Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

De meester, hij begint niet meer

Memories & mijmeringen, Samenleving Posted on za, oktober 23, 2021 11:28:50

Het lerarentekort dat nu al een dikke week de voorpagina’s van onze kranten domineert, komt niet uit de lucht vallen. Dit is geen meteoor die, onaangekondigd, ‘Surprise!’ roept en vervolgens in één klap onze levens vergalt. Of een virus dat vrolijk begint rond te dwarrelen. Drie jaar geleden waarschuwden experten al voor dit probleem. Drie jaar later is het er. Zo gaat dat.

‘Gouverner, c’est prévoir’, zegt het spreekwoord. Regeren is vooruitzien. Als onze regeringen, meervoud, één ding niet doen is het dat wel, vooruitzien. De waan van de dag is belangrijker geworden dan het algemeen belang. Wie een toekomstvisie heeft in de politiek, vloekt in de kerk van het status quo. Opportunisten hebben idealisten, ideologen en humanisten deze eeuw van het voorplan verdrongen. O, kijk daar, een boerkini. Of: hier zie, een nieuwe poll en we gaan, euh, niet echt heel zwaar achteruit. En, neen, de vreemdelingen komen er níet in!

Vorig jaar werd er schande gesproken dat de scholen zo lang dicht moesten blijven tijdens de eerste lockdown, onze bloedjes van kinderen zouden ocharme een grote leerachterstand oplopen. Vandaag is er niet alleen die achterstand, maar wordt die ook nog wat groter, bij gebrek aan leerkrachten. Het wekelijkse aantal uren ‘studie’ — een eufemistische term om te verdoezelen dat er op dat ogenblik net níet gestudeerd wordt, maar enkel de tijd verbeuzeld — is niet meer op de vingers van één hand te tellen. In de lente van 2020 werd er online vergaderd tot iedereen er horendol van werd, in het belang van het kind. Nu heeft de minister snel een stuk of tien mogelijke maatregelen op een papiertje gekribbeld, in het belang van zijn eigen hachje. Arm Vlaanderen.

***

Om mijn eigen schooltijd te kunnen reconstrueren, moet ik diep doordringen tot in de spelonken van mijn geheugen. De meester had vroeger een veel stevigere reputatie, al zou dat ons, boefjes, niet tegenhouden om de zwakkere exemplaren in de lerarenkudde te koeioneren. Zo gaat dat overal ter wereld in het Grote Dierenrijk. Je zoekt de mankepoten uit en begint op hen te jagen. Dat is ’t makkelijkst. In de praktijk betekende dit dat minder strenge leraren de dupe werden van dat jonge geweld. Ik weet niet of de feiten intussen verjaard zijn, maar: sorry daarvoor, meester (m/v). Het was sterker dan onszelf.

De beste meesters waren diegenen met natuurlijk gezag. Niet de man die zich introduceerde met de woorden ‘Ze noemen mij de bloedhond, het kapmes en de hakbijl’ en die tijdens een van de eerste lessen een bordveger door een kartonnen wand smeet omdat er gebabbeld werd in zijn klas. Akkoord, het was effectief, we zwegen van dan af, maar angst is nog lang geen respect. Ook niet de professor die vlak voor zijn pensioen stond en een stel achttien- tot twintigjarigen opdroeg om te zwijgen in de les, zo niet ‘Buiten!’ Zielige ventjes waren dat. Van decibels leer je weinig.

De beste meesters stonden niet met het schuim op de lippen voor de klas, noch met knikkende knieën. Ze deden wat ze deden, omdat ze wisten wat ze deden en ervan overtuigd waren dat ze een stel schobbejakken met een prettig gevuld hoofd de wijde wereld moesten insturen. Dank u daarvoor, meesters, al ben ik aan de rijkelijk late kant. Zo gaat dat nu eenmaal: dankbaarheid uit zich in stilte, te laat, te weinig.

***

De wereld is grondig veranderd en toch is de verhouding leraar-leerling volgens mij niet zo grondig gewijzigd. Aan de ene kant nog altijd kennis van zaken in combinatie met gezond zelfbewustzijn en didactische kwaliteiten, óf bulderen om je gelijk te halen, óf knikkende knieën, aan de andere kant zien hoe ver je te ver kunt gaan. Er is wel één groot maatschappelijk verschil. De meester van 2021 is niet meer de meester van pakweg 1971. Het aanzien van het beroep is achteruitgegaan. Dat geldt niet alleen voor De Meester, maar ook voor De Politicus, De Notaris, De Burgemeester of Meneer Pastoor. En er staat weinig of niets tegenover dat dalende aanzien. Lieden in andere beroepen lachen weleens met een leraar die op de vraag ‘Wat doet u?’ antwoordt ‘Ik stá in het onderwijs’. Haha, hij stáát in het onderwijs en wat doen wij dan: zítten, misschien? Ach, dat is nog onschuldig, het zijn plaagstootjes, net als dat eeuwige gemonkel als het over het aantal vakantiedagen gaat. Meer dan drie maanden, de gelukzakken!

Als het zo eenvoudig was, stónd nagenoeg iedereen in het onderwijs, maar dat is dus niet zo, anders was ik nu al niet zevenhonderd woorden ver in deze blogpost. Het voorzetsel ‘onder’ domineert ons onderwijs: onderbetaald, ondergewaardeerd, ondermaats, onderbemand. Als ik mij even een vergelijking met de ondergewaardeerde (en, toegegeven, vaak ook ondermaatse) scheidsrechters in het Belgische voetbal mag permitteren: ze verzuipen in de regeltjes, hele en halve reglementswijzigingen, het verbod om zichzelf te kunnen zijn, vastgeroeste structuren (of het gebrek aan enige structuur), orders van bovenaf die om de haverklap veranderen.

Dit is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Misschien moeten we eens wat minder lachen met dat in het onderwijs stáán of aan die vele vakanties. Wellicht moeten de bestaande structuren worden aangepast aan de moderne tijd. Waarschijnlijk moet er ruimer gerekruteerd worden (jawel, dames en heren van de rechtse partijen, iemand met een hoofddoek kan ongetwijfeld een volwaardige leerkracht zijn, praat er eens mee, probeer het eens uit, wees niet zo defensief). Zeer zeker moet de aangekondigde besparing van honderd miljoen euro in het Vlaams onderwijs worden omgedraaid. We moeten verdomme investeren, niet besparen. Meneer Weyts — ik zie geen Meester in hem — moet niet de populairste van het Vlaamse Regeringsklasje proberen te zijn (‘Hier zie, mannen, een zak met geld. Goed hé!’), hij moet zijn job doen. Hij moet niet zitten azen op collegiale schouderklopjes, hij moet zelf op het terrein schouderklopjes uitdelen, onder meer in de vorm van hogere verloningen.

***

Meester, mag ik u alsnog van harte danken voor de moeite? En Meesters van de toekomst: veel succes, courage, en ook, dank op voorhand.



Werkvreugde en werkverdriet

Economie, Samenleving Posted on za, oktober 16, 2021 11:25:27

De jacht op de langdurig zieken is geopend. Zij zullen strenger worden aangepakt, zo vernamen we deze week. ’t Zal gaan tijd worden, riepen VBO, Voka en Unizo quasi unisono. De helft van de langdurig zieken is fake omdat er totaal geen controle is, tweette ‘ondernemer-Vlaming-Europeaan’ Rudi De Kerpel, de buikspreekpop van de N-VA, altijd in voor een kort-door-de-bochtse opmerking. Ik ken een paar mensen die langdurig ziek zijn, ik kan u verzekeren dat ze wél gecontroleerd worden, zeer indringend zelfs, op het randje af van het beledigende. Stijl: hoe kan het dat u nog altijd ziek bent, meneer/mevrouw? Niet de ziekte is fake, maar de opmerking van de ‘ondernemer-Vlaming-Europeaan’.

Wat ik wel prima vind — maar VBO, Voka, Unizo en Rudi De Kerpel dan weer net iets minder —, is dat werkgevers nu ook kunnen worden gesanctioneerd als er te veel langdurig zieken zijn binnen het bedrijf. Want, ja, er zijn inderdaad profiteurs: een kleine minderheid, schat ik, mensen leveren echt niet voor het plezier van niet meer te hoeven gaan werken een flink deel van hun salaris in om een leven als paria te leven, zonder al te veel sociale contacten. Als meneer De Kerpel zo iemand kent, à la bonne heure, dat hij die kwaadwillige valsspeler maar aangeeft, ik zal hem zelfs steunen. Maar het grootste probleem met burn-outs ligt ‘m in de werkomgeving of -organisatie.

