Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Ja, het is erg

Samenleving Posted on za, november 21, 2020 12:31:36

Ons mentale welzijn wordt tijdens deze tweede lockdownperiode nog zwaarder op de proef gesteld dan tijdens de eerste, zo las ik woensdag in de krant. Ik kan me daar iets bij voorstellen. In maart, april en mei was deze situatie voor velen nieuw: voor wie geen oorlog had meegemaakt, was dit ónze oorlog. Zeer lastig, maar tegelijk ook opwindend. Er gebeurde iets hier, met ons, en we zaten er verdorie middenin. Voor wie niet zelf ziek werd of een naaste verloor was het een sensatie, zo’n beetje zoals journalisten reageren op groot wereldnieuws, genre 9/11, Charlie Hebdo of de aanslagen in Parijs of Brussel. Eigenlijk mag je dat niet toegeven, maar het is kicken. Adrenaline stroomt volop door je lijf, zelfs op grote en veilige afstand, of juist heel dichtbij, krijg je het gevoel dat je heel even meetelt. Jouw inbreng doet ertoe. Voorjaar 2020 was voor ons allen terzelfdertijd een wake-upcall, een moment van bezinning en een adrenalinestoot. We beleven dit sámen, was het overheersende gevoel, en we zullen dit ook sámen overleven.

De tweede golf dompelt ons nog veel meer onder in de harde realiteit. Er lijkt geen uitweg te zijn, het virus komt letterlijk dichterbij, nog eens een paar maanden ons leven voor een groot stuk aan banden leggen, confronteert ons nog veel meer dan een half jaar geleden met wat we niet meer kunnen of mogen, zonder concreet vooruitzicht. Kerstmis komt eraan, een kerstfeest wellicht niet. Veiligheidshalve misschien ook best niet. Vaccins worden triomfantelijk aangekondigd, maar ook weer zonder concrete datum en zonder duidelijkheid wie er eerst aan de beurt komt.

***

Ik stelde in een Twitterpoll — een rondvraag die waard is wat ze waard is, een momentopname die je vooral moet relativeren — de vraag wat mensen erger vinden: geen concreet perspectief of een perspectief dat waarschijnlijk zal opschuiven, misschien wel meerdere keren, een jojo-effect dat we intussen beginnen te kennen. Een meerderheid van de, toegegeven: slechts, 71 stemmen ging naar ‘Geen concreet perspectief’, als negatiefste scenario. Mensen hebben dus liever dat hen íets wordt voorgespiegeld, hoe onzeker ook, dan níets. Mogelijk ben ik te rationeel om dat te begrijpen, of is mijn persoonlijke situatie redelijk geruststellend in vergelijking met anderen, maar ik vind dat vreemd. Ik hou niet van beloften die allicht niet waargemaakt kunnen worden.

Het was ook geen juist of fout-kwestie: we beleven de uitermate vervelende situatie op verschillende manieren, omdat we nu eenmaal verschillend zíjn. Wie afziet van de coronacrisis, is geen doetje, wie stoer doet, staat daarom als persoon niet steviger in zijn schoenen dan wie toegeeft dat ie door een moeilijke periode gaat. Nochtans is dat net wat er de voorbije dagen steeds vaker gebeurt. Als jongeren, meestal studenten, wijzen op de gevolgen van de toestand voor hun geestelijk welzijn, reageren ouderen weleens met een dooddoener als ‘En dan heb je nog geen echte oorlog meegemaakt’, of iets in die trant. Mededogen is niet in overvloed aanwezig in deze samenleving, zelfbeklag net iets meer. Wie zegt dat die jongeren niet moeten zeuren, omdat ze nog niets ergs hebben meegemaakt, zegt eigenlijk: ik heb véél erger meegemaakt en hoor je mij nu klagen? Het omgekeerde gebeurt natuurlijk ook, want door hun jammerklacht zeggen die jongeren impliciet dat zij het erger hebben dan een ander. Ik maakte er zondag een tweet over die bijna vijftienhonderd keer werd geliket en bijna vierhonderd keer geretweet. Blijkbaar raakte ik een gevoelige snaar. Ik schreef:

“Ja, dit is erg voor jongeren.

Ja, dit is erg voor volwassenen.

Ja, dit is erg voor ouderen.

Ja, dit is erg voor wie alleen is.

Ja, dit is erg voor wie niet buiten mag.

Kortom, ja, dit is erg voor iederéén. ’t Is geen wedstrijdje om ter ergst. Minimaliseer niet, veralgemeen niet.”

Zelfs op zulke algemene bedenkingen krijg je tegenwoordig vileine reacties. Dat heus niet iederéén getroffen wordt (klopt) en zeker niet in dezelfde mate (klopt ook, die beperking tot 280 tekens toch!). Dat niet minimaliseren en niet veralgemenen het tegenovergestelde betekent (weet ik ook wel) en elkaar daardoor opheffen (klopt niet, ze bestaan naast elkaar, dat was net mijn punt). Dat jongeren en senioren de meeste media-aandacht wegkapen (klopt, en dan?).

Sta me toe een CD&V-momentje in te lassen: enerzijds begrijp ik dat ouderen jongeren nu verwijten dat hun geestelijke gezondheidsklacht prematuur is, ze hebben immers nog zo weinig meegemaakt in het leven, anderzijds snap ik dat een verloren jaar nog moeilijk in te halen valt en dat je geestelijke pijn niet domweg mag relativeren of afwegen tegenover wat je zelf hebt meegemaakt. Al geldt dat voor een senior gevoelsmatig nog veel meer dan voor een jongere. Mededogen is de sleutel. Aanvaarden dat iemand anders het moeilijk heeft, en daar niet onmiddellijk je eigen situatie aan koppelen, veel grotere persoonlijke miserie aanhalen of naar een verre oorlog verwijzen, moet toch mogelijk zijn? Ik herhaal: het is geen wedstrijd. Dit zijn niet de Olympische Spelen van het Grote Afzien. Er is geen podium, er worden geen medailles uitgereikt, er moeten geen records verbeterd worden. Zo goed mogelijk overleven is de boodschap. Apart én samen.

Ik moest bij dit alles denken aan een hele oude sketch, die u op YouTube kunt terugvinden onder de naam ‘The Four Yorkshiremen Sketch’. De zwart-wit-opname uit 1967, opgevoerd in het rechtstreekse tv-programma At last the 1948 show en later ook diverse keren herhaald door het Monty Python-gezelschap, toont vier comfortabel achteroverleunende, sigaren rokende, dure wijn drinkende heren in witte smoking (Tim Brooke-Taylor, John Cleese, Graham Chapman, Marty Feldman) die herinneringen ophalen aan de poor old days, toen ze straatarm waren.

“Toen dronken we geen Château de Châtelas. We waren al blij met een kopje thee.”

“Een kopje koude thee.”

“Zonder melk of suiker.”

“Of thee.”

De eerste zegt dat hij opgroeide in een heel klein huis. De tweede antwoordt: “Huis? Wij woonden met zesentwintig in één kamer, zonder meubelen, de helft van de vloer ontbrak en we zaten met z’n allen opgerold in één hoek.” Waarop de derde repliceert dat zijn familie op de gang leefde en de vierde die gang ‘een paleis’ noemt, vergeleken met de watertank waar zijn familie in leefde, tussen de vissen. Dan is het weer aan de eerste om dat ‘huis’ te downsizen, want dat klonk net iets te chique. En zo gaat dat maar door, tot ze beginnen te pochen over hoe hard ze moesten werken voor een habbekrats, tot wel 29 uur per dag.

