migrantenstemrecht — De Gucht was pro, maar voelde aan dat het momentum er niet was — demonstreerde hij zijn koppige rechtlijnigheid, niet altijd een bondgenoot. Als minister van Buitenlandse Zaken (2004-2009) vormde die rechtlijnigheid, gekoppeld aan vlijmscherpe communicatie, alweer een heikel punt, vooral in zijn relatie tot Congo. Tussen 2009 en 2014 was hij een opgemerkte Europees Commissaris voor Handel. Zijn mandaat eindigde niet vanwege onvoldoende prestaties, maar omdat in de traditionele koehandel die volgt op verkiezingen, Marianne Thyssen (CD&V) de voorkeur kreeg op hem.

13. MARIANNE THYSSEN (°1956). Als opvolgster van De Gucht kreeg ze in 2014 het departement Werk, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit toegewezen. In tegenstelling tot haar Belgische voorganger deed ze dat eerder discreet, mét resultaten. Sociaal beleid werd een belangrijke pijler van de Europese Unie, sociale rechten werden goedgekeurd, sociale dumping aangepakt. Tussen 2008 en 2010 kreeg ze van haar partij een vergiftigd geschenk toegeschoven: het voorzitterschap in een periode dat Yves Leterme er niet in slaagde zijn verkiezingsoverwinning, in een kartel met N-VA, te verzilveren. Zij mocht de brokken lijmen. In tegenstelling tot de andere CVP- en CD&V-voorzitters viel Thyssen op door een duidelijkere, minder omfloerste communicatie. Aan het eind van een politieke carrière mag de conclusie zijn: verdienstelijk, maar plus était en elle. Dat ze dat niet gerealiseerd heeft, is echter niet haar fout.

12. MIET SMET (°1943). Opgegroeid in het zogeheten ‘wonderbureau’ van de CVP Jongeren, duurde het wel tot haar vijfendertigste tot ze volksvertegenwoordiger werd. Ze viel het grote publiek voor het eerst op als staatssecretaris voor Milieu en Sociale Emancipatie in de tweede helft van de jaren 80, maar haar glorieperiode beleefde ze als minister van Tewerkstelling en Arbeid (1992-1999). Voor het eerst werd er écht werk gemaakt van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Smet toonde zich een hardnekkige tegenstander van de oude politieke school, die nogal seksistisch en patriarchaal van aard was. In 1999 werd ze aangeduid als lijsttrekker van de Europese lijst van de CVP, wat ten koste ging van… Wilfried Martens, die weigerde op de lijst te staan. In 2008 trouwde ze met de voormalige premier. Smet blijft een scherpe waarnemer van het politieke bestel.

11. LEO TINDEMANS (1922-2014). De man van het hoogste aantal voorkeurstemmen ooit: bijna één miljoen bij de Europese verkiezingen van 1979. Dat was nadat hij twee regeringen had geleid in de periode 1974-1978. Die tweede beëindigde hij abrupt met de legendarische woorden in het parlement: “Voor mij is de grondwet geen vodje papier. (…) Ik ga van deze tribune weg, ik ga naar de koning en ik bied het ontslag van de regering aan.” Daarmee kwam er een einde aan een lange discussie rond het Egmontpact, een beoogde staatshervorming waarbij de taalgemeenschappen meer bevoegdheden moesten krijgen, maar die uiteindelijk op verzet stuitte bij CVP en Volksunie. Tindemans werd ‘beloond’ met het partijvoorzitterschap (1979-1981), gevolgd door acht jaar als minister van Buitenlandse Zaken. Al die tijd was de relatie met partijboegbeeld Wilfried Martens ijzig.

Morgen: 10 t/m 4.



G.O.A.T. (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juli 04, 2020 12:45:56

De laatste rechte lijn. Wie zijn in mijn ogen de Greatest Of All Time in de mannensport en wie is de absolute nummer één?

20. Ole Einar Bjørndalen

19. Joe Montana

18. Babe Ruth

17. Wayne Gretzky

16. Mark Spitz

15. Tiger Woods

14. Emil Zátopek

13. Joe Louis

12. Pelé

11. Bob Beamon

10. Eddy Merckx

9. Lionel Messi

8. Roger Federer

7. Michael Phelps

6. Jesse Owens

5. Usain Bolt

4. Paavo Nurmi

3. CARL LEWIS (°1961). Ik vind het een beetje vreemd van mezelf dat ik spurter Lewis plaats boven die andere spurter, Usain Bolt (op nummer 6), de huidige wereldrecordhouder. Ook Lewis was, net als Bolt, een showman die geweldig snel kon lopen. Hij had dan nog de pech dat de Verenigde Staten de Olympische Spelen van Moskou in 1980 boycotten, in volle Koude Oorlog en nadat Sovjettroepen acht maanden voordien Afghanistan waren binnengevallen. Lewis, dan negentien, stond op dat ogenblik al te popelen om naar olympisch succes te streven. Nu blijft het bij 9 gouden medailles (eentje meer dan Bolt) op vier Spelen en tien keer goud op WK’s (eentje minder dan Bolt). In het verspringen bleef hij tien jaar langer ongeslagen: 65 opeenvolgende overwinningen, een ongeziene prestatie op dat nummer. Het IOC verkoos hem tot Sportman van de Eeuw, het gerenommeerde blad Sports Illustrated riep hem uit tot Olympiër van de Eeuw, maar de zelfingenomen, hautaine, afstandelijke Lewis werd nooit echt een publiekslieveling. Jaren na zijn afscheid werd onthuld dat hij eigenlijk niet had mogen deelnemen aan de Spelen van Seoel vanwege een achtergehouden, positief dopingstaal, nota bene voor de Spelen waar Ben Johnson goud werd ontnomen vanwege… dopinggebruik.

2. MICHAEL JORDAN (°1963). Voor wie The Last Dance heeft gezien, heeft Michael Jordan geen geheimen meer. Egoïstisch, voortgestuwd door een niet te stillen ambitie, maar bovenal wel de beste in zijn vak. Zes NBA-titels met de Chicago Bulls, vijf keer uitgeroepen tot beste speler van de competitie, zes keer tot Most Valuable Player van de Finals, tien keer topscorer, veertien keer present in het NBA All-Star Game, de jaarlijkse parade van de toppers. Twee keer olympisch kampioen met het ongenaakbare Dream Team, in 1984 en 1992, op momenten dat de grens tussen professionele- en amateursport vervaagde op de Spelen. Stopte een eerste keer met basketten na de moord op zijn vader, keerde terug en maakte onder meer die fameuze korf in de zesde wedstrijd van de Finals van 1997, stopte weer en probeerde het nog één keer, al was dat laatste niet zo’n goed idee. Air Jordan. His Airness. De man die in de lucht kon blijven hangen om te scoren. Volgens velen de beste aller tijden. In mijn ogen de op één na beste. Want…

1. MUHAMMAD ALI (1942-2016). Er kan er maar een ‘the greatest’ zijn. Zijn andere bijnaam, ‘The Louisville Lip’, dankte hij aan een combinatie van zijn geboortestad in de staat Kentucky en zijn grote mond. Als Cassius Clay, zijn naam bij geboorte, won hij olympisch goud in Rome, 1960, dan nog in het halfzwaargewichten. Zijn grote triomfen boekte hij als zwaargewicht. Nog altijd onder de naam Clay versloeg hij regerend wereldkampioen Sonny Liston — sportief was hij uiteraard geweldig, maar vooral de hilarische persconferenties met de dichterlijke vrijheden van grote mond Clay zijn bijgebleven, “Float like a butterfly, sting like a bee” —, daarna werd hij lid van de Nation of Islam, veranderde hij van naam (Clay was zijn ‘slavennaam’), weigerde hij om zich klaar te maken om naar Vietnam te gaan (waardoor zijn bokslicentie en bijgevolg ook zijn wereldtitel werden afgenomen) en werd hij een mondige voorvechter van gelijke rechten, al was die Nation of Islam natuurlijk ook wel een gewelddadige organisatie. Pas in de jaren 70 kreeg zijn reputatie mythische proporties na kampen tegen Joe Frazier (2 keer) en George Foreman. Als tiener stond je ’s nachts op voor de ‘Fight of the Century’, ‘The Rumble in the Jungle’ en de ‘Thrilla in Manilla’. Van zijn 61 profkampen won Muhammad Ali er 56 (37 op K.O.), maar die laatsten waren er te veel aan en zullen niet vreemd zijn geweest aan de vroegtijdige ontwikkeling van de ziekte van Parkinson. Ik blijf me Ali herinneren als de sportman die deed dromen van een betere wereld en die tegelijkertijd ook nog eens een onweerstaanbare topatleet was. The greatest, inderdaad.



