Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



#BlackLivesMatter

Samenleving Posted on ma, juni 01, 2020 13:17:06

Ik ben geboren als een witte jongen. Dat komt erop neer dat ik vanaf de wieg geprivilegieerd ben, want witte (zeg voor mijn part: blanke) mannen hebben een streepje voor. Dat is geen verdienste en dat is ook niet iets waarop je mij moet aanspreken. Het is nu eenmaal zo. Toeval. Een zaadcel die hallo zegt tegen een eicel en het resultaat was ik. Ik wil dus niemand horen zeggen dat het geweldig is dat ik een witte man ben. En ik wil evenmin iemand horen zeggen dat het een schande is dat ik een witte man ben.

Ik ben opgegroeid onder witte mensen. Jongens, meisjes, mannen, vrouwen. Thuis, op school, op het werk. Slechts occasioneel liep ik iemand met een andere huidskleur tegen het lijf in mijn leefomgeving. Homo’s en lesbiennes waren er wel in mijn wijde vrienden- en kennissenkring. Sommigen liepen met een boogje om hen heen, of spraken fluisterend — als ze in de buurt waren — of hardop — als ze niet in de buurt waren — kwaad over hen. Behoorlijk omfloerst, of in de vorm van een aangebrande mop, met als onderliggende boodschap: dit hóórt niet. Zo zijn wíj niet.

Ik was vroeger roodharig. Ros. De tand des tijds heeft die rosse glans doen verdwijnen, net als een deel van dat haar trouwens. “Rosse kater, springt in ’t water, met uw tenen boven ’t water”, werd er weleens gezongen naar mij. Toen de Vlaamse gemeenschap nog nagenoeg honderd procent wit was, werd er ook al gezocht naar mogelijke zwakke schakels om te pesten. Het is van alle tijden. Het wordt doorgegeven van ouders op kinderen. Zoek de zwakke schakel, zorg ervoor dat jij de pester bent en niet de gepeste. Och, die ‘rosse kater’ heeft me niet getraumatiseerd. Ik vond het tijdverlies om erop te reageren. Die beledigingen waren nog redelijk onschuldig, met de nadruk op ‘redelijk’, want ook dat gedrag is natuurlijk laakbaar.

Ik weet niet wat het is om tot een minderheid te behoren. Ik weet niet wat het is om van de ene omgeving te migreren naar een totaal andere, verhuizen van de stad naar het platteland laat ik dan even terzijde liggen, hoewel: het geeft je wel een idee wat het moet zijn om als buitenstaander te moeten leven, maar dan zonder de discriminatie en de kleineringen. Mensen kijken je aan alsof je van Mars komt, maar da’s niet erg: ik koester mijn geïsoleerde bestaan als vreemdeling. Pas als mensen je aankijken en je ze ziet denken of hoort zeggen dat je beter op Mars was gebleven, wordt het vervelend.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat moet zijn, leven als vreemde in je eigen land. Niet dat je dat bént, maar als velen dat zeggen, ga je dat op den duur zelf denken, of voel je je er op z’n minst slecht bij. Ik schreef samen met een zwarte man een boek over racisme in het voetbal. Daardoor kreeg ik heel even het gevoel een vreemde te zijn, want sommigen vinden het blijkbaar niet passen dat een witte man — een geprivilegieerde jongen in onze witte westerse samenleving — onrecht aankaart waar hij zelf niet het slachtoffer van is. Het is aan de slachtoffers om dit naar buiten te brengen, kreeg ik af en toe te horen. Of ik las het in beschouwingen over andere racistische daden. Ik begrijp dat totáál niet. Ik vind dat zelfs beledigend, wat zeg ik: een vorm van racisme. Iederéén zou moeten opkomen tegen racisme, of je nu zelf tot de geviseerde groep behoort of niet. Het is een burgerplicht. Het signaal dat ik wou geven met dat ene boek, Vuile zwarte, was er een van burgerzin. Racisme is verwerpelijk, altijd en overal.

Ik las deze morgen een tweet van iemand die zich beroepshalve hoofdredacteur mag noemen en die zich openlijk afvroeg of het niet #LivesMatter of #AllLivesMatter moet zijn, in plaats van #BlackLivesMatter. Het gaat om een witte man, dat hoef ik u niet te vertellen. Van middelbare leeftijd, aan zijn profielfoto te zien. Een typische reactie van geprivilegieerde witte mannen van middelbare leeftijd, van iemand die niet begrijpt (of wil begrijpen) waar die hashtag zijn oorsprong vindt. #BlackLivesMatter zegt níet dat alléén zwarte levens van belang zijn, wel integendeel: het zegt dat zwarte levens evenvéél tellen als alle andere levens. Het zegt: in wezen zijn we allemaal gelijk. Het zegt: in het Amerika van nu worden mensen met een zwarte huidskleur gediscrimineerd, gecriminaliseerd, op vele vlakken sociaal uitgesloten, en dat zou niet mogen. Het zegt: tot hier en niet verder. Wie dat niet snapt, neemt best geen openlijke standpunten in. Of wordt best geen hoofdredacteur. Voor zulke mensen zei de grote Martin Luther King, Jr. ooit: ‘Nothing in all the world is more dangerous than sincere ignorance and conscientious stupidity’. Onwetendheid en domheid als vijanden van het volk. Het moet wat zijn op die redactievergaderingen…

Ik voer u terug naar 1939, toen Billie Holiday, een gekleurde jazzzangeres, Strange Fruit uitbracht. Een gebroken stem zingt over een gebroken samenleving. De eerste lijnen zeggen alles. ‘Southern trees bear a strange fruit / Blood on the leaves and blood at the root / Black bodies swinging in the southern breeze / Strange fruit hanging from the poplar trees’. Voor die ene hoofdredacteur duid ik even dat het ‘vreemde fruit’ waarvan sprake geen appelen, peren of papaya’s zijn. Holiday zong over zwarten die door leden van de Ku Klux Klan gelyncht werden, waarna de racisten hen demonstratief lieten hangen aan de bomen, bengelend in de zachte wind van het zuiden van de Verenigde Staten. Het Amerika van Billie Holiday verschilt nauwelijks van het Amerika van Donald Trump, ook al zijn we eenentachtig jaar later en hebben we ondertussen Rosa Parks, Martin Luther King, de Nation of Islam, Malcolm X, de vreedzame mensenrechtenbeweging en een zwarte president gekend. Racisme zit diep verankerd in de Amerikaanse samenleving, dieper dan het bij ons zit, al zit het bij ons ook behoorlijk diep, als je even rondkijkt. Met een leider die zelf een racistische narcist is, voelen KKK’ers en aanverwanten zich gesterkt. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die zelf de protesten zwaarder bekampt dan het oorspronkelijke onrecht — de dood door overdreven politiegeweld van een zwarte man —, voelen ordehandhavers die zelf sympathie hebben voor de KKK zich vrije vogels. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die terecht de gewelddadige reactie van een getergde menigte veroordeelt en vergeet naar de oorzaak ervan te kijken, zitten racisten gebeiteld. Wie kan er hen wat maken?