“Zeg dat eens tegen de jongeren van vandaag, zouden ze je geloven?”

“Neen!”

***

…en dan moet straks dat vaccin nog verdeeld worden. Dat doet dan weer denken aan de onopgeloste discussie over zware beroepen van een tijdje geleden: met een vroegere pensioendatum in het verschiet, oefende opeens nagenoeg iedereen een zwaar beroep uit. Vandaag voelen velen dat ze tot een prioritaire groep behoren om als een van de eersten ingeënt te worden. Het zorgpersoneel krijgt voorrang, ja, dat begrijpen ze nog wel, maar daarna zijn zij zeker aan de beurt. Ja, toch?

De coronacrisis brengt het beste naar boven bij sommigen en het slechtste bij veel meer mensen. Of is ook dat weer een te grote veralgemening?



¡No pasarán!

Samenleving Posted on za, november 14, 2020 12:51:36

We moeten het over bloemen hebben.

Niet de soort die je in je mooiste vaas zet en die je laat groeien en bloeien.

Niet de soort die kleur geeft aan je leven.

Niet de soort die een teken van erkenning is, of liefde, of sympathie, of een beloning, of een gebaar van je ne sais quoi.

Niet de bloemen die de winnaar krijgt.

***

Neen, dit gaat over bloemen op een graf van een oorlogsmisdadiger, en niet zomaar een collaborateur van dertien-in-een-dozijn, maar iemand die in een buurland een — als je dat zo mag noemen — vooraanstaande rol speelde in dienst van de vijandelijke bezetter.

Een jonge vrouw die zich verkleed had in dirndl maakte dat huiveringwekkende gebaar ter gelegenheid van Wapenstilstand. Uitmuntende timing wel, de dag dat je het einde van een oorlog, de Eerste, herdenkt, ga je iemand die tijdens de volgende oorlog, de Tweede, het eigen volk zeker niet op de eerste plaats zette, huldigen. Ze had minder ophef gemaakt als ze was gaan pissen op het graf van een verzetsstrijder of een onschuldig slachtoffer van het nazisme.

Een dag nadat de deerne in dirndl het op haar verzoek verfilmde voorval zelf openbaar maakte, tweette @AuschwitzMuseum een foto van een baby in een wieg: een jongetje dat op 13 november 1943 was geboren in Den Bosch en dat alleen maar omdat het joods was, twee maanden later werd overgebracht naar Auschwitz, waar het vrijwel onmiddellijk naar de gaskamer werd overgebracht. Je kon aan de hand van die zwart-wit-foto van een wenende baby niet zien of het een jongen of een meisje was, wie de ouders waren, tot welke bevolkingsgroep hij behoorde. Maar puur en alleen omdat het een joods kindje was, moest het worden geliquideerd en wel zo snel mogelijk.

Bloemen op een nazigraf leggen komt neer op het impliciet goedkeuren van de moord op dat jongetje en al die andere vrouwen, mannen en kinderen die vanuit Nederland werden gedeporteerd naar een kamp waar ze meestal nog diezelfde dag werden vergast. Het is zoveel als zeggen dat het goed is wat er toen gebeurd is.

***

Ja, het was lachen met Carrera NeefSS, jazeker, ik noem haar naam toch maar even, mocht u het gemist hebben omdat u toevallig iets beters te doen had. De verklaring achteraf was dat ze de bloemen neerlegde in naam van iemand die slecht te been is, o zo sympathiek toch: och ja, zolang de man zijn rechterarm maar kan strekken. Het wicht in dirndl zorgde voor een hele dag jolijt op Twitter, dat concentratiekamp van meningenspuiers, haatzaaiers en grapjurken. Er werd een cordon floral rond haar gedrapeerd. Zelfs Vlaams Belang startte een interne procedure op, wellicht om na te gaan of de bloemen wel gekocht zijn in een koosjere winkel, ’t is te zeggen bij een bloemist die alleen aan eigen volk verkoopt.

Het is lachen met die dwaze Trump en zijn malle poging tot staatsgreep, met Steve Bannon en zijn schalkse oproep tot onthoofdingen van dwarse overheidsmensen, met die pipo’s die commentaren schrijven op openbare fora, met radicaal-, extreem-, altright-rechtsen all over the world, hahaha. Klojo’s aller landen, wij lachen met u, maar terwijl mensen met enig gezond verstand, empathisch vermogen en mededogen dit allemaal kapot relativeren, doen die rechtiewechties dat natuurlijk niet. Want die menen dit. Die nemen geen woord terug, hooguit zeggen ze dat ze misbegrepen werden, om dan in beperkte kring te herhalen wat ze wel degelijk meenden. Die lachen met de lachers, want ze lachen zelf nooit, tenzij dan uitlachen. Die hebben geen zin voor humor, zoals u en ik. Die relativeren niets, behalve dan — veronderstel ik — de geste om bloemen op het graf van een andere extreemrechtse kornuit te leggen.

Ik wil niet zeggen dat we niet meer mogen lachen met een neptiroler Fräulein met een overdreven hang naar vervlogen tijden, maar we moeten wel beseffen dat de jongedame ook applaus zal hebben geoogst, en respect, en navolging zal krijgen, en voor elke retweet van haar — laten we wel wezen — belachelijke outfit en voor elke boze, grappige of stoute opmerking, zal ze in een parallel universum applaus hebben geoogst, figuurlijke bloemetjes toegeworpen hebben gekregen. Later krijgt ze voor deze verzetsdaad mogelijk zelf bloemen op haar graf, heldin van het eigen volk in dat olijke jaar 2020. Wat wij — lieden die nog wel in staat zijn om te redeneren, te relativeren en het verschil tussen goed en kwaad redelijk in te kunnen schatten — in deze bizarre tijden voor ogen moeten houden, is dat onze moderne samenleving niet stoelt op logica, burgerzin en gezond verstand. De coronacrisis bewijst dat iedere dag, de Trumpisten onderstrepen dat nog eens extra, verkiezingsresultaten over de hele wereld leggen de pijnpunten van onze democratie genadeloos bloot. Een groeiend deel van de bevolking heeft zich afgekeerd van wat wij — lieden die nog wel in staat zijn om te redeneren enzovoort — als normaal aanzien. Erger nog, dat deel wordt aangevoerd en aangevuurd door krijgshaftige leiders die zelf hún waarden en normen proberen op te dringen, iets wat wij — lieden die nog wel in staat zijn enzovoort — dan weer op de korrel nemen. Ook dat is lachen. Tot het lachen ooit ophoudt.

Laten we toch maar de paradox van tolerantie van Popper uit het hoofd leren: ‘onbeperkte tolerantie moet leiden tot het verdwijnen van tolerantie’. We kunnen niet oneindig verdraagzaam blijven tegenover de onverdraagzamen, anders wordt hun onverdraagzaamheid de norm. We kunnen niet blijven lachen met domme blondjes met bloemen aan een graf, anders gaan ze dat speciaal doen om de linkiewinkies uit hun tent te lokken. We kunnen niet blijven toekijken en toehoren hoe het gebrek aan gêne om bevolkingsgroepen te beledigen dag na dag schaamteloos toeneemt, anders komen we zelf ook ooit weleens aan de beurt. En wie zal er dan bloemen op óns graf komen leggen, of op het symbolische graf van de onbekende tolerante burger, gesneuveld ergens in de eenentwintigste eeuw?