G.O.A.T. (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on do, juli 02, 2020 22:21:02

Een Belg in deze lijst aller tijden, een combinatie van een heel klein beetje chauvinisme en een uitzonderlijke erelijst. Niet Gaston Roelants, Olympisch kampioen op de 3000 meter steeple in 1964, want de Afrikanen liepen toen nog niet mee op de Spelen. Niet Robert Vande Walle, daarvoor blijft judo toch een beetje een nichesport, hoe mooi hun prestaties ook waren. Niet Frederik Deburghgraeve, die in 1996 in Atlanta eerst het wereldrecord verbeterde en dan olympisch kampioen werd, want het was ‘slechts’ op de schoolslag. Zeker ook geen Belgische voetballer, laat die eindelijk ook maar eens iets winnen. Dus…

20. Ole Einar Bjørndalen

19. Joe Montana

18. Babe Ruth

17. Wayne Gretzky

16. Mark Spitz

15. Tiger Woods

14. Emil Zátopek

13. Joe Louis

12. Pelé

11. Bob Beamon

10. EDDY MERCKX (°1945). Een droge opsomming van zijn voornaamste prestaties volstaat om duidelijk te maken dat hij de beste wielrenner aller tijden is, terwijl de concurrentie (Roger De Vlaeminck, Freddy Maertens, Raymond Poulidor, Joop Zoetemelk, Lucien Van Impe, enzovoort) zwaarder was dan de toppers van later en nu moesten ondervinden. 525 zeges. 5 keer de Tour en de Giro, 1 keer de Vuelta. 3 x wereldkampioen bij de profs (1 keer bij de amateurs). 7 x (!) Milaan-San Remo, 5 x Luik-Bastenaken-Luik, 3 x Parijs-Roubaix en Gent-Wevelgem, 2 x Ronde van Vlaanderen, Ronde van Lombardije en Amstel Gold Race. Van de grote klassiekers van toen ontbreekt alleen Parijs-Tours, tegenwoordig een tweederangskoers. En ja, drie keer betrapt, niet altijd in even duidelijke omstandigheden, maar ongetwijfeld de beste van een generatie en beter dan Anquetil, Hinault en Armstrong. En alle andere Belgen. Waarom dan niet hoger in de ranglijst, aangezien hij zijn sport toch tien jaar lang gedomineerd heeft? Wielrennen was in de tijd van Merckx geen wereldsport. Vijf landen waren er ernstig mee bezig (België, Frankrijk, Italië, Spanje, Nederland), een stuk of vijf anderen hadden wel een of andere vrijbuiter. De rest van de wereld keek niet eens toe. Daarom.

9. LIONEL MESSI (°1987). Beste dribbelaar. Check. Snelste détente. Check. Geweldig speloverzicht. Check. Individueel top, maar ook teamplayer. Check. Man die wedstrijden beslist (700 goals intussen). Check. Sportieve speler. Check. Bekijk die erelijst: vier keer de Champions League, tien landstitels, zes bekers, vijf keer verkozen tot beste voetballer ter wereld, zes keer Europees topschutter. Messi doet dingen met een bal die je fysiek onmogelijk acht. Messi bedenkt openingen die niemand anders ziet. Mocht Messi vijftien jaar eerder zijn geboren en ook in Barcelona beland zijn, dan zou hij in het Barça van Cruijff jaar na jaar de Champions League hebben gewonnen, in een perfect een-tweetje tussen leermeester en ideale leerling. Nu kreeg hij de cruijffiaanse spelbenadering mee van diens leerjongen, Pep Guardiola. Neen, die wereldtitel zal er niet meer van komen, en voeg er gerust aan toe dat hij ook nog nooit de Copa América wist omhoog te steken als captain van zijn nationale team. Daarvoor is hij niet goed genoeg omringd bij Argentinië, of deugen de opeenvolgende bondscoaches niet.

8. ROGER FEDERER (°1981). Bijna negenendertig, maar nog altijd wereldtop, al moet hij tegenwoordig — tenminste tot vóór de coronacrisis — zijn grote toernooien uitkiezen. De Zwitser werd onder meer door zijn illustere voorgangers Borg, McEnroe en Agassi uitgeroepen tot beste aller tijden in zijn sport. In totaal stond hij 310 weken eerste op de wereldranglijst, een record. 237 weken daarvan, tussen 2 februari 2004 en 17 augustus 2008, was dat zelfs ononderbroken, ook dat is een absoluut record. Onder zijn 103 titels zitten twintig Grand Slamtoernooien: 8 keer Wimbledon, 6 keer de Australian Open, 5 keer de US Open en 1 keer Roland Garros. Hij is dan ook een specialist van de snelle banen. Olympisch goud blijft een werkpunt: in 2012 won hij zilver in Londen. Benieuwd hoe zijn oude knoken de corona-break doorstaan zullen hebben.

7. MICHAEL PHELPS (°1985). The Baltimore Bullet, beste olympiër ooit. 23 keer goud op vijf Olympische Spelen, waarvan de eerste, die van 2000 in Sydney, als opwarming golden voor de dan vijftienjarige. Met zijn acht gouden medailles van Peking (2008) streefde hij zijn landgenoot Mark Spitz, zeven keer goud in 1972, voorbij. Naast zijn olympische triomfen won de Amerikaan ook nog eens 26 gouden WK-plakken. Phelps is natuurlijk ook de koning van de veelzijdigheid, gezien zijn dominantie in de vrije slag, de vlinderslag en de wisselslag.

6. JESSE OWENS (1913-1980). De man die de Führer tartte in ‘zijn’ Berlijn. Op de nazi-Spelen van 1936 won Owens vier keer goud, op de 100 en de 200 meter, de 4 x 100 meter estafette, en het verspringen. Lang werd gedacht dat Hitler weigerde om de zwarte Amerikaan de hand te schudden na zijn gouden prestaties, maar dat is een mythe. Feit is dat Hitler aanvankelijk enkel de Duitse winnaars feliciteerde en toen hem daarop gewezen werd vanuit het olympisch comité, besliste hij om niemand nog de hand te schudden. Owens zei daar droogjes over: “Ik werd niet uitgenodigd om Hitler de hand te schudden, maar ik werd ook niet uitgenodigd op het Witte Huis om de president de hand te schudden.” Zijn grootste prestatie leverde hij trouwens in 1935, een jaar eerder. Hij liep en sprong toen zes wereldrecords in drie kwartier tijd. Na de Spelen van 1936 wilde de Amerikaanse Atletiekfederatie Owens te gelde maken, door hem aan zoveel mogelijk wedstrijden te laten deelnemen. Van de inkomsten zag de uitgeperste atleet zelf bitter weinig.

5. USAIN BOLT (°1986). Thunderbolt. The Lightning Bolt. De snelste man ooit op een atletiekpiste, met fabelachtige wereldrecords in zijn bezit: 9.58 op de 100 meter en 19.19 op de dubbele afstand. Zegevierde als enige ooit op drie opeenvolgende Olympische Spelen op de twee koninginnennummers van de spurt. In totaal is hij goed voor 8 keer goud op de Spelen, elf keer goud op WK’s. Wat de Jamaicaan zo uniek maakte, is dat hij naast een letterlijk onnavolgbare hardloper ook een geweldige showman was, die het publiek entertainde vlak voor de start, terwijl zijn concurrenten hem haast bibberend en bevend en vooral wezenloos voor zich uitstarend flankeerden. Probeerde het na zijn atletiekcarrière even als voetballer, met minder succes. Ook opmerkelijk: in een tijd dat het ene na het andere dopingschandaal losbarstte, bleef Usain Bolt onbesproken. Hij was écht zo snel.

4. PAAVO NURMI (1897-1973). Finse langeafstandsloper die de Olympische Spelen van 1920 (Antwerpen), 1924 en 1928 domineerde. In Antwerpen won hij de 10.000 meter en het veldlopen (plus het veldlopen in team), op de 5.000 meter werd hij geklopt. Vier jaar later was hij nóg beter geworden. In de voorbereiding op de Spelen van Parijs liep hij binnen de vijftig minuten wereldrecords op de 1500 en de 5000 meter. Het was een oefenstonde, zeg maar, omdat er tussen de finales van die loopnummers in Parijs ook amper 75 minuten zaten. Nurmi won ze allebei — tussendoor won zijn vrouw het speerwerpen — én het veldlopen én twee teamwedstrijden. In 1928 (Amsterdam) was hij de dertig voorbij. Hij moest tevreden zijn met goud op de 10.000 meter en zilver op de 5000 meter en de 3000 m steeple. Omdat hij als professional werd beschouwd, mocht hij niet deelnemen aan de Spelen van 1932, zodat zijn ultieme droom — de marathon winnen — niet doorging. Het bleef dus bij negen gouden en drie zilveren olympische medailles, en 22 wereldrecords.

