Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Voor wie haar soms geweld aandoet

Communicatie, Journalistiek, Samenleving Posted on za, april 24, 2021 11:43:16

Elke ochtend klokvast om halfacht gaf doctor Marc Galle ons, zinneloze zondaars, taalwenken op de BRT-radio. Op vijf minuten tijd kreeg de luisteraar te horen hoe het wel en niet moest, met die geliefde taal van ons. De nadruk lag toch eerder op wat er fout liep, herinner ik me vaag. De rubriek heette niet voor niets Voor wie haar soms geweld aandoet. Het waren de jaren zestig, het mocht nog allemaal een beetje bevoogdend en paternalistisch klinken, maar, geef ik grif toe, het was wel nuttig om te vernemen wat ik verkeerd had gedaan in de conversaties die ik zelf als keurig Nederlands had aangevoeld. Galle sprak traag en plechtig. Ook de ministers van die dagen declameerden rijke volzinnen, de spitse oneliners werden pas in een later stadium opgedist. Gaston Eyskens praatte meer uit de hoogte dan Alexander De Croo, maar het klonk wel keuriger, voornamer, meer getuigend van staatsmanschap en… met meer liefde voor de Nederlandse taal.

Van de jaren zeventig af deed de gevreesde taalraadsman Eugene Berode elke ochtend zijn ronde door de gangen van de openbare omroep. Geen taalfout ontsnapte hem. Hij schreef dan op een briefje wat hij gehoord had, stak dat in een blauwe enveloppe en legde die op het bureau van de schuldige, die vervolgens de hele dag met het schaamrood op de wangen rondliep in het Huis van Vertrouwen. Berode moet zowat de eerste ambtenaar geweest zijn die dagelijks aan meer dan tienduizend stappen geraakte. Volledige marathons heeft de man maandelijks gelopen in zijn hoogdagen. Het hielp af en toe, soms ook helemaal niet. Menige presentator of journalist kreeg meerdere blauwe briefjes met dezelfde opmerkingen te lezen. Mensen zijn hardnekkig in het herhalen van steeds weer dezelfde fouten, wij leren weinig uit de geschiedenis, óók niet wat taalfouten betreft. Tot 1996 bleef de heer Berode als taaladviseur in dienst van wat inmiddels BRTN was gaan heten, met de N van Nederlands prominent in de afkorting.

Toen ik halfweg de jaren negentig op de sportredactie van de televisie begon te werken, stuurde eminente collega Ivan Sonck wekelijks taalwenken rond in wat een primitieve vorm van e-mail was. ‘Andermaal’ was het woord dat het vaakst voorkwam in zijn circulaire, als in: beste medewerker, u heeft opnieuw dezelfde fout gemaakt. Sommige collega’s wilden maar niet begrijpen dat ‘Anderlecht komt met 1-0 op voorsprong’ geen correct Nederlands is. Dat moest, weten u en ik uiteraard, zijn: ‘Anderlecht komt 1-0 voor’ of ‘Anderlecht komt op voorsprong’. Sportjournalisten zijn de ongekroonde koningen van de contaminatie.

***

Voor wie haar soms geweld aandoet waren mijn ochtendvitaminen. Na mijn ouders was Marc Galle de eerste die mij toesprak bij het ontbijt. Ik luisterde aandachtig, knoopte dingen in mijn oren, vergat er ongeveer evenveel, maar ik probeerde er wel op te letten dat ik de fouten die professor Galle had beklemtoond zelf niet meer, of toch minder, maakte. Ik wilde toen al, op mijn achtste of zo, journalist worden, dat scheelt natuurlijk. Ik hamerde het er bij mezelf in dat mijn gereedschapskist in de toekomst uit taalelementen zou bestaan, niet uit hamers, beitels en schroevendraaiers. Vroeg begonnen is half gewonnen, of zoiets.

In het middelbaar was er meester De Pooter van Nederlands. Ik schrijf ‘meester’ omdat ik de voornaam van meneer De Pooter nooit onthouden heb. Paul was het, denk ik, het kan ook Piet geweest zijn. De man stak vol goede bedoelingen en had ongetwijfeld het beste met ons voor. Omgekeerd gold dat veel minder, weerbarstige jongens en meisjes staken de draak met dat pietje-precies vooraan in de klas. Wisten wij veel dat wij hem meer nodig hadden dan hij ons.

Daarna kwam meester De Wilde, Maurice met de voornaam, een man die weinig ‘blauwe brieven’ van Berode op zijn bureau zal teruggevonden hebben, omdat hij zelf behept was met de wil om taalkundig te excelleren. Ik zat alleen in mijn afdeling, Sociale Communicatie, op het RITCS en kreeg dus privéles van de grand reporter, die een voorbeeld was en een mentor werd. Af en toe moest ik iets schrijven en dan bromde De Wilde dat het goed was, waarna ik met afschuw naar de gecorrigeerde versie keek. Op elke lijn stond er wel een bedenking in een zeer klein en tegelijk zeer mooi en zeer leesbaar handschrift. Links zette hij dan een streepje, zodat ik zeker niet over de aanmerking heen zou kijken. Hij leerde me dan bijvoorbeeld dat ‘meer en meer’ een anglicisme was, dat het ‘hoe langer hoe meer’ moest zijn. Of dat ik niet ‘vanaf de jaren zeventig’ moest schrijven, maar ‘van de jaren zeventig af’. Als ik dat nu doe, zoals in de eerste zin van de tweede paragraaf, geeft mijn automatische spellingchecker aan dat ik een fout heb begaan. Tijden veranderen. Dankzij De Wilde werd mijn taal correcter en tegelijk ook stroever. Taal moet soepel gehanteerd worden, besefte ik. Regels en richtlijnen zijn noodzakelijk, maar er moet creatieve speelruimte blijven.

***

De samenleving evolueert, mensen evolueren, taal evolueert, en maar goed ook. Eerst hadden we maar te accepteren dat we accepteren met dubbele c moesten schrijven, tot men ons verzekerde dat het ‘aksepteren’ moest zijn, en ook dat hadden we maar te accepteren. Terloops, De Wilde hanteerde zelf ook de zogeheten ‘progressieve spelling’, voor hem was het dus ‘kollaboratie’, niet ‘collaboratie’. Later haalde de c van conservatief het op de progressieven en, heel eerlijk, dat vond ik prima. Accepteren oogt gewoon beter dan aksepteren.

Mijn eerste Van Dale was veel dunner dan het driedelig exemplaar uit 1992, dat nog altijd ongebruikt in een boekenkast achter mij staat te pronken. Recentere versies zullen nog dikker zijn geworden. Bastaardwoorden werden aangenomen zonen en dochters, leenwoorden bleven in huis wonen, de internationalisering van landstalen viel niet tegen te houden. Geen denken aan dat Marc Galle of Eugene Berode ‘burn-out’ zonder slag of stoot zouden geaccepteerd hebben. Wij zijn Vlamingen, nietwaar, we hebben al genoeg overheersers gekend in ons verleden.

De verengelsing van onze taal viel echter niet tegen te houden. Dammen werden opgeworpen, maar bleken niet stevig genoeg. Switchen, chillen, content, shoppen, deleten, coach, enfin, de voorbeelden zijn legio. We zoeken niet eens meer naar een bestaand alternatief in het Nederlands. Jammer, maar de realiteit valt soms niet tegen te houden. Dat is niet erg, op voorwaarde dat we de basis blijven respecteren. Toen ik van de week las dat de dames en heren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst nog sneller willen versoepelen dan de amateurvirologen onder ons, ging mijn weinige resterende haar rechtop staan. Achteraf bleek het een misverstand, F.C. De Kampioenen is nooit ver weg in dit land van ‘gewassen maandverbanden’ (copyright: Jean Pierre Van Rossem). ANS wilde gewoon aangeven dat er verschillende toepassingen zijn van de taalregels en dat de op papier foute veelvuldig circuleren. Niet meer, maar ook niet minder. Een Engelse universiteit besliste dan weer dat spelfouten in een thesis niet meer zo erg zijn. De dt-regel mag op de schop, vindt Kristien Hemmerechts, of moet dat ‘vind’ of ‘vint’ zijn? Te moeilijk, dus laten we die inspanning niet meer doen. Echt?

Als taalfouten worden getolereerd omdat ze in de praktijk vaak voorkomen, zullen we dan ook de meest voorkomende verkeersovertredingen voortaan door de vingers zien? Ik vroeg me dat in die bewoordingen eergisteren af op Twitter. Sommigen vonden dat ik niet met het verkeer mag vergelijken, omdat er in de taal geen doden vallen. Klopt, maar daar ging het niet om. Anderen vonden dat je iets wat juridisch afdwingbaar is (het verkeersreglement) niet in dezelfde context mag brengen als iets wat louter een conventie is (taalregels). Ook dat is juist. Mijn punt is dat we ons aan afspraken moeten houden (niet door het rood rijden, niet over een volle witte lijn rijden, richtingaanwijzers gebruiken bij een maneuver, ‘hij wordt’ met dt schrijven en ‘word je’ enkel met een d) en dat we die afspraken niet moeten aanpassen omdat er veel overtreders zijn, wel eventueel omdat de afspraken op zich niet deugen. Wie bedacht heeft dat ‘pannenkoek’ correcter is dan ‘pannekoek’ verdient billenkoek. Zo maak je taal onnodig moeilijk.

Wanneer ik zelf een dt-fout maak in een stuk — wat weleens gebeurt, geef ik ongaarne toe —, krijg ik meestal een discrete opmerking van iemand die ze opgemerkt heeft. Daar ben ik dankbaar voor, zowel vanwege de discretie, als vanwege de welwillende aandacht die iemand heeft besteed aan iets wat ik geschreven heb. Al vind ik het vanzelfsprekend ook vervelend: help, ik heb de taal, mijn werkinstrument, geweld aangedaan. Mijn oprechte excuses, doctor Marc Galle. Ik maak me sterk dat ik minder dt-fouten maak dan de gemiddelde Vlaming. Niet dat ik daar uitzonderlijk trots op ben, het hoort gewoon bij mijn vak, journalist. Als een student een dt-fout maakt in een verslag of een recensie, zal ik daar in gedachten een kwartpunt voor aftrekken, omdat die student nu eenmaal journalistiek studeert. Als iemand die geen neerlandicus is of die niet voor zijn dagelijkse werk een gereedschapskist vol Nederlandse woorden meezeult een fout of foutje maakt, vind ik dat minder erg. Ik ben niet de taalnazi die anderen berispt en er een plezier in schept om mensen te kleineren omdat ze even uit de bocht zijn gegaan. Dus, ja, taal mag, moét zelfs evolueren, pietluttige regeltjes mogen, neen: moéten, op de schop en wel zo vlug mogelijk. Maar gemakzucht, onwetendheid en intellectuele luiheid zijn niet de juiste middelen op weg naar een betere en modernere taal.

‘Groter als’ of ‘beter als’ niet nadrukkelijk blijven afkeuren, vind ik afkeurenswaardig, beste ANS-vertegenwoordigers. Jan is groter dan Piet, niet groter als Piet en, voor de West-Vlamingen onder u, evenmin groter of Piet. Het is van de pot gerukt om daar soepel mee om te gaan. Alles versimpelen is voor simplisten, niets vereenvoudigen is voor hartvreters. Ook de taalkerk moet in het midden gehouden worden. U wilt lezen wat u hoort? Nogtans is het zowiezo kwazi onmogelek om foneties konsekwent en korrekt te sgrijven. Niet aan beginnen, liefst.

