Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Mannen weten nog altijd niet waarom

Samenleving Posted on za, juni 05, 2021 11:27:35

Als er mij iets irriteert aan de hoofddoek is het dat lidwoord ervoor. Het is HET hoofd en HET doek, en toch is het ook DE hoofddoek. Kijk, als we de taal logischer willen maken, kunnen we daarmee beginnen. Schaf dat gewoon af. Ik bedoel het lidwoord ‘de’, niet de hoofddoek zelf. Nog niet zo heel lang geleden dacht ik daar lichtjes anders over — niet over dat lidwoord maar over de hoofddoek. Onderdrukking van de moslimvrouw, daar moesten wij, verlichte geesten van West-Europa, tegen reageren, nietwaar? Tot ik moslima’s ontmoette die geheel en al uit vrije wil een hoofddoek dragen. Uit religieuze overtuiging. En misschien ook wel een beetje uit balorigheid, om zich af te zetten tegen de groeiende islamhaat in het Westen. Niet alles wat je ziet, kan onmiddellijk en eenduidig verklaard worden. Een les in bescheidenheid was het, maar je moet er wel voor openstaan. Je moet durven toegeven dat je initieel fout zat. Moeilijk, maar het kan.

De federale staatssecretaris voor Gelijke Kansen, Gendergelijkheid en Diversiteit, Sarah Schlitz (Ecolo), wilde deze week een vrouw met hoofddoek, Ihsane Haouach, aanstellen tot regeringscommissaris. Bij Vlaams Belang en N-VA stonden ze meteen op hun achterste poten, Theo Francken, koppelteken tussen beide partijen, voorop. Maar ook Georges-Louis Bouchez is vierkant tegen. Een liberaal, nota bene. Sire, er zijn geen liberalen meer, het zijn glibberalen geworden. Opportunistisch, populistisch, simplistisch. Want het ging uiteraard niet om de bekwaamheid van mevrouw Haouach, die al voldoende bewezen werd, wel over hoe ze eruitziet. Als een — komt-ie! — moslima. En dat stoot (extreem)rechts Vlaanderen tegen de borst en dus ook een rechtse Waalse glibberaal. Onbegrijpelijk. Incroyable. En dat op het departement Gelijke Kansen, Gendergelijkheid en Diversiteit. (Ik weet het, ik noteer dit als argument pro Haouach, terwijl de tegenstanders van een hoofddoek op de publieke werkvloer hetzelfde argument hanteren contra Haouach.)

Meer dan negen jaar geleden al schreef ik een blogpost over neutraliteit, want daar gaat het hier zogezegd om, waarin ik ‘neutraliteit’ op dezelfde lijn plaatste met het journalistieke principe ‘objectiviteit’: “Het is een utopisch gegeven en wordt daardoor een containerbegrip. Onbruikbaar. Zoals volstrekte objectiviteit niet bestaat, zo bestaat volstrekte neutraliteit niet. Wat voor de ene kan, zal de andere tegen de borst stuiten, en vice versa.”

Het begint bij het verbieden van de hoofddoek, maar waar eindigt het? Burgemeester De Wever wilde begin 2013 niet dat homo’s hun geaardheid beklemtoonden door een regenboog-T-shirt te dragen aan een Antwerps loket, dat was destijds voor mij de reden om daar een stukje over te plegen. Maar wat dan met de foto’s van het koninklijk echtpaar tegen de muur? Republikeinen vinden dat niet prettig. Wat met de kleur rood, als je voor een voetbalploeg supportert die in het paars speelt? Wat met een kruisbeeld, als je niet gelovig bent? Geloof me, het houdt niet op, neutraliteit is onbereikbaar. In tegenstelling tot bijvoorbeeld perfectie is het ook niet iets waar je per se moet naar streven, want perfectie is het hoogste goed, terwijl neutraliteit kleur-, geur- en smaakloos is. Het is grijs, de saaist denkbare kleur. Het enige waar je moet op letten, is het gedrag van de persoon die die uiterlijke tekens draagt. Gewoon zien of hij of zij of hen de job goed doet, meer is het niet, of zou het niet mogen zijn.

Weet u wat het ook is? Een probleem van de mannen. De meeste kritiek tegen de hoofddoek komt uit de mond van mannen. Heel wat mannen aanvaarden nog altijd niet dat vrouwen zich in het openbaar willen uiten. Dat druist in tegen onze patriarchale aard, onze vooroordelen, onze ingepeperde rol van beschermheren in de samenleving. Daar moeten we dringend iets aan doen, wij mannen. (Ik schrijf ‘ons’ en ‘wij’, maar ik meen te mogen stellen dat ik in deze kwestie emancipatorisch verder sta dan de meeste van mijn ‘collega’s’.)

***

Europa schiet nu met geluidskanonnen om vluchtelingen af te schrikken. Ik weet niet of dat op de tonen van Get back van The Beatles gebeurt (“Get back to where you once belonged”), zulk cynisme zou me niet eens verbazen. Ziekelijk en onmenselijk is het alleszins. Net zoals het ideetje van de Deense regering om asielaanvragen in een ander land te behandelen, zodat die asielzoekers met hun vuile voeten en hun stinkende adem tenminste niet in Denemarken belanden. Wordt het asiel goedgekeurd, dan moeten die mensen maar in dat ene land achterblijven, zodat de Denen er geen hinder van ondervinden, zo vat ik het even samen. De helft van de term ‘asielrecht’ bestaat uit het woord ‘recht’. Asiel aanvragen is een recht. Een asielaanvraag behandelen is een plicht. Asiel toestaan op basis van een onderzochte aanvraag is dan weer een recht van een lokale regering.

De sociaaldemocraten hebben het mee voor het zeggen in Denemarken. Ze hebben er zelfs een vrouwelijke premier, Matte Frederiksen. Hier kan ik moeilijk argumenteren, zoals in de rest van mijn stuk, dat het de schuld van de mannen is. En toch… Dat krijg je als politici van welk geslacht of welke geaardheid ook de stoerheid van duizenden jaren patriarchaal aan politiek doen blind willen overnemen. In Denemarken hebben ze geen Deens Belang nodig, een partij die op papier centrumlinks heet te zijn doet er het bruine werk.