Morgen: 3-2-1.



G.O.A.T. (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on do, juli 02, 2020 12:52:09

Wie deze blog al een tijdje volgt, weet ik dat vorig jaar een eigenzinnige, persoonlijke top 20 van voetballers heb samengesteld. Voor wie er niet bij was, niet goed heeft opgelet of een slecht geheugen heeft: Lionel Messi stond op 1, Pelé op 3, Johan Cruijff op 3. Alleen die eerste twee staan ook in mijn G.O.A.T. Top 20, waarbij die afkorting staat voor Greatest Of All Time. Vandaag serveer ik u nummer 20 tot en met 11, morgen komen 10 tot en met 4 aan de beurt, zaterdag volgt de apotheose met de top 3.

Ik heb er lang over getwijfeld: wat doe ik met de vrouwen? Want hoe je het ook draait of keert, in een lijst met sportfiguren draait het vooral rond hun sportprestaties: het fysieke verschil tussen mannen en vrouwen komt daarin nadrukkelijk tot uiting. Mannen springen hoger, lopen sneller, zijn krachtiger, hebben een groter uithoudingsvermogen. Ik heb het niet over mezelf, maar over sportmannen die boven het gemiddelde uitsteken. Altijd zal een man het halen van een vrouw, ook al won de nog actieve tennisster Billie Jean King (30) in 1973 ‘the battle of the sexes’ van de luidruchtige, gepensioneerde tennisser Bobby Riggs (55) in drie sets. Het was een uitzondering, niet meer dan een demonstratiewedstrijd en het leeftijdsverschil speelde een belangrijke rol.

Een verdienste is dat niet, dat je man bent. Je bent zo geboren, die verschillen zijn er nu eenmaal. Maar het maakt wel dat als je sportmannen en sportvrouwen in de weegschaal legt, dit neerkomt op appelen met peren vergelijken. Twee keer fruit, dat wel, maar onvergelijkbaar.

In eer en geweten heb ik gepoogd vrouwen in mijn lijst te smokkelen. Ik dacht aan de Amerikaanse atlete Jackie Joyner-Kersee, koningin van de zevenkamp, aanwezig op vier Olympische Spelen, goed voor drie gouden, één zilveren en twee bronzen medailles. Ondanks nationale heldin Nafi Thiam blijft Joyner-Kersee het wereldrecord behouden, dat nu al bijna tweeëndertig jaar op haar naam staat. Ze is nooit betrapt op het gebruik van doping, verdachtmakingen waren er wel.

Die geruchten waren nog veel steviger bij de bijna buitenaardse prestaties van haar landgenote Florence Griffith-Joyner. Haar wereldrecords op de 100 en 200 meter zijn ook ruim dertig jaar oud: niemand kwam en komt enigszins in de buurt van die 10.49 en 21.34. Ze stierf op haar 38ste in haar slaap, waarna de dopingverhalen opnieuw opdoken. Bewezen werd het nooit, maar wie gelooft haar onschuld nog? En toch… die fenomenale tijden tonen nogmaals aan dat je mannen en vrouwen niet mag vergelijken, want de wereldrecords van Usain Bolt op diezelfde afstanden zijn respectievelijk 91 honderdsten (9.58) en liefst 2 seconden en 15 honderdsten (19.19) scherper dan die van Griffith-Joyner. ‘Buitenaards’ moet dus gerelativeerd worden tot ‘buitenaards in de vrouwenatletiek’. Het is wat het is.

Serena Williams, ook even aan gedacht, maar waarom eigenlijk? Ze verliest ongetwijfeld van de nummer 100 in het mannentennis. Kracht, snelheid, souplesse: ze wordt gewoon van de baan geblazen. Laat haar dus maar de nummer één aller tijden zijn bij de tennisvrouwen. Mijn conclusie: deze ‘GOAT’ is een mannenlijst, in de zomer van 2021 maak ik wel een vrouwenlijst, die wat mij betreft even waardevol is: dan kan ik tenminste peren met peren vergelijken.

Goed, de lijst. Er staat één Belg in, die volgt morgen. U weet wel wie. De eerste vier namen zijn er enkel om te bewijzen dat ik een wijsneus ben en Wikipedia-erelijsten kan aflezen als geen ander…

20. OLE EINAR BJØRNDALEN (°1974). Deze Noorse biatleet en langlaufer is de succesvolste winterolympiër (bij de mannen) ooit. Hij behaalde 20 keer goud, 4 keer zilver en 1 keer brons op zes Olympische Spelen. Daarnaast won hij 20 gouden, 14 zilveren en 11 bronzen medailles op wereldkampioenschappen. En met 95 overwinningen in wereldbekerwedstrijden is hij ook op dat vlak de beste aller tijden in de sneeuw.

19. JOE MONTANA (°1956). Quarterback van de San Francisco 49ers en de Kansas City Chiefs in de National Football League (NFL, American Football). Won vier keer de Super Bowl — het grootste eendagssportevenement ter wereld — en werd bij drie gelegenheden uitgeroepen tot Most Valuable Player, in deze in Amerika bijzonder grote sport. Dat laatste record deelt hij sinds 2015 met Tom Brady.

18. BABE RUTH (1895-1948). Honkballer/baseballer, noem het zoals u wilt, die zijn bijnaam ‘Babe’ dankt aan de jonge leeftijd, 19, waarop hij zijn eerste profcontract ondertekende bij de Baltimore Orioles. Op zijn identiteitskaart staat immers ‘George Herman’ als voornaam. Brak door bij de Boston Red Sox en, vooral, de New York Yankees. Maakte in 1927 als eerste speler meer dan 60 homeruns in één seizoen, een record dat standhield tot begin jaren 60. Is tot nog toe de enige die twee keer drie homeruns in een wedstrijd van de World Series sloeg.

17. WAYNE GRETZKY (°1961). Op heel wat Amerikaanse lijstjes staat deze Canadees bovenaan. Na basketbal, American Football en baseball is ijshockey de grootste sport in de States. In de National Hockey League (NHL) geldt Gretzky als The Great One. Niemand komt in de buurt van zijn totaal van 894 goals en 1963 assists, vooral opgetekend bij de Edmonton Oilers en de Los Angeles Kings. Geen andere ijshockeyer maakte meer dan 200 punten in één seizoen. Speelde met rugnummer 99 en stopte in ’99, op zijn 38ste. Vier landstitels, negen keer uitgeroepen tot Speler van het Jaar. “You miss 100% of the shots you don’t take,” zei hij ooit. Waarheid als een koe.

16. MARK SPITZ (°1950). De Amerikaanse zwemmer met de snor. Zijn succesperiode valt terug te brengen tot de Olympische Spelen van 1972 in München. Spitz won toen zeven gouden medailles, een record dat hij tot 2008 en Michael Phelps zou behouden. In Mexico-City, vier jaar eerder, had hij ook al twee keer goud gewonnen op de estafettenummers. Op de All Time-lijst van succesvolste medaillewinnaars op één editie van de zomerspelen, staat hij nog altijd op de vierde plek. En voor wie jong was begin jaren 70, was hij een tot de verbeelding sprekend figuur. Mede dankzij die snor, zonder twijfel. Stopte na de Spelen van München met competitiesport, voornamelijk omdat zwemmers toen nog amateurs waren: er viel niets te verdienen in hun sport.

15. TIGER WOODS (°1975). Vergeet even de uitspattingen naast de court van Eldrick Tont ‘Tiger’ Woods, hij is een van de beste golfers aller tijden. Er zijn er met een grotere erelijst, maar niemand overtreft de uitstraling van de eerste zwarte topgolfer, die al op zijn eenentwintigste The Masters won, zijn eerste van vijftien ‘major’-toernooien (5 keer The Masters, 4 keer het PGA Championship, 3 keer de US Open en The Open Championship). Toen de Amerikaan in augustus 1996, twintig jaar oud, zijn eerste contracten met sponsors Nike en Titleist ondertekende, waren dat de lucratiefste contracten uit de golfgeschiedenis.