¡No pasarán! lijkt me een geschikte strijdkreet tegen de vijanden van de open samenleving. Het motto wordt toegeschreven aan de Franse generaal Nivelle tijdens de Eerste Wereldoorlog, maar werd pas echt beroemd toen de Spaanse communiste Doloros Ibárruri Gómez (1895-1989) de woorden in november 1938 uitsprak tijdens de Slag om Madrid, onderdeel van de Spaanse Burgeroorlog. Niet dat het hielp, de troepen van Franco wonnen uiteindelijk en zouden Spanje zesendertig jaar onder de knoet houden. De fascisten riepen ‘Hemos pasado’, ‘We zijn er langs’, toen ze Madrid veroverden. Om te vermijden dat fascistoïde typetjes allerhande ergens ter wereld ‘Hemos pasado’ zouden kunnen roepen, of blijven roepen, moeten respectabele zielen opnieuw aanknopen met de toen vergeefse en hopelijk nu wel wereldwijd aanslaande, verbindende woorden. Gij zult geen vrije doorgang krijgen, ratjetoe van overjaarse nazi-adepten, aanbidders van het fascistische Grote Gelijk, verdedigers van het onverdedigbare, fans van legale en illegale autoritaire mannetjesputters: ¡No pasarán!



Geen excuus

Samenleving Posted on za, oktober 17, 2020 12:30:38

Dat we het moesten begrijpen, die wars van alle strenge coronamaatregelen uitbundig feestende studenten aan de Overpoort in Gent of op de Oude Markt in Leuven, of hier en daar op privéfeestjes op kot, mondmasker half op of helemaal af, driftig hun speeksel in het rond spreidend, om de muziek en de andere veel te luide gesprekken te kunnen overstemmen. Ze maken dit maar één keer in hun leven mee: nu (of nooit).

Dat het volstrekt onbegrijpelijk was, die bende egoïsten die door hun gedrag vatbaar waren voor een virus dat geen onderscheid maakt tussen jong en oud, man en vrouw, slim en dom, half voorzichtig en onvoorzichtig, en die zo ook hun dichte familieleden in gevaar konden brengen. Is dat nu zo erg, een half jaar of een jaar of misschien wel achttien maanden zonder traditioneel studentenleven, inclusief lallende feestjes, grensverleggende dopen (de grens van de goede smaak en het gezond verstand verleggend, bedoel ik) en het eerste echte lief?

Ja, dat is héél erg, riep die eerste groep terug.

Ik heb even gependeld tussen beide standpunten, ook al bevond ik mij bij aanvang al in het tweede kamp, dat van de kwaadsprekers over die feestvierders. Mijn besluit: ik blijf niet alleen bij mijn standpunt, ik ben zowaar nóg kwader geworden, heb er nóg minder begrip voor, vind de aangehaalde argumenten waarom we dit allemaal door de vingers moeten zien nóg stompzinniger. Ik zal u zelfs zeggen waarom.

Het is waar dat studenten slechts vier of vijf jaar (zeven in het geval van de Vlaamse minister van Onderwijs) kunnen profiteren van een unieke periode in hun leven, en, ja, ongeveer een kwart daarvan wordt hen nu afgenomen. Blijft over: tweeënhalf tot vier jaar. Nog altijd een leuke fase in een mensenleven. Er zal veel ontdekt kunnen worden de komende jaren, wees gerust.

Zet daar tegenover de ouderen die veel dichter bij het einde dan bij het begin zijn, die al heel ver in hun geheugen moeten delven om zich hun studententijd te herinneren, gesteld dat ze tot de gelukkigen behoorden die mochten voortstuderen, en die in coronatijden extra kwetsbaar zijn. Hebben zij nog vier of vijf jaar te gaan? En hoe erg is het dan dat van die beperkte tijd nog minstens een jaar vrijheid, blijheid wordt ontnomen? Een jaar is een jaar, maar een jaar minder ongedwongen leven lijkt me voor de senior een pak erger.

Denk aan mensen die moeten leven met de onverbiddelijke K-diagnose. Misschien hebben ze in een overmoedige bui een bucketlist opgesteld, van wat ze zeker zouden willen doen in de tijd die hen nog gegund is. Weg bucketlist, alles wat daarop staat is gevaarlijk, allemaal prettige avonturen die nu even niet kunnen of mogen. Reizen, eten, drinken, die eerste en tegelijk laatste vlucht met een luchtballon, gezellig bijeen zijn met de hele familie in een slecht verlucht feestlokaaltje. Kan niet, mag niet.

Wat met de mensen die niet de middelen hebben om te feesten? Die wegkwijnen op een piepklein appartement, zeventien hoog, met vijf mensen op een ruimte die hooguit geschikt is voor twee? De meeste van die fuivende studenten worden gesponsord door hun ouders, maar wie sponsort de armen, die net door hun financiële- en leefsituatie, op elkaar geprangd in onhygiënische omstandigheden, Covid-19 doorgeven als was het een estafettestokje in een olympische race, waarna ze nog scheef worden bekeken ook?

Dat ze het nieuws niet volgen zoals veertigers, vijftigers en zestigers doen, was ook een excuus dat je hoorde de voorbije dagen. Ze zijn dus niet op de hoogte van alle maatregelen, ze worden niet bereikt. Ammehoela, denk ik dan. Dat tieners en twintigers niet naar het tv-journaal gekeken, is geweten. Ik doe dat zelf ook zeer zelden, trouwens. Dat ze geen kranten lezen, is geweten. Ik doe dat ook niet om het nieuws te kunnen volgen, want dat ken ik meestal al. Ik doe het voor de achtergrondverhalen en de duiding. Dat ze niet op Twitter zitten om zich druk te maken om de actualiteit, is geweten. Hun volste recht. Maar je maakt mij echt in geen honderdduizend jaar wijs dat ze niet weten wat er aan de hand is, met al die apps, de Tiktoks, de Snapchats, de Instagramposts, de Facebook-berichten die dagelijks in hun persoonlijke tijdlijn opdoemen. Wie ouder is dan zes, niet op een onbewoond eiland middenin een of andere oceaan woont, en niet dement is, kan gewoon niet níet op de hoogte zijn van de verwoestende doortocht van sars-cov-2, alias Covid-19, in de hele wereld. Zelfs gefragmenteerde informatie moet volstaan om te weten dat je voorzichtig moet zijn, voor jezelf en voor je dierbaren. Er is geen enkel — géén enkel! — excuus om niet te weten dat lijf-aan-lijffeesten momenteel niet aan de orde zijn.

Dus ja, ik wil via deze weg gerust even woordvoerder van het tweede kamp spelen, dat van de strenge critici van de thé dansants op straat, die de studenten een virtuele pedagogische tik om de oren wil geven. Dit moet nota bene een deel van onze toekomstige elite voorstellen: misschien zitten er toekomstige journalisten tussen, die over enkele jaren de bevolking zo objectief mogelijk moeten inlichten. Wellicht zitten er toekomstige advocaten en rechters tussen, die over enkele jaren mogen oordelen over wangedrag van anderen. Mogelijk loopt er een toekomstige minister in rond, wie weet zelfs die van Volksgezondheid. Deze lieden hadden gewoon beter moéten weten en thuisblijven, of op kot. Deze bollebozen moeten weten wat het concept ‘gezond verstand’ inhoudt en zouden ‘burgerzin’ niet alleen correct moeten kunnen spellen, maar ook begrijpen wat het betekent. Deze losbollen hebben een middelvinger opgestoken naar de samenleving in het algemeen en hun eigen omgeving in het bijzonder. Qua collectief egoïsme kan dat tellen. Neen, dat mogen mensen die zich verantwoord gedragen niet tolereren en niet oneindig blijven relativeren tot het uiteindelijk allemaal niets meer voorstelt. En, neen, deze jongeren moeten niet in de gevangenis of moeten niet de rest van hun studentenleven torenhoge boetes afbetalen, maar misschien kan je hen bij wijze van alternatieve doop inschakelen als hulpjes in de zorg? Dan zullen ze snel op de hoogte zijn, zelfs zonder dat ze naar het tv-journaal kijken of de krant lezen. Je moet die jonge mannen en vrouwen niet met een levenslang stigma doen rondlopen, maar eventjes hardop wijzen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid mag dat nog, ja?