Dat gemakzuchtig omgaan met wat er is, geldt trouwens ook bij het gebruik van andere talen. Jongeren haspelen in turbotaal het Engels bezittelijk voornaamwoord ‘your’ vaak door elkaar met ‘you’re’ (van ‘you are’). Moeten we dat zomaar accepteren? Maak er dan meteen ook fonetisch ‘joor’ van, als we dan toch bezig zijn met het verminken van een taal. Zullen we ‘knowhow’ dan voortaan spellen als ‘noowhouw’? Wie foltert, kan maar beter scrupuleloos te werk gaan. (Kijk, die ‘te werk gaan’ heb ik net even moeten nakijken, ik twijfelde of het niet ‘tewerk gaan’ moest zijn. Dat is een nadeel van een complex gegeven als taal: je twijfelt voortdurend en je moet dingen opzoeken. Ik doe dat gaarne, opzoeken, het maakt me elke dag een heel klein beetje minder onwetend. Als je de hele tijd googelt, kan je net zo goed ook even taalbanken raadplegen of woordenlijst.org gebruiken. Die ‘googelt’ heb ik trouwens ook even moeten checken. Kleine moeite.) ‘Ça va’ is bij de meeste jongeren ‘cava’ geworden, al kan dat ook te maken hebben met het ontbreken van de ç op het miniklavier van een smartphone. (Zo smart is die foon dan ook weer niet…)

Wat is de volgende stap: veelgemaakte taalovertredingen als ‘stadia’ (het foutieve meervoud van stadion) of ‘fysisch’ (als het over de menselijke fysiek gaat) accepteren, omdat ze nu eenmaal heel veel voorkomen? Dan kan je inderdaad, om opnieuw naar de analogie met verkeersovertredingen te gaan, middenvakrijders, chauffeurs die nooit hun richtingaanwijzers gebruiken of lieden die nog snel even over het zebrapad snorren terwijl u er al over wandelt, tolereren. De macht van het getal mag niet de norm zijn. Hoe meer overtreders, hoe minder aandacht voor de overtreding, is een bijzonder slecht uitgangspunt. Zo beloon je de overtreders.

Als we de lat zodanig laag leggen dat iedereen er zonder moeite overheen kan springen, wat winnen we dan?



Zever, gezever!

Communicatie, Journalistiek Posted on za, maart 06, 2021 11:27:34

Erika Vlieghe had vorige zondag natuurlijk gewoon gelijk: er wordt te veel gezeurd. Niet door mij, uiteraard, en wellicht ook niet door u, uitermate welgekomen aanwezige op deze blog, maar wel door al die anderen. De infectiologe wilde dat op een T-shirt laten drukken en werd prompt op haar wenken bediend: aan de ene kant maakten verschillende mensen een truitje met de opdruk dat we moeten stoppen met zeuren, aan de andere kant begonnen nog veel meer mensen te zeuren dat ze nu ook al niet meer mochten zeuren, en wie dacht die Vlieghe wel dat ze was, een expert in zeuren misschien? Zelfs de heer Bolzeurnaro, prezeurdent van Brazeurië, zei het nog deze week: ‘Stop met zeuren!’

Enfin, het zeuren ging nog een tijdje door, want de media deden wat ze altijd doen als ze op maandagochtend een leeg blad voor zich hebben liggen: ze vragen zich af wat er in het weekend is gebeurd. Is er een topic waar iederéén over praat? Is Twitter niet per toeval ontploft of zo? Tweewerf ja, en wel over hetzelfde: de uitspraak van Vlieghe in De zevende dag. En dus werd er gezocht naar allerlei Ologen die een mening hadden over zeuren. (Is het goed of slecht? Helpt het ons, of juist niet? Wanneer is het gepast, wanneer niet?) Waarop weer andere I-aters en Osofen werden uitgenodigd daarop commentaar te geven. Writer’s block kennen ze niet in de schrijvende pers, behalve dan de aarzeling om beleefd te reageren op een suggestie om een bijdrage voor hen te schrijven, maar dat is dan weer een geheel andere kwestie.

De wittebroodsweken liggen al bijna een jaar achter ons. Herinner u nog die zalige tijden: iedereen in zijn kot, maar om acht uur des avonds stonden we wel op de dorpel te applaudisseren of hingen we een wit laken uit het slaapkamerraam. België deed het goed, was een van de beste leerlingen van de Europese klas in de aanpak van de coronacrisis, dat virus zou ons niet klein krijgen, o nee, olé. O, wat waren we zelfingenomen en o, wat duurde dat niet lang. Tweede golf, tweede lockdown, en het zeuren nam — na een fikse aanloop in de lente en de zomer — een nieuwe aanvang en hield niet meer op.

Soms begrijp ik het wel dat mensen niet zo verheugd zijn als ze weer eens een Oloog op hun scherm zien verschijnen om ons allerlei leuke dingen af te raden, terwijl een andere Oloog in de krant waarschuwt voor wat er ons boven het hoofd hangt als we ons niet opnieuw gaan gedragen. En weet u hoe dat komt? Omdat die Ologen deskundig zijn op hun terrein, maar ook vragen krijgen voorgeschoteld over andere domeinen, waar ze in wezen, wetenschapper zijnde, ver vanaf blijven, maar nu ook iets over moeten vertellen. Gedwongen door de omstandigheden, de ongeduldige moderator en het felle studiolicht. Als je elke dag in drie verschillende programma’s een Oloog ziet passeren, wordt dat van het goede te veel. Punt aan de lijn.

Andere Ologen en ook Osofen suggereerden eerder al om het nieuws over covid-19 meer te bundelen op een vaste dag van de week en de andere uitzendingen coronavrij te houden, maar zo werkt dat natuurlijk niet. Stel u voor.

‘Ha, kijk er is een Zuid-Afrikaanse variant op gang!’

‘Ja, jong, maar je weet dat het nog maar dinsdag is, coronanieuws brengen we pas op vrijdag.’

‘Oké, ik zal het op de stapel liggen.’

Nieuws is nieuws: wat nu moet, moet nu. De vraag is echter: moet het wel allemaal nu? Of moet er gesnoeid worden in het aanbod? Het coronakaf van het coronakoren scheiden, bijvoorbeeld.

Daarom heeft de christendemocraat in mij — sympathieke vent, maar ik hou ‘m toch maar diep verborgen — een concreet voorstel.

Enerzijds zouden de media minder Ologen kunnen uitnodigen, en als ze er dan toch zijn, hen enkel vragen stellen over hun vakgebied en hun expertise, niet over welke maatregelen zich opdringen.

Anderzijds zouden de Ologen dan best, als ze nog eens welkom worden geheten, vragen die niet tot hun vakgebied en hun expertise behoren, kunnen pareren door te zeggen dat ze daar niet op antwoorden, want dat ze daar niet voor bevoegd zijn.

Zou dat geen — hoe heet dat ook weer, o ja — win-win kunnen zijn?

Misschien houdt het zeuren dan een heel klein beetje op. Indien niet, zullen er wel weer andere Ologen en Osofen klaarstaan om te zeggen waarom dát nu weer komt. Of schrijven een senior writer en een Osoof nog eens een betweterig boekje over hoe we (moeten) omgaan met pandemiezeuren.



Waar kan de arme zijn mening uiten?

Journalistiek, Samenleving Posted on za, februari 20, 2021 11:37:26

Covid-19 is geen gelijkmaker, zoals weleens verkeerdelijk werd gedacht tijdens de eerste lockdown. We zijn niet allemaal gelijk voor het virus. Voor wie het al lastig was, is het nu nog lastiger geworden. Wie het voordien goed ging, heeft het nu eventjes moeilijk. Het is wel die laatste categorie die uitgebreid zeurt, waardoor het soms lijkt alsof de leden van die groep het in deze periode het zwaarst afzien. De eerste groep hoor je namelijk niet, net zoals dat vóór maart 2020 al het geval was. Zij behoren niet tot de ‘Ons kent ons’-kliekjes in de bevriende media. Zij hebben andere prioriteiten dan actief te zijn op de sociale media — of ze hebben nauwelijks volgers en ‘vrienden’, en worden daardoor niet gehoord. Zij proberen de eindjes aan elkaar te knopen, net zoals voorheen, maar dan in nóg moeilijkere omstandigheden.

Terwijl sommige opiniemakers en columnisten klagen over de cancel culture en de teloorgang van de vrije meningsuiting — wat ze breeduit mogen doen in media die honderdduizenden lezers, luisteraars of kijkers bereiken, o ironie! —, zien vele anderen écht af, maar zij blijven onzichtbaar onder de waterspiegel. De Voedselbank heeft vorig jaar een kwart meer maaltijden uitgedeeld. (“Maar de economie! Maar de staatsschuld! Maar we mogen niets meer zeggen!”) Studenten leven geïsoleerd, niet op zonovergoten eilandjes, maar in kille, eenzame koten. (“Maar wij willen met vijf wandelen! Maar wij willen op café! Maar wij willen op restaurant!”) De Derde Wereld — laten we dat vervelende begrip toch maar even vanonder het stof halen — blijft prikloos achter, wij klagen steen en been over de onduidelijke timing van de vaccinaties. (“Maar wij willen naar een festival! Maar wij zijn niet gemaakt om thuis te blijven! Maar, maar, maar!”)

Iederéén krijgt te maken met covid-19 en toch zou je uit de onophoudelijke stroom mediaberichten kunnen afleiden dat het coronavirus een vloek is die alleen over de westerse bevolkingen is uitgesproken. Ware er geen Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse varianten, we zouden in coronatijden niet eens weten wat er zich op andere continenten afspeelt. Het westerse egoïsme is groter dan ooit, het egoïsme van de westerling die het goed heeft, is haast onmetelijk geworden. Dat is al sinds mensenheugenis zo, het viel extra op tijdens de vluchtelingencrisis, en je kunt er tijdens de grootste gezondheidscrisis van de laatste honderd jaar niet meer naast kijken, als je tenminste met je ogen open leeft.

Spoiler alert: vrije meningsuiting is het recht om te zeggen wat je wilt, binnen een afgebakend wettelijk kader, maar het is niet de plicht van de media om álle meningen aan bod te laten komen. Een antivaxer uitnodigen in een tv-studio is altijd een slecht idee, vanwege het nonsensgehalte in zijn of haar betoog en de dodelijke desinformatie die op tien minuten verspreid kan worden; dat wil daarom niet zeggen dat zo’n kwibus die nonsens niet meer kan uitkramen. In het slechtste geval is er nog een zeepkist op de hoek van de straat, meestal dient Facebook of Twitter als zeepkist. Wie in onze westerse context klaagt over vrijheid van meningsuiting zegt eigenlijk: alleen mijn mening telt, en bij uitbreiding ook die van degenen die het met mij eens zijn. Ik heb nog nooit zoveel meningen gezien, gehoord of gelezen als het voorbije jaar, en dan heb ik mij nog af en toe proberen af te sluiten van die meningenwaterval. Te veel eerstewereldgeklaag is op den duur niet meer te harden. Het heeft iets pathetisch.