14. EMIL ZÁTOPEK (1922-2000). De Locomotief. Zijn gouden drieluik 5000 meter-10.000 meter-marathon in Helsinki (1952) was onuitgegeven. In de periode daarvoor, 1949-1951, won de Tsjecho-Slowaak alle 69 wedstrijden waaraan hij deelnam. Op de 10.000 meter bleef hij zelfs zes jaar ongeslagen. In totaal vestigde hij achttien (18!) wereldrecords. Voor chauvinistische Belgen is hij de man die in 1948 in Londen op de 5000 meter de duimen moest leggen voor onze landgenoot Gaston Reiff. Zijn net even oude echtgenote Dana Ingrova won in 1952 het speerwerpen. Zátopek wordt ook herinnerd vanwege zijn lelijke loopstijl, waarbij het hoofd voortdurend schudde en het lichaam schokte. Als het maar vooruitging… Na de Praagse Lente van 1968, waarvoor hij openlijk sympathie toonde, werd Zátopek uit de Communistische Partij gezet en verplicht om eerst als bouwvakker en later als mijnwerker te gaan werken. Na de Fluwelen Revolutie van 1989 werd hij door Václav Havel in ere hersteld.

13. JOE LOUIS (1914-1981). Heel wat bokskenners beschouwen deze Amerikaanse zwaargewicht als de beste bokser aller tijden. ‘The Brown Bomber’ was meer dan elf jaar wereldkampioen, een periode waarin hij vijfentwintig keer zijn titel verdedigde, een unieke prestatie op dat niveau. Louis bokste met precisie én kracht, zijn stotencombinatie was ongezien in de bokswereld van de jaren 30 en 40. In totaal won hij 69 kampen (55 keer met knock-out) en verloor hij slechts drie keer.

12. PELÉ (°1940). Edson Arantes do Nascimento. O Rei, de koning. Meer dan duizend doelpunten, al moet er toch eens iemand al die jeugdwedstrijden opnieuw bekijken, want het lijkt overdreven veel. Behalve zijn lucratieve uitboljaren bij de New York Cosmos speelde hij zijn hele carrière, achttien seizoenen lang, voor Santos in eigen land. Twee en een halve keer wereldkampioen (Chili-1962 maakte hij vanwege een blessure niet tot het einde mee), vijf keer landskampioen in Brazilië, winnaar van de Copa Libertadores (de Zuid-Amerikaanse Champions League) en, als toemaatje, ook nog kampioen van Noord-Amerika met Cosmos, in zijn allerlaatste seizoen. Van de Braziliaanse regering mocht hij niet in Europa komen voetballen, omdat hij als ‘nationale schat’ werd beschouwd. Pelé dirigeerde, dribbelde, gaf assists en scoorde aan de lopende band. Maakte niet uit hoe: rechts, links, met het hoofd. Technisch briljant en razend snel. Mocht men ooit proberen de ideale voetballer te creëren in de vorm van een performante robot, zoek niet verder: inspireer hem op Pelé.

11. BOB BEAMON (°1946). Ik geef toe, dit is wel heel subjectief, want uiteindelijk blijft deze Amerikaan de man van één moment. De sprong van 8,90 meter op de Olympische Spelen van 1968 in Mexico-City. In de ogen van een negenjarig jongetje kon hij wat wij allemaal wel wilden kunnen in onze gekste dromen: vliegen. Beamon verbeterde het wereldrecord met maar liefst… 55 centimeter. Zijn op één na beste prestatie van dat jaar was trouwens ‘amper’ 8,33 meter. De olympische kampioen verspringen van vier jaar eerder, Lynn Davies, riep nog tijdens de wedstrijd dat Beamon het evenement had verstoord. En de optische meetapparatuur was niet berekend op zo’n verre sprong, officials moesten opnieuw overgaan op handmatige meting. Drieëntwintig jaar hield het ‘onbreekbare’ record van Beamon stand: toen sprong Mike Powell 8,95 meter. Dát record staat nu al negenentwintig jaar op de tabellen, langer dan dat van Beamon, en toch blijft die sprong van Bob Beamon veel meer tot de verbeelding spreken.

(Op basis van sportieve prestaties had hier misschien Michaël Schumacher (°1969) moeten staan. De Duitser werd zeven keer wereldkampioen in de Formule 1, tussen 2000 en 2004 zelfs vijf keer op een rij. Hij domineerde zijn sport meer dan wie ooit, al had Ayrton Senna zonder die crash op 1 mei 1994 meer dan drie WK’s kunnen winnen. Schumacher won 91 races, stond 155 keer op het podium, vertrok 68 keer vanuit poleposition, reed 77 snelste rondes: niemand deed of doet beter. Al was er ook controverse: hij negeerde signalen van de wedstrijdleiding, reed een concurrent in de vernieling, speelde haasje-over met een ploegmaat of parkeerde zijn wagen tijdens een kwalificatierit op het circuit van Monte Carlo dwars over de baan, zodat de tegenstanders zijn tijd niet meer konden verbeteren. Niet netjes.)

Morgen: 10 t/m 4.



Lijstjes, ze komen zelden klaar, meneer

Memories & mijmeringen Posted on za, juni 27, 2020 12:44:08

“Lijstjes brengen orde in de wereld,” zei filosoof Jean Paul Van Bendegem woensdag in De Morgen. “Ze veronderstellen een impliciete rangorde en pogen volledig te zijn. Alsof al de rest geen belang meer heeft.” Het artikel ging, u raadt het nooit, over lijstjes en waarom we ons daar zo graag mee bezig houden. De krant wilde in de eerste plaats de door haar lezers te kiezen ’21 strafste cultuurwerken van de 21ste eeuw’ promoten. Je kan in zeven categorieën telkens vijf favorieten aanvinken. Bij de series ontbrak het geweldige Billions (seizoen 5 loopt nu op Play van Telenet), dat ik heb dan meer even rechtgezet.

Ik was blij met dat artikel, omdat ik tot nog toe dacht ik dat aan een redelijk zeldzame afwijking leed. Niet dat er geen andere medemensen weleens een favoriete top 5 insturen of naar de zoveelste aller-tijdenlijst luisteren, dat wist ik al wel, maar ik vermoedde dat ik tot een hele kleine minderheid behoorde. Niet storen, ze zijn niet helemaal goed in hun hoofd! Dat soort mensen. Maar door de positieve commotie rond de #Historische100, een uitstekend initiatief van twitteraar Jeroen Verhelst (@jjverhels), vatte ik weer hoop. En nu zegt een slimme mens als Van Bendegem dat het oké is. “Het is ook een heel mooie manier om meteen met iemand anders af te toetsen of je dezelfde ideeën deelt. Dat vereenvoudigt de zaken, dan wordt het een kwestie van afvinken.”

“Een lijst maak je in de eerste plaats voor jezelf,” voegde radiomaker Stijn Van De Voorde daar nog aan toe. “Het is een handige manier om dingen te bewaren.” Ha, nu zijn we er. Maar daarover zo dadelijk meer. Eerst neem ik u kortstondig mee naar mijn jeugd, ergens in de vroege jaren 70. Enig kind, alle aandacht ging naar mij en als ik die aandacht beu was, deed ik iets op mijn privé-eilandje, rotverwend zonder dat u dat moet zien in termen van duizend frank zakgeld per weg (het was aanvankelijk twintig, ik moest vier weken sparen om een single te kunnen kopen): ik was nogal asociaal, eenzaam zonder dat het een psychologisch ziektebeeld hoefde te zijn.

Tijdens de zomermaanden — die in die tijd bij gebrek aan smartphone, sociale media, school en voetbal héél lang duurden — zat ik veel langer dan geestelijk gezond kan zijn in de caravan, eerst met een blocnote, later zelfs met een tikmachine. (Dat ik sneller dan de snelste secretaresse (m/v/x) kan tikken, heb ik daaraan te danken.) Ik maakte voorspellingen van de hitlijsten van de week nadien. De BRT Top 30, de top 20 in Humo, de Hilversum 3 Top 30, tot en met de Billboard Hot 100, waarvan de top 20 elke (toen nog) donderdag in Humo te lezen stond. Ik deed dat zó snel, dat ik soms vier weken en meer voorliep op de échte hitparades, en dan moest ik een week later corrigeren en vertrekken van de nieuwe realiteit. Ik liep zodanig ver voor dat ik zelfs titels van songs begon te verzinnen. Dan stonden Mud, Slade of Will Tura plots genoteerd met een onbestaand nummer.

Volgende, logische, stap was om niet alleen titels van songs maar ook uitvoerders te beginnen verzinnen. De feiten zijn verjaard en er zijn geen sporen van bijgehouden, dus herinner ik me er niet alle details meer van, maar ik weet nog wel dat de rockband Gletsjer het behoorlijk goed deed bij mij: Don’t shoot me, een denkbeeldig nummer dat schatplichtig was aan het betere schreeuwwerk van Noddy Holder, heeft zeker de top 5 gehaald. De groepsnaam Gletsjer heeft het in de grauwe werkelijkheid nooit gehaald. Glacier wel, vind ik al googelend terug, twee keer zelfs, maar dat was ná mijn lijstjestijd. De eerste Glacier was een heavymetalband uit de Amerikaanse staat Oregon, goed voor drie singles en één EP. De tweede Glacier was een ‘visual kei rock’-groep (we leren bij) uit Okinawa, Japan, opgericht in 2007. Enfin, we dwalen af, de Gletsjer waar ik het over heb, had alleen succes in mijn hoofd.