Les excuses sont faites pour s’en servir, maar nu even niet graag. Er is geen enkel excuus mogelijk voor dit gedrag.



Het is wat het is

Samenleving Posted on za, oktober 10, 2020 12:26:39

Herinner u de volkstoeloop aan het koninklijk paleis na de dood van Boudewijn, in de zomer van 1993. Siegfried Bracke, toen politiek verslaggever van de BRTN, sprak zelfs overdreven plechtstatig van ‘een nieuw politiek feit’.

Herinner u 9/11, en hoe dat het begin zou zijn van een cultuurstrijd op leven en dood met de islam.

Wie oud genoeg is, zal zich nog herinneren dat na de Tweede Wereldoorlog de slogan ‘Nooit meer oorlog’ opgang maakte. Nooit meer oorlog was de toekomst. Nooit meer oorlog was zelfs het verleden, want het stond al in 1930 te lezen aan de voet van de IJzertoren in Diksmuide. Minder dan tien jaar later was het wéér oorlog. Nooit werd ooit. Pacifisten hadden hun wensen voor werkelijkheid gehouden.

Boude voorspellingen en voorbarige conclusies horen thuis in het museum van de Grote Vergissingen, dat vele hectaren over vele verdiepingen in beslag neemt.

Dat ‘nieuw politiek feit’, die opstoot van liefde voor de monarchie, is allang vergeten, in de eerste plaats door die reporter, die aansloot bij een republikeinse partij. De meerderheid van de Belgische bevolking mag dan nog wel een koning willen en die mag zelfs gerust Filip heten, maar echt gehecht aan die koekendozensymboliek zijn we niet. Steeds meer mensen stemmen op partijen die het land willen splitsen, terwijl ze wel België willen behouden en ook niets tegen de monarchie hebben, wel tegen al die vette dotaties voor koningen, prinsen en prinsessen. Dubbelzinniger kan niet.

De cultuurstrijd is er niet gekomen — of is er permanent, zo u wilt, maar gelukkig niet in de vorm van een open oorlog. Al-Qaeda en zelfs IS zijn naar de achtergrond verdrongen. Het vijandbeeld van ‘de moslim’, opgedrongen door extreemrechts, slaat nergens op. Islamfundamentalisme maakt pas op de plaats, waakzaamheid blijft geboden. Naast de duizenden slachtoffers die vielen tijdens terroristische aanvallen, is ‘de moslim’ nog het grootste slachtoffer van 9/11 en consoorten. Altijd en overal verdacht.

En die ‘Nooit meer oorlog’, ach… Behalve in West- en Noord-Europa zijn er de voorbije vijfenzeventig jaar tal van kleine en grote conflicten geweest, oorlogen en burgeroorlogen, miljoenen slachtoffers kunnen het niet meer navertellen, voor hen was die goedbedoelde slogan finaal betekenisloos. En zelfs dat ‘vredige’ West-Europa moet gerelativeerd worden, denk aan het conflict in (Noord-)Ierland.

***

Bij het begin van de coronacrisis, en zeker na de afkondiging van de lockdown half maart, was de veronderstelling dat ons leven drastisch zou veranderd zijn eens dat virus was bedwongen. We zouden beter met elkaar leren omgaan. We zouden toleranter zijn geworden. We zouden meer en blijvende aandacht hebben voor de zwakkeren in de samenleving. De ‘brave new world’ zou lieflijk zijn, veel warmer — en niet alleen dankzij de klimaatopwarming — dan de Oude Wereld, solidariteit zou geen loos begrip meer zijn voor de meeste mensen.

Nauwelijks zeven maanden later mag die prognose, noem het gerust een fata morgana, de virtuele brandstapel op. Komt niets van in huis. Mensen zijn niet veranderd en zullen niet veranderen. Altruïsten zijn altruïsten gebleven, egoïsten zijn nog altijd egoïsten, narcisten komen nog altijd klaar van hun eigen spiegelbeeld. Zo was dat in maart 2020, zo is dat in oktober 2020 en zo zal dat zijn wanneer Covid-19 ons leven niet langer beheerst.

Wie voorheen bekommerd was om zijn medemens die twee huizen verder woonde, is dat nog altijd, misschien zelfs sterker dan tevoren. Wie voorheen alleen bekommerd was om de bewoners van zijn eigen huis, eventueel nog de buren, is dat nog altijd, en ook hier geldt wellicht: sterker dan een half jaar geleden. Zowel internationale solidariteit als ‘Eigen volk eerst’ bestaan nog, wie tot die groepen behoorde, zit er nog altijd bij en roept nog net iets luider dan in de lente. Polarisering is hyperpolarisering geworden.

Wie braafjes de opgelegde maatregelen volgde — en niet alleen omdat het verplicht werd, maar omdat dit het beste was voor ons allen —, doet dat vandaag nog altijd. Wie er toen al de kantjes afliep, doet dat vandaag nog altijd. En wie toen lockdownfeestjes organiseerde of bezocht, veegt ook vandaag nog zijn egoïstische, kortzichtige voeten aan de maatregelen.

Wie elke avond klokslag acht uur de voordeur opende om te applaudisseren voor het zorgpersoneel, had voordien ook al respect voor die sector. Wie alleen voor zichzelf applaudisseert, hield de deur gesloten: toen, nu en in de toekomst.

Wie geen gezond verstand had, heeft dat ondertussen ook niet gekregen. Dom werd dommer, zelfzuchtig zelfzuchtiger.

Wie laf was, is dat nog altijd, en dat geldt ook voor de dapperen onder ons.

Wie eerlijk was, is dat nog altijd, en dat geldt ook voor de leugenaars.

Wie arm was, is nog armer geworden, wie rijk was, is rijk gebleven en blijft erop hameren dat hij al genoeg bijdraagt tot de samenleving.

Wie oog had voor de mensen in de marge, ziet vandaag nog veel meer waar de problemen zich situeren. Wie niet omkijkt naar zijn naaste, ziet niets.

***

Naast ontkenners van de klimaatproblemen hebben we nu ook corona-ontkenners. Het gaat niet zelden om dezelfde figuren. Zien zichzelf als arenden, maar zijn in feite struisvogels. Kop in het zand, niets aan de hand. Dat zou op zich niet erg zijn, mochten ze niet zoveel toehoorders verzamelen, mede dankzij de fora die de media hen gretig aanreiken. Controverse verkoopt. Clickbait, nietwaar. Dat er vervelende bijwerkingen zijn, och ja, dat mag je de media niet aanrekenen hé. ‘Mensen hebben toch een keuze?’