Dus ja, als witte man, niet trots op zijn privileges maar er wel gretig gebruik van makend, voel ik me geroepen om dit brutale, diepgewortelde, schijnbaar onwrikbare onrecht aan te klagen. Ik kijk ernaar vanop een veilige afstand, maar ook dat kan mij niet verweten worden. Ik kom van waar ik kom, ik woon waar ik woon. Opnieuw: geen verdienste, noch een verwijt waard. We mogen hier niet meer over zwijgen. We mogen de daden van die narcistische idioot, ook al is hij democratisch verkozen, niet zomaar tolereren. Als westerse — hoofdzakelijk witte en hoofdzakelijk mannelijke — politici geen krachtig signaal Witte Huis sturen, wat het moge zijn laat ik aan hun verbeeldingskracht over, hoeven ze hier nooit nog in het openbaar te zeggen dat ze voor een open en tolerante samenleving zijn, want dan zijn het voor eens en voor altijd hypocriete lafaards die uw aandacht niet waard zijn.

‘A riot is the language of the unheard’, zei Martin Luther King ooit. Het is, helaas, de enige zichtbare manier om ‘Tot hier en niet verder!’ te roepen. Hij zei ook, meer dan vijftig jaar geleden, ‘We cannot walk alone’: en toch heeft ‘zijn’ volk nog altijd geen glimp opgevangen van het Beloofde Land en stappen ze nog altijd alleen op. ‘We will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends’. Wie in deze tijden zwijgende vrienden heeft, heeft geen vijanden nodig, want iedereen is je vijand. Wie hier, in West-Europa, als persoon met enig maatschappelijk gewicht en gezag blijft zwijgen, is een vijand van George Floyd en al die andere slachtoffers van excessief politie-ingrijpen.

Nog eentje, om het af te leren, uit die ene fameuze toespraak: ‘I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin, but by the content of their character’. Dromen zijn bedrog. Zevenenvijftig jaar na die bevlogen en door alle mensen van goede wil toegejuichte uitspraak worden zelfs Kings achterkleinkinderen nog altijd achtergesteld om hoe ze eruitzien.

#BlackLivesMatter!



In de wachtrij hoor je erbij

Samenleving Posted on za, mei 16, 2020 12:34:44

Stikjaloers ben ik op lieden die er met enkele pennentrekken in slagen het absurde van een complexe situatie samen te vatten. Waar ik telkens zesduizend-of-meer tekens voor nodig heb, doet cartoonmeester Lectrr dat zes keer per week in zijn hoekje op pagina 2 van De Standaard met één tekening en een paar rake woorden. Vlijmscherper dan eender welk editoriaal, preciezer dan een schot van een geoefende sluipschutter die ingehuurd wordt om rake woorden af te vuren, grappiger dan een stand-upcomedian die zijn maatschappijkritische jokes met een verbale mitraillette op zijn publiek mikt.

De dag nadat de Nationale Veiligheidsraad had aangekondigd dat volgende maandag ook de musea opnieuw open mogen, pakte Lectrr uit met een zoveelste minimeesterwerkje. ‘Geen stormloop verwacht op musea’ luidde de boventitel. Daaronder hing een schilderij waarop ik de contouren van het SMAK herkende nog vóór ik de letters ‘S.M.A.K.’ had gelezen, met het onderschrift ‘Ceci n’est pas un primark’. Dodelijk efficiënte boodschap, alweer. Wij, Vlamingen, staan niet in de rij voor het SMAK — of eender welk ander museum —, we doen dat wel voor een Primark, Action of, godbetert, Ikea. Een museum voor moderne kunst is geen Primark, en gelukkig maar. Een museum voor moderne kunst zal nooit zo populair zijn als een Primark, en ongelukkig maar. Ik ben al verscheidene keren in het SMAK geweest en nog nooit in een Primark, en gelukkig maar, voor mezelf.

Wij, Vlamingen, zorgen er elk jaar voor dat bij het afsluiten van het jaar de Boeken Top 10 in de categorie Non-Fictie bestaat uit zeven kookboeken, twee Kiekeboes en een verloren gelopen ernstig boek dat het onverwacht goed heeft gedaan, zoals onlangs De Bourgondiërs van Bart Van Loo. Dat in een land waar Sandra Bekkari, Pascale Naessens en Jeroen Meus de literaire plak en de deegrol zwaaien, uitgeverijen overkop gaan of de tering (ernstige boeken doen het niet goed in de verkoop) naar de nering (dan maken we maar geen ernstige boeken meer) zetten, hoeft niet te verwonderen. Recente slachtoffers zijn Polis en Van Halewyck, andere zullen volgen.

Maar ik wijk af. Ik wilde iets schrijven over de heropening van de winkels afgelopen maandag en wat ik daarvan vind. Kijk, dat zal Lectrr nooit overkomen. Die had de essentie — lees vooral verder — al gevat. Lange wachtrijen waren er aan de Primarks, Actions en Mediamarkten van deze wereld. Winkels die goedkoper zijn dan hun concurrenten in dezelfde sector. Die in lageloonlanden door kinderhanden gefabriceerde goedkope brol verkopen, is geen onterechte vaststelling die weleens gemaakt wordt over Primark. Wie naar een van die ketens moet, heeft het doorgaans niet breed. Enig mededogen is op zijn plaats, dus was ik een beetje verbaasd dat de mensen in die eindeloos lijkende rijen werden veroordeeld. ‘Is dat nu echt wel nodig om meteen in de rij te gaan staan en het virus weer zijn gang te laten gaan?’ klonk het. Daartegenover stonden de lui die het gedrag vergoelijkten, omdat die mensen nu eenmaal weinig geld te spenderen hebben. Ik keek naar rechts en naar links, naar onder en naar boven, en dacht: ik bevind me in het midden van een discussie waar ik níet aan zal deelnemen. Ik begrijp namelijk dat de portemonnee van heel wat mensen niet verder reikt dan een T-shirt van de Primark. Alleen vroeg ik me af: moest dat al dadelijk op die maandagochtend? Kan je dat bezoek niet een paar dagen uitstellen? Al had ik er meer begrip voor dan voor diegenen die stonden aan te schuiven voor een Ikea. Zo’n Billy heb je zelden nodig om te kunnen overleven.