***

Een meisje van veertien is uit het leven gestapt, het was het gespreksthema van deze week. Slachtoffer van een groepsverkrachting of -aanranding — het onderzoek loopt nog —, op een kerkhof, een gebeuren dat gefilmd werd en vervolgens zijn weg vond op de sociale media. Ik probeer het te vatten. Meisje van veertien dat door vijf jongens tussen veertien en negentien jaar aangerand/verkracht wordt. (Naar ’t schijnt zijn er tweehonderd groepsverkrachtingen per jaar, dat is meer dan één om de twee dagen. Ik viel steil achterover.) Op een kerkhof. (Kwestie van een walgelijke daad te koppelen aan een ziekmakende setting.) Iemand filmde dat. (Hoe ver heen kan je zijn om dat te doen?) Iemand verspreidde dat filmpje. (Hoe straffeloos kan je je voelen, als dader, hoe weinig mededogen heb je dan met je slachtoffer?) Duizenden jongeren wilden dat filmpje per se kunnen zien. (Hoe ziek is deze reality tv-samenleving eigenlijk?)

Als je gelooft dat mensen een tweede of derde kans verdienen — wat ik, ondanks alles, blijf doen —, valt het te hopen dat die jongens zich ooit nog, na een gepaste straf, kunnen rehabiliteren. Al kan het mij momenteel, eerlijk gezegd, weinig schelen of ze daar ook in slagen. Ze hebben dat meisje van een symbolische klif geduwd. Zij kon niet meer terug, het wringt toch om daders dan een positieve toekomst te gunnen. Sta maar eens in de schoenen van de nabestaanden, zij hebben een geliefde moeten afgeven.

Wederom constateer ik: dit is een mannelijk probleem. De meeste verkrachters zijn mannen, de meeste slachtoffers vrouwen. Het draait om macht, lusten botvieren, weten dat slachtoffers uit schaamte meestal niets zullen doen, en in dit geval ook nog eens een collectief ritueel. Heel vaak wordt er achteraf aan victim blaming gedaan: ze had daar niet moeten zijn, ze had niet mogen flirten, ze had niet zo frivool gekleed mogen rondlopen, ze had duidelijkere signalen moeten uitsturen, enzovoort enzovoort. Slaat helemaal nergens op. De rollen mogen niet — nóóit! — omgekeerd worden: de dader blijft dader, het slachtoffer slachtoffer. Het is de dader die in de fout is gegaan. Moeilijker dan dat is het niet, als het over schuld en verantwoordelijkheid gaat.

Mààr, maar… waar ligt de grens, wat mogen we nog wél doen, werpen onverlaten steeds vaker op, als het gaat over de omgang met de andere sekse, want laten we wel wezen: daar gaat het om, de ándere sekse, het niet weten hoe je je moet gedragen tegenover iemand van het andere geslacht, tegenwoordig ook nog uitgebreid naar non-binaire personen, die zich niet wensen te identificeren met een van de klassieke geslachten. Velen begrijpen dat niet, voor hen is dat moderne hocuspocus, een hype die wel zal overwaaien. Wat mogen we nog wél? Wel, ongeveer alles wat vijftig en honderd jaar geleden ook mocht. Zoveel is er niet veranderd, alleen dachten, vooral, mannen in het verleden dat zij zich zowat alles konden permitteren, als pater familias of gewoon omdat ze zich lieten leiden door het mannelijke attribuut halverwege hun lijf. Verkrachten mocht vroeger ook niet. Een kerkhof onteren evenmin. Daar polaroidfoto’s van maken en die stoer aan vrienden en kennissen laten zien? Neen, hoor.

Als we seksueel geweld écht willen aanpakken, moeten we als maatschappij niet alleen aan repressie doen — wanneer het in feite al te laat is —, maar ook aan preventie. Dan moeten we durven af te stappen van dat patriarchale juk. Dan moeten we in de opvoeding andere waarden en normen meegeven: zachtere, menselijkere, kwetsbaardere. En dan moeten we tafelspringen, haantjesgedrag en stoerdoenerij ontmoedigen, in plaats van aan te moedigen en te belonen.

***

Laatst vroeg een vrouwelijke Twitterkennis zich af waarom aantrekkelijke vrouwen — ze bedoelde: vrouwen die beantwoorden aan het klassieke beeld van een mooie vrouw — gemakkelijker likes scoren van mannen dan andere vrouwen, of mannen. Ik moest daar even over nadenken. Klopt dat wel? En hoe zit dat bij mij?

Na enige introspectie — er bestaan gelukkig geen beelden van — kom ik voor mezelf tot een geheel andere conclusie, die eigenlijk nóg pijnlijker is en die ik hier bij wijze van bekentenis neerpen zonder beschermend harnas. Zelf, bedacht ik, ga ik geen opmerking op sociale media liken omdát ze wordt gemaakt door een aantrekkelijke vrouw, die beantwoordt aan het klassieke beeld van een mooie vrouw (dat trouwens dringend eens op de schop mag). Als ik mijn betoog hier zou eindigen, kom ik heel goed weg. Helaas… Wat negen jaar aanwezigheid op Twitter mij geleerd heeft — buiten het gigantische tijdverlies, de toenemende polarisatie en de overdaad aan meningen, meninkjes en spitante oneliners —, is dat ik tot mijn drieënvijftigste met de overtuiging leefde dat grappen gemaakt werden door… mannen. Ik ben opgegroeid met mannelijke komieken, mannelijke stand-upcomedians en cabaretiers, mannelijke humor, hooguit waren vrouwen aangeefsters of ging het om uitzonderlijke loudmouths als Mae West of Bette Midler. Er viel niet aan te ontsnappen, in de westerse wereld waarin ik ben opgegroeid, hoe modern en verlicht we ons ook achtten. Dat ligt niet alleen mij: dat werd ons meegegeven, thuis, op school, op tv. Je lachte mét mannen en, helaas, heel vaak óm vrouwen. Seksisme was geen optie in de samenleving, het behoorde gewoon tot het standaardpakket. Misschien ligt het ook aan mijn parcours, waar ik ben opgegroeid, door wie ik ben opgevoed, waar ik naar school ging, wie er privé en professioneel in mijn buurt liep. In humoristische tv-reeksen die ik op tv zag waren de grappen toegeschreven naar de mond van de mannen. Op café waren het de mannen die de moppen vertelden, andere mannen probeerden hun seksegenoten in grappigheid te overtreffen en zo af te troeven, de vrouwen lachten hartelijk mee. In al mijn werkomgevingen — zowel in klassieke sectoren, als in de media — waren het de mannen die zich sarcastische of cynische humor permitteerden, de vrouwen ondergingen.