Covid-19 ging het beste in de mens naar boven brengen, zo werd voorspeld. De realiteit is dat de contrasten nog groter zijn geworden en dat wie goed was, misschien wel beter is geworden, en wie slecht was, misschien wel nóg slechter. De coronacrisis verandert juist niets, tenzij dan dat de zaken meer dan ooit op scherp staan. Om het met de woorden van een falende en in een verbijsterende en onthullende Pano-reportage arrogant haar eigen verantwoordelijkheid opzijschuivende ex-minister te zeggen: ‘Het is wat het is.’ We zijn wie we zijn. Daar zal een wereldwijde gezondheidscrisis nauwelijks iets aan veranderen. Trumpisten blijven, met God aan hun zijde, lachen met ‘dat griepje’, lifestylecoaches en motivatiepsychologen blijven u overstelpen met nietszeggende, opbeurende oneliners, optimisten zien licht aan het eind van de tunnel, pessimisten zien zelfs de tunnelopening niet. Wie iets te verkopen heeft, zal nog iets luider zeuren dat zijn product het beste is, wie niets te verkopen heeft, zwijgt.

Wie introvert is, is dat meer dan ooit. Wie extravert is, zal wel weer op het voorplan treden eens het normale leven hervat. Wie nog geen misantroop was vóór het uitbreken van de coronacrisis, maakt veel kans om dat nu wel te zijn.

‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit,’ wist Gerard Walschap al. En ge zult gij daar nooit aan uit kunnen, schrijft Frank Van Laeken. Het is wat het is.



Coronamoe

Communicatie, Journalistiek, Politiek, Samenleving Posted on za, september 19, 2020 12:55:29

We zijn coronamoe, lees en hoor je steeds vaker. Je leest en hoort het zó vaak, dat je zelfs moe wordt van de term ‘coronamoe’. Maar ik begrijp het. Ik begrijp u, ons, mezelf. We zijn inderdaad coronamoe en worden met de dag coronamoeër. Ik ben het hartsgrondig beu om nog een tijdje als een kluizenaar te moeten leven, ook al ben ik — geef ik toe — toch wel een beetje asociaal van nature. Ik ben graag op mezelf, werk liefst op mijn eenzame bureautje thuis, ben niet geneigd om kennis te maken met weer nieuwe mensen. Maar nu komt het: als je verplicht bent asociaal te zijn, is dat niet meer leuk en wil je mensen zien, ook al interesseren de meesten je geen sikkepit. Zo zit een mens nu eenmaal in elkaar. Als iets niet mag, wordt het pas aanlokkelijk. De verboden vrucht van 2020: mensen ontmoeten.

Hoe begripvol ik ook ben — zeker ten aanzien van alleenstaanden, eenzamen, ouderen die zitten te verkommeren op een paar vierkante meter, mensen die niet meer zonder lijfelijk menselijk contact kunnen —, ik weiger te begrijpen waarom mensen bij het minste de teugels vieren, aangevuurd door een communicatief stuntelende overheid met haar bubbels van vijf, tien andere mensen per week, en wat was het ook allemaal weer? Aangevuurd door kortzichtige, populistische versoepelingen, uit angst dat een verderzetting van de lockdown zich zou vertalen in het kieshokje, dat nog altijd een realistische piste blijft als Vivaldi-Avanti-Forza niet tot een regering leidt. Aangevuurd door opstandige leden van de meningenfabriek die de media zijn geworden, luitjes die hun vijftien minuten lokale beroemdheid misbruiken om verwarring te zaaien of aan te sporen tot opstandigheid tegen al te veel regelneverij in hun libertaire ogen.

Ik zag deze week het non-debat tussen Lieven Annemans en Joël De Ceulaer in De afspraak. ‘Razend interessant’ tweette iemand die ik heel erg apprecieer; hij vroeg zich wel af waarover het weer ging. Kan het dan wel razend interessant zijn, repliceerde ik. Ik blijf bij die strenge observatie. Het is niet omdat er in primetime live degens worden gekruist, dat het gevecht ook iets oplevert, behalve tig oppervlakkige verwondingen. Je kunt je vragen stellen bij de defenestratie van gezondheidseconoom Annemans door hem te melden dat er de dag nadien in De Morgen een artikel zou staan waarin hij, anoniem, zou worden bedolven onder kritiek van zijn collega’s in Celeval, het orgaan dat ons naar betere tijden moet leiden en de opvolger van de GEES, waarvan we al heel snel zijn vergeten waarvoor die afkorting alweer stond. Zo snel gaat het in crisistijden. Ik vond dat gênante televisie, eerder voor het programma dan voor Annemans. Die was perfect in staat om zichzelf in de vernieling te praten, hij had daarvoor geen krantenartikel, een boze senior writer die net een stuk van tien pagina’s had afgescheiden voor de weekendkrant, of een kritische vragensteller nodig. Annemans ging af als een gieter, praatte zichzelf in een hoek, begon met een redenering die nergens heen leidde. Maar, gebiedt de eerlijkheid mij te zeggen, dat deed het discours van De Ceulaer ook: waarover ging zijn punt ook weer? Waarom was hij nu precies boos? Paroles paroles

Wat De afspraak van donderdagavond mij wel influisterde, was een controversiële these die ik op deze plek wil verdedigen. Er worden te veel meningen te snel verspreid om er te makkelijk mee te kunnen scoren. De controverse wordt gevoed, maar door die kakofonie van stemmen weet de kijker, luisteraar, lezer niet meer waaraan hij zich moet houden. Een te makkelijk excuus, ik weet het, want de basisregels zijn eenvoudig: de hele dag door je handen wassen, overal waar je binnenstapt handgel gebruiken, anderhalve meter afstand houden, mondmasker dragen in gesloten ruimtes of op plekken waar veel volk is, niet knuffelen, niet zoenen. Ik geef mijn eigen moeder een zacht kneepje in de schouders bij wijze van begroeting en afscheid. Is dat hartelijk? Neen, maar het is het beste wat ik momenteel kan doen, het veiligste voor haar, een geste van liefde en erkenning bij gebrek aan andere mogelijkheden.

Maar goed, we zijn mensen en het is des mensen om regels te proberen omzeilen, zeker als er tegenstrijdige dingen worden verkondigd. “Er zijn meer besmettingen.” “Neen, er zijn niet méér besmettingen, we testen gewoon meer en daarom lijkt het alsof er meer besmettingen zijn.” “Jawel, er zijn méér besmettingen, de ziekenhuisopnamen stijgen weer en straks ook het aantal doden.” Statistische relevantie wordt betwist, puur om het eigen gelijk te benadrukken, maar wat bén je met dat eigen gelijk? En waarom krijgt dat eigen gelijk zoveel media-aandacht? Een mens krijgt er een punthoofd van en dan is het niet eenvoudig om een mondmasker te dragen dat niet in de hoogte maar in de breedte gaat.

Mijn controversiële these: ik pleit voor zelfcensuur in de media. Ik wil dat meningen die de mensen in de war kunnen brengen in deze bizarre, letterlijk levensgevaarlijke periode niet meer klakkeloos worden gepubliceerd, maar alleen nadat de inhoud van open brieven en dergelijke grondig getest en geëvalueerd werd. Geen bewijswaarde, niet publiceren. Sta me toe eerst een denkbeeldige analogie te maken.