Zou het kunnen dat er een psychologisch proces achter zit? Hoe verklaar je anders de rush op de containerparken van een paar weken geleden? Mensen klampen zich vast aan elke strohalm vrijheid. Hadden ze per se op dat ogenblik iets nodig van de Primark? Misschien niet echt, maar het voelt zo verdomd goed om weer in een wachtrij te mogen staan. We zijn hopeloos ongeduldig, maar, godverdomme, wat vinden we het heerlijk om na twee maanden lockdown geduld te móeten oefenen in het gezelschap van anderen. Gemiste kans van de Primark om T-shirts te verkopen met het opschrift ‘Ik was erbij in de wachtrij’ of ‘In de wachtrij hoor je erbij’, een geheid hebbeding was dat geweest. De wachtrij als metafoor van een samenleving die weer een beetje tot leven komt. Stilstaan in de wachtrij als symbool van een maatschappij in beweging. Wachten is leven. Wie laatst wacht, best wacht, telt niet mee. Geef ons heden onze dagelijkse wachtrij! Zoals die rijen die aanschoven om onze overleden vorst te eren, een eeuwigheid geleden. De trage tocht ernaartoe was belangrijker dan dat korte moment van knikkende eerbied. Zo was het maandag belangrijker dat je er stond, dan dat je uren later eindelijk afrekende aan de kassa.

De lange en — het dient benadrukt — ongezonde rijen stonden in schril contrast met de beelden van onze lege parlementen, waar al vele weken om begrijpelijke redenen nauwelijks volksvertegenwoordigers te zien zijn. Die leegte is nodig, maar geeft ook perfect aan tot wat de particratie geleid heeft: een bende jaknikkers. Welke twee of drie volksvertegenwoordigers per partij er ook zitten, maakt niet uit: ze zijn onderling inwisselbaar en kleuren netjes binnen de door de partijleiding aangegeven lijntjes. Dat was zo vóór de coronacrisis en dat zal ook ná de coronacrisis het geval zijn. Je kunt net zo goed kartonnen dames en heren op de parlementsbanken plaatsen, zoals ze in sommige Duitse voetbalstadions, van plan zijn, het verschil zal nauwelijks te merken zijn, zelfs niet als, hopelijk binnenkort, het normale leven weer zijn gang zal gaan. Straks natuurlijk wel langs de kassa passeren om dat parlementair pensioen op te strijken. Ook dan wordt er vrolijk ja-geknikt. Vreemd dat er geen wachtrijen zijn om in de politiek te stappen.



Bubbelonische spraakverwarring

Samenleving Posted on za, mei 09, 2020 13:03:39

Ik moet u iets bekennen. Ik ben de voorbije weken tot twee keer toe burgerlijk ongehoorzaam geweest. Ik heb verplaatsingen gemaakt die volgens de letter niet-essentieel zijn, maar die zich in mijn hoofd als ‘bijzonder essentieel’ aankondigden. Ik ben twee keer naar het ziekenhuis geweest met mijn moeder: achtentachtig, alleenstaand, trekt onwaarschijnlijk goed haar plan zo alleen op haar appartement, maar is natuurlijk iets minder goed ter been dan oudere jongeren zoals ik. Geen levensbedreigende aandoeningen of vervelende virussen, uw bezorgdheid is aandoenlijk maar hoeft niet echt, al was het best wel nodig dat ze zo snel mogelijk een specialist zag. Twee keer heb ik de verplaatsing van twee maal vijfenzeventig kilometer plus de korte trip naar het ziekenhuis gemaakt, mét geïmproviseerd mondmasker, voor haar welzijn.

Strikt gezien heb ik de lockdownmaatregelen geschonden, ik weet het. Mijn moeder had ook een taxi kunnen nemen, de bus zelfs, die op vijftig meter van haar deur stopt, klopt allemaal. Ik vond het noodzakelijk om deze uitstap te maken. Uit mijn kot om haar in haar kot te kunnen houden. Als ik vandaag in de kranten de foto’s zie van mensen die gisteren deden alsof de versoepeling al is ingegaan, voel ik me opeens veel minder schuldig. Mijn verplaatsingen voelen een pak essentiëler aan. Morgen ga ik dan weer niet langs bij haar: Moederdag vieren we in Antwerpen pas op 15 augustus, dat weet de hele wereld. Dat dilemma stelde zich dus niet.

Toen ik woensdag de premier hoorde aankondigen dat we vanaf zondag 10 mei net iets meer mogen — onze moeders vanop anderhalve meter innig knuffelen, bijvoorbeeld —, had ik aanvankelijk een cynische reactie. Te ingewikkeld, ik blijf wel in mijn kot, zoiets. Pas de uren daarna begon ik te beseffen dat de experts en de Nationale Veiligheidsraad hand in hand, wat niet mag, tot de conclusie waren gekomen dat niet alleen het economische leven weer op gang moet komen. Ook sociaal contact moet kunnen, onder restricties. Ik dacht: hoe naïef, Belgen houden zich niet aan regeltjes en interpreteren altijd breder dan zou mogen. Ik schreef het eerder al: een Belg kent alleen ‘mag wel’ en ‘mag niet’, alles daartussenin mág voor hem. Tegelijkertijd dacht ik: hoe menselijk, weten dat er behoefte is aan een vooruitzicht, een horizon, hoe begrensd ook. En ja, het leek allemaal veel te ingewikkeld en hoe zou je in hemelsnaam moeten bepalen wie die vier gelukzakken waren die welkom zijn in je midden? De ene sprak over kokers, de andere over silo’s, een derde over bubbels.