Ik vermoed dat de arme mensen die woensdag aan het woord kwamen in de Pano over het probleem om een betaalbare huurwoning te vinden, anders nooit aan bod komen. Je ziet hen niet aan tafel zitten in De afspraak. Je leest geen opiniestuk van hen in de krant. Je ziet hen niet, punt. En als je hen ziet, kijk je doorgaans de andere kant op. Je zult, bij wijze van spreken, eerder een mening lezen van een huisjesmelker dan van een van zijn slachtoffers. En het beleid heeft oog- en oorkleppen op, dan hoeven ze geen rekening te houden met de miserie. Ik herinner me een Vlaamse minister die wilde afgerekend worden op de halvering van de kinderarmoede. Ze faalde en mag zich vandaag als parlementsvoorzitter ‘eerste burger van de regio’ noemen. In de politiek heeft een beloning zelden te maken met uitzonderlijk goede prestaties. Ofwel word je weggepromoveerd en word je er financieel beter van, ofwel mag je ondanks persoonlijk falen gewoon aanblijven.

(Waarschuwing: de volgende paragraaf kan sporen van sarcasme bevatten.)

Arme herauten van de vrije mening, zij zijn natuurlijk veel meer te beklagen dan de mensen die nauwelijks een dak boven hun hoofd hebben, uitkijken op beschimmelde muren en geen nagel hebben om aan hun kont te krabben. Arme sukkels met een lade vol ongepubliceerde opiniebijdragen, zij zien vanzelfsprekend veel meer af dan een Afrikaan die zijn eerste vaccinatie zo rond sint-juttemis zal krijgen. Arme betweterige medeburgers, wat ben je met je betweterigheid wanneer die niet elke dag in elke krant op elke pagina gepubliceerd wordt, zij verdienen uiteraard meer onze aandacht dan de armoedige luizen die zich niet eens een tweedehands computer kunnen permitteren. Maar hé, de zeurpieten kunnen toch al terug naar de kapper, die heeft onze meningen al een tijdje niet meer mogen aanhoren.

Arm Vlaanderen.



Wat journalistiek zou moeten zijn

Journalistiek Posted on za, februari 13, 2021 11:26:31

(Acht opeenvolgende maandagen mag ik het college Cultuurjournalistiek geven aan masterstudenten Journalistiek op de Antwerpse campus Sint-Andries van de KU Leuven. Deze visietekst heb ik recent ook aan de studenten bezorgd: een persoonlijke reflectie op wat (cultuur)journalistiek zou moeten zijn. De tekst is samengesteld uit eerdere opiniestukken en blogposts, en aangevulde inzichten. Veel leesplezier!)

“Journalistiek,” zo definieert Wikipedia, “is het verslag doen van nieuws. Een journalist verzamelt en verwerkt het nieuws voor de lezer, kijker of luisteraar. Journalistiek is de discipline van het verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren van het nieuws. Een journalistiek bericht dient in eerste instantie antwoord te geven op de vragen wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. (…) Er bestaan twee belangrijke vormen van journalistiek: de feiten zo neutraal en objectief mogelijk doorgeven, of ze juist duidelijk voorzien van commentaar.”

Dat zijn meteen een aantal aspecten door elkaar: verslag doen, verzamelen, controleren, rapporteren, analyseren. De 5 W’s (wie, wat, waar, wanneer, waarom) zijn al gepasseerd. Je kunt niet anders dan besluiten dat journalist een veelomvattend beroep is. En dat je op twee gedachten blijft hinken: ofwel ben je de neutrale waarnemer die zo objectief mogelijk verslag uitbrengt, ofwel neem je een duidelijk standpunt in en verlaat je even dat strikte streven naar objectiviteit. Journalisten moeten hun hele professionele leven met die spagaat leren om te gaan. Dat is niet makkelijk. Je moet afstandelijk en onpartijdig zijn, maar tegelijkertijd wordt er engagement en maatschappelijke betrokkenheid van je verwacht.

***

Afstand bewaren

Waarschuwing: het zal in deze tekst nauwelijks over cultuurjournalistiek gaan. Ik geloof namelijk niet in hokjes. Of je nu over kunst en cultuur schrijft of praat, of over sport, politiek of faits divers maakt in wezen geen verschil, hoe paradoxaal dit ook mag klinken, omdat een cantate van Bach bespreken toch niet te vergelijken lijkt met het verslag van een verkeersongeval. En toch gaat het om dezelfde stiel: verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren. Helaas wordt dat vaak vergeten. Sportjournalisten identificeren zich zodanig met hun onderwerpen dat ze geen afstand meer kunnen bewaren. Probeer dan maar eens kritisch te berichten over gevallen van doping of omkoping. Cultuurjournalisten hebben ook zo hun favorietjes: je zal maar een goeie band hebben opgebouwd met Jan Fabre en dan geconfronteerd worden met verhalen van seksueel misbruik door de man.  Of je bent mediajournalist en je vond die Bart De Pauw tot november 2017 toch zo’n geweldige gozer. Amerikaanse filmjournalisten die Harvey Weinstein ‘a jolly good fellow’ vonden, zullen daar allicht een heel klein beetje spijt van hebben sinds #metoo. (En toch moet je ook dan nog ruimte laten voor twijfel en de heren Fabre, De Pauw en Weinstein niet onmiddellijk op de figuurlijke brandstapel zetten. In die zin is er een overlapping tussen wetenschap en journalistiek: twijfel is in beide domeinen een fundamenteel uitgangsprincipe. Al moet je niet twijfelen over de goede bedoelingen van redacties die eenzijdig berichten over, bijvoorbeeld, de zaak-De Pauw. Die zijn er namelijk niet. Het gaat om de sensatie, de clickbait, de dagverkoop en, best mogelijk, hogere zakelijke belangen, zoals het samenwerken met controversiële, in opspraak gekomen figuren. Rechtspraak dient in een serene sfeer te kunnen verlopen, beïnvloeding is niet de taak van journalisten.)

Meestal wordt het probleem uit de vorige paragraaf subtiel opgelost: de verslaggeving wordt toevertrouwd aan iemand buiten de sector of met een andere specialiteit. Wat in mijn ogen neerkomt op een abdicatie. Het doet een beetje denken aan wijlen koning Boudewijn, de Belgische koning die in 1990 weigerde om de abortuswet te ondertekenen, omdat die indruiste tegen zijn (katholieke) geweten, waarop grondwetspecialisten het slimmigheidje bedachten om hem een dag regeeronbekwaam te noemen. De wet werd bekrachtigd, de koning kon zijn geweten sussen. Die hypocrisie kom je in de journalistieke wereld ook vaak tegen: collega’s die zich even onbekwaam achten om te schrijven over wanpraktijken in de branche waarin ze zich hebben gespecialiseerd. Meestal komt dat neer op: te laf om bewezen geachte wanpraktijken aan het licht te brengen, te bang om niet meer welkom te zijn in de in opspraak gekomen middens, te weinig onafhankelijk en onpartijdig om volwaardige journalistiek te bedrijven.

Als je in de stiel stapt om te bewonderen, zit je in de verkeerde stiel.

Als je in de stiel stapt om te bedonderen, eveneens.

Afstand bewaren is een conditio sine qua non in het beroep van journalist. Anderhalve meter is een goed begin, ‘social distancing’ is ook in de journalistiek een waardevol principe. Daarom is het niet goed dat je als politiek journalist bevriend raakt met een politicus, dat je als sportjournalist vrolijk whatsappt met je favoriete sportman of dat je als cultuurjournalist amicaal omgaat met een regisseur of actrice. Ooit bezorgt je dat gewetensproblemen.

Vergeet dus de term ‘cultuurjournalist’. Je bent in de eerste plaats journalist: cultuur is je speelveld. Niet onbelangrijk, maar je moet vooral verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren. In diezelfde zin vind ik ook de term ‘onderzoeksjournalist’ niet zo gepast. Elke journalist moet onderzoeken. En uiteraard is er een verschil tussen een dagelijkse human interestreportage maken en maandenlang op zoek gaan naar verborgen informatie in de hoop dat je een ‘smoking gun’ vindt. Maar in wezen word je geacht dezelfde hoogstaande kwaliteit af te leveren.

***

Vrijemarktdenken

Vrijdag 3 mei 2013 zal menige Vlaamse hoofd- en eindredacteur zich in zijn of haar koffie verslikt hebben. Een honderdtal vermetele penvrienden van PEN, de Vlaamse afdeling van de internationale auteursvereniging waarvan de afkorting staat voor ‘Poets, Essayists & Novelists’, gaven die dag in De Morgen uiting aan hun bezorgdheid over de toestand van de media in onze contreien. De vrije meningsuiting is in het gedrang, schreven ze, de persvrijheid wordt uitgehold door, ik citeer, ‘een losgeslagen vrijemarktdenken’. Boven het stuk stond de ronkende titel ‘De vrije markt versmoort het vrije woord’.

De mannen en vrouwen van PEN eisten meer onderzoeks- en minder steekvlamjournalistiek, meer duiding en minder opiniëring, meer buitenland- en Europaberichtgeving, meer zelfregulering en meer inzicht in reële conflicten. Eisen die, als je ze even in hun context bekijkt, niet meer dan logisch en redelijk klonken. En toch was de reactie uit de sector hevig. Grosso modo waren er twee kampen: ‘Vroeger was het beter’ en ‘Vandaag is het beter’. Alsof het om een of/of-verhaal ging. Dus ga ik nu een poging wagen om op twee cruciale vragen een antwoord te geven. Was het vroeger beter? Is het nu goed?

Was het vroeger beter?

Neen, dus. Er werd inderdaad minder aandacht besteed aan futiliteiten, steekvlamjournalistiek bestond nog niet — eenvoudigweg omdat er veel minder media waren en er minder haast was bij het uitbrengen van nieuws — en het beroep van journalist genoot meer maatschappelijk aanzien, maar de politisering, verzuiling en autocensuur sloegen ongenadig toe.

Anderzijds hebben de mannen en vrouwen van PEN zelfs bijna een decennium na hun open brief gewoon gelijk, wanneer ze stellen dat er vandaag te weinig onderzoeksjournalistiek is, te weinig duiding en te veel opiniëring, te weinig buitenland- en Europaberichtgeving, te weinig zelfregulering en onvoldoende inzicht in reële conflicten.

Gaat het vandaag goed met de journalistiek?

Eind jaren zeventig van de vorige eeuw waren de media hopeloos gepolitiseerd, verankerd en opgesloten in de verzuiling die de hele Belgische samenleving toen gijzelde. Een katholieke krant liet zich de les spellen door de katholieke partij, de katholieke vakbond en de katholieke mutualiteit. Idem dito bij de liberalen en de socialisten. Begin jaren tachtig kwam de kentering. De Standaard nam iets meer afstand van de CVP (de voorloper van CD&V), Het Laatste Nieuws groeide uit tot een populaire en soms ietwat populistische krant nadat het de banden met de liberale partij had doorgeknipt, en De Morgen, als opvolger van de teloorgegane Volksgazet, ruziede openlijk met de socialistische familie. Onafhankelijkheid werd het nieuwe adagium. De politiek en het sociale middenveld reageerden onwennig.

Die anti-verzuilingsbeweging nam almaar meer toe in de jaren tachtig en negentig. Ook bij de openbare omroep, waar ‘kleurloze’ managers de plaats innamen van partijvazallen, die alleen maar een hoge positie mochten bekleden omdat ze de juiste partijkaart hadden, versta: ze waren aanhankelijk aan een partij die op dat ogenblik in de regering zat. Niet dat er vanaf dan geen onrechtstreekse beïnvloeding meer was — de BRTN was maar één boos telefoontje van het partijhoofdkwartier verwijderd — maar al te gekleurde berichtgeving werd niet meer geaccepteerd, door de journalisten én door het publiek.