***

De eerlijkheid gebiedt me ook even gewag te maken van een minder frisse activiteit op de middelbare school. Ik was een jaar of zestien, zeventien, en we wilden een Top 20 Aller Tijden opstellen. Alle klasgenoten mochten een lijstje bezorgen, daar distilleerde ik dan een in steen te beitelen definitieve voorkeurlijst uit. Alleen… de nummer één viel tegen: geen Child in time, zoals de organisatoren van de lijst hadden gehoopt, maar iets anders, waarvan de naam mij nu niet meer te binnen wil schieten, zozeer heeft de episode me aangegrepen. Child in time stond troosteloos op een tweede plek, net niet goed genoeg in onze puberende ogen.

Ik weigerde vals te spelen en Child in time alsnog op één te zetten, en te doen alsof onze neus collectief bloedde. Er zat niets anders op dan een medeleerling die tot dan géén lijstje had bezorgd, aan te sporen om dat net voor de deadline toch te doen. Met, vanzelfsprekend, Child in time bovenaan en dat andere nummer-waarvan-de-titel-mij-niet-meer-te-binnen-wil-schieten er zeker niet tussen. Probleempje: die ene leerling was een buitenstaander, jongen met sluiks, halflang haar en een ouderwetse, rare bril, werd weleens lichtjes gepest — geen onnoemelijke feiten, maar achteraf bekeken was het ook niet echt koosjer, zoals hij door de groep werd behandeld — en nu moesten we net hem tot Mitspieler bevorderen. Zo geschiedde, met lichte tegenzin vulde hij in een aartslelijk handschrift een slechts met veel moeite leesbaar papiertje in, triomfantelijk konden we aankondigen dat Child in time het beste nummer aller tijden en omstreken was, en van dan af gingen we mild om met de vreemde snuiter, ‘you’ll see the line, the line that’s drawn between good and bad’ nog aan toe. De ricochet is achteraf gelukkig nooit onze kant opgevlogen, de andere scholieren wisten van het halve bedrog niet af. Tot nu. Sorry.

***

Ergens in mijn tienerjaren heb ik het maken van alternatieve hitparadelijstjes vervangen door het bedenken van fictieve voetbalcompetities, waarbij ik voor alle elftallen een stuk of twintig kernspelers bedacht, de kalender van eerste klasse samenstelde, lootte voor Europese toernooien en wereldbekers, en Beerschot verschillende keren de Europabeker voor Landskampioenen, de toenmalige Champions League, won. Af en toe liet ik hen de finale verliezen, vanzelfsprekend na een onterecht toegekende strafschop, om toch een sprankeltje werkelijkheid in mijn fantasie toe te laten. Ik kan u verzekeren: Abdelhak Mimmoun is de beste speler die de Rode Duivels nooit gekend hebben. Topspits.

***

Ik hou van lijstjes en ik heb, door de corona-omstandigheden, zeeën van tijd. Daarom ga ik de hele zomer lang lijstjes op u loslaten. Mijn persoonlijke voorkeuren, u bent gewaarschuwd, al laat ik u af en toe zelf aan het woord. Noem het democratie-met-mate. Of met maten. Ik houd daarbij rekening met twee waarschuwingen van Jean Paul Van Bendegem. “Er dreigt het gevaar dat het een sociaal conformisme wordt. Je zult dat bovenaan je lijstje zetten waarvan je denkt dat het anderen zal behagen.” En: “De dingen die het recentst zijn, zullen het sterkst vertegenwoordigd zijn.” Neen, neen, en nog eens neen. Ik ben zo eerlijk mogelijk geweest (dus geregeld onvoorspelbaar) én ik neig heel sterk om naar oude voorkeuren terug te grijpen. Ik geloof niet in ‘Vroeger was het beter’, maar vreemd genoeg zijn mijn favorieten heel vaak oud. De puristen zullen ook af en toe opschrikken en “Is dat blues? Dat is rock!” of “Is dat soul? Dat is disco!” sissen. Het zij zo. En anticiperend op de opmerking ‘Er staan zo weinig vrouwen in’, bijvoorbeeld in de lijst van Belgische politici: dat is zo, ja, omdat het helaas de maatschappelijke realiteit weerspiegelt. Als ik over dertig jaar nog zo’n lijstjes maak, zullen ze er hopelijk diverser uitzien. Dat zou betekenen dat de samenleving eindelijk geëmancipeerd zal zijn.

We leven op hoop, van betere tijden en lijstjes.

De muzieklijstjes worden ook netjes in een playlist op Spotify vertaald, maar in de eerste plaats ‘zend’ ik ze uit via een draadje op Twitter en Facebook. Wie ‘live’ wil volgen: welkom. Wie zelf zijn tijdstip wil kiezen: even welkom. Wie aan cherry picking wil doen: ook welkom.

Waaraan mag u zich verwachten (en ja, die gedetailleerde kalender duidt toch opnieuw op een lichte, doch ongevaarlijke afwijking):

* 27 juni (vandaag dus), 17u: B-Sides Top 20, een top 20 van B-kantjes, bij wijze van opwarming

* 30 juni, 16u: Black Music Top 30, een lijst die is samengesteld door vrienden en volgers op sociale media

* 2 t/m 4 juli, blogposts: G.O.A.T., een top 20 aller tijden van sportfiguren (in navolging van de top 20 van Beste Voetballers van vorig jaar)

* 4 juli, 17u: Reggae Top 20, spreekt voor zich, mijn favoriete reggaesongs (maximaal 1 song per artiest, dus wordt het geen Bob Marley-lijst)

* 9 t/m 11 juli, blogposts: Belgische Politici Top 20, o daar komt geheid herrie van… (ik beperk me wel tot de periode 1920-2020)

* 11 juli, 17u: Vlaamse Top 20, op de Vlaamse feestdag even de canon afstoffen (en ook hier weer, net als in andere lijstjes: 1 song per artiest)

* 14 juli, 17u: Chanson Top 20, vive le français op de Franse nationale feestdag

* 16 t/m 18 juli, blogposts: Film Top 20, lijkt me duidelijk

* 18 juli, 17u: Jazz Top 20

* 23 t/m 25 juli, blogposts: Kunstenaars Top 20, schilders en beeldhouwers, zo spaar ik nog wat op voor volgend jaar

* 25 juli, 17u: Blues Top 20 (‘rhythm’ zit er ook tussen)

* 30 juli t/m 1 augustus, blogposts: Zangeressen Top 20

* 1 augustus, 17u: Rock-‘n-Roll Top 20 (ook hier met een streepje ‘rhythm’)

* 6 t/m 8 augustus, blogposts: Zangers Top 20

* 8 augustus, 17u: Disco Top 20 (waar liggen die fleurige hemden en die broeken met de olifantenpijpen ook alweer?)

* 11 augustus, 17u: De Ideale Affiche (die laat ik samenstellen door u, daar verneemt u eind juli alles over. Tip van de sluier: artiesten die u ooit graag live had willen zien, de vaakst geciteerde 9 zet ik samen op een festivalaffiche)

* 13 t/m 15 augustus, blogposts: Bands Top 20, nou, dat was vloeken en schrappen!

* 15 augustus, 17u: Funk Top 20 (waarschuwing: ik negeer soms de scheidslijnen tussen disco, funk en soul)

* 20 t/m 22 augustus, blogposts: Album Top 20 (ik beperk me tot rock en aanverwanten, sorry Miles!)

* 22 augustus, 17u: Soul Top 20

* 27 t/m 29 augustus, blogposts: Bewonderenswaardige 20, een lijst met twintig mensen die te bewonderen vallen, verwacht u dus niet aan moordzuchtige veroveraars en dat soort gespuis

* 29 augustus, 16u: Top 30 Aller Tijden (waarna u helemaal zult concluderen: wat een ouwe zak is me dat!)

* 31 augustus, 16u: Van Morrison Top 30, precies op zijn 75ste verjaardag een persoonlijke hommage aan mijn favoriete artiest (oeps daar verraad ik al een en ander uit een andere lijst…)

* 1 september, 17u: Vrolijke Songs Top 20 (opnieuw een door u samen te stellen lijst, iets voor de tweede helft van augustus)

Daarna hoop ik dat het échte leven weer volop wenkt. Stiekem hoop ik dat Jean Paul Van Bendegem meeleest en -luistert. En u, natuurlijk.