Het gonsde heel even van de positieve reacties, tot de orde van de dag en het cynisme van de gebruikelijke sociale media-megafoontoeteraars het overnam. Waarom mag dít niet en dát wel? Hoezo, ik mag wél naar mijn schoonouders — omdat zíj dat in haar eentje heeft beslist —, maar níet naar mijn ouders? Een Gents koppel liet in Het Journaal verstaan wat ze ervan dachten: dan nodigen we gewoon in de voormiddag die kinderen en schoonkinderen uit en in de namiddag die andere, want wie zal dat controleren? Als de burger geen zin heeft in burgerzin, heeft de versoepeling weinig zin. Burgerlijke ongehoorzaamheid als leidraad van het dagelijkse leven, nog net iets anders dan mijn essentiële verplaatsing van hierboven. In de gloria in ’t echt. Grappig en wrang tegelijk. Geen fictie maar frictie. Michael Van Peel heeft de situatie gisteren uitstekend verwoord in zijn opiniestuk met de titel ‘Zeurderige zelfregulering’ in De Standaard, daar kan ik niet tegenop. Wat zijn we toch gepatenteerde zeurkousen, zeg! Zever, gezever. En dat allemaal omdat een minderheid — laten we dat toch even benadrukken — weigert om voor één keer volgzaam te zijn en niet aan hineininterpretierung te doen, gesteld dat ze die lekkere Duitse term al zouden kennen. Een aantal mensen interpreteert alles tot ze aan een definitie komen die hen goed uitkomt.

Welkom in Bubbelonië, waar bubbelonische spraakverwarring troef is.

Omdat de overheid weer eens onduidelijk heeft gecommuniceerd. Omdat wij weer eens onduidelijk hebben geïnterpreteerd. Contrair doen óm contrair te doen is geen maatschappelijke verdienste als er geen altruïstische beweegreden aan vasthangt. Al wat we nu moeten doen is die gemeenschappelijke vijand, dat onzichtbare virus, wegkrijgen, met alle mogelijke middelen. Zoals: tijdelijk heel volgzaam zijn.

De roep om normaal te doen, weerklinkt steeds luider. Wij zijn niet geschikt voor een lockdown. In tegenstelling tot de Chinezen willen we niet dat de overheid ons doen en laten tot in het kleinste detail controleert en orkestreert, en terecht. We hebben gisteren nog maar, in mineur, de vijfenzeventigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog gevierd, Befehl ist Befehl werkt hier niet meer. Maar dat gezonde wantrouwen tegenover gezag en macht is nu even een nadeel.

Bedrijfsleiders, economen en neoliberale opiniemakers pleiten al weken voor ‘business as (more or less) usual’. Allen aan het werk. Alsof er in de bubbel Bedrijf geen risico bestaat op verspreiding van het virus. Wat ik me afvraag: die mensen die al sinds eind maart pleiten om aan de slag te gaan, hebben die zelf geen ouders meer, geen familie, geen kwetsbare vrienden? Soms denk ik dat het eenzaam moet zijn in de ivoren toren. Blijf in uw kot, maar kom uit uw figuurlijke bubbel.

Het nieuwe normaal mag niet lijken op het oude normaal, omdat dat niet normaal wás. Je kunt geen economisch leven blijven organiseren op een ecologisch kerkhof. Je kunt deze maanden van anders gaan leven niet wissen van de digicorder van het leven zodra er een vaccin is. En je kunt niet voorbijgaan aan het feit dat onze samenleving vandaag steunt op de inzet van mensen die veel te hard moeten werken voor veel te weinig geld en veel te weinig maatschappelijke waardering. We moeten echt iets voor hen terugdoen. Al vrees ik dat het cynisme dra weer de bovenhand zal krijgen.

Als het applaudisseren om acht uur ’s avonds ophoudt, houdt wellicht ook de waardering op. De helden van vandaag zijn de verwaarloosden van gisteren en zullen de vergetenen van morgen zijn.



Mondmaskerade

Samenleving Posted on za, april 11, 2020 13:03:25

De prijs van de meest ongelukkige overheidscommunicatie van de week gaat naar de FOD Volksgezondheid. Donderdag tweette die: “De autoriteiten bereiden zich voor op een versoepeling van de maatregelen, maar dat is nu nog niet aan de orde. Blijf de maatregelen opvolgen. Je inspanningen zorgen voor een snellere terugkeer naar een normaal leven. Hou vol! #samentegencorona”

Ik beeld me in dat de meeste van de 17.829 volgers van de account @be_gezondheid — gemeten vandaag om 12u04 — dat als volgt hebben gelezen: o, er komt een versoepeling aan, kom jongens, we mogen naar buiten. Het was ongetwijfeld goed bedoeld, maar een slechte lezer — en zo zijn er heel veel — is waarschijnlijk niet verder geraakt dan “De autoriteiten bereiden zich voor op een versoepeling van de maatregelen”. Het essentiële van de boodschap — maar nu nog niet! — zal verloren gegaan zijn in de kortstondig euforie die het eerste deel van de openingszin zal hebben veroorzaakt. Zo zijn wij nu eenmaal, we gaan soepel om met verordeningen. Met z’n allen naar het containerpark, gezellig. We waren al wereldrecordhouder kijkfiles — “O zie daar, een ongeval, laten we heel even onze boterhammetjes soppen in de miserie van een ander” —, nu hebben we ook in een door omstandigheden niet-olympisch jaar het olympisch record van de langste containerparkfile gevestigd. De Belg verstaat maar twee soorten boodschappen: mag wel en mag niet. Mag een beetje of mag binnenkort wellicht wel, wordt in een handomdraai mag wel. Dat had de FOD Volksgezondheid kunnen weten. Doe dat dus niet.

***

In deze coronatijden komt het beste en het slechtste in de mens naar boven, en dan liefst tegelijkertijd, soms zelfs bij dezelfde mensen. Ik lees dat er her en der weer mensen elkaar opzoeken op straat of in de tuin. Een ‘onschuldig’ barbecuetje links, een ‘goed bedoelde’ flashmobparty rechts: er zit negen kansen op tien geen kwade bedoeling achter, maar het is het equivalent van achter het stuur kruipen met 1,5 promille achter de kiezen. Van dan af wordt het een loterij. De kans dat je brokken maakt is statistisch gezien kleiner dan dat je zigzaggend veilig thuis raakt en achteraf niet kunt navertellen hoe dat is gelukt, maar het is een kans die je niet zou mogen grijpen. Niet voor jezelf, niet voor de anderen. Doe dat dus niet.