De grote omslag kwam er in 1996. Je mag gerust stellen dat de zaak-Dutroux op vele vlakken onze samenleving heeft veranderd. De man in de straat had plots veel minder vertrouwen in officiële communicatie, nam de overheid openlijk op de korrel en gedroeg zich balorig in het stemlokaal. Gevolg: het politieke landschap raakte hopeloos versnipperd. De traditionele politieke families bleven zich lang gedragen als struisvogels, in de waan dat die rare verkiezingsuitslagen een tijdelijk fenomeen waren. En de uitdagers grepen hun kans.

Zoals dat wel vaker gaat is de slinger nu de andere kant op geslagen. Waar de media dertig jaar geleden nog ‘uitblonken’ in brave, saaie, gecontroleerde berichtgeving, kiezen ze nu voor een overdreven populistische aanpak. Faits divers zijn de norm geworden, het buitenland is een ver-van-ons-bedshow, de waan van de dag regeert. Het goede van de politieke ongebondenheid en het einde van de verzuiling hebben plaatsgemaakt voor het slechte van de louter commerciële aanpak en de clickbait. Drie decennia geleden keken politici en journalisten neer op de burger, vandaag laten ze zich de wet dicteren door diezelfde burger. Het ene kwaad is vervangen door het andere.

Het omslagpunt ‘1996’ viel ook ongeveer samen met de intrede van de marketeers op de redactievloeren. Marketing was geen nuttig, ondersteunend departement meer, neen, radio- en tv-programma’s en de hele schrijvende pers werden plots gedomineerd door vlotte boys & girls die het allemaal beter wisten en dat probeerden te staven aan de hand van grafiekjes en allerhande studietjes. Alles werd gecensydiamiseerd — met alle respect trouwens voor een bureau als Censydiam, maar je mag de rol van onderzoeksbureaus nooit overschatten, net zoals je marketeers moet duidelijk maken dat hun rol ondersteunend is en niet leidinggevend.

Marketeers hebben de marktratio opgedrongen en tegelijkertijd het buikgevoel weggenomen. Alles is nu geformatteerd. Het gevolg is, merkwaardig genoeg, dat de media vandaag opnieuw braaf, saai en gecontroleerd bezig zijn, net als in de ‘goede oude tijd’ van de politisering en verzuiling. Alleen zijn ze nu niet meer afhankelijk van partijbonzen, vakbonden en andere gezagsdragers, maar gaan ze plat op de buik voor wat het publiek wil. Althans: voor wat marketingstudies hebben uitgewezen dat het publiek zou willen. Belangrijke nuance!

Of dat een gevolg is van een ‘losgeslagen vrijemarktdenken’, zoals de ondertekenaars van de PEN-petitie beweren, laat ik even in het midden. Hun stelling dat de vrije markt het vrije woord versmoort verdient aandacht, maar ook kritische reflectie. Het zou al te makkelijk zijn om iets ontastbaars (de vrije markt) de schuld te geven van iets aards (populistische media).

Een kwarteeuw geleden zat de wereld van de journalistiek veel eenvoudiger in elkaar. Geen internet, geen sociale media, de koek werd netjes verdeeld: het snelle nieuws zat — in die volgorde — op radio en televisie, werd dan uitgediept en aangevuld in de kranten en vervolgens geanalyseerd in de weekbladen. Dagbladen brachten nog echt nieuws: dingen die je nog niet wist de dag voordien. Weekbladen pakten geregeld uit met een primeur. Dat is verleden tijd, want vandaag wordt alles onmiddellijk op het internet gepleurd. Je kan een hoge boom opzetten over de mate van betrouwbaarheid van de meeste van die berichten, maar je kan niet ontkennen dat de vele duizenden nieuwssites het DNA van de schrijvende pers grondig hebben verstoord.

Alleen… zien hoofdredacties dat nog veel te weinig in. Net als politici van de traditionele partijen jarenlang hun kop in het zand hebben gestoken, blijven redacties geloven dat deze informatiehype van voorbijgaande aard is. Kranten en weekbladen zouden vandaag de dag meer dan ooit moeten investeren in onderzoeksjournalistiek, duiding en inzicht in reële conflicten. Daar ligt hun kans om relevant te blijven, hun mogelijkheid om te overleven, hun inhoudelijke én commerciële uitdaging om het verschil te kunnen maken. Meer nog: daar ligt hun taak. Slechts mondjesmaat beginnen redacties dat te beseffen.

***

Worden journalisten ernstig genomen?

In de zomer van 2015 deden ze bij gentenaar.be een oproep: ze zochten een liefhebber van dancemuziek die voor de site verslag zou uitbrengen van Klankfest, een dancefestival dat zou plaatsvinden in het Gentse cultuurcentrum Vooruit. De gelegenheidsjournalist zou twee tickets ontvangen voor tien dagen (ter waarde van 328 euro) en moest dan elke dag een stukje schrijven. Gratis. Een op het eerste gezicht aantrekkelijk maar ook bijzonder giftig cadeau, want je geeft minstens 32,8 euro per dag uit aan drank en eten, dus eigenlijk moest je betalen om je gedurende anderhalve week verslaggever te mogen noemen.

328 euro, dat was een bescheiden kost voor gentenaar.be. Die tickets hadden ze wellicht gratis gekregen van de organisator (‘accreditatie’, heet dat), kostprijs dus in realiteit nul euro. Die verslagjes — hoe krakkemikkig geschreven ook — kostten eveneens nul euro. Occasionele dt-fout, ach, wie maalde erom, het ging om dance, niet om een essay over een heel moeilijk onderwerp. En het was, laten we wel wezen, máár een website, met excuses voor mijn cynisme. Een freelancer ernaartoe sturen kostte zelfs in crisistijden waarin alles en iedereen als een citroen wordt uitgeknepen — freelancejournalisten op kop — meer dan 328 euro voor tien dagen. Tel uit je winst!

Ik heb me toen heel boos gemaakt. Journalistiek wordt in dit fijne land bij de Noordzee hoe langer hoe meer als een uit de hand gelopen hobby beschouwd en wie betaalt er nu voor een vrijetijdsbesteding? Journalistiek is in Vlaanderen onderdeel geworden van een bucket list: wat heb je vandaag gedaan, o, ik heb een stukje laten publiceren in de krant, tof, ik wil dat ook doen! Journalistiek kampt met een negatief imago: is het dan wel een goed idee om het toe te vertrouwen aan amateurs? Ik dacht het niet.

Journalistiek is een vak, dat traditioneel bedreven werd en — gelukkig nog in de meeste gevallen — wórdt door professionals. Ze lopen soms wat nukkig rond, zijn een tikkeltje arroganter dan de doorsnee burger, hebben een air van hier tot in Tokio, zijn uiteindelijk niet altijd even bekwaam, kortom: niets menselijks is journalisten vreemd. Het zijn mensen die iets kunnen — analyseren, synthetiseren, de juiste vragen stellen, een verstaanbaar stukje schrijven in een heldere taal — dat andere mensen niet kunnen, maar dat is niet erg, want die andere mensen kunnen dan weer dingen die die journalist niet kan. Laat mij niet behangen of een waterleiding herstellen, bijvoorbeeld, maar ik kan er wel iets over schrijven. Ieder zijn métier.

Ik heb op zich niets tegen burgerjournalistiek. Ik vind het goed dat individuele burgers problemen of bijzondere voorvallen signaleren aan de pers, al heb ik wel geregeld bedenkingen bij de manier waarop. Vaak is het niet veel meer dan buurtje-pesten. Als die burger zijn semi-journalistieke bijdragen tot de mensheid dan ook nog eens onverkort kan laten opnemen in een medium, zitten we helemaal verkeerd. Een vak is een vak, een vakman is een vakman. Vraag me niet als behanger, zelfs niet wanneer ik mij gratis aanbied. Uw behang zal schots en scheef hangen, en na er twee weken goedwillend naar gekeken te hebben, zult u alsnog een specialist inhuren, tégen betaling, met nieuw behangpapier, waardoor u meer zult betalen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Bij elke bijdrage van een niet-geaccrediteerde burgerjournalistiek hoort dan ook een redactionele controle (is dit, voor zover we dat kunnen inschatten, waarheidsgetrouw?) en een waarschuwing aan het publiek: ‘Dit stuk werd ons aangeleverd’.

Maar goed, of je nu voor of tegen amateuristische nieuwssites, burgerjournalistiek of nieuwsverspreiding via sociale media bent: ze zijn er, en ze zijn niet van plan snel te verdwijnen. Dus heeft het ook geen zin om te doen alsof ze er niet zijn, te hopen dat de bui zal overwaaien of — veel erger nog — te mijmeren over hoe het vroeger was.

***

Dokters Frankenstein

Traditionele en nieuwe media staan onder druk. Bij het minste wordt er fake news geroepen. Sommige sites specialiseren zich zelfs in het verspreiden van halve waarheden of hele leugens, en dat straalt ook af op de koosjere medewerkers in de sector.

Als een onderbetaalde copy/paste-redacteur onder druk van een in zijn nek hijgende eindredacteur een artikel bijeen jat en het halsoverkop de wijde wereld instuurt om toch maar de eerste te zijn met een niet gecontroleerd bericht, dan komt dat de reputatie van de hele journalistieke wereld allesbehalve ten goede. Waarna collega’s van de copy/paste-jongen (m/v/x) vervolgens diens informatie recycleren voor een ‘eigen’ slordige bijdrage. Ad infinitum.

Dat is de hapsnapwereld waarin we beland zijn: de eerste zijn is belangrijker geworden dan correcte en de meest volledige informatie brengen, en als je niet de eerste bent, moet je de mediagebruiker wijsmaken dat dat wél zo is. Stilstaan bij wat we doen en hoe we dat doen zit er nauwelijks nog in. Nadenken evenmin. Dat gaat ten koste van de geloofwaardigheid van het beroep.

Een voorbeeld uit het dagelijkse persleven van begin 2018. Student richt een Vlaams-nationalistisch, extreemrechts actiegroepje op. Dat geniet alleen in beperkte kring enige bekendheid. De jongen spreekt zich via de sociale media uit over de geslachtsverandering van een journaliste bij de commerciële omroep; dat we dit allemaal niet zomaar normaal moeten vinden. Wordt plots opgevoerd in een duidingsmagazine als iemand met een uitgesproken mening over de transgenderproblematiek. Wakkere journalist op een andere redactie denkt: hé, wie is dat en wie is dat clubje dat hij vertegenwoordigt? Hij gaat op onderzoek. Andere journalist gaat de jongeman interviewen. Geeft hem verschillende pagina’s in een prestigieus weekendmagazine. Een forum, zeg maar. Een half jaar later heeft de wakkere journalist zijn reportage klaar. Spraakmakend, onthullend, verbijsterend. Journalistiek op topniveau. Relevant. Maar de student weet zijn aanhang nog uit te breiden. En krijgt nóg meer persaandacht. En wordt dan aangekondigd als lijsttrekker van een extreemrechtse partij. Krijgt vervolgens weer uitgebreide persaandacht en gebruikt die om in te hakken op de media die hem die aandacht hebben gegeven.

Als we over Dries Van Langenhove praten — want over hem gaat het in de vorige paragraaf — moeten we vaststellen dat sommige media zich gedroegen als Dokters Frankenstein en een eigen monstertje hebben gecreëerd. Goed dat het fascistoïde clubje ontmaskerd is — niet dat het helpt, de populariteit stijgt alleen maar, maar dat kan je de wakkere journalist niet euvel duiden: hij heeft zijn job gedaan (híj wel!). Maar waarom moest dat jonge heerschap worden opgevoerd omdat hij een mening had over transgenders? Wat is zijn expertise? Wat is zijn maatschappelijke visie hierop? Hij heeft er geen, hij uit gewoon een populistische mening, zoals honderden, misschien wel duizenden Vlamingen hebben gedaan nadat die journalist aankondigde dat hij een zij zou worden.