Ik heb mij nooit misdragen tegen vrouwen, echt waar, heb hen met respect bejegend, maar leefde toch met hardnekkige vooroordelen. Op Twitter heb ik ontdekt dat vrouwen minstens even grappig zijn als mannen, dat was een openbaring. De humor is weliswaar anders — minder hoekig, meer afgerond, scherp zonder te kwetsen, een poging om grappig zijn óm de grap en niet om per se grappiger te willen zijn dan een ander —, maar even of zelfs nog veel meer onweerstaanbaar. Als ik al iets moet doen, is het deemoedig het hoofd buigen voor al wie ik decennialang zonder een woord te zeggen diep vanbinnen beledigd heb, door te denken dat ze niet voorbestemd waren om mij aan het lachen te brengen. Maak u overigens geen zorgen, ik ben inmiddels genezen.

***

Ik wens mijn mannelijke broeders evenveel introspectieve momenten toe als ik deze week beleefd heb. Deze samenleving is nog altijd té mannelijk, in de oude betekenis van: stoer, conflictgericht, gelijkhebberig. We zijn wie we zijn, of willen zijn, of willen worden, maar dat mag niet beletten dat we die hokjes moeten durven te verlaten. Hokjesgeest maakt dat de hoofddoek uitsluitend wordt gezien als een anti-emancipatiekledingstuk, dat seksueel grensoverschrijdend gedrag wordt weggewuifd (“Wat mogen we dan nog wel?”), dat desnoods (groeps)verkrachting als een aantrekkelijk idee wordt beschouwd om seksueel aan je trekken te komen, dat we de zogezegd typische mannelijke en vrouwelijke kenmerken blijven zien als onveranderlijk en ‘die er nu eenmaal bij horen’. Hokjes staan emancipatie in de weg. Weg met de hokjes!



Jean Aimar

Samenleving Posted on za, mei 29, 2021 11:30:37

Het moet in een aflevering van Maigret geweest, ergens diep verscholen in de jaren zestig, dat ik de uitdrukking voor het eerst hoorde: ‘J’en ai marre!’ riep het ene door Georges Simenon gecreëerde personage tegen het andere. Ik moest mijn eerste lessen in die andere landstaal nog krijgen, maar kon gelukkig al wel de onderschriften lezen. ‘Ik heb er genoeg van’ of ‘Dat volstaat’, moet er gestaan hebben, al weet ik dat niet meer zo zeker, net zomin als dat ik zeker ben dat mijn geheugen keurig heeft onthouden dat mijn primaire kennismaking met ‘J’en ai marre!’ via Maigret liep. Wat ik wel nog weet: de wielerliefhebber in mij, een toekomstige geletruidrager in ’t diepst van zijn gedachten, vroeg zich onmiddellijk af of die Jean Aimar misschien een broer was van Lucien Aimar, de onverwachte Tourwinnaar van 1966. Het had gekund, de fantasie van toekomstige sportjournalisten is wel vaker ongebreideld in hun schier zorgeloze, nog ongepolijste jeugdjaren. Pas veel later ontdekte ik dat Lucien Aimar geen koersende broer had die de voornaam Jean had meegekregen.

Jean Aimar! J’en ai marre!

De jeugdherinnering flitste deze week herhaaldelijk door mijn hoofd, vooral omdat ik er even genoeg van heb. J’en ai marre van alle geraaskal, alle gezwets, alle leeghoofdig geschreeuw en getier. Zaterdag postte ik op Facebook een tekst waarin ik mijn ‘vrienden’ die lid waren geworden van de ‘Als 1 achter Jürgen’-groep opriep om mij dat discreet te laten weten, zodat ik hen even discreet kon ontvrienden. Niemand gaf het openlijk toe, misschien heb ik mijn FB-vrienden wel goed gekozen. Enkelingen vonden dat ik niet het recht had om mensen met een andere mening de mond te snoeren, dikkenek die ik was. Ik heb hen discreet ‘ontvriend’, als ze me tenminste zelf al niet voor waren. Als een groot gemis zal ik het niet aanvoelen, wees gerust. Ik snoer niemand de mond, ik wil alleen niet dat dit soort onverlaten zich thuisvoelt in mijn Facebookhoekje. Ik bepaal zelf wel wie ik welkom heet.

Een zéér rechtse ‘vriend’ merkte op dat hij geen lid was geworden van de Jürgen C.-groep, maar dat het maar eens gedaan moest zijn met die linkse arrogantie. Ach, dat kan ik nog hebben, arrogantie is vooral vervelend als je er het adjectief ‘domme’ moet voor plaatsen. De man schreef nog dat rechts en extreemrechts ‘monddood’ worden gemaakt in dit land. Dat begreep ik al veel minder. De avond voordien zat Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken in De afspraak op vrijdag. Kopstukken van rechts en rechtser-dan-rechts mogen geregeld langskomen in tv-studio’s. Deze week mocht Theo Francken dankzij een scherpe tweet over defensie aanschuiven in Terzake, was Assita ‘Racisme is relatief’ Kanko te gast in De afspraak en kaapte Siegfried Bracke de (ultra)rechtse media voor een (ultra)rechtse boodschap richting viroloog Marc Van Ranst. Hoezo, ‘monddood’? Jean Aimar! (Terloops: ik vind het geen goed idee dat een rechter de boodschap ‘Stop islamisering’ een veroordeling waard acht. Ik vind dat een compleet onzinnige, enigszins laakbare, inhoudelijk verwerpelijke en vrij agressieve boodschap, maar wel nog netjes binnen de perken van de toegelaten vrije meningsuiting, me dunkt. Als we elke domme uitspraak juridisch gaan veroordelen, zijn onze rechtbanken nog wel even zoet.)

Dezelfde zéér rechtse ‘vriend’ wierp op dat dit land geen democratie meer is, omdat de uitslag van de verkiezingen van 2019 niet weerspiegeld wordt in de diverse regeringen. Nu verwarren zéér rechtse mensen wel vaker de uitslag van verkiezingen met de meest recente poll, maar soit. Bij mijn weten is een regering democratisch als ze ofwel een meerderheid haalt in het parlement, ofwel via gedoogsteun van niet in de regering zittende partijen aan die meerderheid geraakt. Alle regeringen in dit land hebben een meerderheid achter zich. En inderdaad, Vlaams Belang, de grote winnaar — maar niet de grootste partij! — in 2019, is nergens vertegenwoordigd, ondanks een vrij lange vrijage met N-VA-voorzitter De Wever twee zomers geleden. Dat andere partijen njet zeggen tegen VB kan je vatten onder de ietwat ongelukkige term ‘cordon sanitaire’, maar vooral als het weigeren om samen te werken met een partij die zich in woorden en daden kant tegen grote delen van de samenleving en die onverdraagzaamheid als beginsel koestert. Weigeren met zulke partij samen te werken, is legitiem. En dus is er bijvoorbeeld in Vlaanderen een meerderheid gevormd zonder Belang. En dus is er federaal een meerderheid zonder Belang én N-VA. Dat heet democratie: er is een meerderheid gevormd door andere partijen, N-VA heeft trouwens kansen genoeg gehad om een regering te vormen, alleen wilde De Wever per se dat de Vlaamse liberalen zich zouden ontdoen van de Waalse. Dat N-VA niet in de federale regering zit, is eerder een gevolg van de eigen (domme?) arrogantie dan van de onwil van anderen om met hen in een regering te stappen. Eigen schuld, enzovoort. Máár… er is federaal toch geen meerderheid langs Vlaamse kant, is dan meestal de repliek. Inderdaad, zoals er tussen 2014 en 2020 geen meerderheid was langs Waalse kant, en tussen 2011 en 2014 opnieuw langs Vlaamse kant, een meerderheid die er na de verkiezingen van 2014 wél was bij diezelfde partijen, voeg ik er even snel aan toe. De Vlaamse regeringspartijen werden toen in het stemhokje wél beloond voor hun minderheidssituatie. Als je niet aanvaardt dat er een regering kan gevormd worden zonder de grootste partij(en), maar die wel voldoet aan het simpele uitgangspunt ‘meerderheid’, ben je zelf niet echt een democraat, vind ik. Jean Aimar!