***

Na de amateurvirologen voeren nu de amateurmondmaskerdeskundigen het hoge woord. Ik word daar, eerlijk gezegd, een beetje moe van. Mensen improviseren hun eigen mondmasker. In een iets te volle supermarkt, met opdringerige klanten die een Herman van Veen-stemmetje in hun achterhoofd horen piepen (“Opzij opzij opzij, maak plaats maak plaats maak plaats, wij hebben ongelofelijke haast”) en zich dan maar even tussen jou en de sperziebonen in blik wurmen, kan ik me er nog iets bij voorstellen. Maar op straat? Liever een beetje veiligheid dan geen, akkoord, maar een vals gevoel van veiligheid is veel erger dan een onveiligheidsgevoel, denk ik dan maar. Marc Van Ranst heeft het echt niet kwaad met ons voor. Doe dat dus niet.

***

Hoe zit dat trouwens met die bestellingen van mondmaskers? Als deze opgedrongen semi-quarantaine voorbij is, zou dat toch eens deftig onderzocht mogen worden. Een Chinese tussenpersoon die op Facebook vraagt of er iemand hem op weg kan helpen naar een mondmaskerfabrikant voor een dringende levering aan het verre België, echt? Dit klinkt toch als een totaal ongeloofwaardig scenario van een Guust Flater-album? De testkits om na te gaan of je covid-19 onder de leden hebt, bleken dan weer een onduidelijke handleiding te hebben meegekregen: hebben we het hier over het ineen vijzen van een Ikea-kast of over een cruciale handeling in de gezondheidssector?

De federale minister van Volksgezondheid mag zich, als deze golf van miserie voorbij is, politiek verantwoorden, dat lijkt me wel het minste, net zoals de Vlaamse minister van Welzijn mag verklaren waarom het in de woon-zorgcentra zo traag ging met de voorzorgsmaatregelen. Misschien rollen er wel koppen, we zullen zien. Maar wat ik me dan afvraag: waarom hebben hun voorgangers het principe “Gouverner, c’est prévoir” nooit ter harte genomen? En waarom hebben de administraties, die uiteindelijk voor de continuïteit moeten zorgen terwijl de bevoegde ministers komen en gaan, dit niet zien aankomen? Is dat niet hun verdomde taak? Blijkbaar is het makkelijker om te wijzen op verouderde gevechtsvliegtuigen dan op noodscenario’s in de zorg. Of word ik nu te cynisch?

***

Over cynisme gesproken: ik lees ze nog maar half, de commentaarstukken van opiniemakers die vinden dat we maar zo snel mogelijk terug naar de orde van de dag moeten overgaan. Aan de slag! De economie moet blijven draaien. Ten koste van alles? Iemand zocht uit dat het totale aantal doden in maart amper hoger lag dan twee jaar geleden, ook een piekjaar. Iemand anders concludeerde: we zitten maar twaalf procent boven het gemiddelde. Ondertoon: ach, zo erg is het nu toch ook weer niet. Benieuwd wat de cijfers van april zullen aantonen.

Voor sommigen is het aantal coronadoden even abstract als het aantal gestrande of verdronken vluchtelingen: het is niet meer dan een getal. Op een eilandje in de Bronx werden arme coronadoden gedumpt in een massagraf. Ach, wie kent hen? Onze eigen doden kunnen niet eens herdacht worden. De vergelijkingen met het ‘normale’ dodental deze tijd van het jaar, of het aantal slachtoffers dat de griep jaarlijks maakt, mogen wat mij betreft even opgespaard worden, net als het vergelijken van de relatieve slachtofferaantallen, omdat alle landen een andere meetmethode hanteren. Het is appelen met peren vergelijken. Volstrekt zinloos, maar je scoort er wel bonuspunten mee in de krochten van het internet. Zullen we ons misschien richten op de allereerste prioriteit, besmettingen en dus ook doden voorkomen, in plaats van een hitparade op te stellen van zwaarst getroffen landen?

Om nu al een snelle terugkeer naar ‘business as usual’ te bepleiten, moet je wel heel weinig empathisch vermogen bezitten. Of geen vrienden of familie meer hebben. Je zou er net zo goed voor kunnen pleiten om alle rode lichten tijdens de werkuren af te schaffen, dan zijn de mensen sneller op hun werk. Geen rem op de economie! Misschien moeten die lieden de dood eens in de ogen kijken. Dat kán, vandaag op de voorpagina van Het Laatste Nieuws, waar een fotocollage staat van coronaslachtoffers. Het maakt het drama tastbaarder. Dit zijn geen getallen maar mensen. Mensen die ons respect verdienen.

Het kan gelukkig ook anders: ik las vandaag in De Standaard een sereen interview met arts Louis Ide, nationaal secretaris van de N-VA, die op Twitter doorgaans stevig uithaalt naar iedereen die niet in zijn kraam past. Het nederige kleed dat hij zichzelf had aangepast, zat hem als gegoten. Ook voor hem wil ik straks applaudisseren.



Poppers paradox

Samenleving, Uncategorised Posted on za, april 04, 2020 12:53:18

Neem uw cursus op pagina 153. Lees daar luidop de definitie. “Vrijheid van meningsuiting is de vrijheid van burgers om hun overtuigingen kenbaar te maken, zonder voorafgaande controle door de staat. De vrijheid van meningsuiting is niet absoluut, net als de meeste andere grondrechten. Zo zijn belediging en smaad onder bepaalde omstandigheden strafbaar.”

Waarop een opsomming volgt van wat niet mag: je mag de nationale veiligheid niet in het gedrang brengen, de goede zeden niet overtreden, de gezondheid van anderen niet in het gedrang brengen, de openbare veiligheid niet verstoren, die buur met die andere huidskleur niet beledigen, enzovoort, enzoverder. Het zijn die uitzonderingen die de regel ingewikkelder doen lijken dan hij is. Laten we ’t hierop houden: wie denkt dat hij dit warme weekend mag aangrijpen om een barbecue te organiseren of om honderd kilometer naar de kust te rijden, kan zich niet beroepen op de vrijheid van meningsuiting, gesteld dat dagjestoerisme al een mening was, natuurlijk. Blijf in uw kot!