Ik heb op een redactie rondgelopen waar de ene na de andere medewerker van een bepaald departement afhaakte en maandenlang thuisbleef, helemaal opgebrand, leeg, niet meer in staat om de eenvoudigste klusjes te doen. Slachtoffer van de werkdruk, steeds veranderende opdrachten en een leidinggevende die geen verstand had van people management. Als je de leden van je ploeg alleen maar als getallen ziet — body counts in het jargon, ook wel FTE’s —, dan mag je nooit in die positie belanden, want dan ben je onbekwaam om met mensen om te gaan. Ambetant als collega, tot daaraan toe, maar vooral: onmogelijk als baas. Zo iemand is doorgaans ook zeer goed in wat, eveneens in het jargon, likken naar boven en stampen naar beneden wordt genoemd: alles doen om je eigen baas te plezieren, problemen op de dienst en je eigen slechte functioneren afwentelen op je medewerkers. Zo gemakkelijk, zo zielig, en toch kom je dit op heel veel werkplekken tegen.

Behalve bij een aanwijsbaar fysiek probleem heeft langdurige ziekte meestal te maken met onduidelijke of onhaalbare opdrachten, een inadequate werkorganisatie, een opeenvolging van drastische herstructureringen of reorganisaties binnen het bedrijf, een verziekte bedrijfscultuur, of een ronduit onbekwame baas, en niet zelden een combinatie van een drietal factoren. Toen ik in 2015 mijn boek Als het werk stopt schreef, over de problematiek van werkzoekende 50-plussers, was het redelijk nieuwe buzzword ‘werkbaar werk’. Ettelijke vergaderingen en werkgroepen later is er nog altijd geen werk van gemaakt. Het excuus is dat men het maar niet eens raakt over wat ‘zware beroepen’ zijn. De vakbonden willen een te lange lijst, de werkgevers een te korte, de minister van Werk kan geen knopen doorhakken. En ja, zowel vakbonden als werkgeversorganisaties zijn te verstard, te conservatief, te veel gericht op het status quo, dat voor beide anders is.

Er zullen inderdaad zwaardere beroepen dan andere zijn. Iedereen kan voor de vuist weg zelf een lijstje opstellen, waarbij de nadruk op het fysieke zal liggen. Veel ingrijpender dan de lastigheid van het werk lijken me de concrete omstandigheden. In een prettige werksfeer zullen mensen liever gaan werken en minder snel ziek worden. Dat psychische aspect — je gewaardeerd en gerespecteerd voelen, een correcte verloning ontvangen, kansen zien en krijgen om door te groeien, een omgeving waar rekening wordt gehouden met de werkdruk en het privéleven — is minstens even belangrijk, maar dat zal de De Kerpels van deze wereld saucisson wezen. Waarmee ik niet wil beweren dat álle hiërarchische oversten niet deugen, maar procentueel zal het aantal onbekwame leidinggevenden dichter tegen de vijftig procent aanleunen dan het aantal denkbeeldige zieken die profiteren van de sociale zekerheid.

Het groeiend aantal langdurig zieken is een gevolg, niet de oorzaak van de problemen op de arbeidsmarkt. De burn-outs vloeien voort uit een te kort schietende bedrijfscultuur, ze liggen niet aan de basis ervan. En zelfs als er mensen zijn die te lang en te graag thuisblijven, dan nog moeten we dit zien als het resultaat van een (werk)omgeving die dit soort gedrag veroorzaakt. In deze discussie worden oorzaak en gevolg al te vaak omgekeerd.

Ik wens mensen die een promotie of een overstap aankondigen altijd veel succes én veel werkvreugde, want daar begint het mee: plezier hebben in je werk. Veel te veel actoren wensen alleen maar dat succes, vrij te vertalen als: meer geld, meer aanzien, meer mogelijkheden om nog verder door te groeien. Meer, meer, meer. Dat leidt weleens tot werkverdriet. We zijn als samenleving te weinig bezig met en geïnteresseerd in het échte welzijn van de werkende mens. Plus est en nous, als het op (mede)menselijkheid aankomt.



Woke (bis)

Geschiedenis, Samenleving Posted on za, september 18, 2021 11:14:04

We moeten het nogmaals over woke hebben. Twee weken geleden riep ik op deze plek begrip op voor de mensen die zich woke noemen — ‘wokies’ volgens de tegenstanders —, omdat ze voor mij de kanaries zijn in de koolmijn die Samenleving heet. Zoals we in het verleden dankbaar gebruik hebben gemaakt van zeer uiteenlopende emancipatiebewegingen (vakbonden, feministen, 68’ers, vredesactivisten, etcetera), moeten we gewoon blij zijn dat er zoiets bestaat als de #MeToo-beweging en #BlackLivesMatter. De uitwassen moeten we er, helaas bij nemen, zonder ze daarom honderd procent te accepteren of ze onder de mat van de geschiedenis te vegen omdat ze voor de goede zaak waren of zijn. Vernielingen blijven vernielingen, slachtoffers blijven slachtoffers, hoe nobel het doel ook is. Dat doel heiligt niet alle middelen.

De voorbije weken waren er enkele van die spijtige uitwassen. In de provincie Ontario, Canada, werden als racistisch beoordeelde boeken verwijderd uit bibliotheken en ritueel verbrand. Onder meer strips van Asterix en Kuifje gingen in vlammen op. Het verleidde Bart De Wever en Sam Van Rooy om gelijktijdig een citaat van Heinrich Heine uit 1823 op te diepen: ‘Dort wo man Bücher verbrennt, verbrennt man auch am Ende Menschen.’ Bien étonnés de se trouver ensemble? Ach neen, die Chinese Muur tussen N-VA en Vlaams Belang is in de praktijk niet meer dan een lage haag, waarlangs vrolijk ideeën worden uitgewisseld. Of, met een ander beeld: een draaideur, langs waar heel wat heen-en-weerbewegingen te noteren vallen.

Dichter bij huis, in Antwerpen, werd De man die de wolken meet, een bronzen beeld van Jan Fabre een half jaar geleden stiekem verwijderd van het dak van De Singel. Het lekte pas deze week uit (kan je nagaan hoezeer het beeld gemist werd, maar ook: hoeveel impact het in werkelijkheid had op ons!). En in Charleroi werd een dansvoorstelling van diezelfde Fabre geschrapt, vanwege negatieve reacties en anonieme bedreigingen. Cancelcultuur, wordt dan meteen geroepen, vooral uit rechtse hoek. Men wil die kunstwerken cancelen omdat ze niet (meer) beantwoorden aan wat maatschappelijk verantwoord wordt geacht. Eerder zagen we dat bij de films van of met onder anderen Roman Polanski, Woody Allen, Kevin Spacey en producer Harvey Weinstein. U kent hun vermeende of aangetoonde wandaden, daarover hoeven we het niet te hebben.

Het is goed dat er ondubbelzinnig wordt gewezen op manifest foute uitlatingen, gedragingen of werken. Het is niet goed dat wie die dingen zegt, doet of gemaakt heeft, zonder meer uit het publieke leven moet worden gebannen. Polanski en Allen hebben meesterwerken gemaakt, daar heeft hun gedrag niet rechtstreeks iets mee te maken. Spacey is een magnifieke acteur, ondanks zijn misdragingen. De films die Weinstein producete blijven geweldig: het feit dat de man een seksueel roofdier is, verandert daar niets aan. Fabre zal, allicht, op een of andere manier juridisch veroordeeld worden voor het systematisch belagen en chanteren van zijn danseressen, maar die stukken blijven even goed (of slecht, dat hangt van uw persoonlijke appreciatie af). Jazeker, vooral de vroege Asterixen en Kuifjes blinken niet uit in subtiliteit, staan bol van de clichés en — laten we de dingen benoemen — geven geen blijk van een breeddenkende kijk op de mensheid. In Kuifje vind je racistische karikaturen terug, net als in vroegere Suskes en Wiskes of Nero’s. Je moet dat niet goedpraten. Dat racisme, dat seksisme en die homofobie zijn er. Dat je het in de geest van de tijd moet bekijken, gaat slechts gedeeltelijk op. De makers hadden toen al kunnen weten dat het eenzijdige beeld dat ze toonden onjuist was. Moeten die strips daarom alsnog verbrand worden?