Specifiek over Jürgen C. waren er verschillende onverlaten die opwierpen dat er toch nog niets gebeurd was. Euh, de man heeft doodsbedreigingen uitgesproken aan het adres van een vooraanstaande viroloog, getuigde in verschillende Facebook-posts van groeiend extremisme, zaaide haat, stal raketwerpers en nog wat ander wapentuig uit een kazerne en had een boobytrap gemaakt in zijn achtergelaten wagen, die mogelijk dodelijke slachtoffers had kunnen maken. Alles wees en wijst erop dat hij een gevaar voor de maatschappij vormt. Niets gebeurd, pardon??? Jean Aimar!

Filosoof Ignaas Devisch, een man die ik zeer weet te appreciëren, schreef in De Standaard dat we diegenen die de voortvluchtige militair steunen niet moeten reduceren tot marginaal of dom. Je moet proberen te begrijpen hoe die groep denkt en handelt, vindt hij. Twintig jaar geleden zou ik mee geweest zijn met die boodschap. Nu niet meer. Ik vind het naïef — waarmee ik professor Devisch geen naïeveling wens te noemen, voor alle duidelijkheid, maar ook de allerslimsten onder ons zijn weleens naïef, het siert hen overigens. Bekijk de vorige paragrafen en je beseft dat de mensen die dat soort onzin uitkramen al heel ver heen zijn. Welk begin van een dialoog zou je met hen kunnen proberen op te starten? Welk redelijke conversatie kun je proberen te voeren met een onredelijke? Vanaf wanneer gaan onzinnige opmerkingen over in onzinnigheid tout court? Ik help het Ignaas Devisch hopen dat er nog kan gepraat worden, maar ik vrees ervoor. (Ooit was ik zelf een naïeveling, die ervan uitging dat de mensen niet dom zijn, maar dom worden gehouden. Ondertussen denk ik beter te weten: met de overvloed aan betrouwbare informatie die in één vingerknip ter beschikking staat, kunnen mensen helemaal mee zijn. Ze verkiezen met een andere vingerknip om niet geïnformeerd te worden of zich te laven aan hardnekkige vooroordelen of zich te wentelen in nepnieuws en complottheorieën of zich achter een spandoek van een tafelspringer te scharen. Dat is zelf kiezen voor domheid.)

Als mensen die bijna voortdurend aan het woord zijn, klagen over de vrijheid van meningsuiting (‘Wat mogen we nog zeggen?’), dat ze monddood gemaakt worden door de ‘MSM’ en dat dit land ondemocratisch geleid wordt, terwijl alles wijst op het tegendeel, welke dialoog is er dan nog mogelijk?

Jean Aimar of ‘J’en ai marre!’, wat de juiste uitdrukking ook moge zijn, ik heb genoeg van die prietpraat van (extreem)rechts en hun huilie huilie calimerogedrag. Wie ook maar een greintje respect betoont voor de daden van Jürgen C. loopt er de juridische, democratische en ethische kantjes af. Alleen als die personen toegeven dat ze fout zitten en zich afkeren van de potentieel gevaarlijke wapengek, kan er een dialoog opgestart worden. Niet eerder. Alleen als zéér rechtse mensen toegeven dat we wel degelijk in een legitieme democratie leven — met al zijn onvolmaaktheden, Churchill had gelijk —, kan er een dialoog opgestart worden. Niet eerder. Alleen wanneer een discussie op basis van rationele argumenten en niet van emotie, vooroordelen of haat opgestart wordt, wil ik ze aangaan. Niet eerder.

Jean Aimar!



Eigen arm eerst

Politiek, Samenleving Posted on za, mei 01, 2021 12:00:37

Het is erg. Het is héél erg. Erger is het nooit geweest. We weten het, Het Virus hakt stevig in op onze gezondheid, fysiek en psychisch. Zelfs de luitjes die al eens een ‘Oké, boomer!’ naar hun hoofd geslingerd krijgen, hebben zoiets nog nooit meegemaakt in hun lange leven. Zelfbeklag is voor één keer toegestaan, mits niet te luid en niet constant, want dan wordt het vervelend. Er zit nog bijna elke avond een -oloog in een tv-studio, of de minister van Volksgezondheid, of een minister die alleen maar werd uitgenodigd om over de gevolgen van Het Virus te komen praten, of een motivatiecoach, of… Het houdt niet op, maar het kan niet anders.

Wat wel anders kan — anders móet zelfs — is het navelstaren. Ja, het is héél erg, maar niet alleen hier. En hier hebben we tenminste het vooruitzicht dat we allemaal gevaccineerd zullen geraken, als we dat tenminste willen, is het niet in juni dan toch tegen het eind van de zomer. Dat heet perspectief. Dat is: een horizon die dichterbij komt. Als we nu heel even onze ogen weg richten van de eigen navel, zouden we andere dingen kunnen zien. Zoals: elders is het nog véél erger dan bij ons. En: dat heeft ook een invloed op ons.

De Indiase ontwikkelingseconome Jayati Ghosh zei het deze week nog in De Standaard: ‘De pandemie kan niet overwonnen worden, zolang niet de hele wereld gevaccineerd is.’ Een eenvoudig gegeven dat maar niet wil doordringen. Niet bij de gewone bevolking, maar tot daaraan toe: wat niet weet, niet deert. Veel erger is het dat politieke leiders ook alleen maar bezig zijn met zichzelf, hun eigen toekomst, zeg maar: de volgende verkiezingen. Populisme als leidraad, navelstaren als eerste programmapunt.