Zijn wij, de pers, de media, nu enkel nog dragers van de meest onzinnige boodschappen? Zijn we masochisten geworden? Zijn we onze eigen overbodigheid aan het ensceneren?

Neem nu de twee betogingen in december 2018: de Klimaatmars (65.000 deelnemers) en de Mars tegen Marrakesh (5.500). Ik heb zelf even de moeite gedaan om de media-aandacht van die twee manifestaties te vergelijken. Over de Klimaatmars werden op zondag 2 december 25 stukken gepubliceerd en op maandag 3 december 18, samen goed voor 15.838 woorden. Niet overal stond de Klimaatmars prominent op de voorpagina. Over de Mars tegen Marrakesh — tégen het pact van de Verenigde Naties om migratie beter te reguleren — werden op zondag 16 december 44 stukken gepubliceerd en op maandag 17 december 20, samen goed voor 26.919 woorden. Overal stond de mars prominent op de voorpagina.

Een paar conclusies hieruit.

1. De pers focust te veel op het negatieve. Mars ‘tegen’. Gewelddadigheid. Hooligans.

2. De pers focust te veel op controverse. Die saaie pieten en mieten van #ClaimTheClimate, met hun eeuwige bakfietsen en hun aandacht voor de toekomst! Neen, dan liever die frisse jongens van Schild & Vrienden, die altijd weer iets zeggen dat lekkere koppen en luidruchtige toogdiscussies oplevert.

3. De pers focust te veel op makkelijk populisme en pompt dat vervolgens nog eens op. Die Mars tegen Marrakesh had perfect op pagina 7 gekund, 30 lijnen met daarnaast een foto van het geweld achteraf. Meer zijn 5.500 mensen niet waard. Dat is ongeveer 0,05 procent van de Belgische bevolking, terwijl de organisatoren beweren dat ze het hele volk vertegenwoordigen. Quod non.

4. De pers is dringend toe aan gewetensonderzoek. Ik wil hier niet pleiten voor ‘constructieve journalistiek’, vanwege de oubolligheid van die term, die bovendien lijkt te veronderstellen dat je alléén nog maar het positieve moet zien. Nogal naïef. Maar we stevenen af op destructieve journalistiek, berichtgeving die uitsluitend de waan van de dag volgt, herrie veroorzaakt of versterkt, bruggen helpt op te blazen, populisten populairder maakt, de samenleving in al zijn gewrichten doet kraken. Dat kan ook niet de bedoeling zijn. Waar is onze kritische zin naartoe?

Journalisten moeten weer meer onderzoeken en blootleggen, media moeten geen megafoons aanreiken aan de luidste roepers en de strafste tafelspringers, maar aan de interessantste stemmen in de samenleving, hoe zoetgevooisd en bedeesd die soms ook klinken. De coronacrisis maakt duidelijk dat er heel wat échte experten zijn. Hun stem zou vaker mogen weerklinken, ook buiten crisismomenten. Máár, voeg ik er meteen aan toe, alleen over hún vakgebied.

***

Wij zijn volksvertegenwoordigers

Noem me ouderwets, maar ik vind dat journalisten, eindredacteuren, hoofdredacteuren en uitgevers wat meer ballen moeten tonen. Wij — en in de toekomst hopelijk ook jullie, studenten van nu — zijn de professionals, wij moeten beoordelen of iets of iemand nieuwswaardig is, iets toevoegt aan een maatschappelijk debat, relevant is. Wij moeten naar eer en geweten, zo onpartijdig en onafhankelijk mogelijk, met de nodige afstand knopen doorhakken: waar besteden we onze nog altijd beperkte ruimte aan? Dat is onze verdomde job, daarvoor worden we betaald.

Aan een loodgieter wordt toch ook niet gevraagd om de klussende buurman inspraak te geven wanneer hij een lek komt dichten? De bakker laat toch niet toe dat de handige buur mee taartjes komt bakken, omdat die dat zo goed doet als er een familiefeestje is? Staat de notaris toe dat lieden die weleens een juridische tekst in de verte hebben bekeken, zelf een akte komen opstellen?

Blijkbaar zijn politici en journalisten tegenwoordig de enigen die hun taak uit handen hebben gegeven: ze laten zich voeden door populisme. De schreeuwende vox populi is meer de norm geworden dan de bedaarde stem van experten. Omdat we zo graag hebben dat het botst, dat er controverse van komt, dat we de dagen nadien nog iets hebben om over te schrijven en te praten. Het is zó makkelijk, in de meningenfabriek wordt elk uur van de dag wel iets geroepen. Uitzonderlijk is dat geniaal en bruikbaar voor de samenleving, soms nuttig, meestal overbodig en irrelevant.

***

Politici en journalisten moeten weer ergens voor staan: een visie, een voldragen mening, beroepsethiek, een zekere vorm van verhevenheid in het domein waarin ze gespecialiseerd zijn. Wij zijn volksvertegenwoordigers: de ene legitiem, want verkozen, de andere eveneens legitiem, want professioneel geschoold of door ervaring stielman geworden, en daardoor in staat geacht om het belangrijke te onderscheiden van het belangwekkende (en het futiele). Zijn we perfect? Verre van. Lopen er charlatans rond in de stiel? Wees gerust, knoeiers lopen overal rond, ook onder de loodgieters, bakkers en notarissen. Daarom moet je de stiel nog niet laten bederven of jezelf niet meer ernstig nemen.

We moeten, kortom, ons vak weer opeisen, en dat geldt zowel voor de ‘ouderwetse’ krant als voor de hipste nieuwe site.

De media laten zich te vaak ringeloren. Hoe harder extremisten brullen dat ook zij aan bod moeten komen, hoe groter de kans dat ze dat uiteindelijk ook zullen mogen. Ooit was er een cordon médiatique tegen vertegenwoordigers van het Vlaams Blok — de partij die sinds 2004 Vlaams Belang heet — in de Vlaamse pers: ze kwamen nauwelijks aan bod. Een kwarteeuw later gaat er geen dag voorbij, of er is een Vlaams Belang’er uitgebreid aan het woord gekomen. Geen van beide keuzes is verdedigbaar: de eerste omdat je zo ook een cordon sanitaire rond de kiezers van die partij legt, wat in een democratisch bestel ongezond is, de tweede omdat je extremisme salonfähig maakt. Gezond verstand is een kwestie van afwegen. En niet zomaar toegeven aan externe druk: noem het gerust pretentieus, maar die pretentie moeten hoofd- en eindredacteuren en journalisten durven te hebben. Al te extreme uitlatingen moeten we blijven beperken tot het kringetje waar ze ontstaan zijn.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994), die zichzelf een kritische rationalist noemde, ging daar in zijn beroemde boek The Open Society and its Enemies (1945) uitgebreid op in via zijn ‘paradox van tolerantie’. Een van de onverwachte vijanden van de open samenleving is een verdraagzame attitude tegenover onverdraagzaamheid, schreef hij. In Poppers definitie: ‘Onbeperkte tolerantie moet leiden tot het verdwijnen van tolerantie. Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die zelf intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie.’

***

Vervrouwelijking van het beroep

Via deze lange omweg kom ik opnieuw bij het vertrekpunt uit. Verzamelen, controleren, rapporteren, analyseren. Journalisten hebben een cruciale taak in de samenleving. Zoals in een gezondheidscrisis de zorgsector eindelijk ten volle gewaardeerd wordt, zo mag ook de journalistiek weleens een schouderklopje krijgen. Al moet de journalist dat dan wel verdienen.

Van een hoofdzakelijk mannelijk beroep is journalistiek geëvolueerd naar een betere maar nog niet voldoende representatieve weerspiegeling van de samenleving. De vervrouwelijking van het vak is een fantastische zaak, net zoals het geweldig zou zijn, mochten er meer mensen met een andere huidskleur en een andere culturele, religieuze en maatschappelijke achtergrond opduiken in het vak. Sinds een jaar of twintig hebben we vrouwelijke hoofd- en eindredacteuren, vrouwelijke politieke journalisten, hier en daar zie je een vrouwelijke sportjournalist opdoemen — daar moet de inhaalslag nog gebeuren. Ook cultuurjournalistiek is veel te lang een mannelijk bastion gebleven: pijp rokende, blanke mannen van middelbare leeftijd die alles beter wisten. Vroeger was het heus niet beter…

Toen ik zelf de studentenbanken net ontvlucht was, hanteerde ik voor mezelf een definitie van kunst die, achteraf bekeken, heel begrensd was. Ik zag kunst als iets dat ik zelf niet had kunnen maken. Dat was niet alleen bijzonder beperkend ten opzichte van mezelf — want ik zou wel nooit in staat zijn om ook maar iets te kunnen produceren dat binnen die definitie paste! —, maar ook ten opzichte van kunstenaars. De 25-jarige ik begreep niet dat een schilderij van Mark Rothko geestelijk genot kon bezorgen. Eén, hooguit twee kleuren of tinten, wat heb je daar nou aan? Vandaag kijk ik naar Rothko en sta ik in stille bewondering voor de kracht die uitgaat van zijn monochrome schilderijen. Ik word weleens emotioneel door ernaar te blijven kijken. Schoonheid heeft honderden definities, maar geen enkele komt in de buurt van je eigen beleving. Kunst kan op tientallen manieren gedefinieerd worden, de ene definitie al intelligenter dan de andere, en toch weegt dat niet op tegen het eenvoudige kijken en ondergaan.

Open staan voor het voorheen onbekende is een eigenschap die elke journalist zou moeten bezitten. Het is een vorm van beschaving. Journalisten oefenen het mooiste, het moeilijkste, het meest uitdagende, het felst bekritiseerde, het minst gewaardeerde, het grootste persoonlijk genot verschaffende, het frustrerendste, het nuttigste beroep uit. Net als alle anderen. We zijn ook maar mensen.



Allegro non molto

Journalistiek, Politiek Posted on za, oktober 03, 2020 11:32:21

De grootste verdienste van de nieuwe federale regering is dat ze er ís. Dat zeggen vrienden en tegenstanders van deze bonte coalitie. De kans dat het Vivaldi-project mislukt is even groot als dat het lukt. Dat zeggen tegenstanders van de regering-De Croo I en geven vrienden ootmoedig toe. De eensgezindheid van de voorbije dagen kan snel plaatsmaken voor gekibbel over details in het regeerakkoord die anders geïnterpreteerd worden door de verschillende partijen. Dat zeggen tegenstanders en zullen vrienden alleen maar kunnen beamen. De tegenstrijdige interpretaties zijn trouwens al volop bezig.

Optimisme is een morele plicht, maar het moet wel realistisch haalbaar blijven, natuurlijk. En dat hebben een regeerakkoord, een verbindende persconferentie, een eendrachtige kamerzitting en tig interviews nog niet kunnen aantonen. Omdat ze dat simpelweg ook niet kúnnen. Het hangt allemaal af van het beleid, van de bekwaamheid van de bestuurders, van economische impulsen waar een Belgische regering nauwelijks vat op heeft, en van altruïsme en goede wil. Het is niet de oppositie die deze nooit geziene coalitie — bont allegaartje mag ook, als omschrijving — zal doen struikelen: het welslagen ligt bij de premier, zijn regeringsleden en de partijvoorzitters — en ook van een tikkeltje geluk. Een coronacrisis kan je moeilijk zien aankomen. Al is dat natuurlijk de ultieme test voor de kwaliteit van zij die ons besturen.