Het probleem met de vrije meningsuiting is dat een groeiend aantal lieden denken dat die grenzeloos is. Dat jouw mening bekend móet worden gemaakt bij zoveel mogelijk medeburgers. Als je de sociale media een beetje volgt, lijkt het er sterk op dat velen de vrijheid van meningsuiting verwarren met de plicht om die meningen ook via de media te vermenigvuldigen. En wat erger is: zo lijken de media dat ook steeds vaker te verstaan. Hoe is Dries Van Langenhove ooit buiten zijn obscuur fascistisch groepje een cultheld voor extreemrechtse rakkers kunnen worden? Dankzij een forum dat hem werd aangereikt na enkele onverdraagzame tweets over transgenders. Zo werkt dat tegenwoordig: je kan ongestoord fulmineren op lezersfora, je wordt uitgenodigd in een tv-studio als je een actueel debat bezoedelt met een ongenuanceerd standpunt, je kleine roeptoeter mag worden ingeruild voor een blitse megafoon als je het maar grof genoeg verwoord hebt. Iemand met oogkleppen op mag ongestoord iets roepen over mondmaskers, terwijl een muilkorf eerder gepast zou zijn.

Neen, ik ga er niet opnieuw uitvoerig dat onoordeelkundig gesprek met een Siciliaans wijnboertje bij halen, maar het is wel symptomatisch voor de huidige gang van zaken. Iemand roept een mening en iemand anders vindt dat wel een prikkelende gedachtegang. Die iemand anders is dan toevallig een respectabel journalist en steekt de man met de mening een microfoon onder de neus. Mocht hij dat niet doen, dan zou die eerste misschien wel “En wat met mijn vrijheid van meningsuiting?” roepen, terwijl het versturen van een tweet uiteraard net de essentie is van vrije meningsuiting. Het kan, het mag, op die paar beperkingen na. Daarom moet je zo iemand nog niet laten aanschuiven bij het rijtje van experts: de zaal zit al vol, dank u wel, de veilige afstand van anderhalve meter kan niet meer gerespecteerd worden. Echte en vermeende deskundigen lopen elkaar voor de voeten: dat is een probleem, in tijden dat je betrouwbare expertise meer dan ooit kunt gebruiken. Laat schijndeskundigen buiten het debat, zij vinden hun weg toch wel in de krochten van het internet.

Wij, de media, laten ons te vaak ringeloren. Hoe harder extremisten brullen dat ook zij aan bod moeten komen, hoe groter de kans dat ze dat uiteindelijk ook mogen. Ooit was er een cordon médiatique tegen vertegenwoordigers van het Vlaams Blok in de Vlaamse pers: ze kwamen nauwelijks aan bod. Een kwarteeuw later is de slinger helemaal de andere kant op gegaan. Geen van beide keuzes is verdedigbaar: de eerste omdat je zo ook een cordon sanitaire rond de kiezers van die partij legt, wat in een democratisch bestel ongezond is, de tweede omdat je extremisme salonfähig maakt. Gezond verstand is een kwestie van afwegen. En niet zomaar toegeven aan externe druk: noem het gerust pretentieus, maar die pretentie moeten hoofd- en eindredacteuren en journalisten durven te hebben. Al te extreme uitlatingen moeten we blijven beperken tot het kringetje waar ze ontstaan zijn.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994), die zichzelf een kritische rationalist noemde, ging daar in zijn beroemde boek The Open Society and its Enemies (1945) uitgebreid op in via zijn ‘paradox van tolerantie’. Een van de onverwachte vijanden van de open samenleving is een verdraagzame attitude tegenover onverdraagzaamheid. In Poppers definitie: “Onbeperkte tolerantie moet leiden tot het verdwijnen van tolerantie. Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die zelf intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie.”

Zullen we daar met z’n allen — ja, ook ik — bij stilstaan de volgende keer dat we geneigd zijn een onverdraagzaam standpunt van een onbeduidend heerschap extra aandacht te gunnen door het te delen of retweeten? En als we het dan toch in een grotere kring verspreiden, zullen we er dan in niet mis te verstane bewoordingen tegen ingaan?



Vreemde tijden

Samenleving Posted on za, maart 28, 2020 13:21:16

“Ken jij al iemand die besmet is geweest?”

“Neen, jij?”

“Ook niet. Vreemd, hé?”

Een vluchtige conversatie aan het koffieapparaat een week of twee geleden. Vandaag zou dat gesprek anders verlopen. Minder vrijblijvend, liever met twee dan met anderhalve meter tussen ons in, bezorgder en met een in alle opzichten positief antwoord: “Ja, ik ken iemand. Meerdere zelfs.” Een Twitter-vriendin. Een Facebook-connectie. Een collega die je nog nooit hebt ontmoet, maar die plots heel dichtbij lijkt. Iemand post dat hij een vriendin die net haar moeder heeft verloren niet eens kan troosten of naar de begrafenis gaan. Knuffelen is des duivels, een gezelschap de hel.

Corona zet de samenleving op zijn kop, want samen-leven wordt opeens gedwongen apart-leven. We moeten niet meer out-of-the-box denken, maar in-the-box blijven. ‘Wees sociaal’ wordt ‘Blijf in uw kot!’. De wereld is heel eventjes aan de introverten. Voor een keer zijn het niet de haantjes-de-voorste die onze samenleving nodig heeft, maar de volgzame burgers die braaf en gedwee de richtlijnen volgen. Schapen zijn we geworden, zij het met minstens anderhalve meter afstand tussen ons in.

Normaal beslaat de ‘In memoriam’-rubriek in De Standaard één, hooguit anderhalve pagina. Vandaag waren het er vijf. Ik heb het voor u nagekeken: een man van 65, voor de rest uitsluitend zeventigers, tachtigers en negentigers. Meer mannen dan vrouwen. “De uitvaartplechtigheid zal plaatsvinden in intieme kring” en varianten daarop. We kunnen niet naast de realiteit kijken.

Vreemd, hé?

***

De coronacrisis brengt het beste en het slechtste in de mens naar boven, liefst dan nog tegelijkertijd. Er zijn minder coronakenners dan klimaatontkenners, maar ze maken evenveel lawaai. Economisten waarschuwen voor wat er post-corona zal volgen en vergeten even dat we er middenin zitten. Andere bezorgdheden, andere zorgen. Goed voor elkaar zorgen, om te beginnen, dichtbij en vanop afstand.