Jong en oud hebben elkaar nodig

Economie, Uncategorised Posted on za, juni 20, 2020 12:59:09

Al weken staat het op mijn (volkomen denkbeeldig) to-dolijstje voor deze blog: iets schrijven over de ergerlijke manier waarop jong en oud van elkaar gescheiden worden in deze coronacrisis, en hoe dat ingegeven wordt door onze compleet achterhaalde kijk op het begrip leeftijd. De tijdelijke fysieke scheiding was onvermijdelijk, vanwege de besmettelijkheid van het virus en de kwetsbaarheid van oudere bevolkingsgroepen. Fair enough. Maar daarbovenop kwam een mentale scheiding. We moesten snel weer aan het werk (een nauwelijks berekend risico voor wie tot een risicogroep behoorde). We moesten denken aan de toekomst van de jongere generaties (versta: die ouderen zullen normaal gezien eerder geconfronteerd worden met hun sterfelijkheid). We moesten de scholen, de restaurants en de cafés heropenen, maar de rusthuizen nog niet (ocharme, die oudjes, maar ja, ’t is voor hun eigen goed, hé). We moesten misschien wel hartverscheurende keuzes maken wie we zouden proberen te laten overleven als er sprake zou zijn van triage en ja, jongeren hebben meer toekomst…

Als zestigplusser, met twee voeten ploeterend door de modder van de hedendaagse realiteit, niet dwepend met de ‘Vroeger was het beter’-gedachte, zelfs een heel klein beetje fomo en yolo, wil ik niet betutteld worden. Ik begrijp dat ik mijn kranige moeder van achtentachtig zes weken niet mocht bezoeken, maar ik weiger haar te zien als een hulpeloos oudje. Dat doet de overheid aan de ene kant net wel en aan de andere kant veel te weinig. Ik verklaar me nader: enerzijds wordt er betutteld dat het een lieve lust is, anderzijds werden de woonzorgcentra flink verwaarloosd. Enerzijds, anderzijds: het klinkt als iets van de CD&V en net daar lag de beleidsverantwoordelijkheid voor welzijn in Vlaanderen al meer dan achtendertig jaar — op een intermezzo van vijf jaar Agalev/Groen rond de eeuwwisseling na. De laatste uittocht zou een pak menselijker kunnen zijn. Móeten zijn. Of noem het ‘christelijker’, dat is misschien duidelijker voor sommigen.

***

Ik weiger als een has-been bestempeld te worden, en toch is het dat wat deze samenleving mij probeert aan te praten. Vijf jaar geleden schreef ik, op mijn zesenvijftigste, het boek Als het werk stopt, over de problematiek van de werkzoekende vijftigplusser. Wie ouder dan vijftig is, heeft het heel moeilijk om een nieuwe job te vinden. Wie ouder dan vijfenvijftig is, mag het haast vergeten. We zijn er lichtjes op vooruitgegaan sindsdien, niet dankzij mijn boek voor alle duidelijkheid, maar het blijft een teer economisch punt dat we, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Scandinavische landen, mensen die nog niet zó ver voorbij de helft van hun levensverwachting zitten, uitrangeren.

Dit probleem overstijgt de traditionele links/rechts-as en is wellicht daarom zo moeilijk te vatten. Het probleem is collectief, niet individueel, en het zit diepgeworteld in onze moderne maatschappij. Dan weet je: dit is een zeer hardnekkig probleem, en liefst proberen beleidsverantwoordelijken het te vergeten, da’s het makkelijkst. Doe wel en zie niet om, want dan zou u merken dat de pensioenleeftijd van 65 destijds werd ingevoerd omdat mensen gemiddeld niet veel ouder dan die leeftijd werden. Momenteel worden vrouwen in België gemiddeld 83,7 jaar, mannen 79,2 jaar, en het algemeen gemiddelde bedraagt 81,5 jaar. Nu ga ik de linkse lezers allicht schofferen, maar het verhogen van de pensioenleeftijd is economische én maatschappelijke logica. Eén, we moeten die pensioenen kunnen blijven betalen en hoe vroeger mensen afscheid nemen van de arbeidsmarkt, hoe meer ze een beroep doen op de sociale zekerheid (ook al hebben ze, inderdaad, zelf jarenlang afgedragen voor de betaling van hun eigen pensioen). Twéé, het is onverantwoord om oudere mensen te snel af te schrijven. Zij kunnen en willen nog heel veel.

In 1973 werd het brugpensioen ingevoerd, tegenwoordig heet dat ‘stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag’, SWT. In volle oliecrisis was dat niet eens zo onlogisch. Door die zware economische terugval ontstond er een hoge werkloosheid en koos de overheid ervoor om oudere werknemers vervroegd naar huis te sturen, waarbij ze bovenop hun werkloosheidsuitkering een aanvullende premie ontvingen van hun werkgever. Minder dan wat ze in vaste loondienst hadden, meer dan wat ze als werkloze zouden ontvangen. En dat tot aan hun wettelijke pensioenleeftijd. Het werkelijke doel was om jongeren sneller te laten instromen op de arbeidsmarkt. Kortom, men koos ervoor om twintigplussers aan het werk te zetten en hen de plaats te laten innemen van vijftigplussers. En men is dat blijven doen.

De eerste keer dat het brugpensioen werd ingevoerd, kon je daar nog begrip voor opbrengen; de eerste keer weet je niet wat de gevolgen zullen zijn. Maar na zevenenveertig jaar zou dit brugpensioen/SWT niet meer mogen bestaan, meer nog: het had al decennia geleden afgeschaft moeten zijn. Het is in vele opzichten een brug te ver geworden. Dat het überhaupt nog bestaat, is een gevolg van een vreemde entente tussen instanties die meestal lijnrecht tegenover elkaar staan. Werkgevers willen af van die oudere werknemers, die in hun ogen minder flexibel, minder productief en vaker ziek zijn (vooroordelen die overigens zelden kloppen). Vakbonden vinden dat oudere werknemers rust verdienen, zodat jongeren hun plaats kunnen innemen. De overheid vindt dat allemaal goed, om de sociale rust toch op dit ene vlak te kunnen bewaren. En oudere werknemers beginnen op hun vijftigste uit te bollen, in het vooruitzicht van een afscheid van die tredmolen. Rustig genieten, weet u wel. Op de duur weet je niet beter of het hoort gewoon zo. Een vicieuze cirkel.

De realiteit is dat er heel wat ervaring, knowhow en stabiliteit worden opgeofferd. In de BMW-fabriek in het Duitse Dingolfing, in de staat Beieren, namen ze in 2007 de proef op de som: er werd een productielijn specifiek op maat voor oudere werknemers ingevoerd, met een gemiddelde leeftijd van 47 jaar. Na negen maanden bleek die productiever dan de andere, ‘jongere’ productielijnen in dezelfde fabriek. Wat bewijst dit? Dat vijftigplussers wel degelijk nog gemotiveerd kunnen zijn, als je hen ernstig neemt, en rekening houdt met zowel de beperkingen door hun leeftijd als de sterktes dankzij hun leeftijd. Een goede mix van leeftijden is een pluspunt. In Scandinavische landen volgen vijftig- en zelfs zestigplussers nog volop bijscholingen, bij ons wordt oudere werknemers afgeraden dat te doen, ‘want over een paar jaar ben je toch weg en wat is het nut er dan van?’

***

We moeten af van dat zwart/wit-denken. Er zijn zware beroepen — wanneer is die definitieve lijst er eigenlijk? — en die mensen moeten we op tijd kunnen laten vertrekken. Klopt. Er zijn fysieke en mentale omstandigheden waarin het meer dan verantwoord is om de arbeidsmarkt vroeger dan gepland te verlaten, wat je vooral individueel moet bekijken. Inderdaad. Maar ik ben er zeker van dat je mits een omslag in de mentaliteit en, vooral, de werkomstandigheden — ‘Werkbaar werk’, nog zo’n vlotte slogan die niet resulteerde in beleid — zult merken dat heel wat mensen heel graag nog deel blijven uitmaken van de actieve samenleving, en niet alleen als goedkope kinderoppas of sympathieke vrijwilliger.

De coronacrisis heeft een aantal tegenstellingen op scherp gesteld die geen tegenstellingen zouden mogen zijn. Jong en oud hebben elkaar nodig. Ik heb als freelancejournalist momenteel (nog) niet te klagen over werk, maar ik zou in een bedrijfsomgeving een heel goede mentor kunnen zijn voor jongere collega’s, zonder dat ik hen in de weg loop of zelf het gevoel krijg dat zij mij willen buiten duwen. Hoe onproductief is het om een samenleving op te delen in kinderen en jongeren die leren, volwassenen die werken en oudjes die thuis zitten? In een ideale wereld lopen al die fasen — behalve die eerste leerfase — door elkaar en nemen mensen een sabbatjaar op hun dertigste, beginnen ze opnieuw te studeren op hun veertigste, volgen ze nog bijscholingen op hun vijftigste en werken ze nog halftijds op hun vijfenzeventigste. Hokjesdenken is nefast voor een samenleving, ook voor het land van de koterijen.