Ghosh hekelt het westerse imperialisme, dat volgens haar ‘alive-and-kicking’ is. De lobby van de farmabedrijven weegt zwaarder door dan morele overwegingen en de volksgezondheid. De Pfizers van deze wereld hebben in recordtempo vaccins ontwikkeld, proficiat daarvoor, maar we vergeten dat ze daarvoor uitgebreid beroep konden doen op de research van universiteiten die door de overheden, door ons allemaal dus, gefinancierd worden. Het geld waarmee Pfizer & co experimenteren, komt van ons. Dus zijn die vaccins — hoe simpel kan het soms zijn — toch van ons, neen? En toch geven ze de patenten niet vrij, waardoor bijvoorbeeld Indiase bedrijven niet in staat zijn zelf vaccins te produceren. In het aandeelhouderskapitalisme telt een mensenleven niet, zelfs miljoenen mensenlevens niet. Winst is belangrijker dan het redden van levens. Cynischer wordt het niet. Die patenten zouden vrij moeten worden gegeven. Móeten! Daar hebben we allemaal baat bij, zo onderstreept Jayati Ghosh nog. ‘Want als de vaccins vrijgesteld worden van patentbescherming, wint iedereen. Ook in het Westen kan dan sneller worden gevaccineerd.’

De wereld staat in brand, maar in het Westen beslissen ze (we) om alleen in de eigen omgeving te blussen. De rest kan, letterlijk, stikken. ‘Eigen arm eerst’, noemde De Standaard-editorialist Bart Sturtewagen dat donderdag. Ik neem die bijzonder accurate omschrijving graag over, ook als kop boven dit stuk, omdat het perfect zegt waar het om draait: vaccinnationalisme. Eerst ónze mensen vaccineren en dan zien we wel. Eigenbelang, en toch ook weer niet, want het is net in ons eigen belang om zoveel mogelijk mensen in zoveel mogelijk landen in zo kort mogelijke tijd te vaccineren. Doen we dat niet, dan laten we miljoenen Afrikanen en Aziaten creperen. Ach, zal de cynicus opwerpen, ze moeten toch aan iets sterven. Maar de virusmutanten die ginds rondwaren, komen onvermijdelijk ook naar hier. Vijftig jaar geleden had de cynicus gelijk kunnen krijgen: de wereld was nog geen dorp, iedereen bleef op zijn eigen continent hangen, virussen hielden vooral lokaal lelijk huis. Vandaag reizen virussen vrolijk mee met hun dragers.

Wie de vaccinatiecampagne niet op gang helpt brengen in de zogeheten Derde Wereld, is niet alleen een egoïstische onmens, hij heeft de virale logica ook niet begrepen, want daar zit het eigenbelang: de virusverspreiding indammen. ‘Eigen arm eerst’ is even nefast en verwerpelijk als ‘Eigen volk eerst’. Het is kortzichtig, laf, onmenselijk, achterhaald, racistisch, paternalistisch, imperialistisch, en bedenk zelf nog maar wat adjectieven. En het tekent ook hoe wij, westerlingen, neerkijken op de havenots van deze wereld. En dan schrikken we straks als er weer een stroom vluchtelingen onze kant op komt. Deze week kapseisde weer een boot, het haalt niet eens onze headlines.

Hoe hoogstaand Pfizer, Moderna, AstraZeneca, Johnson & Johnson & co ook gewerkt hebben het voorbije jaar, het zijn geen helden. Business as usual is het niet, wat ze hebben gedaan, maar wel in de eerste plaats business. ‘As usual’ wordt daarbij zelden rekening gehouden met morele bedenkingen. Die moeten politici nu maar eens beginnen te maken, en ernaar handelen. En wij? ‘Ik denk dat een golf van politieke verontwaardiging de enige manier is om de zaken in beweging te krijgen,’ meent Jayati Ghosh. ‘Nu wordt de kwestie alleen aangekaart door ngo’s en hier en daar wat media. (…) Als er genoeg druk wordt uitgeoefend, zal snel genoeg duidelijk worden dat de huidige standpunten niet verdedigbaar zijn.’

Zolang de patenten niet worden vrijgegeven, krijgt Het Virus vrij spel. Eigen arm eerst is een zeer dom uitgangspunt. Als mensen al de coronamaatregelen moedwillig negeren om elkaar op te zoeken, zouden ze dit beter doen om massaal te protesteren tegen de kortzichtigheid van diegenen die ons naar betere tijden zouden moeten begeleiden, en niet om in een of ander bos de pseudoanarchist uit te hangen.



Voor wie haar soms geweld aandoet

Communicatie, Journalistiek, Samenleving Posted on za, april 24, 2021 11:43:16

Elke ochtend klokvast om halfacht gaf doctor Marc Galle ons, zinneloze zondaars, taalwenken op de BRT-radio. Op vijf minuten tijd kreeg de luisteraar te horen hoe het wel en niet moest, met die geliefde taal van ons. De nadruk lag toch eerder op wat er fout liep, herinner ik me vaag. De rubriek heette niet voor niets Voor wie haar soms geweld aandoet. Het waren de jaren zestig, het mocht nog allemaal een beetje bevoogdend en paternalistisch klinken, maar, geef ik grif toe, het was wel nuttig om te vernemen wat ik verkeerd had gedaan in de conversaties die ik zelf als keurig Nederlands had aangevoeld. Galle sprak traag en plechtig. Ook de ministers van die dagen declameerden rijke volzinnen, de spitse oneliners werden pas in een later stadium opgedist. Gaston Eyskens praatte meer uit de hoogte dan Alexander De Croo, maar het klonk wel keuriger, voornamer, meer getuigend van staatsmanschap en… met meer liefde voor de Nederlandse taal.

Van de jaren zeventig af deed de gevreesde taalraadsman Eugene Berode elke ochtend zijn ronde door de gangen van de openbare omroep. Geen taalfout ontsnapte hem. Hij schreef dan op een briefje wat hij gehoord had, stak dat in een blauwe enveloppe en legde die op het bureau van de schuldige, die vervolgens de hele dag met het schaamrood op de wangen rondliep in het Huis van Vertrouwen. Berode moet zowat de eerste ambtenaar geweest zijn die dagelijks aan meer dan tienduizend stappen geraakte. Volledige marathons heeft de man maandelijks gelopen in zijn hoogdagen. Het hielp af en toe, soms ook helemaal niet. Menige presentator of journalist kreeg meerdere blauwe briefjes met dezelfde opmerkingen te lezen. Mensen zijn hardnekkig in het herhalen van steeds weer dezelfde fouten, wij leren weinig uit de geschiedenis, óók niet wat taalfouten betreft. Tot 1996 bleef de heer Berode als taaladviseur in dienst van wat inmiddels BRTN was gaan heten, met de N van Nederlands prominent in de afkorting.