***

Racistisch. Seksistisch. Homofoob. Eurocentrisch. Die predicaten zijn doorgaans terecht. Laten we die er dan ook op kleven. Of beter: ernaast kleven, of als voorwoord meegeven. Want veel beter dan boeken verbranden — een praktijk die onder meer de nazi’s al gretig toepasten —, is het om die boeken te duiden voor een publiek van nu. Ik vind het terecht dat Jan Fabre nu even langs de zijlijn moet staan, maar opvoeringen van zijn vorige theaterwerken moet je laten passeren. Geef er dan wel een woordje uitleg bij, over wat de artiest waarschijnlijk heeft uitgericht. Anders doe je wat fanatieke katholieken in het verleden deden bij filmvoorstellingen van The temptation of Christ: belemmeren dat de vertoningen konden plaatsvinden. Of wat joodse demonstranten in 1985 tegen het toneelstuk Het vuil, de stad en de dood van Rainer Werner Fassbinder deden in Rotterdam: de opvoering verhinderen omdat die antisemitisch zou geweest zijn. Zo ongeveer niemand had de tekst gelezen, ze namen de commotie uit het buitenland gewoon over.

Als iemand in opspraak is gekomen en er zijn voldoende elementen om aan te nemen dat het niet om roddels, geruchten of vermoedens gaat, zijn er redenen om die persoon tijdelijk geen podium meer te bieden. Dat is rechtmatig, tot de zaak is opgehelderd. Het is natuurlijk buitengewoon wrang dat die voorstelling in Charleroi wordt afgelast — waardoor al die dansers technisch werkloos worden en, wellicht, geen vergoeding zullen ontvangen —, terwijl men die opdracht nooit had mogen toekennen aan een artiest die door tientallen ex-medewerkers wordt beschuldigd van seksuele intimidatie. Akkoord, dan hadden die dansers nu misschien óók geen werk, maar dan hadden ze tenminste naar alternatieven kunnen zoeken. Nu zijn die er niet.

Je kan het verleden niet zomaar wissen, dat is veel te simpel. Daar zijn een paar redenen voor te bedenken. Eén, je maakt van de betrokken kunstenaar een dader voor de enen en een martelaar voor de anderen, en die polarisatie helpt niemand vooruit. Twéé, verboden vruchten trekken aan. Mein Kampf bleef een gegeerd object in de decennia dat het boek verboden was. (Ooit eens begonnen aan dat onding. Na een vijftigtal pagina’s gaf ik het op, de gezwollen taal stootte mij vanaf de eerste regels af.) Drie, je raakt niet alleen de persoon die geviseerd wordt, maar een veel ruimere entourage die dan collateral damage wordt. Een uitgeverij, een theater, een bioscoop, de onschuldige medewerkers van de dader.

***

Het slechtste wat woke mensen kunnen doen, is de geschiedenis proberen te deleten, want dan verwijder je de bron van wat het begin moet zijn van een maatschappelijk leerproces. Verbrand dus Kuifje in Afrika niet, maar gebruik de strip om uit te leggen hoe dat nu weer zat met Belgisch Congo, waar Hergé over de schreef gaat en hoe fout racisme is. Veel efficiënter dan een bonfire of the vanities, gevolgd door een rondje applaus, een Kumbaya-stonde en een collectief goed gevoel dat na een week weer is weggeëbd. Boeken kan je verbranden, ideeën niet. Laten we het openlijk over die ideeën hebben. Woke is, in mijn ogen, dat je Kuifje in Afrika en consoorten net wél laat verspreiden, maar dat je er duiding bij geeft. Of dat je een spandoek met ‘Sorry’ erop aan dat beeld van Fabre hangt, zoals enkele studenten deden. Humor is dodelijk voor onbeschaafde luitjes. Vooral dóen.

Dat we Cyriel Verschaeve niet langer eren via straatnamen, moeten we vooral consequent blijven toepassen. Die man heeft vele naïeve Vlamingen de dood ingestuurd om een verderfelijk regime te helpen, die hommages waren totaal misplaatst en een naambordje is uiteindelijk máár een naambordje. Massamoordenaars als Leopold II verdienen geen standbeeld, zelfs als je heel genuanceerd naar zijn regime kijkt (‘Hij heeft ook veel goede dingen gedaan’ moet je gewoon onmiddellijk counteren met ‘Ja, maar Congo…’). Moet je dat standbeeld dan vernietigen, wetende dat dit ook ontworpen is door een kunstenaar die daar zijn ziel in gelegd heeft? Of geef je daar een objectief en duidelijk leesbaar woordje uitleg bij, zodat voorbijgangers weten dat deze man schaamteloos de rijkdommen van een ver land tot de zijne heeft gemaakt en miljoenen Congolezen liet vermoorden of verminken zonder in te grijpen, en doe je dat ook consequent op school? Ik prefereer het tweede. We mogen Leopold II, Hitler, Stalin, Mao, Pol Pot en andere onverlaten niet gunnen dat ze vergeten worden. Onthouden moeten we ze, verdomme, in een educatieve estafette die pas vele eeuwen later mag worden opgegeven, wanneer er ongetwijfeld een handvol nieuwe potentaten zijn gepasseerd die de geschiedenis hebben bezwadderd, en dan nog moeten de genoemde heren in een aangepast rijtje blijven staan met nieuwe massamoordenaars. Als wie woke is dezelfde technieken toepast (boekverbrandingen) als de wreedaardigste dictaturen, dan zijn er twee mogelijke en even perverse gevolgen: één, de mensen die dat onder de noemer ‘woke’ doen, zijn dan toch niet zo woke als dat ze beweren, of twéé, nog veel erger, ook de nazi’s waren op hun manier en binnen hun context woke. Wil je daarmee geassocieerd worden?

***

Toen ik zestien was, ergens halfweg de jaren zeventig, ging ik voor het eerst naar het wassenbeeldenmuseum Madame Tussauds in Londen. Tussen de beelden van de wereldleiders van de twintigste eeuw stond er ook een van Hitler. Achter glas, om te vermijden dat het beschadigd zou worden. Wat ik miste, was een woordje uitleg. Ik had uiteraard al van Hitler gehoord, ook al werd daar thuis nooit over gepraat, door ouders en grootouders die de oorlog hadden meegemaakt.

Laat jongeren van vandaag vooral kennismaken met de erfenis van deze vreselijke figuur. Als je doet alsof hij er nooit geweest is, zal hij er op een bepaald moment ook niet meer zijn, voor de volgende generaties. En dat zou jammer zijn, want net omdát er dat vreselijke verleden is, kan je daaruit leren om het heden en de toekomst beter te maken. Dat zou pas woke zijn, en dan heb je meteen een bondgenoot in mij, want de strijd is hard. Tegenstanders zullen je ervan beschuldigen dat je overdrijft, ze zullen zeuren dat het recht op vrije meningsuiting wordt geschaad, ze zullen zichzelf tot het kamp van de slachtoffers rekenen, iets wat in een handomdraai lukt, want ze zijn met velen. Word dus niet zoals je tegenstanders, want dan ben je in feite een tegenstander van je eigen oprechte overtuigingen.



Racisme, een boek

Samenleving Posted on za, september 11, 2021 11:27:44

We moeten het over racisme hebben. We, dat zijn Paul Beloy en ik. Vijf herfsten geleden schreven we samen Vuile zwarte, over racisme in het Belgische voetbal. Volgend voorjaar publiceren we een nog ambitieuzer boek over dit thema, over racisme in de hele samenleving, een hopelijk wervende en toch zeer accurate titel is in de maak.

De timing is perfect, al zeggen we het zelf. Niet alleen is racisme alomtegenwoordig in dit tijdsgewricht, hier en elders, bovendien is het in maart 2022 precies honderd jaar geleden dat de Belgische filoloog Théophile Simar een studie publiceerde onder de titel Etude critique sur la formation de la doctrine des races au XVIIIe siècle et son expansion au XIXe siècle, waarin hij het voor het eerst over ‘racisme’ heeft. Honderd jaar later valt die term elke dag tientallen keren op duizenden plaatsen. Soms ten onrechte of voorbarig, doorgaans terecht, in bijzonder schrijnende en mensonwaardige omstandigheden.