(Waarschuwing: de eerste die ‘OK, boomer!’ als repliek op deze blogpost schrijft, weet ik te vinden.)



We moeten het over de oorlog hebben

Uncategorised Posted on za, juni 13, 2020 13:14:53

Dat het een schande was. Eén, dat iemand dit had durven tekenen. Twéé, dat een krant dit had durven publiceren. Het ging om een cartoon van Marec in Het Nieuwsblad. Wat zien we? Een mannetje dat met zijn linkerknie op de nek van een plat op de grond liggend en mistroostig kijkend ventje zit, met daarboven in een tekstballonnetje ‘Purple lives matter’. Het ene mannetje is Wouter Vandenhaute, de nieuwe voorzitter van Anderlecht, het ventje Michaël Verschueren, uitgerangeerd en uitgespuwd. En die ‘Purple lives matter’ is uiteraard een verwijzing naar de ‘Black lives matter’ na de dood van, neen: de móórd op George Floyd. ‘In mijn krant vandaag. Walgelijk’, schreef een collega-sportjournalist, werkzaam in dezelfde mediagroep als die krant, in een privé-berichtje naar mij. Ik onthoud u mijn antwoord niet: ‘Goh, ik kan veel hebben van cartoonisten. Niet de meest subtiele van Marec, zeer zeker.’

Heel eerlijk, als ik het voor het zeggen had in die krant, zou ik de cartoon niet gepubliceerd hebben, vanwege te gevoelige materie. Noem me gerust laf, want op zich moeten cartoonisten de grenzen kunnen opzoeken en er af en toe minstens één voetje overheen tillen. Ik herinner me van vlak na het Heizeldrama (29 mei 1985, 39 doden) een cartoon van ZAK in De Morgen: in een paar pennentrekken had hij de situatie geschetst. Vol stadion, lijken naast het veld en ongeduldige voetballers erop. De letterlijke tekst ken ik niet meer, maar het kwam neer op “Kunnen de doden het veld verlaten zodat we eindelijk kunnen beginnen voetballen?” Cynisch, wrang, je zal maar zwaargewond zijn geraakt of een vriend, broer of man hebben verloren die dag op de Heizel. Toch vond ik die cartoon passend, omdat dat cynisme hoorde bij de toenmalige (en ook de huidige) Europese voetbaltop. The show must go on! Jammer van de doden, maar er moet straks een beker met de grote oren worden uitgereikt. ZAK had overschot van gelijk om dat te hekelen.

Ik weet niet of De Morgen destijds boze brieven en gele briefkaarten heeft ontvangen: er was nog geen mail, er waren nog geen sociale media, lezersfora bestonden niet, er stonden pas dagen of weken na datum brieven in de krant, in Het Laatste Nieuws met de vermelding ’20 frank ontvangen voor Kindergeluk’. Zijn we echt gevoeliger geworden voor grove boodschappen, of krijgen we dat idee alleen maar omdat we onze mening nu onmiddellijk kunnen ventileren en verspreiden, waardoor twintig reacties algauw op een grote massa lijken te wijzen? Ik ben blij dat De Morgen destijds die ZAK-cartoon gepubliceerd heeft. En ik vind het op zich kunnen — hoeveel schande velen, onder wie heel wat mediamensen, er ook van spraken — dat Het Nieuwsblad die Marec-cartoon in de krant zette. Niet alles hoeft subtiel te zijn, cynisme is soms goed om dadelijk tot de kern van de zaak door te dringen, en zinloze vergelijkingen — in dit geval de ‘moord’ op een clubbestuurder, zoon van een legendarische secretaris, en de moord op een zwarte man — horen daarbij.

Maar goed, zoals u in de titel las, moeten we ’t over de oorlog hebben, ook al blijft Basil Fawlty ‘Don’t mention the war!’ roepen. Fawlty Towers blijft mijn favoriete komische serie aller tijden. Voor het eerst op tv in 1975: ik was zestien en begon te verpoppen van jongetje tot jongen. De zesde aflevering van het eerste seizoen is altijd mijn favoriete episode geweest: The Germans. De plot: de vrouw van Basil Fawlty, Sybil, ligt in het ziekenhuis met een ingegroeide teennagel. Bij een brandoefening in het hotel loopt Basil een hersenschudding op, waardoor hij zelf in het hospitaal belandt. Als hij bij het ontwaken een zwarte dokter aan zijn bed ziet staan, denkt hij dat hij hallucineert. Hij verlaat stiekem het ziekenhuis en krijgt in het hotel te maken met een groep Duitse gasten. Hij bezweert manusje-van-alles Manuel ‘I’m from Barcelona’ en dienstmeid Polly om de oorlog niet te vernoemen, wat hij zelf wél doet. Hilarische scènes.

Een aflevering van Fawlty Towers begon altijd redelijk normaal. Korte situatieschets, waarna Basil al vrij snel begon te flippen en je minder dan een halfuur later in de totale chaos was beland. Schaterend zette je vervolgens de tv af, beter werd het toch niet meer die avond. Een van de vaste hotelgasten was Major Gowen, een dementerende militair die af en toe in beeld kwam gewaggeld en wat onsamenhangende dingen zei, waarop Basil (John Cleese) hem meestal onbegrijpend aanstaarde. In The Germans heeft de majoor het nostalgisch over de ‘West Indies’, een vroegere Britse kolonie, en vertelt hij hoe hij zijn overleden vrouw vergeefs probeerde duidelijk te maken wat het verschil is tussen een ‘neger’ (jawel, nigger in het Engels) en een ‘bruine’.

John Cleese, die samen met zijn toenmalige echtgenote Connie Booth (die Polly speelde) het scenario schreef, creëerde een reeks karikaturale personages: alleen de vrouwen gedragen zich nog redelijk normaal. Basil is een betweterige, veel te luide, onhandige misantroop, Manuel een domme nietsnut en de majoor een relikwie uit (gelukkig) vervlogen tijden. De karikaturen liggen er zó vingerdik op, dat je hen niet serieus kan nemen. Dat we nu, vijfenveertig jaar later, de fictieve woorden van een seniele, karikaturale, krasse knar ernstig nemen is op zich al bijzonder vreemd. Kunnen we het verschil niet meer maken tussen gescripte fictie en de realiteit? Is alles realityshow geworden in de 21ste eeuw? Ik kon toen niet echt lachen om wat de majoor zei, maar ik kon wel lachen mét hem, als overlevende van een aangebrand verleden. Als ik dat toen, als zestienjarige, kon, moeten volwassenen van vandaag dat óók kunnen. Blijf dus met je fikken van The Germans, of het is oorlog!

Ook Little Britain moest er deze week aan geloven, een komische serie die tussen 2003 en 2005 werd uitgezonden, met als protagonisten het duo Matt Lucas-David Walliams. De humor was onveranderlijk van de grove soort. Waar vandaag aanstoot aan wordt genomen, zijn de scènes waarin de heren zich als ‘blackface’ vermommen: een witte die zwart wordt geschminkt en zich ‘zwart’ gedraagt. Ook hier geldt: de karikatuur is zo overduidelijk, dat je maar twee dingen kunt doen, ermee lachen of er niet mee lachen. Censureren lijkt me geen valabele optie. Dit is niet vergelijkbaar met Zwarte Piet, een ‘blackface’ die jonge kinderen moet doen geloven dat Sinterklaas een nogal brutale en ietwat onbetrouwbare zwarte knecht heeft. Kinderen begrijpen nog geen karikaturen, zij nemen dit letterlijk. Het is ook niet vergelijkbaar met de witte zangers die zich zwart schminkten in The Black and White Minstrel Show, een populaire zangshow die twintig jaar lang de schermen teisterde, tot de tv-bonzen het in 1978 welletjes vonden. Zó fout, en desondanks passeerde dat rimpelloos in die tijd. Die vorm van racisme zou nu niet meer kunnen.