Jarenlang werd er blind en uitermate kortzichtig gesaneerd in de zorgsector, waar veel te weinig mensen voor veel te lage lonen veel te zware prestaties moeten leveren. Voordien ook al, alleen valt het nu pas op. En dus staan we om acht uur ’s avonds te applaudisseren en te zingen. Tenminste, als u in de stad woont. Hier op de buiten zie je geen witte lakens uit ramen hangen of hoor je geen applaus. De echo van desnoods ‘one hand clapping’ is hier niet te horen. De koeien in de wei aan de overkant zouden het niet begrijpen. Waar blijven die koeien trouwens? De lente is begonnen en ik heb niemand naar wie ik ’s ochtends goeiedag kan knikken. Ik knik dan maar in gedachten naar u, zorgverlener, en naar de bedenkers van onze sociale zekerheid, ondertussen al lang overleden, maar als we met z’n allen heel luid klappen horen ze het misschien nog in een andere wereld, als die al bestaat. Onze sociale zekerheid is een zegen.

De Belg is van nature een je-m’en-foutist, een foefelaar, iemand die de kantjes ervan afloopt als het op burgerzin aankomt. Ook dat is veranderd, we zullen over een paar maanden wel zien of het tijdelijk dan wel definitief is. Ongezien in dit land: ons chauvinisme wordt aangezwengeld. Steeds meer mensen vinden dat onze overheid, die aan het handje loopt van experten, het verduiveld goed doet. Dat die Sophie Wilmès er als een grande dame bijzit, eenzaam aan zo’n veel te grote tafel in een veel te grote ruimte (hooguit merkt iemand van wie beweerd wordt dat hij een beperkt empathisch vermogen heeft op dat ze weinig empathie uitstraalt, maar soit). Dat we die noodregering misschien niet echt nodig hadden en dat deze vreemde constructie-met-volmachten het ook aankan, al is het echt wel een democratisch onding. Als de respectabele Financial Times opmerkt dat België deze crisis goed aanpakt, heeft dat voor de meesten onder ons het effect van een virtueel schouderklopje. Het Rode Duivels-gevoel in voetballoze tijden.

Dat wij het — laten we voorzichtig blijven — behoorlijk goed doen, qua aanpak en qua communicatie, is een gevoel dat versterkt wordt door het geknoei elders. Italië en Spanje: veel te laat wakker geschoten. Frankrijk: zeer drastische maatregelen, waardoor het leven is stilgevallen. Nederland en het Verenigd Koninkrijk: een zootje. Eerst gingen ze voor ‘herd immunity’, oftewel groepsimmuniteit. Zeg maar: collectieve waanzin. Daarna kwam er een lockdown. In dit soort crisissen moet je kleur bekennen, je kunt niet eerst wit en dan zwart uitproberen, dat is nefast.

En dan is er nog het oranje gevaar in het Witte Huis. “Het is een hoax uit China.” “Het is een hoax van de democraten.” “We sluiten het luchtruim voor vluchten uit Europa, behalve uit Groot-Brittannië.” (Tegen een kritische journalist) “U bent fake news, volgende vraag!” Uiteindelijk is Donald Trump intuïtief uitgekomen bij de bedenking dat hij over een half jaar een verkiezing te winnen heeft en dat dit hem alleen maar zal lukken als hij kan uitpakken met economische successen. Tegen een virus kun je niet winnen, ook al koop je een buitenlandse fabriek over om een vaccin te ontwikkelen. Die tijd heeft hij niet. Dus kiest hij voor de economie: blijven werken, fellow Americans, wat ook het gezondheidsrisico is. Als hij de gezondheid van de gemiddelde Amerikaan voorop plaatst, stuikt de economie gedeeltelijk in elkaar en die vele doden zullen er hoe dan ook zijn de komende weken. Een narcistische idioot weet dan: fuck the virus! Wanneer de economie overeind blijft, de kunstmatig opgefokte succescijfers er ook in het najaar nog staan en er minder dan honderdduizend coronadoden zijn gevallen, wordt hij herkozen. Zo eenvoudig is dat. Voor Trump zijn die doden niet meer dan collateral damage. Bovendien vallen ze bijna uitsluitend in stedelijke gebieden, daar haalt hij zijn stemmen niet. Onmenselijk gedrag hoeft geen stigma te zijn in de Verenigde Staten.

Vreemd, hé?

***

Een burgemeester uit Izegem deed vrolijk mee aan een straatfeestje. Alvorens u opmerkt: het zal wel geen toeval zijn dat hij er weer een N-VA-politicus uitpikt. Van welke gezindte hij is, kan me even niet schelen. (Al viel de calimeroreactie wel op: het was de krant die dat schreef, die in de fout was gegaan, ja, natuurlijk.) Maar je doet dit niet, zelfs niet onder het mom om even het sociale leven terug te laten heropleven. In uw kot is in uw kot.

De burgemeester verwees ter zijner verdediging naar een reportage op de regionale zender Focus-WTV, waarop duidelijk te zien was dat de aanwezigen voldoende afstand hielden. Hij vergat twee dingen: niet alles wordt geregistreerd en, vooral, het feit alleen al dat er een reporter aanwezig was, duidt erop dat dit feestje niet zo spontaan was. Iemand moet die zender verwittigd hebben dat er iets speciaals stond te gebeuren. Waar is da feestje? Hier in Izegem is da feestje!

Zelfs als het sociaal bedoeld was, was het nog asociaal. Mensen die zich graag beroepen op de warme term ‘burgervader’ moeten zich als dusdanig gedragen, in goede en in slechte tijden. Dit zijn slechte tijden. Solidariteit speelt zich binnenshuis af, hoogstens op de dorpel of door het open venster. Een plaatje opleggen van André Hazes mag, maar ‘Leef alsof het je laatste dag is’ uit de luidsprekers doen joelen is geen reden om samen op straat te dansen onder een veel te kleine paraplu.

Wereldvreemd, hé?

***

Over wereldvreemd gesproken. De organisatie van Rock Werchter stuurde deze week een tweet de wereld in met een countdown naar het festival. Nog honderd dagen! Wellicht voorgeprogrammeerd en de verantwoordelijke was vergeten om het ding te deleten. Kan gebeuren. Natuurlijk gaat het festival niet door. Toch begrijp ik waarom de organisatie dat nu nog niet mededeelt. Heeft te maken met mogelijke schadeclaims van de haviken die huizen in chique managementkantoren en die klaar zitten om de volle som te eisen van een cancelende organisator. En er zijn de riante voorschotten, die Live Nation liefst wil terugzien. Bij Rock Werchter zitten ze nu te wachten tot de overheid het festival verbiedt, dat is een geldig excuus om de enige juiste communicatie te doen: het gaat niet door. Geef hen een zetje, mevrouw Wilmès.