Het boek zal een beknopt overzicht van de geschiedenis van het racisme brengen, waarbij we na een korte terugblik op de Oudheid via de katholieke middeleeuwen passeren langs de slavernij, de Ku Klux Klan en #BlackLivesMatter in de States, de uitwassen van kolonialisme (handjes hakken in de Congo!), de Holocaust en apartheid, om uit te komen bij racistische incidenten in hedendaags België. Incidenten die, zo vinden we, niet los van elkaar kunnen gezien worden. Er zit wel degelijk een patroon in.

Aan de hand van een strikte definitie van racisme en discriminatie zullen we nagaan hoe die zich manifesteren op het domein van de directe leefomgeving, het onderwijs, het werk, de huurmarkt, de politiek, de culturele sector, de sport en de (sociale) media, en we belichten hardnekkige stereotypes (Zwarte Piet!).

Máár — en daarom pleeg ik deze voor de gelegenheid vrij korte semi-blogpost — we zullen ook slachtoffers uitgebreid aan het woord laten, want voor hen is racisme nooit relatief. Ook de occasionele dader zal zijn zegje mogen doen, over het waarom van zijn handelen, als hij dat tenminste wil en durft. Anekdotiek mag een ernstige, afstandelijke studie niet in de weg staan, maar het zal de maatschappelijke uitwas die racisme is, concreter maken. Want die ‘we’ uit de eerste zin, slaat ook op u en u en u, op ons allemaal.

We zoeken dus mensen die zelf met racisme te maken hebben gekregen. Dat kan uitzonderlijk geweest zijn, maar ook systematisch en structureel. Dat kan een licht incident geweest zijn, maar ook een majeur. Dat kan zware gevolgen hebben gehad voor het slachtoffer, maar ook niet-blijvende.

Bent u of kent u zo iemand, neem dan als de wiedeweerga (= snel!) contact op met ons. Dat kan via frankvanlaeken@icloud.com. Of via een privé-berichtje op de sociale media. Discretie gegarandeerd. En het eindproduct, de geschreven tekst, zal alleen met volledige instemming in het boek gepubliceerd worden.

We moeten het dus over racisme hebben. We, dat zijn Paul Beloy en ik, de auteurs van het boek, de mensen die we binnenkort gaan interviewen en liefst ook u, als aandachtige en betrokken lezer.En wel nú.

Dit boek komt tot stand dankzij de steun van het Fonds Pascal Decroos.



Woke

Samenleving Posted on za, september 04, 2021 11:21:05

Mijn oorspronkelijke bedoeling was het definitieve essay te schrijven over woke. Verschoning, beste lezer, het is slechts een vingeroefening geworden, een snelle schets, een probeersel. Alhoewel, is ‘essay’ niet de vertaling van ‘probeersel’? Essayisten, ach, ze proberen ook maar wat.

Woke, zo leerde ik van Britt Anciaux, de dochter van senator Bert, is een verbastering van ‘awakening’ en werd gelanceerd door de Afro-Amerikaanse samenleving. Ik deed die kennis op tijdens interviewsessies die hebben geleid tot het zeer lezenswaardige boek Over generaties: memoires, visie en manifest in één, door Vic, Bert en Britt Anciaux, waarbij uw dienaar de eer genoot als spookschrijver te mogen fungeren. Op Wikipedia gaat het over een ‘actieterm (…) die verwijst naar een groter bewustzijn van de samenleving’. ‘Woken up’ blijkt dan aan de oorsprong te liggen.

Actie. Bewust zijn en bewustzijn. Wakker worden. Wie kan daar nu tegen zijn? (Velen, zo blijkt.)

Als ik even in de achteruitkijkspiegel kijk, ben ik mijn hele leven al behoorlijk woke geweest. Op wat aangebrande flauwe moppen en het niet terechtwijzen van ultrarechtse typetjes na heb ik me altijd vrij consequent gedragen. Als mens, als man, als sociaal wezen. Als linkse, al is dat geen noodzakelijke premisse. In theorie kan je ook woke zijn door als rechts gecatalogeerde waarden te beschermen. In de praktijk niet, omdat rechtse mensen woke als scheldwoord zijn beginnen te gebruiken, als uiting van politieke correctheid, en zoals bekend krijgen ze daarvan jeuk over hun hele lichaam.

De term viel deze week opnieuw in de marge van een gesprek dat gisteren in Luik plaatsvond over de gevolgen van de coronacrisis, die de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen heeft vergroot. Staatssecretaris voor Gendergelijkheid, Gelijke Kansen en Diversiteit Sarah Schlitz (Ecolo) had zich ingeschreven voor dit evenement waarop alleen vrouwen en genderminderheden welkom waren. Schlitz omschreef het als een safe space, een veilige omgeving waarin vrouwen hun verhaal kwijt konden. Zelf ben ik aanhanger van Groucho Marx’ observatie ‘I don’t want to belong to any club that would accept me as one of its members’, maar ik wil wel de kans kunnen krijgen om een uitnodiging te weigeren. Ik wil wel dat segregatie en apartheid geen kans meer krijgen in de samenleving. Ik wil wel dat vooroordelen geen oordelen worden. En toch begrijp ik ook de nood aan een safe space, zeker voor vrouwen en genderminderheden, omdat zij in een stelselmatig verrechtsende maatschappij kwetsbaarder zijn geworden, zoals ze dat meer dan een halve eeuw geleden ook waren. Wat ik niet begrijp is dat er wel logebroeders zijn en geen logezusters, terwijl die tweedeling daar compleet onzinnig is. Er is een verschil tussen een safe space en een geheim genootschap dat vanalles bekokstooft. Daar hoor je dan weer weinig tegenkanting over. Heeft het dan toch met vrouwonvriendelijkheid te maken?

Ik moet ook weleens grimlachen om de eisen die mensen die zich woke noemen, stellen. Soms zijn die ronduit naïef, vaak nodeloos agressief. Maar dan lees ik een opiniestuk van Mia Doornaert, een tweet van Rik Torfs of een zure oprisping van Theo Francken, of ik verneem dat Vlaams Belang een jacht op linkse leerkrachten heeft ingezet, inclusief kliklijn, en denk: dan toch maar liever wat die woke persoon zegt. Want aan de basis ligt altijd wel maatschappelijke betrokkenheid en de vaststelling dat er heel wat zaken fout lopen, iets wat je van reactionair rechts niet kunt zeggen, die laten maar betijen. Als je even niet oplet, of niet reageert, leven we hier binnenkort ook in een Vlaams Texas, een Orbánstaat of een lightversie van Nazi-Duitsland. Waakzaamheid is geboden, met de W van, jawel, Woke. Laat de Doornaerts en Torfsen van deze wereld dan maar klagen over de cancelcultuur in een drukbekeken praatprogramma op de Vlaamse televisie of in een veelgelezen krantenrubriek, want zo ironisch is het wel: luidop en zonder tegenspraak ‘Wat mogen we dan nog wél?’ vragen in een ruim verspreid medium. ‘Help, wij worden gecanceld!’ komt meestal neer op: wil er iemand alstublieft mensen met een andere mening cancelen, dan kan ik ongestoord verkondigen waar ik zin in heb.

Denk aan de jaarlijks terugkerende Zwarte Piet-discussie: als ik moet kiezen tussen ‘Het is een verouderde voorstelling die gebaseerd is op raciale vooroordelen’ en ‘Blijf van onze tradities af!’, ga ik resoluut voor het eerste. Samenlevingen evolueren, mensen evolueren, dus moeten ook onze handelingen, gedachten en tradities evolueren. Noem het gerust voortschrijdend inzicht. Ik verdiep me momenteel in de geschiedenis van het racisme — later meer daarover — en ik kan u verzekeren dat het niet meer dan normaal is dat we een zwarte niet meer neger noemen, zoals dat veertig jaar geleden nog normaal werd bevonden. Het is heus geen schande om even na te denken over de gevolgen van wat je doet, zegt of schrijft. Ook gevoeligheden evolueren, laten we daar dan ook rekening mee houden. Een voorbeeld: er wordt door rechtse luitjes om gelachen dat zij die woke zijn termen als ‘zwartrijden’ zouden willen verbieden, omdat die stigmatiserend zouden kunnen zijn voor mensen met een donkere huidskleur. Mijn eerste gedacht was: waarom is dit nodig, dit heeft toch niets met zwarte mensen te maken? Puur semantiek. Maar dan las ik over een studentenconferentie in 1965 in Kopenhagen, waar studenten uit verschillende landen komaf wilden maken met termen als ‘blackmail’ en ‘black sheep’, omdat die als stigmatiserend werden beschouwd. Als die vaststelling zesenvijftig jaar geleden al werd gemaakt, is het misschien niet eens zo’n slecht idee om de taal — die ook evolueert — aan te passen?