Humor evolueert. Wat de meesten grappig vonden in de jaren vijftig, vinden we nu flauw. Wat twintigers vandaag grappig vinden, zouden de twintigers van toen niet geaccepteerd hebben. Er is altijd een dunne scheidslijn geweest tussen grappig en niet grappig, tussen misplaatst en misdadig, tussen de grenzen oprekken en de grenzen opheffen. ZAK, Marec, The Germans en Little Britain mag je gerust afstotelijk vinden: ieder zijn ding. Als humor aanzet tot geweld, haat of discriminatie moet je het verbieden, gewoon omdat het wettelijk niet mág, maar politieke correctheid moet limieten hebben. Doe wat mij betreft praktijktesten of installeer een academisch monitoringsysteem om alles in het oog te houden, het kan me niet schelen, maar laten we geen cultuurbarbaren, kwezels of heikneuters worden. Dat je de standbeelden van Leopold II beklad of desnoods van hun sokkel trekt, tot daaraan toe, maar van het monument Fawlty Towers moeten ze afblijven. De dag dat er over elke grap moet worden nagedacht, is humor dood.

Als we alles op een weegschaal gaan leggen, kan er niets meer. Vergeet de films van Tarantino, met hun overdreven gewelddadigheid. Doe er de films van de Coenbroers maar meteen bij. Vergeet komische series, altijd zal er wel een minderheid zijn die zich beledigd voelt. Vergeet de liedjes van Prince, heeft u dat seksistisch en objectiverend ondertoontje dan niet gehoord? Een samenleving moet gevoelig zijn voor de bekommernissen van minderheden, en daar ook rekening mee houden als er sprake is van reële beledigingen of bedreigingen, maar ze moet vooral niet zodanig krampachtig reageren dat alles in vraag wordt gesteld. Voor je het weet beland je in een humorloze maatschappij, die veel weg zal hebben van een totalitair regime, waar de overheid bepaalt wanneer, hoe vaak en met wie u mag lachen. We kennen daar een paar voorbeelden van: het China van Mao, de Sovjet-Unie van Stalin en kornuiten, en nazi-Duitsland. Don’t mention the war!



Leopold II

Geschiedenis Posted on za, juni 06, 2020 13:12:45

‘Ik zag nen aave man, ‘et s’ôeves langst de stroêt / Een zwette redingotte, ne lange witten boed / Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi / Ik wei ni zaine nôem, ‘k nôem em Leopold II.’ In mijn herinnering dateert Leopold II van Jef Elbers uit de vroege jaren 70, in realiteit blijkt het 1984 te zijn. Een ogenblik dat de Brusselse volkszanger zich al een poos geëngageerd had bij het Vlaams Blok, wat niet verwonderlijk was voor iemand die nog bij de fascistoïde Vlaamse Militanten Orde (VMO) had gezeten.

Het lied van Elbers ging niet over de gelijknamige koning, maar over een man die op onze tweede vorst geleek. Het zal die lange witte baard geweest zijn die het ‘m deed. Leopold II, de echte, kwam deze week weer eens in het nieuws, mede dankzij een knie die toebehoorde aan een witte agent en een zwart hoofd dat eronder lag en minutenlang ‘I can’t breathe’ prevelde, tot de man inderdaad niet meer kon ademen. Het ging over racisme in de States en racisme bij ons, en dan komt Belgisch Congo ter sprake en onveranderlijk ook de man die ons dat land destijds had ‘geschonken’. Congo was een privé-projectje van ’s lands vorst, vanaf 1885, hij was net vijftig geworden en zou eind dat jaar twintig jaar op de troon zitten. Daar hoorde blijkbaar een feestje bij. Onafhankelijke Congostaat noemde hij de tiende provincie van toenmalig België, ook wel: Congo Vrijstaat, want over eufemismen moest je die oude heersers niets leren. Leopold II (1835-1909) zou drieëntwintig jaar genieten van die Belgische annex, waar de grondrijkdommen gretig werden toegeëigend en weerspannige inboorlingen — ik leen even het taaltje dat toen ongetwijfeld werd gebruikt — werden opgesloten, verminkt (het afhakken van handen was populair in die tijd) of vermoord. In 1908 droeg hij zijn speeltuin over aan de Belgische Staat, die nog tweeënvijftig jaar lang de scepter zou zwaaien in Congo, tot aan de onafhankelijkheid van 1960. Lees gerust Adam Hochschilds ontluisterende portret De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo uit 1998, waarvan de oorspronkelijke Engelse titel nog veel meer zegt: King Leopold’s Ghost: A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa. Na lezing ben je opeens iets minder trots dat je Belg bent.

Moeten we standbeelden van Leopold II her en der in het land nog blijven gedogen, was de vraag die even onverbiddelijk als onvermijdelijk opdoemde de voorbije dagen. Versta: moeten we eer blijven betonen aan een bezetter, een dief, een slavendrijver en een massamoordenaar, en dat allemaal verzameld onder datzelfde royale schedeldak? Als je de vraag zo stelt — en waarom zouden we dat niet doen? — is het antwoord logischerwijs en volmondig ‘Neen’. Uiteraard niet. Wie denk je wel dat we zijn? Sommigen voegden de daad bij het woord en gingen Leopold II bekladden, niet onbegrijpelijk, maar tegelijk ook een zwaktebod.

Toch werden die borst- en standbeelden van Leopold II ooit geplaatst. En dat kan alleen maar geweest zijn om eer te betonen aan de monarch, waarom investeer je anders in edelgesteente en de vaardige handen van een kunstenaar die het beeld mag vervaardigen? Zoals een Cyriel Verschaevestraat ooit zo werd genoemd omdat de lokale notabelen die Verschaeve zo’n nobele dichter, priester én man vonden. Die actieve collaboratie, ach, een detail, zoals dat Congo-hoofdstuk voor diegenen die beslisten om een standbeeld te plaatsen voor Leopold II eerder een vervelende bijkomstigheid zal geweest zijn. Had die weledele man ons volgens de overlevering niet talloze somptueuze bouwwerken geschonken: de koninklijke serres, de uitbreiding van het koninklijk paleis van Laken, de koninklijke galerijen van Oostende, de Zoo en het Centraal Station van Antwerpen, het Jubelpark, het Brusselse Justitiepaleis, de basiliek van Koekelberg en, o ironie, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, waar al die in zijn opdracht gestolen voorwerpen netjes uitgestald werden. Neen, als je het in zijn historische context plaatst, was die Leopold meer schurk dan held, een onverbeterlijke racist en allesbehalve een verlichte dictator.

Wat straalt zo’n borst- of standbeeld anders uit dan ‘Ik sta hier voor u, dus ik heb iets voor u betekend’? In het diepst van zijn gedachten zal zelfs Hendrik Bogaert denken dat hij recht heeft op een beeldje, het mag van plastic zijn. O, maar Leopold II is een historisch figuur, die kunnen we toch niet zomaar uit onze geschiedenis schrappen? Misschien moeten we er wel een verklarend bordje naast zetten? (Spoiler alert: kijk eens rond in een museum en turf het aantal mensen dat de bordjes naast schilderijen en beelden gaat bestuderen, het is een minderheid.)

We zouden al kunnen beginnen om de ware betekenis van Leopold II in de geschiedenislessen vanaf de lagere school te duiden. Beste kindertjes, dit was ooit een koning van ons, eigenlijk was hij niet beter dan andere massamoordenaars als pakweg Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot. En die standbeelden: haal ze neer, de man verdient geen eerbetoon. Om hem en zijn wandaden niet te vergeten? Dan kan je net zo goed de publieke ruimte gebruiken om beelden van Freddy Horion, Marc Dutroux en enkele moslimterroristen te plaatsen, ‘om hen vooral niet te vergeten’. Beter nog: zet ergens in onze hoofdstad één beeld en noem het ‘Beeld van de bekende misdadiger’. Eén keer per jaar organiseren we een bedevaart die eindigt met het smijten van rotte eieren en tomaten naar het beeld.

Ik heb een voorstel. Er worden geen beelden meer gemaakt van nog levende personen, hoe geweldig we ze als samenleving op het moment zelf ook vinden. Pas vijftig jaar na de dood van een bekende medemens oordeelt een comité van historici, politici en wetenschappers die op hetzelfde domein actief zijn als de mogelijk geëerde, wie er eventueel een borst- of standbeeld verdient en waar dat best geplaatst wordt. Hoe groter de verdienste van de persoon, hoe vaker hij of zij in het straatbeeld mag voorkomen. Los van alle sentiment en ons-kent-ons. Twee, drie generaties later moeten we in staat zijn om de juiste context te schetsen. Als die onafhankelijke experts dan, in naam van de bevolking, van oordeel zijn dat iemand vanwege zijn of haar bijzondere prestaties aan de buitensporige ontlasting van de duiven mag overgeleverd worden, laten we dat dan vooral doen. Want: ere wie ere toekomt.

***

Jef Elbers leeft nog. Een standbeeld voor hem is vooralsnog niet aan de orde. Wellicht nooit. Laten we niemand op ideeën brengen.



Volgende »