Ook in de sportwereld blijven ze hardleers. De Tourdirectie wil een editie huis clos laten plaatsvinden, zonder toeschouwers. De gezondheid van renners en hun entourage? Ach… Wat is het Franse woord voor collateral damage? Een Vlaamse wielerjournalist opperde een paar dagen geleden de suggestie dat men dan maar moest fietsen met renners uit landen die niet helemaal door Covid-19 ingepalmd zijn. Euh, een Tour zonder Franse renners dan? Zonder coureurs uit België, Italië en Spanje, en neem daar bij uitbreiding ook maar Amerikaanse, Britse, Deense, Duitse, Luxemburgse, Noorse, Oostenrijkse, Portugese, Zweedse en Zwitserse wielrenners bij? Oké dan, Egon Bernal wint zijn tweede opeenvolgende Tour, bij gebrek aan andere deelnemers die de eindstreep in Parijs halen.

De overtreffende trap van collectieve verdwazing wordt alweer geleverd door onze eigen Pro League. De G5 hoopt nog altijd op een mini-Play-off 1, de rest van de clubs is al tot bezinning gekomen. Maak Marc Van Ranst in deze drukke dagen ook maar voorzitter van de Pro League én de voetbalbond, dan zal het snel gedaan zijn. De competitie wordt bevroren, Club Brugge is kampioen, AA Gent speelt de voorronde van de Champions League, Charleroi mag naar de laatste voorronde van de Europa League, Antwerp speelt half juli al Europees, tenzij het de bekerfinale achter gesloten deuren wint. In dat geval mag het rechtstreeks naar de Europa League. 1A wordt uitgebreid naar achttien of twintig clubs, 1B wordt afgeschaft, de clubs die professioneel voetbal niet aankunnen (Oostende, Lokeren, Roeselare, …) worden naar het amateurvoetbal verwezen, waar ze thuishoren.

Onze voetballeiders blijven verbazen. Ze denken echt nog dat een gedeeltelijke hervatting van de competitie erin zit. Het wordt pas ergerlijk als je ziet dat sommige clubs hun spelers tijdelijk werkloos willen maken. Standard en Zulte Waregem beroepen zich op de samenleving, anderen zullen volgen, Anderlecht mag rekenen op de solidariteit van de spelers die een maandsalaris inleveren, KV Mechelen — dat wil ik toch wel even onderstrepen — lost dit intern op en stort ook nog eens een som voor de zorgsector. Hulde. En awoert voor de anderen. Het voetbal krijgt al meer dan 130 miljoen euro aan sociale en fiscale voordelen. Nu nog eens de spelers tijdelijk laten betalen door diezelfde samenleving is een regelrechte schande die aan criminaliteit (diefstal) grenst. Maatschappelijke betrokkenheid zou gerust een voorwaarde mogen zijn om een licentie te kunnen behalen.

Wereldvreemd, hé?



De onbekende zorgverlener

Samenleving Posted on vr, maart 20, 2020 12:39:31

Het begrip ‘held’ (Van Dale: ‘iem. die uitblinkt door moed’) wordt al te vaak gebruikt om verdienstelijke acties van verdienstelijke mensen te onderstrepen, zonder dat het om echte heldendaden gaat. Een zanger die iets controversieels roept: held! Een atleet die een record loopt: held! Een schatrijke voetballer die zijn hotel ter beschikking stelt van een ziekenhuis: held! Held, held, held. Hyperbolen zorgen voor devaluatie van waardevolle begrippen. Superlatieven moeten spaarzaam gebruikt worden. Zoals nu.

Je zou kunnen zeggen dat Marc Van Ranst gewoon zijn job doet, maar je mag hem gerust een held noemen. Net als al die andere nieuwe BV’s-tegen-wil-en-dank die dezer dagen van tv-studio naar radioprogramma huppelen om de toestand te duiden en ons ertoe aan te zetten om alstublieft-s’il vous plait-bitte-please in ons kot te blijven en afstand te bewaren. Huidhongerigen moeten maar even op hun tanden bijten.

***

Toch schrijf ik episteltje niet voor de dames en heren Van Ranst, Vlieghe, Van Gucht, Goossens, Van Braeckel, etcetera, ook al verdienen ze eindeloos respect. Ik schrijf dit voor u, onbekende zorgverlener, die al weken meer doet dan van hem (m/v/x) verwacht wordt. Het zou van verregaand simplisme getuigen om te stellen dat u ook maar gewoon uw job doet, dat dit erbij hoort. U neemt persoonlijke risico’s. U kan nauwelijks nog op uw benen staan van de vermoeidheid en toch gaat u door, omdat het moet, omdat het niet anders kan, omdat u plichtbewust bent en omdat u het verschil kunt maken. Dit is waarom u bent beginnen doen wat u nu doet. Maar ik weiger, beste onbekende zorgverlener, om dit als normaal te beschouwen. Wat u doet, is buitengewoon. U werkt met bescheiden middelen aan een veel te karig loon in een sector die meestal als eerste te horen krijgt dat er besparingen zullen komen. U laat zich niet ontmoedigen door de beschamende kortzichtigheid van onze overheid. U doet dit niet voor een schouderklopje of handgeklap vanop het balkon van talloze huizen in talloze anonieme straten. Uw kracht wordt een beetje de onze. U bent een held, in alle betekenissen van dat woord. Een échte. We zijn u veel dank verschuldigd (en straks ook een hoger loon en meer respect in niet-crisistijden). Dank u, onbekende zorgverlener.

***

Ik pleit ervoor om naast het monument voor ‘De onbekende soldaat’ — die held die ons in ver vervlogen tijden probeerde te behoeden voor een overrompeling door vijandige krachten en daarvoor zijn (m/v/x) leven op het spel zette — een monument voor ‘De onbekende zorgverlener’ te zetten. Dat zou wel passen, als de meest ontwrichtende crisis sinds de Tweede Wereldoorlog achter de rug ligt. En elk jaar op 11 maart — de dag dat de eerste dode als gevolg van het nieuwe coronavirus viel te betreuren — herdenken we u en uw heldendaden.

Dank u, merci, vielen Dank, thank you.



Volgende »