Mensen die we denigrerend woke noemen, zijn de kanariepietjes in de koolmijn die Samenleving heet. Zij signaleren het gevaar, of dat wat afwijkt van het normale. Net als alle anderen zijn ze niet perfect, dat waren hun voorgangers — die nog niet zo werden genoemd — evenmin. Af en toe roepen ze ten onrechte dat er gevaar is, kan gebeuren. Maar het is goed dat ze er zijn. Hebben de vakbonden een eeuw geleden terecht sociale en politieke correcties laten doorvoeren? Absoluut, we profiteren daar nog elke dag van, alleen waren er acties bij die té gewelddadig waren. Wilde de studentenbeweging eind jaren 60 terecht sociale en politieke correcties laten doorvoeren? Zeer zeker, alleen hadden die stenen door die winkelruiten niet gehoeven. Was de opstand tegen de communistische regimes eind jaren 80 noodzakelijk om sociale en politieke correcties te kunnen doorvoeren in het Oostblok? Wees gerust, maar de snelle executie van een Roemeens staatshoofd kan je onmogelijk juridisch koosjer noemen. Zijn de ‘Black Lives Matter’- en #metoo-bewegingen nuttig om sociale en politieke correcties te laten doorvoeren? You bet, al zal er daar ook wel wat collateral damage zijn. ’t Zou niet mogen zijn, maar nog erger zou in al die genoemde en ontelbare andere gevallen zijn dat er géén tegenreacties waren geweest.

Liever een beetje te veel woke dan te weinig. Het zal mij niet beletten af en toe de draak te steken met een overdreven actieve ‘wokie’, waarbij ik tegelijkertijd de bedenking zal maken: hij (m/v/x) overdrijft dan wel, maar gelukkig is hij wakker. Iemand moet het doen. Volgende keer dat iemand die zich woke noemt mij aanvankelijk tegen de haren in strijkt, zal ik hem/haar/hen liefdevol een arm rond de schouders leggen, een geste die hij/zij/hen ongetwijfeld als paternalistisch zal beschouwen, maar wat deert het: ik bedoel het heus wel goed. En zij ook, in the long run.



Het moet verkeren

Politiek, Samenleving Posted on za, augustus 28, 2021 11:22:18

Twee jonge kinderen begonnen aan deze week, zoals u, beste lezer, dat hebt gedaan. Misschien huppelend, zoals dat ene onverwacht vrolijke meisje uit Afghanistan op een Belgisch tarmac. Misschien boos, omdat ze hun zin niet hadden gekregen vorig weekend. Ongetwijfeld vol verwachtingen, omdat ze op weg waren naar wat in hun jonge ogen grote avonturen waren. Maar zeker niet met het idee dat ze er op dinsdagnamiddag niet meer zouden zijn.

Het is zinloos om uitgebreid terug te komen op reconstructies en verklaringen achteraf: u heeft die ongetwijfeld zelf gelezen en als dat niet het geval was, heeft u ze niet wíllen lezen. Een kruispunt dat een paar maanden, bij wijze van experiment, conflictvrij was, bleek nefast voor de doorstroming en dus kregen voetgangers en chauffeurs toch weer op hetzelfde moment het signaal dat ze mochten oversteken of doorrijden. Ook die twee kindjes en die ene vrachtwagenbestuurder. De schepen van Mobiliteit van de stad A riep eerst in dat de situatie was teruggedraaid op vraag van een nabijgelegen ziekenhuis, waarvan de woordvoerder onmiddellijk liet weten dat zij géén vragende partij waren geweest, waarop er een nietszeggende persconferentie volgde van de schepen. Er zal niets aan de verkeerssituatie veranderd worden, luidde het eindverdict. En neen, de schepen zal niet zijn verantwoordelijkheid nemen, mocht u ooit die illusie gekoesterd hebben.

Als er straks weer een dodelijk ongeval gebeurt op diezelfde plek, zal er dus gedanst worden op het graf van de twee kindjes die het nooit woensdag hebben zien worden. U zult mij dat cynisme wel even vergeven. Want het uitgangspunt dat de situatie niet kan veranderd worden vanwege de o zo noodzakelijke vlotte doorstroming van het verkeer, is nog veel cynischer. Het is een principe dat vertrekt van een letterlijk en figuurlijke dodelijke logica: het recht van de sterkste. In verkeerstermen is dat onveranderlijk diegene die zich verplaatst met het zwaarste vervoermiddel. De lobby van de luchtvaartmaatschappijen is bijzonder machtig, dat bleek al snel in volle coronacrisis. Gevlogen zou er worden. De lobby van de (internationale) transportsector is zeer machtig, alles voor u, consument, nietwaar. Gereden zal er worden, desnoods op het tweede rijvak als het hevig regent, de klant (ú!) kan niet wachten. Just in time! De lobby van de automobielsector is machtig, u weet toch ook dat time = money, er mag geen tijd verloren worden in de file, toch zeker niet aan een onnozel rood licht in de stad? Doorgereden zal er worden. De lobby van de fietsers is minder machtig, maar af en toe hoort u een vertegenwoordiger iets piepen, wanneer er dan toch eens een microfoon in de buurt is. Somtijds met ware doodsverachting zal er gereden worden. De lobby van de voetgangers is… Euh, bestaat die eigenlijk wel? En de lobby van de overstekende kindjes, die moet toch ook nog bedacht worden.

Zo moet u doorstroming zien. Er is altijd wel een machtigere partij, die meer in de pap te brokken heeft, tot je finaal uitkomt bij de vliegende sector. U zult dat ook wel opgemerkt hebben. Verkeersagressie kom je in alle geledingen tegen, maar de gevolgen ervan gaan wel degelijk top-down: een vliegtuig nemen is nog altijd veiliger dan op een doordeweekse zonnige dag rechtmatig een zebrapad oversteken. Verkeersgebruikers wordt een zelfverzekerdheid aangepraat die recht onevenredig is met verkeersveiligheid. Hoe steviger u omringd bent met metaal en glas, hoe veiliger u zichzelf voelt. Maar ook: hoe arroganter velen zich gaan gedragen en hoe onveiliger het wordt voor wie onbeschermd rondrijdt of -loopt.

U kunt er donder op zeggen dat áls er al een onafhankelijk rapport komt, de conclusie zal zijn dat het aan die meisjes zelf ligt, of aan hun moeder, die een eindje achter hen aan liep met nog een ander kindje. Hoe dúrfde ze? Zelfs al staat dat niet letterlijk zo in het rapport, het zal u wel zo worden ingelepeld door handige ‘vertalers’. En er zal ook worden benadrukt dat het een spijtig ongeval is, die sukkel van een chauffeur, zelf in shock, kon er ook niets aan doen (wat overigens zeer nauw bij de waarheid zou kunnen aanleunen, maar dit terzijde).

Wat ze u niet zullen vertellen, is dat verkeersveiligheid in dit land in de eerste plaats economisch wordt bekeken: er moet vlotte doorstroming zijn. De mens is ondergeschikt aan de economie. Nochtans zou veilig op openbare plekken kunnen rondlopen een mensenrecht moeten zijn. Een conditio sine qua non van het menselijke bestaan. Een zekerheidje, toch eentje in ons leven. Verkeer zou, in volgorde, zo veilig, zo comfortabel en zo snel mogelijk moeten kunnen verlopen. Met de nadruk op die ‘mogelijk’, maar ook op die volgorde. Veiligheid boven comfort boven snelheid. Vandaag wordt de perverse omgekeerde logica gehanteerd. Elke week wordt er wel ergens een slachtoffer van die logica begraven. Of twee.