***

Beeld u in: het is 2020, het is écht oorlog (dus geen oorlog tegen een onzichtbare vijand), we zijn een half jaar geleden binnengevallen door een vreemde mogendheid die niet het beste met ons voor heeft. Laten we dan, na een ongetwijfeld verwarrende periode vlak na de inval, toe dat eender wie eender wat mag verkondigen in de media? Laten de media zelf toe dat iemand — noem hem of haar gerust een collaborateur — er in een vrije tribune voor pleit om samen te werken met de vijand die zijn tanks heeft binnengerold wat al honderden mensenlevens heeft gekost? Laten radio en televisie toe dat zelfverklaarde experten vrijuit dingen mogen roepen die indruisen tegen wat we op dat ogenblik — zes maanden na de inval, we beginnen net te hergroeperen en een strategie uit te voeren die ons militair succes moet opleveren — erkennen als algemeen belang? Ik dacht het niet. Ik hoop het vooral niet. Misschien maar goed dat er in de Tweede Wereldoorlog nog geen internet en sociale media waren…

***

De vrijheid van meningsuiting is een bijzonder hoog recht, maar het is geen plicht. Op wettelijk verboden uitlatingen na kan iedereen overal alles zeggen, maar niets zegt dat die meningen ook moeten verkondigd en gepubliceerd worden via de reguliere media. Je kan op een zeepkist gaan staan op de hoek van de straat en dingen roepen. Dat mag. Daarom moet ’s anderendaags nog niet in de krant staan wat je geroepen hebt. We verwarren een vrije mening nog te vaak met een verplichte weergave ervan in een massamedium, liefst meerdere. Dat zijn twee gescheiden zaken. Het is aan de media om het onderscheid te maken tussen een mening die relevant is en generieke aandacht verdient, en een mening die weinig of niets toevoegt aan het maatschappelijke discours, of die zelfs grote risico’s inhoudt voor de volksgezondheid.

Terug naar het oorlogsbeeld, nu niet met een zichtbare vijand, maar met dat dekselse virus. Ik heb dat beeld van een land, en bij uitbreiding een continent en een planeet, in oorlog met iets als een virus altijd onzinnig gevonden, maar misschien moeten we het toch even aanhouden. Hadden al die open brieven dan wel moeten gepubliceerd worden? Moest Lieven Annemans dan wel in De afspraak hebben gezeten? Zou Joël De Ceulaer zich dan nog boos hebben moeten maken, en zou hij dan op die tien krantenpagina’s niet beter een interview met een interessante medemens hebben kunnen publiceren?

Ja, ik pleit voor (zelf)censuur en dat is not done. Het is controversieel, het is gevaarlijk, het is in normale omstandigheden contraproductief. De omstandigheden zijn echter verre van normaal en dat is virus ís ook gevaarlijk. Als de media, in een niet aflatende drang om clickbait te genereren, de kijk- en luistercijfers op te krikken of de dagverkoop tijdelijk op te vijzelen, in deze ‘oorlog’stijden de focus leggen op tegenstrijdige meningen, krijg je als tegenreactie een bevolking die daar haar eigen waarheid uit distilleert. Zeer gevaarlijk, ontdekken we nu, nogal aan de late kant.

We hebben nood aan meer terughoudendheid, zeker in de media. We moeten aandacht geven aan zij die die aandacht verdienen en die in volle coronacrisis in het algemeen belang praten. Daarom zitten we al een half jaar te wachten op de aanstelling van een coronacommissaris, die als enige rechtstreeks met de bevolking communiceert over het virus. Ik doe een suggestie: Pierre Van Damme. Rustige, vlotte, serene prater. Dit zou zijn voltijdse job moeten zijn, hij zou als enige radio- en tv-studio’s mogen afdweilen, en kranteninterviews geven, om over onze omgang met het virus te praten. De premier zou het volk niet moeten toespreken via knullig gemaakte huis-, tuin- en keukenfilmpjes, en ook niet op persconferenties na een veel te lange Veiligheidsraad, waarbij ze af en toe spichtig links en rechts kijkt naar de ministers-presidenten met een blik van ‘Zeg ik het zo goed, heren?’ De onzalige regeringsmededelingen zaliger zijn voor het eerst in de zes decennia van mijn leven op hun plaats: staatshoofd of federale regeringsleider spreekt het volk toe, zonder tegenspraak, zonder vragen. Dat is heel ver van een ideale situatie waarin eender wie eender wat mag vragen, maar ‘Desperate times call for desperate measures’, waarbij we die ‘desperate’ liefst niet vertalen als ‘wanhopig’ maar als ‘moeilijk’: het is niet de bedoeling er permanent depressief van worden, nietwaar.

Ik weet het: dit is geen populaire mening en ik pen ze zelf ook met lichte tegenzin neer. Maar het is, volgens mijn bescheiden mening, de enige manier waarop we nog enigszins de vijand tegemoet kunnen treden. Mocht Covid-19 de leider zijn van een échte vijandige natie, hij of zij zou nogal tevreden zijn over hoe die Belgen — “Waren die vroeger niet dapper, generaal?” — over de vloer rollen met elkaar, in plaats van met de oorlogszuchtige staat Corona. Een beschamend schouwspel. Laten we vooral concluderen dat dit niet de afspraak mag zijn.



Kijkfile

Samenleving Posted on za, september 12, 2020 11:56:49

Ja, ik had het hier over belangrijke dingen kunnen hebben. Zoals: de politiek. De regeringsvorming heeft vertraging opgelopen, eerst omdat de CD&V ‘ontstemd’ was (bleek achteraf een misverstand te zijn, alsof die periode sinds 26 mei 2019 een langgerekt seizoen van F.C. De Kampioenen is geworden, daar valt ook niet mee te lachen), daarna omdat een van de preformateurs geveld werd door Het Virus. De andere preformateur kondigde dan weer een nieuwe naam aan voor zijn partij, pardon: beweging, naam die nu toebehoort aan een kunstencentrum en voordien aan een krant en een socialistisch coöperatief. De relatiestatus in het politieke landschap staat onveranderlijk op ‘Het is ingewikkeld’.

Of ik had de brand in het vluchtelingenkamp van Moria, op het Griekse eiland Lesbos, te berde kunnen brengen, ook die is relevanter dan mijn onderwerp van vandaag. Voorlopig leidt Google ons bij ‘Moria’ eerst naar de fictieve plek Midden-aarde, bedacht door Tolkien. Alsof Google en Wikipedia willen aangeven dat The Lord of the Rings vooralsnog interessanter is dan het allesbehalve benijdenswaardige lot van echte aardbewoners.

Wit-Rusland, nog zo’n pijnpunt. Op de grens van wat wij graag De Beschaafde Wereld noemen, sluit een dictator die net een gemanipuleerde verkiezing heeft ‘gewonnen’ tegenstanders op, of erger. Véél erger. De Europese Unie laat betijen, een combinatie van desinteresse, pure onmacht en angst om de lidstaten uit het vroegere Oostblok opnieuw in de Russische invloedssfeer te drijven. Lafheid blijkt tot de Europese waarden en normen te behoren.

Maar wat valt er nog over onze politiek te zeggen dat ik vorige week nog niet heb geschreven in Een samenzwering van idioten? De vluchtelingenproblematiek is, naast het klimaatvraagstuk, oneindig veel relevanter dan welke hedendaagse thematiek ook. Ze (de thematiek én de vluchtelingen) worden al jaren misbruikt voor eigen politiek gewin. Dus, ja, ik vind dat België veel meer moet doen om die vluchtelingen-in-extra-nood op te vangen, zonder eerst te kijken naar wat de Hongaren doen. Excuustruzen genoeg. En Europa? Hoop doet leven, maar hoeveel hoop is er nog dat dít Europese project zichzelf kan verheffen boven het nationalistische gepruttel uit de egocentrische lidstaten?