Toen ik halfweg de jaren negentig op de sportredactie van de televisie begon te werken, stuurde eminente collega Ivan Sonck wekelijks taalwenken rond in wat een primitieve vorm van e-mail was. ‘Andermaal’ was het woord dat het vaakst voorkwam in zijn circulaire, als in: beste medewerker, u heeft opnieuw dezelfde fout gemaakt. Sommige collega’s wilden maar niet begrijpen dat ‘Anderlecht komt met 1-0 op voorsprong’ geen correct Nederlands is. Dat moest, weten u en ik uiteraard, zijn: ‘Anderlecht komt 1-0 voor’ of ‘Anderlecht komt op voorsprong’. Sportjournalisten zijn de ongekroonde koningen van de contaminatie.

***

Voor wie haar soms geweld aandoet waren mijn ochtendvitaminen. Na mijn ouders was Marc Galle de eerste die mij toesprak bij het ontbijt. Ik luisterde aandachtig, knoopte dingen in mijn oren, vergat er ongeveer evenveel, maar ik probeerde er wel op te letten dat ik de fouten die professor Galle had beklemtoond zelf niet meer, of toch minder, maakte. Ik wilde toen al, op mijn achtste of zo, journalist worden, dat scheelt natuurlijk. Ik hamerde het er bij mezelf in dat mijn gereedschapskist in de toekomst uit taalelementen zou bestaan, niet uit hamers, beitels en schroevendraaiers. Vroeg begonnen is half gewonnen, of zoiets.

In het middelbaar was er meester De Pooter van Nederlands. Ik schrijf ‘meester’ omdat ik de voornaam van meneer De Pooter nooit onthouden heb. Paul was het, denk ik, het kan ook Piet geweest zijn. De man stak vol goede bedoelingen en had ongetwijfeld het beste met ons voor. Omgekeerd gold dat veel minder, weerbarstige jongens en meisjes staken de draak met dat pietje-precies vooraan in de klas. Wisten wij veel dat wij hem meer nodig hadden dan hij ons.

Daarna kwam meester De Wilde, Maurice met de voornaam, een man die weinig ‘blauwe brieven’ van Berode op zijn bureau zal teruggevonden hebben, omdat hij zelf behept was met de wil om taalkundig te excelleren. Ik zat alleen in mijn afdeling, Sociale Communicatie, op het RITCS en kreeg dus privéles van de grand reporter, die een voorbeeld was en een mentor werd. Af en toe moest ik iets schrijven en dan bromde De Wilde dat het goed was, waarna ik met afschuw naar de gecorrigeerde versie keek. Op elke lijn stond er wel een bedenking in een zeer klein en tegelijk zeer mooi en zeer leesbaar handschrift. Links zette hij dan een streepje, zodat ik zeker niet over de aanmerking heen zou kijken. Hij leerde me dan bijvoorbeeld dat ‘meer en meer’ een anglicisme was, dat het ‘hoe langer hoe meer’ moest zijn. Of dat ik niet ‘vanaf de jaren zeventig’ moest schrijven, maar ‘van de jaren zeventig af’. Als ik dat nu doe, zoals in de eerste zin van de tweede paragraaf, geeft mijn automatische spellingchecker aan dat ik een fout heb begaan. Tijden veranderen. Dankzij De Wilde werd mijn taal correcter en tegelijk ook stroever. Taal moet soepel gehanteerd worden, besefte ik. Regels en richtlijnen zijn noodzakelijk, maar er moet creatieve speelruimte blijven.

***

De samenleving evolueert, mensen evolueren, taal evolueert, en maar goed ook. Eerst hadden we maar te accepteren dat we accepteren met dubbele c moesten schrijven, tot men ons verzekerde dat het ‘aksepteren’ moest zijn, en ook dat hadden we maar te accepteren. Terloops, De Wilde hanteerde zelf ook de zogeheten ‘progressieve spelling’, voor hem was het dus ‘kollaboratie’, niet ‘collaboratie’. Later haalde de c van conservatief het op de progressieven en, heel eerlijk, dat vond ik prima. Accepteren oogt gewoon beter dan aksepteren.

Mijn eerste Van Dale was veel dunner dan het driedelig exemplaar uit 1992, dat nog altijd ongebruikt in een boekenkast achter mij staat te pronken. Recentere versies zullen nog dikker zijn geworden. Bastaardwoorden werden aangenomen zonen en dochters, leenwoorden bleven in huis wonen, de internationalisering van landstalen viel niet tegen te houden. Geen denken aan dat Marc Galle of Eugene Berode ‘burn-out’ zonder slag of stoot zouden geaccepteerd hebben. Wij zijn Vlamingen, nietwaar, we hebben al genoeg overheersers gekend in ons verleden.

De verengelsing van onze taal viel echter niet tegen te houden. Dammen werden opgeworpen, maar bleken niet stevig genoeg. Switchen, chillen, content, shoppen, deleten, coach, enfin, de voorbeelden zijn legio. We zoeken niet eens meer naar een bestaand alternatief in het Nederlands. Jammer, maar de realiteit valt soms niet tegen te houden. Dat is niet erg, op voorwaarde dat we de basis blijven respecteren. Toen ik van de week las dat de dames en heren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst nog sneller willen versoepelen dan de amateurvirologen onder ons, ging mijn weinige resterende haar rechtop staan. Achteraf bleek het een misverstand, F.C. De Kampioenen is nooit ver weg in dit land van ‘gewassen maandverbanden’ (copyright: Jean Pierre Van Rossem). ANS wilde gewoon aangeven dat er verschillende toepassingen zijn van de taalregels en dat de op papier foute veelvuldig circuleren. Niet meer, maar ook niet minder. Een Engelse universiteit besliste dan weer dat spelfouten in een thesis niet meer zo erg zijn. De dt-regel mag op de schop, vindt Kristien Hemmerechts, of moet dat ‘vind’ of ‘vint’ zijn? Te moeilijk, dus laten we die inspanning niet meer doen. Echt?