”t Kan verkeren’, zei de Nederlandse dichter en toneelschrijver Gerbrand Adriaenszoon Bredero meer dan vijf eeuwen geleden. Zijn lijfspreuk mag wat onze verkeerssituatie betreft veranderd worden in: ‘Het móet verkeren!’ Om te voorkomen dat we nog kinder- en andere levens moeten betreuren. Dan zou de dood van de twee meisjes niet helemaal zinloos geweest zijn. Helaas lezen de lobbyisten van de automobielsector deze slogan ook, alleen interpreteren ze die anders: autoverkeer móet er zijn en het móet vooruitgaan. De Heilige Doorstroming, begrijpt u.



Mannen weten nog altijd niet waarom

Samenleving Posted on za, juni 05, 2021 11:27:35

Als er mij iets irriteert aan de hoofddoek is het dat lidwoord ervoor. Het is HET hoofd en HET doek, en toch is het ook DE hoofddoek. Kijk, als we de taal logischer willen maken, kunnen we daarmee beginnen. Schaf dat gewoon af. Ik bedoel het lidwoord ‘de’, niet de hoofddoek zelf. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik daar lichtjes anders over — niet over dat lidwoord maar over de hoofddoek. Onderdrukking van de moslimvrouw, daar moesten wij, verlichte geesten van West-Europa, tegen reageren, nietwaar? Tot ik moslima’s ontmoette die geheel en al uit vrije wil een hoofddoek dragen. Uit religieuze overtuiging. En misschien ook wel een beetje uit balorigheid, om zich af te zetten tegen de groeiende islamhaat in het Westen. Niet alles wat je ziet, kan onmiddellijk en eenduidig verklaard worden. Een les in bescheidenheid was het, maar je moet er wel voor openstaan. Je moet durven toegeven dat je initieel fout zat. Moeilijk, maar het kan.

De federale staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Gendergelijkheid en Diversiteit, Sarah Schlitz (Ecolo), wilde deze week een vrouw met hoofddoek, Ihsane Haouach, aanstellen tot regeringscommissaris. Bij Vlaams Belang en N-VA stonden ze meteen op hun achterste poten, Theo Francken, koppelteken tussen beide partijen, voorop. Maar ook Georges-Louis Bouchez is vierkant tegen. Een liberaal, nota bene. Sire, er zijn geen liberalen meer, het zijn glibberalen geworden. Opportunistisch, populistisch, simplistisch. Want het ging uiteraard niet om de bekwaamheid van mevrouw Haouach, die al voldoende bewezen werd, wel over hoe ze eruitziet. Als een — komt-ie! — moslima. En dat stoot (extreem)rechts Vlaanderen tegen de borst en dus ook een rechtse Waalse glibberaal. Onbegrijpelijk. Incroyable. En dat op het departement Gelijke Kansen, Gendergelijkheid en Diversiteit. (Ik weet het, ik noteer dit als argument pro Haouach, terwijl de tegenstanders van een hoofddoek op de publieke werkvloer hetzelfde argument hanteren contra Haouach.)

Meer dan negen jaar geleden al schreef ik een blogpost over neutraliteit, want daar gaat het hier zogezegd om, waarin ik ‘neutraliteit’ op dezelfde lijn plaatste met het journalistieke principe ‘objectiviteit’: “Het is een utopisch gegeven en wordt daardoor een containerbegrip. Onbruikbaar. Zoals volstrekte objectiviteit niet bestaat, zo bestaat volstrekte neutraliteit niet. Wat voor de ene kan, zal de andere tegen de borst stuiten, en vice versa.”

Het begint bij het verbieden van de hoofddoek, maar waar eindigt het? Burgemeester De Wever wilde begin 2013 niet dat homo’s hun geaardheid beklemtoonden door een regenboog-T-shirt te dragen aan een Antwerps loket, dat was destijds voor mij de reden om daar een stukje over te plegen. Maar wat dan met de foto’s van het koninklijk echtpaar tegen de muur? Republikeinen vinden dat niet prettig. Wat met de kleur rood, als je voor een voetbalploeg supportert die in het paars speelt? Wat met een kruisbeeld, als je niet gelovig bent? Geloof me, het houdt niet op, neutraliteit is onbereikbaar. In tegenstelling tot bijvoorbeeld perfectie is het ook niet iets waar je per se moet naar streven, want perfectie is het hoogste goed, terwijl neutraliteit kleur-, geur- en smaakloos is. Het is grijs, de saaist denkbare kleur. Het enige waar je moet op letten, is het gedrag van de persoon die die uiterlijke tekens draagt. Gewoon zien of hij of zij of hen de job goed doet, meer is het niet, of zou het niet mogen zijn.

Weet u wat het ook is? Een probleem van de mannen. De meeste kritiek tegen de hoofddoek komt uit de mond van mannen. Heel wat mannen aanvaarden nog altijd niet dat vrouwen zich in het openbaar willen uiten. Dat druist in tegen onze patriarchale aard, onze vooroordelen, onze ingepeperde rol van beschermheren in de samenleving. Daar moeten we dringend iets aan doen, wij mannen. (Ik schrijf ‘ons’ en ‘wij’, maar ik meen te mogen stellen dat ik in deze kwestie emancipatorisch verder sta dan de meeste van mijn ‘collega’s’.)

***

Europa schiet nu met geluidskanonnen om vluchtelingen af te schrikken. Ik weet niet of dat op de tonen van Get back van The Beatles gebeurt (“Get back to where you once belonged”), zulk cynisme zou me niet eens verbazen. Ziekelijk en onmenselijk is het alleszins. Net zoals het ideetje van de Deense regering om asielaanvragen in een ander land te behandelen, zodat die asielzoekers met hun vuile voeten en hun stinkende adem tenminste niet in Denemarken belanden. Wordt het asiel goedgekeurd, dan moeten die mensen maar in dat ene land achterblijven, zodat de Denen er geen hinder van ondervinden, zo vat ik het even samen. De helft van de term ‘asielrecht’ bestaat uit het woord ‘recht’. Asiel aanvragen is een recht. Een asielaanvraag behandelen is een plicht. Asiel toestaan op basis van een onderzochte aanvraag is dan weer een recht van een lokale regering.

De sociaaldemocraten hebben het mee voor het zeggen in Denemarken. Ze hebben er zelfs een vrouwelijke premier, Matte Frederiksen. Hier kan ik moeilijk argumenteren, zoals in de rest van mijn stuk, dat het de schuld van de mannen is. En toch… Dat krijg je als politici van welk geslacht of welke geaardheid ook de stoerheid van duizenden jaren patriarchaal aan politiek doen blind willen overnemen. In Denemarken hebben ze geen Deens Belang nodig, een partij die op papier centrumlinks heet te zijn doet er het bruine werk.

***

Een meisje van veertien is uit het leven gestapt, het was het gespreksthema van deze week. Slachtoffer van een groepsverkrachting of -aanranding — het onderzoek loopt nog —, op een kerkhof, een gebeuren dat gefilmd werd en vervolgens zijn weg vond op de sociale media. Ik probeer het te vatten. Meisje van veertien dat door vijf jongens tussen veertien en negentien jaar aangerand/verkracht wordt. (Naar ’t schijnt zijn er tweehonderd groepsverkrachtingen per jaar, dat is meer dan één om de twee dagen. Ik viel steil achterover.) Op een kerkhof. (Kwestie van een walgelijke daad te koppelen aan een ziekmakende setting.) Iemand filmde dat. (Hoe ver heen kan je zijn om dat te doen?) Iemand verspreidde dat filmpje. (Hoe straffeloos kan je je voelen, als dader, hoe weinig mededogen heb je dan met je slachtoffer?) Duizenden jongeren wilden dat filmpje per se kunnen zien. (Hoe ziek is deze reality tv-samenleving eigenlijk?)

Als je gelooft dat mensen een tweede of derde kans verdienen — wat ik, ondanks alles, blijf doen —, valt het te hopen dat die jongens zich ooit nog, na een gepaste straf, kunnen rehabiliteren. Al kan het mij momenteel, eerlijk gezegd, weinig schelen of ze daar ook in slagen. Ze hebben dat meisje van een symbolische klif geduwd. Zij kon niet meer terug, het wringt toch om daders dan een positieve toekomst te gunnen. Sta maar eens in de schoenen van de nabestaanden, zij hebben een geliefde moeten afgeven.