***

Dan toch maar over Die Foto’s en Die Filmpjes. De waan van de dag, zeer zeker, en zonder het trio BV’s zou er nooit zoveel ophef over bestaan, ook zeer zeker, maar daarom is de problematiek nog niet minder interessant. Want wat vandaag mannen met sokken overkomt, overkomt alle dagen wel een nobele onbekende. De ziekelijke geilheid waarmee de verspreiders en de delers van intieme foto’s te werk gaan, getuigt van een gebrek aan normbesef. Het is niet omdat het BV’s zijn, die anders heel graag in de belangstelling staan, dat ze vogelvrijverklaard mogen worden.

Het is een privékwestie, zult u misschien opwerpen en u heeft in principe gelijk, maar dat stadium zijn we, helaas, al een paar weken gepasseerd. Iedereen heeft het erover. Nou, iedereen min ik, tot voor het schrijven van deze blogpost. Ik heb de bewuste foto’s en filmpjes niet gezien en voel daar ook niet de minste behoefte toe. Verre van een moraalridder zijnde, weet ik wat privé hoort te blijven en wat tot het publieke domein behoort. Dat onderscheid kan iedereen maken, omdat het niet zo moeilijk is. Dit was voor één paar ogen bestemd, iemand die er misbruik van heeft gemaakt. Naïef van die BV’s, achteraf bekeken kan je zelfs zeggen: oerdom, maar het maakt er hen niet minder slachtoffer om. Slachtoffers van een persoon met criminele intenties, slachtoffers van gretige verspreiders, slachtoffers van een doorgeslagen voyeurisme, in een samenleving waarin veel leden met dat overaanbod van realityshows het verschil niet meer kunnen maken tussen echt en fictief, of tussen publiek en privé. Het zullen dan wel allemaal exhibitionisten zijn, zo luidt de onderliggende redenering, als je in dit geval al van een redenering mag spreken. Terwijl die exhibitionistische deelnemers aan realityshows daar zelf voor kiezen. Met Betty Owczarek, Willy Naessens of Michel Van den Brande hoeft u minder medelijden te hebben. Zij kozen daar zelf voor. Van de Veire, Van Samang en Dhondt deden dat niet.

***

Hoe voyeuristisch de medemens is, zie je bijna elke dag op de weg. Als er ergens een file wordt aangekondigd vanwege een pas gebeurd ongeval, kan je er donder op zeggen dat in de volgende zin de kijkfile in de andere richting wordt aangekondigd. Even afremmen en kijken welke miserie anderen meemaken, met als gevolg dat de hele meute achter je ook vol in de remmen moet, anders veroorzaak je zelf een kijkfile aan de andere kant van de middenstrook. Pavloviaans is het: het kwijl loopt sommigen uit de mond als ze zien hoe de andere lijdt, zwaar afziet, miserie beleeft. Is dat een vorm van troost voor het eigen miserabele leven zonder noemenswaardige hoogtepunten?

Ik omschreef middenvakrijders ooit als de foertstemmers van de weg. Als ik de analogie doortrek, zou je kijkfileveroorzakers blanco-stemmers kunnen noemen. Ze zijn aanwezig, omdat ze moeten, maar ze zijn niet van plan iets constructiefs te doen. Hun protest is een leeg blad. In de weg blijven staan. Of het doorsturen van andermans miserie.

Wie blindelings intieme foto’s doorstuurt, hetzij van een BV, hetzij van een OV, is een geniepige gluurder. Een voyeur die de andere voyeurs bedient met tijdelijk lekkers. Als je zelf niet interessant genoeg bent, moet je maar proberen jezelf interessant te maken. Zo val je op in het land van de kwezeltjes.

Over kwezeltjes gesproken. Het viel me op dat mannen van mijn leeftijd, boomers, in de eerste plaats de slachtoffers verwijten toestuurden. Wie doet dit nu, naaktbeelden van zichzelf doorsturen? Het klonk als: “Ze had maar niet met zo’n kort rokje moeten rondlopen in die buurt.” Blaming-the-victim. Als collega-boomer — qua leeftijd, hopelijk niet qua mentaliteit — vond ik dat ergerlijk. Je mag de rollen niet — nooit! — omdraaien. Dader is diegene die misbruik maakte van het vertrouwen, daders zijn de verspreiders, meestal onbewuste daders zijn de uitlachers, de “Heb je dit al gezien?”-vermenigvuldigers, de luitjes die even afremmen in de kijkfile bij de waan van de dag, want het interessante speelt zich uiteraard weer op het andere rijvak af.

***

Overigens bevindt het bedenken van een Miljonairsroute door de PVDA zich op hetzelfde niveau. Natuurlijk zijn er heel wat miljonairs die veel minder bijdragen tot de maatschappij dan wat ze zouden kunnen of zelfs moeten doen. Natuurlijk zijn dat geen slachtoffers in de zin van de BV’s hierboven. En natuurlijk valt er veel te zeggen voor een miljonairstaks in coronatijden. Toch kan je niet zomaar de privé-verblijven van rijke tiepen te kijk zetten. Partijen krijgen te veel geld, het is nogmaals bewezen.

***

Als u zelf mee de bewuste foto’s hebt helpen verspreiden — wat ik moeilijk kan geloven, want op deze plek komen doorgaans alleen intelligente, beschaafde wezens —, denk dan in het vervolg even na wat dit doet met deze (bekende) en andere (onbekende) slachtoffers. Deze week stond in de kranten nog de getuigenis van een moeder wier zoon drie jaar geleden uit het leven stapte na een geval van gelekte sexting. Voor de mannelijke boomers onder u: de tijd dat we een briefje met ‘Kvraagetaan’ onder haar schoolschrift schoven, is voorbij. En dan maar pochen met je verovering en hoe je zelf een makkelijke eerste keer kon beleven met die ene daar, die hoer. De briefjes en de smoezelige opmerkingen van toen zijn de sexting van nu. De tijden zijn veranderd, de mensen veel minder. Kijkfiles zijn van alle tijden.



Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



#BlackLivesMatter

Samenleving Posted on ma, juni 01, 2020 13:17:06

Ik ben geboren als een witte jongen. Dat komt erop neer dat ik vanaf de wieg geprivilegieerd ben, want witte (zeg voor mijn part: blanke) mannen hebben een streepje voor. Dat is geen verdienste en dat is ook niet iets waarop je mij moet aanspreken. Het is nu eenmaal zo. Toeval. Een zaadcel die hallo zegt tegen een eicel en het resultaat was ik. Ik wil dus niemand horen zeggen dat het geweldig is dat ik een witte man ben. En ik wil evenmin iemand horen zeggen dat het een schande is dat ik een witte man ben.

Ik ben opgegroeid onder witte mensen. Jongens, meisjes, mannen, vrouwen. Thuis, op school, op het werk. Slechts occasioneel liep ik iemand met een andere huidskleur tegen het lijf in mijn leefomgeving. Homo’s en lesbiennes waren er wel in mijn wijde vrienden- en kennissenkring. Sommigen liepen met een boogje om hen heen, of spraken fluisterend — als ze in de buurt waren — of hardop — als ze niet in de buurt waren — kwaad over hen. Behoorlijk omfloerst, of in de vorm van een aangebrande mop, met als onderliggende boodschap: dit hóórt niet. Zo zijn wíj niet.