Als taalfouten worden getolereerd omdat ze in de praktijk vaak voorkomen, zullen we dan ook de meest voorkomende verkeersovertredingen voortaan door de vingers zien? Ik vroeg me dat in die bewoordingen eergisteren af op Twitter. Sommigen vonden dat ik niet met het verkeer mag vergelijken, omdat er in de taal geen doden vallen. Klopt, maar daar ging het niet om. Anderen vonden dat je iets wat juridisch afdwingbaar is (het verkeersreglement) niet in dezelfde context mag brengen als iets wat louter een conventie is (taalregels). Ook dat is juist. Mijn punt is dat we ons aan afspraken moeten houden (niet door het rood rijden, niet over een volle witte lijn rijden, richtingaanwijzers gebruiken bij een maneuver, ‘hij wordt’ met dt schrijven en ‘word je’ enkel met een d) en dat we die afspraken niet moeten aanpassen omdat er veel overtreders zijn, wel eventueel omdat de afspraken op zich niet deugen. Wie bedacht heeft dat ‘pannenkoek’ correcter is dan ‘pannekoek’ verdient billenkoek. Zo maak je taal onnodig moeilijk.

Wanneer ik zelf een dt-fout maak in een stuk — wat weleens gebeurt, geef ik ongaarne toe —, krijg ik meestal een discrete opmerking van iemand die ze opgemerkt heeft. Daar ben ik dankbaar voor, zowel vanwege de discretie, als vanwege de welwillende aandacht die iemand heeft besteed aan iets wat ik geschreven heb. Al vind ik het vanzelfsprekend ook vervelend: help, ik heb de taal, mijn werkinstrument, geweld aangedaan. Mijn oprechte excuses, doctor Marc Galle. Ik maak me sterk dat ik minder dt-fouten maak dan de gemiddelde Vlaming. Niet dat ik daar uitzonderlijk trots op ben, het hoort gewoon bij mijn vak, journalist. Als een student een dt-fout maakt in een verslag of een recensie, zal ik daar in gedachten een kwartpunt voor aftrekken, omdat die student nu eenmaal journalistiek studeert. Als iemand die geen neerlandicus is of die niet voor zijn dagelijkse werk een gereedschapskist vol Nederlandse woorden meezeult een fout of foutje maakt, vind ik dat minder erg. Ik ben niet de taalnazi die anderen berispt en er een plezier in schept om mensen te kleineren omdat ze even uit de bocht zijn gegaan. Dus, ja, taal mag, moét zelfs evolueren, pietluttige regeltjes mogen, neen: moéten, op de schop en wel zo vlug mogelijk. Maar gemakzucht, onwetendheid en intellectuele luiheid zijn niet de juiste middelen op weg naar een betere en modernere taal.

‘Groter als’ of ‘beter als’ niet nadrukkelijk blijven afkeuren, vind ik afkeurenswaardig, beste ANS-vertegenwoordigers. Jan is groter dan Piet, niet groter als Piet en, voor de West-Vlamingen onder u, evenmin groter of Piet. Het is van de pot gerukt om daar soepel mee om te gaan. Alles versimpelen is voor simplisten, niets vereenvoudigen is voor hartvreters. Ook de taalkerk moet in het midden gehouden worden. U wilt lezen wat u hoort? Nogtans is het zowiezo kwazi onmogelek om foneties konsekwent en korrekt te sgrijven. Niet aan beginnen, liefst.

Dat gemakzuchtig omgaan met wat er is, geldt trouwens ook bij het gebruik van andere talen. Jongeren haspelen in turbotaal het Engels bezittelijk voornaamwoord ‘your’ vaak door elkaar met ‘you’re’ (van ‘you are’). Moeten we dat zomaar accepteren? Maak er dan meteen ook fonetisch ‘joor’ van, als we dan toch bezig zijn met het verminken van een taal. Zullen we ‘knowhow’ dan voortaan spellen als ‘noowhouw’? Wie foltert, kan maar beter scrupuleloos te werk gaan. (Kijk, die ‘te werk gaan’ heb ik net even moeten nakijken, ik twijfelde of het niet ‘tewerk gaan’ moest zijn. Dat is een nadeel van een complex gegeven als taal: je twijfelt voortdurend en je moet dingen opzoeken. Ik doe dat gaarne, opzoeken, het maakt me elke dag een heel klein beetje minder onwetend. Als je de hele tijd googelt, kan je net zo goed ook even taalbanken raadplegen of woordenlijst.org gebruiken. Die ‘googelt’ heb ik trouwens ook even moeten checken. Kleine moeite.) ‘Ça va’ is bij de meeste jongeren ‘cava’ geworden, al kan dat ook te maken hebben met het ontbreken van de ç op het miniklavier van een smartphone. (Zo smart is die foon dan ook weer niet…)

Wat is de volgende stap: veelgemaakte taalovertredingen als ‘stadia’ (het foutieve meervoud van stadion) of ‘fysisch’ (als het over de menselijke fysiek gaat) accepteren, omdat ze nu eenmaal heel veel voorkomen? Dan kan je inderdaad, om opnieuw naar de analogie met verkeersovertredingen te gaan, middenvakrijders, chauffeurs die nooit hun richtingaanwijzers gebruiken of lieden die nog snel even over het zebrapad snorren terwijl u er al over wandelt, tolereren. De macht van het getal mag niet de norm zijn. Hoe meer overtreders, hoe minder aandacht voor de overtreding, is een bijzonder slecht uitgangspunt. Zo beloon je de overtreders.

Als we de lat zodanig laag leggen dat iedereen er zonder moeite overheen kan springen, wat winnen we dan?



Goede huisvader

Politiek, Samenleving Posted on za, april 10, 2021 11:29:20

De goede huisvader is niet meer. Of bijna toch. Hij is op sterven na dood. Hij (m/v/x), moet dat zijn. Het in hele oude juridische teksten opgenomen begrip ‘goede huisvader’ dateert nog uit de tijd dat moeder aan de haard bleef en vader, na een lange en uitermate vermoeiende werkdag, in de comfortabelste zetel van het huis de krant las, met de pantoffels op het salontafeltje. Alleen als het eten op tafel werd gezet, mocht hij gestoord worden. Andere tijden. Zeker geen betere tijden. Goed dat oude teksten afgestoft en opgeblonken worden. Ik vroeg me al diep in de jaren zeventig af waarom er niet zoiets kon bestaan als een ‘goede huismoeder’ en waarom vader altijd moest optreden als het echt belangrijk werd. (Terloops, berg ook dat ‘Vadertje Staat’ maar definitief op in het museum van versleten clichés en oubollige uitdrukkingen.)