Wederom constateer ik: dit is een mannelijk probleem. De meeste verkrachters zijn mannen, de meeste slachtoffers vrouwen. Het draait om macht, lusten botvieren, weten dat slachtoffers uit schaamte meestal niets zullen doen, en in dit geval ook nog eens een collectief ritueel. Heel vaak wordt er achteraf aan victim blaming gedaan: ze had daar niet moeten zijn, ze had niet mogen flirten, ze had niet zo frivool gekleed mogen rondlopen, ze had duidelijkere signalen moeten uitsturen, enzovoort enzovoort. Slaat helemaal nergens op. De rollen mogen niet — nóóit! — omgekeerd worden: de dader blijft dader, het slachtoffer slachtoffer. Het is de dader die in de fout is gegaan. Moeilijker dan dat is het niet, als het over schuld en verantwoordelijkheid gaat.

Mààr, maar… waar ligt de grens, wat mogen we nog wél doen, werpen onverlaten steeds vaker op, als het gaat over de omgang met de andere sekse, want laten we wel wezen: daar gaat het om, de ándere sekse, het niet weten hoe je je moet gedragen tegenover iemand van het andere geslacht, tegenwoordig ook nog uitgebreid naar non-binaire personen, die zich niet wensen te identificeren met een van de klassieke geslachten. Velen begrijpen dat niet, voor hen is dat moderne hocuspocus, een hype die wel zal overwaaien. Wat mogen we nog wél? Wel, ongeveer alles wat vijftig en honderd jaar geleden ook mocht. Zoveel is er niet veranderd, alleen dachten, vooral, mannen in het verleden dat zij zich zowat alles konden permitteren, als pater familias of gewoon omdat ze zich lieten leiden door het mannelijke attribuut halverwege hun lijf. Verkrachten mocht vroeger ook niet. Een kerkhof onteren evenmin. Daar polaroidfoto’s van maken en die stoer aan vrienden en kennissen laten zien? Neen, hoor.

Als we seksueel geweld écht willen aanpakken, moeten we als maatschappij niet alleen aan repressie doen — wanneer het in feite al te laat is —, maar ook aan preventie. Dan moeten we durven af te stappen van dat patriarchale juk. Dan moeten we in de opvoeding andere waarden en normen meegeven: zachtere, menselijkere, kwetsbaardere. En dan moeten we tafelspringen, haantjesgedrag en stoerdoenerij ontmoedigen, in plaats van aan te moedigen en te belonen.

***

Laatst vroeg een vrouwelijke Twitterkennis zich af waarom aantrekkelijke vrouwen — ze bedoelde: vrouwen die beantwoorden aan het klassieke beeld van een mooie vrouw — gemakkelijker likes scoren van mannen dan andere vrouwen, of mannen. Ik moest daar even over nadenken. Klopt dat wel? En hoe zit dat bij mij?

Na enige introspectie — er bestaan gelukkig geen beelden van — kom ik voor mezelf tot een geheel andere conclusie, die eigenlijk nóg pijnlijker is en die ik hier bij wijze van bekentenis neerpen zonder beschermend harnas. Zelf, bedacht ik, ga ik geen opmerking op sociale media liken omdát ze wordt gemaakt door een aantrekkelijke vrouw, die beantwoordt aan het klassieke beeld van een mooie vrouw (dat trouwens dringend eens op de schop mag). Als ik mijn betoog hier zou eindigen, kom ik heel goed weg. Helaas… Wat negen jaar aanwezigheid op Twitter mij geleerd heeft — buiten het gigantische tijdverlies, de toenemende polarisatie en de overdaad aan meningen, meninkjes en spitante oneliners —, is dat ik tot mijn drieënvijftigste met de overtuiging leefde dat grappen gemaakt werden door… mannen. Ik ben opgegroeid met mannelijke komieken, mannelijke stand-upcomedians en cabaretiers, mannelijke humor, hooguit waren vrouwen aangeefsters of ging het om uitzonderlijke loudmouths als Mae West of Bette Midler. Er viel niet aan te ontsnappen, in de westerse wereld waarin ik ben opgegroeid, hoe modern en verlicht we ons ook achtten. Dat ligt niet alleen mij: dat werd ons meegegeven, thuis, op school, op tv. Je lachte mét mannen en, helaas, heel vaak óm vrouwen. Seksisme was geen optie in de samenleving, het behoorde gewoon tot het standaardpakket. Misschien ligt het ook aan mijn parcours, waar ik ben opgegroeid, door wie ik ben opgevoed, waar ik naar school ging, wie er privé en professioneel in mijn buurt liep. In humoristische tv-reeksen die ik op tv zag waren de grappen toegeschreven naar de mond van de mannen. Op café waren het de mannen die de moppen vertelden, andere mannen probeerden hun seksegenoten in grappigheid te overtreffen en zo af te troeven, de vrouwen lachten hartelijk mee. In al mijn werkomgevingen — zowel in klassieke sectoren, als in de media — waren het de mannen die zich sarcastische of cynische humor permitteerden, de vrouwen ondergingen.

Ik heb mij nooit misdragen tegen vrouwen, echt waar, heb hen met respect bejegend, maar leefde toch met hardnekkige vooroordelen. Op Twitter heb ik ontdekt dat vrouwen minstens even grappig zijn als mannen, dat was een openbaring. De humor is weliswaar anders — minder hoekig, meer afgerond, scherp zonder te kwetsen, een poging om grappig zijn óm de grap en niet om per se grappiger te willen zijn dan een ander —, maar even of zelfs nog veel meer onweerstaanbaar. Als ik al iets moet doen, is het deemoedig het hoofd buigen voor al wie ik decennialang zonder een woord te zeggen diep vanbinnen beledigd heb, door te denken dat ze niet voorbestemd waren om mij aan het lachen te brengen. Maak u overigens geen zorgen, ik ben inmiddels genezen.

***

Ik wens mijn mannelijke broeders evenveel introspectieve momenten toe als ik deze week beleefd heb. Deze samenleving is nog altijd té mannelijk, in de oude betekenis van: stoer, conflictgericht, gelijkhebberig. We zijn wie we zijn, of willen zijn, of willen worden, maar dat mag niet beletten dat we die hokjes moeten durven te verlaten. Hokjesgeest maakt dat de hoofddoek uitsluitend wordt gezien als een anti-emancipatiekledingstuk, dat seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt weggewuifd (“Wat mogen we dan nog wel?”), dat desnoods (groeps)verkrachting als een aantrekkelijk idee wordt beschouwd om seksueel aan je trekken te komen, dat we de zogezegd typische mannelijke en vrouwelijke kenmerken blijven zien als onveranderlijk en ‘die er nu eenmaal bij horen’. Hokjes staan emancipatie in de weg. Weg met de hokjes!



Jean Aimar

Samenleving Posted on za, mei 29, 2021 11:30:37

Het moet in een aflevering van Maigret geweest, ergens diep verscholen in de jaren zestig, dat ik de uitdrukking voor het eerst hoorde: ‘J’en ai marre!’ riep het ene door Georges Simenon gecreëerde personage tegen het andere. Ik moest mijn eerste lessen in die andere landstaal nog krijgen, maar kon gelukkig al wel de onderschriften lezen. ‘Ik heb er genoeg van’ of ‘Dat volstaat’, moet er gestaan hebben, al weet ik dat niet meer zo zeker, net zomin als dat ik zeker ben dat mijn geheugen keurig heeft onthouden dat mijn primaire kennismaking met ‘J’en ai marre!’ via Maigret liep. Wat ik wel nog weet: de wielerliefhebber in mij, een toekomstige geletruidrager in ’t diepst van zijn gedachten, vroeg zich onmiddellijk af of die Jean Aimar misschien een broer was van Lucien Aimar, de onverwachte Tourwinnaar van 1966. Het had gekund, de fantasie van toekomstige sportjournalisten is wel vaker ongebreideld in hun schier zorgeloze, nog ongepolijste jeugdjaren. Pas veel later ontdekte ik dat Lucien Aimar geen koersende broer had die de voornaam Jean had meegekregen.

Jean Aimar! J’en ai marre!