En toch… We hébben een federale regering. Voorzichtige juichkreten zijn gepast. Na net geen vijfhonderd dagen afwisselend onderhandelen en ruziemaken. Afwijzen en aantrekken. Politieke spelletjes spelen en ernstig proberen een evenwichtige ploeg samen te stellen. Eind vorig jaar lag paars-groen al op tafel. Toen deden de donkerblauwe Open VLD’ers hun uiterste best om er een flinke stok voor te steken, al was het maar om uittredend voorzitter en ambitieuze politica Gwendolyn Rutten tot enige bescheidenheid te nopen. Dat is bijna een jaar geleden, in de naherfst van 2019. Waarom moest de vorming van deze vierseizoenenregering zeven seizoenen duren, terwijl het ook in drie of vier had gekund? Het was te veel adagio en largo, te weinig allegro vivace tijdens die 493 dagen.

Maar hé, we hebben dus een regering. Ze telt voor het eerst evenveel mannen als vrouwen. Er zitten drie landgenoten met een migratieachtergrond in. Ervaren gezagsdragers zitten zij aan zij met neofieten. De politieke vernieuwing lijkt voor het eerst geen dode letter te blijven. Je kan het regeerakkoord lezen als een reeks vage intenties, maar ook als een catalogus van noodzakelijke bijsturingen. Dat geldt trouwens voor elke tekst die vooraf werd opgesteld: als die niet in de praktijk wordt omgezet, blijven het dode letters op papier. De verbindende woorden van de aanstaande premier op de persconferentie waarop het regeerakkoord werd aangekondigd, staken schril af tegen alle polariserende verklaringen van de voorbije jaren, onder meer in het kibbelkabinet-Michel. De Croo had veel van Obama en weinig van Trump, wat aanbevelenswaardig is. Vergelijk met de overwinningsspeech van Bart De Wever als nieuwe burgemeester van Antwerpen in 2012, die uitsluitend gericht was op de eigen achterban: verbinding was ver weg toen. Alexander De Croo overtroefde de ‘belangrijkste politicus van deze eeuw’ — volgens een zich voorheen progressief noemende krant zelfs de ‘grootste intellectueel van Vlaanderen’ — in zijn maidenspeech. Faut le faire, als u mij toestaat in de taal van de bevolkingsgroep die wél een regionale meerderheid in de federale coalitie heeft te praten.

Nog meer goed nieuws: Frank Vandenbroucke is terug, de slimste politieke mens in de Belgische wereld, de sociaaldemocraat die zich niet zal laten leiden door debatfiches, de academicus die boven de partijpolitiek staat. Kans is groot dat hij al zijn collega’s zal overtreffen, desnoods met priemend vingertje, maar dat zullen ze binnenkort wel ontdekken. Buitenlandse media merkten op dat er een transgender in de regering zit: het siert onze politiek (en ons!) dat weinigen die bedenking nog maken, net zoals er tien jaar geleden nauwelijks iets te doen was om de homoseksualiteit van de toenmalige premier. In het land waar abortus, euthanasie en homohuwelijk wettelijk geregeld zijn, moeten we soms onze zegeningen durven te tellen. Dit is er zo eentje.

Het meest positieve is nog dat de partijen hun mannetjes en vrouwtjes hebben kunnen posteren op departementen die ze van nature claimen. Open VLD levert de premier en de minister van Justitie, CD&V heeft Binnenlandse Zaken (inclusief Asiel en Migratie) en Financiën in handen, de MR buigt zich over Buitenlandse Zaken en de Middenstand, de PS beheert Economie en Werk, Groen Energie, Ecolo Klimaat en Duurzame Ontwikkeling en Mobiliteit, sp.a Volksgezondheid en Sociale Zaken, en Ontwikkelingssamenwerking. Dat biedt het voordeel dat de verantwoordelijkheid niet kan worden afgeschoven en het nadeel dat de verantwoordelijkheid niet kan worden afgeschoven: het is van móeten. Een betere motivatie is ondenkbaar. Vraag is wel hoe dit op een budgettair verantwoorde manier zal gebeuren, want de regel is doorgaans: hoe hoger de betrokkenheid bij het domein, hoe groter de kans dat men zal willen investeren. Voor minder gaat de zon zelden op. Dat was wat de regeringen-Verhofstadt, en dan vooral de eerste, mét de groenen, parten heeft gespeeld. Dat er toen, in tijden dat het economisch goed ging, geen reserves werden aangelegd, wreekt zich nu nog altijd. Dezelfde lankmoedige attitude tegenover de begroting zou in volle coronacrisis, met alle economische gevolgen van dien, meerdere toekomstige generaties parten kunnen spelen. Iemand moet dus op de centen letten, terwijl Begroting net in deze regering geen volwaardige regeringspost meer is: het zit bij een staatssecretaris (Eva De Bleeker) die ressorteert onder de minister van Justitie (Vincent Van Quickenborne). Twee paar blauwe ogen die waakzaam zullen moeten blijven. De realist Vandenbroucke zal een handje toesteken.

Deze regering heeft alles in zich om meer haters dan liefhebbers te tellen, maar ze heeft ook de kans om die haters op z’n minst tot voorzichtige sympathisanten om te toveren. Dat heet een geloofwaardig beleid uitbouwen. Ze heeft daar drie en een half jaar voor. Allegro non molto, opgewekt maar niet té veel, de opening van L’estate, de zomer, het tweede van de vier seizoenen van Vivaldi,mag daarbij het Leitmotiv zijn: het moet vooruitgaan, maar niet blind. Geduldig haasten luidt de boodschap.

De oppositie zal de regering dat geduld niet gunnen. Hopelijk doen de media dat wel, al lijkt dat niet de intentie. De nadruk lag in de eerste interviews op wat er zoal kan — en aan de harde vraagstelling af te leiden naar verwachting ‘zal’ — mislukken. Op wie met wie ruzie zal maken. De vraag ‘Wat bent u van plan op uw departement?’, die nochtans voor de hand ligt omdat het de eerste is die je zou moeten stellen, wordt niet meer gesteld. Het gaat dadelijk over de politique politicienne, de kleine kantjes van medestanders en tijdelijke bondgenoten. Alsof het conflict het normale is. Alsof harmonie onmogelijk is. Alsof de neuzen nooit in dezelfde richting kunnen staan. Alsof Het Volk daarvan wakker ligt. De media zijn verslaafd aan relletjes en voeden het pessimisme van de bevolking. Mislukken wordt dan bijna een selffulfilling prophecy. Niet dat ankers, interviewers en politieke journalisten terug moeten naar de onzalige tijden dat ze één, vooraf afgesproken vraag mochten stellen, waarna de minister minutenlang ononderbroken mocht praten, o neen. Maar de bedoeling was nu ook weer niet om de slinger helemaal de andere kant te laten op gaan. Het voordeel van de twijfel moet bijwijlen gegund worden.

Voor iemand als Frank Vandenbroucke moet dit toch enigszins verbijsterend zijn geweest, na jaren in de academische luwte. In Terzake kreeg hij voor de voeten geworpen dat hij wellicht niet meer mee is met de agressieve communicatie via sociale media. “Ik heb geen tien jaar in de diepvries gezeten”, luidde zijn passend antwoord. Ik denk niet dat Vandenbroucke zich zal laten opjagen door de rel van de dag. Eigenlijk moeten de media de zaak omdraaien: wie niet mee stapt in de meedogenloze mars van het moment, zou het nieuwe normaal moeten worden. Een beetje dimmen zou iedereen goed doen, het land in de eerste plaats. Het gaat al veel te lang over anekdotiek in onze kranten en op radio en televisie. Wie messen in wiens rug heeft gestoken, is interessant om te achterhalen in eenzijdig geschreven memoires, veel minder als het over dagelijks beleid gaat, wat nog altijd de essentie is van politiek. Dát en een langetermijnvisie hebben en uitwerken. In geen van beide hebben de media nog interesse. Te saai. Te vaag. Te weinig concreet.

Lang verhaal kort: ik ben voorzichtig optimistisch. Het tweede is mijn morele plicht, het eerste is mijn natuur. Geef De Croo I een kans en dan zien we wel.



Hoera, de journalistiek vervrouwelijkt!

Journalistiek Posted on za, september 26, 2020 12:39:11

Maandag heb ik mezelf proberen te ‘verkopen’ op de openingsdag van het academiejaar 2020-2021. Dat zit zo: in december 2018 mocht ik voor het eerst een gastcollege Interviewtechnieken geven op de campus Sint-Andries van de KU Leuven, waar studenten die al een diploma op zak hebben een master in de journalistiek pogen te bemachtigen. Voor u helemaal in de war bent: Sint-Andries is een volkswijk hartje Antwerpen, een eind van Leuven vandaan en toch maakt het deel uit van die universiteit. Aardrijkskunde is niet meer wat het ooit geweest is.

Ik heb mezelf altijd al gezien als iemand die graag zijn kennis doorgeeft, maar door omstandigheden was dat er nog nooit van gekomen, tenzij dan als schrijver van stukjes, hier en in de traditionele media. Een van mijn boodschappen in dat gastcollege, dat ik binnenkort voor de derde keer mag geven, is: het hoeft niet altijd Rik Torfs of Mia Doornaert te zijn, als je een praatgast nodig hebt, vraag ook eens een échte deskundige. In plaats van de gulle lach, het verbijsterde wegwerpgebaar of de om toelichting vragende, ietwat hulpeloze blik kreeg ik apathie cadeau. En toch ook wat vraagtekens die uit hersenpannen opstegen. Niet om te protesteren tegen mijn voortvarendheid of te vragen waarom ik dat precies zei, maar eerder: Rik Wie en Mia Wie? Oké, boomer, reality check, de ‘jeugd van tegenwoordig’ weet nauwelijks wie le Torfs en la Doornaert zijn en voor een keer is die onwetendheid een zegen voor de rest van hun toekomstige beroepsleven.

Zoals ik vooraf al had ingeschat, deed ik dat gaarne, voor een klas van twintigers staan: volwassen, gemotiveerd, niet tegen hun zin in de schoolbanken zittend. Ik deed dat blijkbaar ook voldoende goed, want het jaar nadien mocht ik opnieuw opdraven en — o halsstarrige ik — opende ik opnieuw met mijn opmerking over Torfs en Doornaert (zelfde reactie). En binnenkort mag ik weer — ik zal niet nalaten de jeugd van tegenwoordig op te solferen met dezelfde namen en hen in één adem laten weten dat ze hen vervolgens prompt mogen vergeten. Vorig academiejaar mocht ik zelfs een volwaardig college geven, Cultuurjournalistiek, dat halfweg geaborteerd werd door een virus waarover u misschien wel iets gelezen heeft. De rest van de lessen gebeurde dan maar in de vorm van e-mails: opdrachten versus ingestuurd huiswerk. Ik dacht: ik laat hen een recensie schrijven van een nog te verschijnen boek en bezorgde mijn veertien studenten — dertien jonge vrouwen en één jonge man — de pdf van 50 jaar Top 30, een boek van Geert De Vriese en mezelf dat op verschijnen stond bij uitgeverij Houtekiet. Om te vermijden dat ze stroop over mijn baardje zouden smeren, gaf ik als aanbeveling mee “Wees kritisch (mijn naam op de cover mag jullie niet beletten om onpartijdig te beoordelen!)”. Nou, dat was niet nodig, en al zeker niet dat uitroepteken op het eind. Een van de beste inzendingen was van een student (m/v) die het nakende boek waarop mijn naam zou prijken op een bijzonder gevatte, eloquent verwoorde, maar niet aan de verbeelding overlatende manier de grond inboorde. Schrikken! En vervolgens — na een lichte depressie en enkele sessies bij een psychiater — toch maar doen wat ik behoorde te doen: een hoge quotering geven, want het was verdomd goed geschreven.