Ik was vroeger roodharig. Ros. De tand des tijds heeft die rosse glans doen verdwijnen, net als een deel van dat haar trouwens. “Rosse kater, springt in ’t water, met uw tenen boven ’t water”, werd er weleens gezongen naar mij. Toen de Vlaamse gemeenschap nog nagenoeg honderd procent wit was, werd er ook al gezocht naar mogelijke zwakke schakels om te pesten. Het is van alle tijden. Het wordt doorgegeven van ouders op kinderen. Zoek de zwakke schakel, zorg ervoor dat jij de pester bent en niet de gepeste. Och, die ‘rosse kater’ heeft me niet getraumatiseerd. Ik vond het tijdverlies om erop te reageren. Die beledigingen waren nog redelijk onschuldig, met de nadruk op ‘redelijk’, want ook dat gedrag is natuurlijk laakbaar.

Ik weet niet wat het is om tot een minderheid te behoren. Ik weet niet wat het is om van de ene omgeving te migreren naar een totaal andere, verhuizen van de stad naar het platteland laat ik dan even terzijde liggen, hoewel: het geeft je wel een idee wat het moet zijn om als buitenstaander te moeten leven, maar dan zonder de discriminatie en de kleineringen. Mensen kijken je aan alsof je van Mars komt, maar da’s niet erg: ik koester mijn geïsoleerde bestaan als vreemdeling. Pas als mensen je aankijken en je ze ziet denken of hoort zeggen dat je beter op Mars was gebleven, wordt het vervelend.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat moet zijn, leven als vreemde in je eigen land. Niet dat je dat bént, maar als velen dat zeggen, ga je dat op den duur zelf denken, of voel je je er op z’n minst slecht bij. Ik schreef samen met een zwarte man een boek over racisme in het voetbal. Daardoor kreeg ik heel even het gevoel een vreemde te zijn, want sommigen vinden het blijkbaar niet passen dat een witte man — een geprivilegieerde jongen in onze witte westerse samenleving — onrecht aankaart waar hij zelf niet het slachtoffer van is. Het is aan de slachtoffers om dit naar buiten te brengen, kreeg ik af en toe te horen. Of ik las het in beschouwingen over andere racistische daden. Ik begrijp dat totáál niet. Ik vind dat zelfs beledigend, wat zeg ik: een vorm van racisme. Iederéén zou moeten opkomen tegen racisme, of je nu zelf tot de geviseerde groep behoort of niet. Het is een burgerplicht. Het signaal dat ik wou geven met dat ene boek, Vuile zwarte, was er een van burgerzin. Racisme is verwerpelijk, altijd en overal.

Ik las deze morgen een tweet van iemand die zich beroepshalve hoofdredacteur mag noemen en die zich openlijk afvroeg of het niet #LivesMatter of #AllLivesMatter moet zijn, in plaats van #BlackLivesMatter. Het gaat om een witte man, dat hoef ik u niet te vertellen. Van middelbare leeftijd, aan zijn profielfoto te zien. Een typische reactie van geprivilegieerde witte mannen van middelbare leeftijd, van iemand die niet begrijpt (of wil begrijpen) waar die hashtag zijn oorsprong vindt. #BlackLivesMatter zegt níet dat alléén zwarte levens van belang zijn, wel integendeel: het zegt dat zwarte levens evenvéél tellen als alle andere levens. Het zegt: in wezen zijn we allemaal gelijk. Het zegt: in het Amerika van nu worden mensen met een zwarte huidskleur gediscrimineerd, gecriminaliseerd, op vele vlakken sociaal uitgesloten, en dat zou niet mogen. Het zegt: tot hier en niet verder. Wie dat niet snapt, neemt best geen openlijke standpunten in. Of wordt best geen hoofdredacteur. Voor zulke mensen zei de grote Martin Luther King, Jr. ooit: ‘Nothing in all the world is more dangerous than sincere ignorance and conscientious stupidity’. Onwetendheid en domheid als vijanden van het volk. Het moet wat zijn op die redactievergaderingen…

Ik voer u terug naar 1939, toen Billie Holiday, een gekleurde jazzzangeres, Strange Fruit uitbracht. Een gebroken stem zingt over een gebroken samenleving. De eerste lijnen zeggen alles. ‘Southern trees bear a strange fruit / Blood on the leaves and blood at the root / Black bodies swinging in the southern breeze / Strange fruit hanging from the poplar trees’. Voor die ene hoofdredacteur duid ik even dat het ‘vreemde fruit’ waarvan sprake geen appelen, peren of papaya’s zijn. Holiday zong over zwarten die door leden van de Ku Klux Klan gelyncht werden, waarna de racisten hen demonstratief lieten hangen aan de bomen, bengelend in de zachte wind van het zuiden van de Verenigde Staten. Het Amerika van Billie Holiday verschilt nauwelijks van het Amerika van Donald Trump, ook al zijn we eenentachtig jaar later en hebben we ondertussen Rosa Parks, Martin Luther King, de Nation of Islam, Malcolm X, de vreedzame mensenrechtenbeweging en een zwarte president gekend. Racisme zit diep verankerd in de Amerikaanse samenleving, dieper dan het bij ons zit, al zit het bij ons ook behoorlijk diep, als je even rondkijkt. Met een leider die zelf een racistische narcist is, voelen KKK’ers en aanverwanten zich gesterkt. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die zelf de protesten zwaarder bekampt dan het oorspronkelijke onrecht — de dood door overdreven politiegeweld van een zwarte man —, voelen ordehandhavers die zelf sympathie hebben voor de KKK zich vrije vogels. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die terecht de gewelddadige reactie van een getergde menigte veroordeelt en vergeet naar de oorzaak ervan te kijken, zitten racisten gebeiteld. Wie kan er hen wat maken?

Dus ja, als witte man, niet trots op zijn privileges maar er wel gretig gebruik van makend, voel ik me geroepen om dit brutale, diepgewortelde, schijnbaar onwrikbare onrecht aan te klagen. Ik kijk ernaar vanop een veilige afstand, maar ook dat kan mij niet verweten worden. Ik kom van waar ik kom, ik woon waar ik woon. Opnieuw: geen verdienste, noch een verwijt waard. We mogen hier niet meer over zwijgen. We mogen de daden van die narcistische idioot, ook al is hij democratisch verkozen, niet zomaar tolereren. Als westerse — hoofdzakelijk witte en hoofdzakelijk mannelijke — politici geen krachtig signaal Witte Huis sturen, wat het moge zijn laat ik aan hun verbeeldingskracht over, hoeven ze hier nooit nog in het openbaar te zeggen dat ze voor een open en tolerante samenleving zijn, want dan zijn het voor eens en voor altijd hypocriete lafaards die uw aandacht niet waard zijn.

‘A riot is the language of the unheard’, zei Martin Luther King ooit. Het is, helaas, de enige zichtbare manier om ‘Tot hier en niet verder!’ te roepen. Hij zei ook, meer dan vijftig jaar geleden, ‘We cannot walk alone’: en toch heeft ‘zijn’ volk nog altijd geen glimp opgevangen van het Beloofde Land en stappen ze nog altijd alleen op. ‘We will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends’. Wie in deze tijden zwijgende vrienden heeft, heeft geen vijanden nodig, want iedereen is je vijand. Wie hier, in West-Europa, als persoon met enig maatschappelijk gewicht en gezag blijft zwijgen, is een vijand van George Floyd en al die andere slachtoffers van excessief politie-ingrijpen.

Nog eentje, om het af te leren, uit die ene fameuze toespraak: ‘I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin, but by the content of their character’. Dromen zijn bedrog. Zevenenvijftig jaar na die bevlogen en door alle mensen van goede wil toegejuichte uitspraak worden zelfs Kings achterkleinkinderen nog altijd achtergesteld om hoe ze eruitzien.

#BlackLivesMatter!



Volgende »