De jeugdherinnering flitste deze week herhaaldelijk door mijn hoofd, vooral omdat ik er even genoeg van heb. J’en ai marre van alle geraaskal, alle gezwets, alle leeghoofdig geschreeuw en getier. Zaterdag postte ik op Facebook een tekst waarin ik mijn ‘vrienden’ die lid waren geworden van de ‘Als 1 achter Jürgen’-groep opriep om mij dat discreet te laten weten, zodat ik hen even discreet kon ontvrienden. Niemand gaf het openlijk toe, misschien heb ik mijn FB-vrienden wel goed gekozen. Enkelingen vonden dat ik niet het recht had om mensen met een andere mening de mond te snoeren, dikkenek die ik was. Ik heb hen discreet ‘ontvriend’, als ze me tenminste zelf al niet voor waren. Als een groot gemis zal ik het niet aanvoelen, wees gerust. Ik snoer niemand de mond, ik wil alleen niet dat dit soort onverlaten zich thuisvoelt in mijn Facebookhoekje. Ik bepaal zelf wel wie ik welkom heet.

Een zéér rechtse ‘vriend’ merkte op dat hij geen lid was geworden van de Jürgen C.-groep, maar dat het maar eens gedaan moest zijn met die linkse arrogantie. Ach, dat kan ik nog hebben, arrogantie is vooral vervelend als je er het adjectief ‘domme’ moet voor plaatsen. De man schreef nog dat rechts en extreemrechts ‘monddood’ worden gemaakt in dit land. Dat begreep ik al veel minder. De avond voordien zat Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken in De afspraak op vrijdag. Kopstukken van rechts en rechtser-dan-rechts mogen geregeld langskomen in tv-studio’s. Deze week mocht Theo Francken dankzij een scherpe tweet over defensie aanschuiven in Terzake, was Assita ‘Racisme is relatief’ Kanko te gast in De afspraak en kaapte Siegfried Bracke de (ultra)rechtse media voor een (ultra)rechtse boodschap richting viroloog Marc Van Ranst. Hoezo, ‘monddood’? Jean Aimar! (Terloops: ik vind het geen goed idee dat een rechter de boodschap ‘Stop islamisering’ een veroordeling waard acht. Ik vind dat een compleet onzinnige, enigszins laakbare, inhoudelijk verwerpelijke en vrij agressieve boodschap, maar wel nog netjes binnen de perken van de toegelaten vrije meningsuiting, me dunkt. Als we elke domme uitspraak juridisch gaan veroordelen, zijn onze rechtbanken nog wel even zoet.)

Dezelfde zéér rechtse ‘vriend’ wierp op dat dit land geen democratie meer is, omdat de uitslag van de verkiezingen van 2019 niet weerspiegeld wordt in de diverse regeringen. Nu verwarren zéér rechtse mensen wel vaker de uitslag van verkiezingen met de meest recente poll, maar soit. Bij mijn weten is een regering democratisch als ze ofwel een meerderheid haalt in het parlement, ofwel via gedoogsteun van niet in de regering zittende partijen aan die meerderheid geraakt. Alle regeringen in dit land hebben een meerderheid achter zich. En inderdaad, Vlaams Belang, de grote winnaar — maar niet de grootste partij! — in 2019, is nergens vertegenwoordigd, ondanks een vrij lange vrijage met N-VA-voorzitter De Wever twee zomers geleden. Dat andere partijen njet zeggen tegen VB kan je vatten onder de ietwat ongelukkige term ‘cordon sanitaire’, maar vooral als het weigeren om samen te werken met een partij die zich in woorden en daden kant tegen grote delen van de samenleving en die onverdraagzaamheid als beginsel koestert. Weigeren met zulke partij samen te werken, is legitiem. En dus is er bijvoorbeeld in Vlaanderen een meerderheid gevormd zonder Belang. En dus is er federaal een meerderheid zonder Belang én N-VA. Dat heet democratie: er is een meerderheid gevormd door andere partijen, N-VA heeft trouwens kansen genoeg gehad om een regering te vormen, alleen wilde De Wever per se dat de Vlaamse liberalen zich zouden ontdoen van de Waalse. Dat N-VA niet in de federale regering zit, is eerder een gevolg van de eigen (domme?) arrogantie dan van de onwil van anderen om met hen in een regering te stappen. Eigen schuld, enzovoort. Máár… er is federaal toch geen meerderheid langs Vlaamse kant, is dan meestal de repliek. Inderdaad, zoals er tussen 2014 en 2020 geen meerderheid was langs Waalse kant, en tussen 2011 en 2014 opnieuw langs Vlaamse kant, een meerderheid die er na de verkiezingen van 2014 wél was bij diezelfde partijen, voeg ik er even snel aan toe. De Vlaamse regeringspartijen werden toen in het stemhokje wél beloond voor hun minderheidssituatie. Als je niet aanvaardt dat er een regering kan gevormd worden zonder de grootste partij(en), maar die wel voldoet aan het simpele uitgangspunt ‘meerderheid’, ben je zelf niet echt een democraat, vind ik. Jean Aimar!

Specifiek over Jürgen C. waren er verschillende onverlaten die opwierpen dat er toch nog niets gebeurd was. Euh, de man heeft doodsbedreigingen uitgesproken aan het adres van een vooraanstaande viroloog, getuigde in verschillende Facebook-posts van groeiend extremisme, zaaide haat, stal raketwerpers en nog wat ander wapentuig uit een kazerne en had een boobytrap gemaakt in zijn achtergelaten wagen, die mogelijk dodelijke slachtoffers had kunnen maken. Alles wees en wijst erop dat hij een gevaar voor de maatschappij vormt. Niets gebeurd, pardon??? Jean Aimar!

Filosoof Ignaas Devisch, een man die ik zeer weet te appreciëren, schreef in De Standaard dat we diegenen die de voortvluchtige militair steunen niet moeten reduceren tot marginaal of dom. Je moet proberen te begrijpen hoe die groep denkt en handelt, vindt hij. Twintig jaar geleden zou ik mee geweest zijn met die boodschap. Nu niet meer. Ik vind het naïef — waarmee ik professor Devisch geen naïeveling wens te noemen, voor alle duidelijkheid, maar ook de allerslimsten onder ons zijn weleens naïef, het siert hen overigens. Bekijk de vorige paragrafen en je beseft dat de mensen die dat soort onzin uitkramen al heel ver heen zijn. Welk begin van een dialoog zou je met hen kunnen proberen op te starten? Welk redelijke conversatie kun je proberen te voeren met een onredelijke? Vanaf wanneer gaan onzinnige opmerkingen over in onzinnigheid tout court? Ik help het Ignaas Devisch hopen dat er nog kan gepraat worden, maar ik vrees ervoor. (Ooit was ik zelf een naïeveling, die ervan uitging dat de mensen niet dom zijn, maar dom worden gehouden. Ondertussen denk ik beter te weten: met de overvloed aan betrouwbare informatie die in één vingerknip ter beschikking staat, kunnen mensen helemaal mee zijn. Ze verkiezen met een andere vingerknip om niet geïnformeerd te worden of zich te laven aan hardnekkige vooroordelen of zich te wentelen in nepnieuws en complottheorieën of zich achter een spandoek van een tafelspringer te scharen. Dat is zelf kiezen voor domheid.)

Als mensen die bijna voortdurend aan het woord zijn, klagen over de vrijheid van meningsuiting (‘Wat mogen we nog zeggen?’), dat ze monddood gemaakt worden door de ‘MSM’ en dat dit land ondemocratisch geleid wordt, terwijl alles wijst op het tegendeel, welke dialoog is er dan nog mogelijk?

Jean Aimar of ‘J’en ai marre!’, wat de juiste uitdrukking ook moge zijn, ik heb genoeg van die prietpraat van (extreem)rechts en hun huilie huilie calimerogedrag. Wie ook maar een greintje respect betoont voor de daden van Jürgen C. loopt er de juridische, democratische en ethische kantjes af. Alleen als die personen toegeven dat ze fout zitten en zich afkeren van de potentieel gevaarlijke wapengek, kan er een dialoog opgestart worden. Niet eerder. Alleen als zéér rechtse mensen toegeven dat we wel degelijk in een legitieme democratie leven — met al zijn onvolmaaktheden, Churchill had gelijk —, kan er een dialoog opgestart worden. Niet eerder. Alleen wanneer een discussie op basis van rationele argumenten en niet van emotie, vooroordelen of haat opgestart wordt, wil ik ze aangaan. Niet eerder.

Jean Aimar!



Volgende »