Acht keuzevakken zijn er zo, waarvan de studenten er twee moesten uitpikken, en het is dan aan de professoren om op dat introductiemoment in een tijdsbestek van een zevental minuten studenten warm te maken voor hún vak, maar ook voor zichzelf. Vooraf vreesde ik dat Cultuurjournalistiek — toch een beetje een niche, laten we eerlijk wezen — iets zou zijn voor de (un)happy few. Groot was mijn verbazing, spontaan was mijn vreugdesprongetje: veertien studenten, ongeveer een op vier, kozen voor dat vak en, zo voelde ik dat in een licht narcistische bui aan, voor mij. Ik, de onervaren lesgever. Ik, de man die zichzelf nooit wist te verkopen. Ik, de introvert. Een persoonlijke zege. En een prettige ervaring.

Benieuwd hoeveel would-bejournalisten er nu acht halve dagen met mij in een klaslokaal zullen willen doorbrengen. Het zal hoe dan ook een eer en een genoegen zijn, hopelijk van beide kanten. Er zijn — ondanks of dankzij corona? — meer inschrijvingen dan ooit voor deze masteropleiding, wist men mij maandag te vertellen. En net als vorig jaar is het aandeel vrouwen in de totale studentenpopulatie ongeveer 80-20. Dat is dubbel goed nieuws. Eén, er is nog belangstelling voor dit nobele beroep dat helaas in de praktijk al te vaak uitgehold wordt en dat dus best wel wat kwalitatieve instroom kan gebruiken. Twéé, de vervrouwelijking van de journalistiek zet zich door. Daar kun je alleen maar blij om zijn. De tijd dat redacties werden bevolkt door seksistische, paternalistische, zichzelf boven de wereld verheven achtende wezens is voorbij. Goodbye, boomers! Op de vloer en in de bureaus waar de beslissingen genomen worden, zitten steeds meer vrouwen. Nog even en er is zowaar een evenwicht. Blij dat ik dat nog mag meemaken.

Deze kinderloze jongen weet meer dan ooit: niets mooiers dan een druppeltje ervaring en een wolkje knowhow te kunnen doorgeven, in een mooie combinatie van bescheidenheid en onbescheidenheid, waarbij je studenten een richting aanwijst, zonder hen te verplichten een bepaald pad te kiezen. Dat is opvoeding. Leren stappen en dan loslaten, in de hoop dat ze het interessante hebben opgepikt en het betweterige snel dumpen. Bijvoorbeeld, dat je niet altijd Rik Torfs of Mia Doornaert moet bellen als je een algemene praatgast zoekt. Wie waren dat ook alweer?



Coronamoe

Communicatie, Journalistiek, Politiek, Samenleving Posted on za, september 19, 2020 12:55:29

We zijn coronamoe, lees en hoor je steeds vaker. Je leest en hoort het zó vaak, dat je zelfs moe wordt van de term ‘coronamoe’. Maar ik begrijp het. Ik begrijp u, ons, mezelf. We zijn inderdaad coronamoe en worden met de dag coronamoeër. Ik ben het hartsgrondig beu om nog een tijdje als een kluizenaar te moeten leven, ook al ben ik — geef ik toe — toch wel een beetje asociaal van nature. Ik ben graag op mezelf, werk liefst op mijn eenzame bureautje thuis, ben niet geneigd om kennis te maken met weer nieuwe mensen. Maar nu komt het: als je verplicht bent asociaal te zijn, is dat niet meer leuk en wil je mensen zien, ook al interesseren de meesten je geen sikkepit. Zo zit een mens nu eenmaal in elkaar. Als iets niet mag, wordt het pas aanlokkelijk. De verboden vrucht van 2020: mensen ontmoeten.

Hoe begripvol ik ook ben — zeker ten aanzien van alleenstaanden, eenzamen, ouderen die zitten te verkommeren op een paar vierkante meter, mensen die niet meer zonder lijfelijk menselijk contact kunnen —, ik weiger te begrijpen waarom mensen bij het minste de teugels vieren, aangevuurd door een communicatief stuntelende overheid met haar bubbels van vijf, tien andere mensen per week, en wat was het ook allemaal weer? Aangevuurd door kortzichtige, populistische versoepelingen, uit angst dat een verderzetting van de lockdown zich zou vertalen in het kieshokje, dat nog altijd een realistische piste blijft als Vivaldi-Avanti-Forza niet tot een regering leidt. Aangevuurd door opstandige leden van de meningenfabriek die de media zijn geworden, luitjes die hun vijftien minuten lokale beroemdheid misbruiken om verwarring te zaaien of aan te sporen tot opstandigheid tegen al te veel regelneverij in hun libertaire ogen.

Ik zag deze week het non-debat tussen Lieven Annemans en Joël De Ceulaer in De afspraak. ‘Razend interessant’ tweette iemand die ik heel erg apprecieer; hij vroeg zich wel af waarover het weer ging. Kan het dan wel razend interessant zijn, repliceerde ik. Ik blijf bij die strenge observatie. Het is niet omdat er in primetime live degens worden gekruist, dat het gevecht ook iets oplevert, behalve tig oppervlakkige verwondingen. Je kunt je vragen stellen bij de defenestratie van gezondheidseconoom Annemans door hem te melden dat er de dag nadien in De Morgen een artikel zou staan waarin hij, anoniem, zou worden bedolven onder kritiek van zijn collega’s in Celeval, het orgaan dat ons naar betere tijden moet leiden en de opvolger van de GEES, waarvan we al heel snel zijn vergeten waarvoor die afkorting alweer stond. Zo snel gaat het in crisistijden. Ik vond dat gênante televisie, eerder voor het programma dan voor Annemans. Die was perfect in staat om zichzelf in de vernieling te praten, hij had daarvoor geen krantenartikel, een boze senior writer die net een stuk van tien pagina’s had afgescheiden voor de weekendkrant, of een kritische vragensteller nodig. Annemans ging af als een gieter, praatte zichzelf in een hoek, begon met een redenering die nergens heen leidde. Maar, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, dat deed het discours van De Ceulaer ook: waarover ging zijn punt ook weer? Waarom was hij nu precies boos? Paroles paroles

Wat De afspraak van donderdagavond mij wel influisterde, was een controversiële these die ik op deze plek wil verdedigen. Er worden te veel meningen te snel verspreid om er te makkelijk mee te kunnen scoren. De controverse wordt gevoed, maar door die kakofonie van stemmen weet de kijker, luisteraar, lezer niet meer waaraan hij zich moet houden. Een te makkelijk excuus, ik weet het, want de basisregels zijn eenvoudig: de hele dag door je handen wassen, overal waar je binnenstapt handgel gebruiken, anderhalve meter afstand houden, mondmasker dragen in gesloten ruimtes of op plekken waar veel volk is, niet knuffelen, niet zoenen. Ik geef mijn eigen moeder een zacht kneepje in de schouders bij wijze van begroeting en afscheid. Is dat hartelijk? Neen, maar het is het beste wat ik momenteel kan doen, het veiligste voor haar, een geste van liefde en erkenning bij gebrek aan andere mogelijkheden.

Maar goed, we zijn mensen en het is des mensen om regels te proberen omzeilen, zeker als er tegenstrijdige dingen worden verkondigd. “Er zijn meer besmettingen.” “Neen, er zijn niet méér besmettingen, we testen gewoon meer en daarom lijkt het alsof er meer besmettingen zijn.” “Jawel, er zijn méér besmettingen, de ziekenhuisopnamen stijgen weer en straks ook het aantal doden.” Statistische relevantie wordt betwist, puur om het eigen gelijk te benadrukken, maar wat bén je met dat eigen gelijk? En waarom krijgt dat eigen gelijk zoveel media-aandacht? Een mens krijgt er een punthoofd van en dan is het niet eenvoudig om een mondmasker te dragen dat niet in de hoogte maar in de breedte gaat.

Mijn controversiële these: ik pleit voor zelfcensuur in de media. Ik wil dat meningen die de mensen in de war kunnen brengen in deze bizarre, letterlijk levensgevaarlijke periode niet meer klakkeloos worden gepubliceerd, maar alleen nadat de inhoud van open brieven en dergelijke grondig getest en geëvalueerd werd. Geen bewijswaarde, niet publiceren. Sta me toe eerst een denkbeeldige analogie te maken.

***

Beeld u in: het is 2020, het is écht oorlog (dus geen oorlog tegen een onzichtbare vijand), we zijn een half jaar geleden binnengevallen door een vreemde mogendheid die niet het beste met ons voor heeft. Laten we dan, na een ongetwijfeld verwarrende periode vlak na de inval, toe dat eender wie eender wat mag verkondigen in de media? Laten de media zelf toe dat iemand — noem hem of haar gerust een collaborateur — er in een vrije tribune voor pleit om samen te werken met de vijand die zijn tanks heeft binnengerold wat al honderden mensenlevens heeft gekost? Laten radio en televisie toe dat zelfverklaarde experten vrijuit dingen mogen roepen die indruisen tegen wat we op dat ogenblik — zes maanden na de inval, we beginnen net te hergroeperen en een strategie uit te voeren die ons militair succes moet opleveren — erkennen als algemeen belang? Ik dacht het niet. Ik hoop het vooral niet. Misschien maar goed dat er in de Tweede Wereldoorlog nog geen internet en sociale media waren…

***

De vrijheid van meningsuiting is een bijzonder hoog recht, maar het is geen plicht. Op wettelijk verboden uitlatingen na kan iedereen overal alles zeggen, maar niets zegt dat die meningen ook moeten verkondigd en gepubliceerd worden via de reguliere media. Je kan op een zeepkist gaan staan op de hoek van de straat en dingen roepen. Dat mag. Daarom moet ’s anderendaags nog niet in de krant staan wat je geroepen hebt. We verwarren een vrije mening nog te vaak met een verplichte weergave ervan in een massamedium, liefst meerdere. Dat zijn twee gescheiden zaken. Het is aan de media om het onderscheid te maken tussen een mening die relevant is en generieke aandacht verdient, en een mening die weinig of niets toevoegt aan het maatschappelijke discours, of die zelfs grote risico’s inhoudt voor de volksgezondheid.

Terug naar het oorlogsbeeld, nu niet met een zichtbare vijand, maar met dat dekselse virus. Ik heb dat beeld van een land, en bij uitbreiding een continent en een planeet, in oorlog met iets als een virus altijd onzinnig gevonden, maar misschien moeten we het toch even aanhouden. Hadden al die open brieven dan wel moeten gepubliceerd worden? Moest Lieven Annemans dan wel in De afspraak hebben gezeten? Zou Joël De Ceulaer zich dan nog boos hebben moeten maken, en zou hij dan op die tien krantenpagina’s niet beter een interview met een interessante medemens hebben kunnen publiceren?

Ja, ik pleit voor (zelf)censuur en dat is not done. Het is controversieel, het is gevaarlijk, het is in normale omstandigheden contraproductief. De omstandigheden zijn echter verre van normaal en dat is virus ís ook gevaarlijk. Als de media, in een niet aflatende drang om clickbait te genereren, de kijk- en luistercijfers op te krikken of de dagverkoop tijdelijk op te vijzelen, in deze ‘oorlog’stijden de focus leggen op tegenstrijdige meningen, krijg je als tegenreactie een bevolking die daar haar eigen waarheid uit distilleert. Zeer gevaarlijk, ontdekken we nu, nogal aan de late kant.

We hebben nood aan meer terughoudendheid, zeker in de media. We moeten aandacht geven aan zij die die aandacht verdienen en die in volle coronacrisis in het algemeen belang praten. Daarom zitten we al een half jaar te wachten op de aanstelling van een coronacommissaris, die als enige rechtstreeks met de bevolking communiceert over het virus. Ik doe een suggestie: Pierre Van Damme. Rustige, vlotte, serene prater. Dit zou zijn voltijdse job moeten zijn, hij zou als enige radio- en tv-studio’s mogen afdweilen, en kranteninterviews geven, om over onze omgang met het virus te praten. De premier zou het volk niet moeten toespreken via knullig gemaakte huis-, tuin- en keukenfilmpjes, en ook niet op persconferenties na een veel te lange Veiligheidsraad, waarbij ze af en toe spichtig links en rechts kijkt naar de ministers-presidenten met een blik van ‘Zeg ik het zo goed, heren?’ De onzalige regeringsmededelingen zaliger zijn voor het eerst in de zes decennia van mijn leven op hun plaats: staatshoofd of federale regeringsleider spreekt het volk toe, zonder tegenspraak, zonder vragen. Dat is heel ver van een ideale situatie waarin eender wie eender wat mag vragen, maar ‘Desperate times call for desperate measures’, waarbij we die ‘desperate’ liefst niet vertalen als ‘wanhopig’ maar als ‘moeilijk’: het is niet de bedoeling er permanent depressief van worden, nietwaar.

Ik weet het: dit is geen populaire mening en ik pen ze zelf ook met lichte tegenzin neer. Maar het is, volgens mijn bescheiden mening, de enige manier waarop we nog enigszins de vijand tegemoet kunnen treden. Mocht Covid-19 de leider zijn van een échte vijandige natie, hij of zij zou nogal tevreden zijn over hoe die Belgen — “Waren die vroeger niet dapper, generaal?” — over de vloer rollen met elkaar, in plaats van met de oorlogszuchtige staat Corona. Een beschamend schouwspel. Laten we vooral concluderen dat dit niet de afspraak mag zijn.



Ongemakkelijke waarheid

Journalistiek Posted on za, mei 30, 2020 13:18:14

Ik heb nog nooit in mijn volwassen leven zo’n lange periode zo weinig omhanden gehad. Mijn agenda van de komende maanden oogt leger dan het witte blad voor de neus van een getormenteerde schrijver met een acute aanval van writer’s block. De wekker staat werkloos op het nachttafeltje, als een relikwie uit het pre-coronatijdperk. Alleen nog nodig om de tijd aan te geven als je ’s nachts moet opstaan om te plassen en je nieuwsgierigheid om te willen weten hoe laat het is het haalt op je gezond verstand dat zegt dat je ’s nachts beter niet herinnerd wordt aan het tijdsbesef dat je in wakkere momenten wél nodig hebt. Of wanneer je hersenen je onveranderlijk influisteren dat je nu wel lang genoeg geslapen hebt, jij luierik. Even een blik op dat onding werpen. 7u15. Is dat nu een uur om op te staan, vraag je jezelf af, want er is niets dat je daartoe dwingt. Is dat nu een uur om op te staan, vroeg je jezelf tot voor kort af, want je had allang een of andere als nuttig gebrandmerkte activiteit aangevat moeten hebben. Diezelfde wekker, hetzelfde tijdstip, een andere gemoedsgesteldheid.

Ik heb nog nooit zo vaak kunnen uitslapen als nu — versta: kunnen opstaan wanneer mijn lichaam daartoe beslist en niet een in opdracht van een baas aangegeven alarmsignaal — en toch ben ik moe. Lichamelijk, ook al steek ik, in normale omstandigheden stachanovist tot in het diepste van mijn vezels, naar mijn gevoel geen klop uit. Geestelijk, omdat mijn brein te weinig aan het werk gezet en uitgedaagd wordt.

Héél moe word ik van al die meningen in deze coronacrisis, jawel, óók de mijne. Al wie tot voor kort zijn of haar mening niet kon ventileren, omdat er geen tijd voor was in dat druk-druk-drukke leven, kan dat nu opeens wel en dat al maanden aan een stuk. De mening als tijdverdrijf, als middel om de dag door te komen en ’s avonds laat naar bed te kunnen gaan met het gevoel dat je je tenminste toch een beetje nuttig hebt gemaakt. Althans, dat maak je jezelf wijs. De mening als zoethoudertje. Pardon, meningen, meervoud, want op één mening kan je niet staan.

Katje Lee, daar horen we allemaal een mening over te hebben en die uiteenlopende meningen moeten beperkt blijven tot twee, duim omhoog of duim omlaag, da’s lekker overzichtelijk. Het dier moet dood of het dier moet leven. Zwart of wit. These-antithese-synthese kennen we niet meer. Dat schema hebben we, gooi ik er snel even tussen met een wikipediawijsheidje, niet te danken aan Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) of aan Karl Marx (1818-1883), maar aan een andere Duitse denker, de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814), die op zijn beurt geïnspireerd werd door Kant. Stelling-tegenstelling-samenstelling, oftewel zwart-wit-vele tinten grijs, kennen we niet meer. Het is nu these óf antithese. Kies maar. Nuance, ach, u wordt oud, meneer. Dat is zo, ja, hoeveelste-eeuws is dat eigenlijk? Bij nader inzien: heeft nuance ooit wel bestaan?

Ik word zó moe van de meningen van mensen die in andere tijden misschien wel het predicaat ‘weldenkend’ zouden opgekleefd krijgen, maar die nu loos gaan in het poneren van hun eenzijdige visies. Mensen die worden gepercipieerd als slim en die zichzelf ongetwijfeld ook slim durven te noemen, die liefst ook worden gezien als sceptisch, blinken nu uit in een duim-omhoog-of-duim-omlaagdiscours. Dit hoeft geen ad hominemverhaal te worden, daarom noem ik hen maar half, maar ik denk dan aan leerstoelhouder-annex-filosoof-annex-überpositivist Maarten B., politicoloog Carl D., socioloog Mark E., econoom-die-geen-vermogensbeheerder-mag-genoemd-worden Geert N., editorialist Jan S. en senior writer Joël DC, en er zijn er nog een pak, inclusief een stel politieke verantwoordelijken. Zij bedienen zich steeds vaker, steeds luider en steeds irritanter van een absolutisme dat ze bij alle anderen zouden willen afzweren. Over mondmaskers, over kernenergie, over economische relance, over de wegen die de politiek moet inslaan. Zij gebruiken gretig termen als ‘voortschrijdend inzicht’ om aan te geven dat anderen — soms terecht, overigens — hun inzichten moeten aanpassen aan de nieuwe realiteit, terwijl ze zelf nauwelijks nog voortschrijden eens ze zich een definitief inzicht gevormd hebben dat ze vervolgens fanatiek en absolutistisch verdedigen, als waren ze religieuze fundamentalisten die zich gesteund weten door goddelijke waarheden. De coronacrisis heeft die tegenstrijdige gedragingen alleen maar zichtbaarder gemaakt. Absolutisme is de absolute vijand van intelligentie, het dwingt je om afstand te nemen van afstandelijkheid, nochtans een gezond principe als je maatschappelijk iets betekent en er af en toe mensen naar je luisteren. Hoe meer mensen er naar je luisteren, hoe groter die afstand tot absolutisme zou moeten zijn, terwijl het in de praktijk uiteraard net andersom is. Altijd en overal.

Wellicht komt het omdat ik zelf weleens iets doe in de branche, maar het stoort me nog het meest bij journalisten. Onlangs schreef Peter Vandermeersch, Nederlandse Belg of Belgische Nederlander, u kiest maar, tegenwoordig aan de slag in het Ierse krantenbedrijf Independent News & Media, dat verontwaardiging en verwondering de motoren zijn van journalistieke bedrijvigheid. Ik zou er alleszins ook nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling en een open geest aan willen toevoegen. Maar vooral: elke journalist moet een wantrouwige twijfelaar blijven. Hij (m/v/x) moet alles en iedereen wantrouwen: geen makkelijke attitude, want iedereen wil vriendjes maken en niets menselijks is journalisten vreemd. En hij moet twijfelen. Is het wel zo? Benadert wat ik schrijf de waarheid voor zover we die nu, op dit moment, kennen? En is dat morgen nog altijd zo? In die zin verschilt een journalist in wezen niet zoveel van een wetenschapper, die op zijn minst verwondering, nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling, een open geest en twijfel, eeuwige twijfel, op zijn of haar curriculum moet hebben staan. Zonder kan je niet functioneren in die wereld. Als je dat niet kan aanvaarden, moet je maar activist worden en zelf op de barricaden gaan staan. Alleen in situaties die heel erg zwart/wit zijn — een oorlog met een zichtbare vijand die een bedreiging vormt voor jou, je dierbaren en je land- en lotgenoten bijvoorbeeld —, mag je dat activistenkleed dragen, als journalist en als wetenschapper.

Het volk heeft nood aan klare taal. Wat ik eerder schreef: mag wel of mag niet. Niet: mag een beetje, want dan mag het wel. De mensen van wie ze die klare taal verwachten, kunnen die antwoorden niet altijd of zelfs uiterst zelden geven, omdat ze die niet of nog onvoldoende kennen. Helaas, in crisistijden zoals degene die we nu meemaken, wordt ‘Ik weet het niet’ of ‘Ik weet het niet helemaal zeker’ niet aanvaard, terwijl het vaak de enige juiste repliek zou zijn. En dus sloven wetenschappers, die doorgaans bijzonder terughoudend zijn en helemaal niet geneigd om op het voorplan te treden tot ze sluitende conclusies kunnen presenteren, zich uit om het volk een beetje naar de mond te praten, ook al druist dit in tegen hun normale modus operandi. De ene dag zeggen ze dit, de volgende dag klinkt het al lichtjes anders en de dag daarna zit er weer wat verschil op, waarop een wakkere verslaggever vraagt ‘Maar, euh, eergisteren zei u dat nog, hoe zit het nu eigenlijk?’ In de beslotenheid van het wetenschappelijk cocon valt het de buitenwereld niet op dat je weifelend en twijfelend tot een min of meer onwrikbaar besluit komt, dat algemeen aanvaard wordt tot er een nieuw min of meer onwrikbaar besluit is: als dat op het publieke forum gebeurt, lijken al die experts wel dommeriken die het zelf ook níet weten (wat dan nog gedeeltelijk zo is, trouwens). Twijfel is gezond. Als nu ook journalisten, die beroepstwijfelaars zouden moeten zijn, twijfel in twijfel trekken, krijg je een situatie zoals we die nu kennen. Een senior writer zal nu misschien opwerpen: we moeten kritisch blijven. Zeer zeker. De juiste vragen stellen. Natuurlijk. Onderzoeken wat er is fout gelopen. Vanzelfsprekend. Maar niet als je vooringenomen bent en uitgaat van absolutistische ‘waarheden’. Dan ben je een activist geworden.

De ongemakkelijke waarheid is dat er geen gemakkelijke waarheid bestaat. Dat is heel moeilijk om te aanvaarden, als je probeert te varen op het kompas van deskundigen, maar het is de enige juiste attitude, als ik mij deze absolutistische opmerking even mag permitteren.

(Was getekend: een wantrouwige twijfelaar.)



Volgende »