Zou Charles Michel een goede huisvader zijn? Ik lees de boekskes in geen van beide landstalen, dus ik weet het niet. Deze week gedroeg hij zich alleszins eerder als een neanderthaler. U kent de positioneringen op de staatsiefoto stilaan uit het hoofd. Charles Michel, de Europese ‘president’, en Recep Tayyip Erdogan, de Turkse president, broederlijk naast elkaar zittend, en Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, die rechtop staat en een beetje schutterig met haar handen beweegt. Voor haar was er geen plaats naast de heren, ze moest een paar meter verder in een soort divan plaatsnemen. Ik beeld me dan in dat ze moest roepen om gehoord te worden, terwijl de heren bleven fluisteren, om haar uit het gesprek te kunnen houden. Dat is dan mijn slecht karakter, ik beperk me gelukkig tot verbeelding. Maar dat beeld was wel reëel. Twee mannen bedisselden de zaken, mevrouw mocht toekijken vanop een afstand. Seksisme vanwege de Turkse gastheer? Zou kunnen, al spraken sommige waarnemers dat tegen. Het maakte niet zozeer uit dat Von der Leyen een vrouw is, zo betoogden ze, Erdogan wilde vooral duidelijk maken wie de baas was én hij wou de vertegenwoordigers van de in zijn ogen al te kritische Europese Unie uit elkaar spelen. Twee keer bingo. #sofagate was een feit.

We kunnen niet in het hoofd van Erdogan kijken — daar heb je die verbeelding weer: ik beeld me hierbij een holle ruimte in —, wel kunnen we het gedrag van Michel beoordelen. Onze ex-premier had vier kunnen dingen doen om het predicaat ‘goede huisvader’ te verdienen: een extra stoel opeisen voor Von der Leyen, zijn plaats afstaan aan Von der Leyen, naast Von der Leyen plaatsnemen in de divan, of verontwaardigd de ruimte verlaten. Hij deed geen van de vier, begon diplomatisch te keuvelen met de Turkse president. Michel degradeerde Von der Leyen zo tot bijzitter, ‘vrouw aan de haard’ werd ‘vrouw in de divan’. Von der Leyen bleef ook braafjes zitten. Onze Europatjepeeërs wilden geen diplomatiek incident veroorzaken. Hoe naïef. And zie vinner is… Erdogan!

Charles Michel, de man die zich in hogere wereldkringen aldoor bedient van een Allo’ Allo’-achtig Engels, heeft door zijn gedrag — en vooral: door niet te doen wat hij had moeten doen — de Europese Unie en zichzelf een halve eeuw terug in de tijd gekatapulteerd. De tijd van “Die wijven moeten zoveel complimenten niet maken” (een uitspraak van de sociaaldemocraat Louis Major uit 1971, nadat Volksunie-verkozene Nelly Maes had geëist dat ze de eed zou afleggen na het afroepen van haar meisjesnaam, niet die van haar man) leek ver weg en is toch zo nabij. Emancipatie is een broos gegeven: ze komt er pas na een lange, intense strijd met vele verbale oorlogen en ze verdwijnt met een vingerknip. De man die eind 2018 nog bezwoer dat hij er een regeringscrisis voor overhad om toch maar aan de juiste kant van de geschiedenis te kunnen staan, staat nu aan de verkeerde kant, hoe ironisch toch. Een pedagogische tik, mag dat nog in 2021?



Belofte, Schuld & Boete

Politiek, Samenleving Posted on za, maart 27, 2021 11:42:26

‘Wie gelooft die mensen nog?’ Herinnert u zich nog die min of meer gevleugelde woorden van CD&V-politicus Yves Leterme, minister-president van Vlaanderen, die zware kritiek had op het federale beleid, op dat ogenblik uitzonderlijk zonder christendemocraten in de regering, en die daarmee het pad effende voor een verkiezingsoverwinning die achteraf niet verzilverd werd?

Je zou die populistische en destijds als een boemerang teruggekeerde woorden van de ex-premier vandaag ook kunnen toepassen op de huidige beleidsmensen. Wie gelooft hen nog, na alle gedane en intussen verbroken beloften? Als we ons met Kerstmis zouden gedragen, zouden we snel van dat virus af geraken. Als de vaccinatie eenmaal op gang zou komen, zouden we snel van dat virus af geraken. Als de kappers terug opengingen, zou dat definitief zijn. Als we nog even zouden doorbijten, zou het ‘rijk der vrijheid’ in zicht komen. Als we ons nog even zouden gedragen, mogen op 1 mei de cafés en restaurants terug open. De scholen? Blijven open. De terrassen? Gaan open tijdens de paasvakantie. We weten intussen hoe het in werkelijkheid gegaan is. Als, als, als, als, als.

***

Het grootste nadeel van de huidige generatie politici is dat ze van peiling tot peiling leven, en van verkiezing tot verkiezing. Zelfs de verankering dat verkiezingen slechts om de vijf jaar zullen plaatsvinden, biedt niet de garantie dat leidinggevende politici handelen in functie van een langetermijnvisie en kan niet voorkomen dat ze gestuurd worden door de waan van de dag. Ideologie en visie zijn passé, het gaat alleen nog over vandaag, morgen en, in het beste geval, overmorgen. De permanente verkiezingskoorts en de angst voor afwijzing zorgen ervoor dat politici in slogans denken en de ene na de andere belofte op ons afvuren, zelfs als dat niet aangewezen is, zoals tijdens deze pandemie. Het is sterker dan henzelf. De nuchtere Frank Vandenbroucke wilde wedden dat de vaccinatiecampagne voorspoedig zou verlopen. Wouter Beke prentte ons in dat op 11 juli, niet toevallig de Vlaamse feestdag, ook de jongeren zullen gevaccineerd zijn. Premier De Croo beloofde vorig najaar met de hand op het hart dat er geen strenge lockdown meer zou komen.

Achter verkiezingsbeloften kan je je nog verschuilen: er moeten immers coalitiepartners worden gevonden, compromissen gesloten die niet al te compromitterend zijn, de tekst van het verkiezingsprogramma blijkt dan toch niet integraal in steen gebeiteld, maar daar kun je nog een draai aan geven. Het belang van het land, nietwaar. Beloften die los staan van de verkiezingsstrijd zijn veel riskanter. Gezichtsverlies dreigt, wanneer ze niet waargemaakt worden. Wie gelooft die mensen nog, als hun ‘als-en’ en ‘indiens’ nergens op blijken te slaan. In crisistijden moet je zoveel mogelijk volk achter de vlag van je maatregelen verzamelen, maar als je voortdurend de kleuren van je vlag aanpast, loopt er op den duur nog slechts een kleine minderheid mee, diegenen die blind gehoorzamen aan Het Gezag.

***

Belofte maakt schuld, zegt het spreekwoord, en bij schuld hoort boete. Dus moeten ministers in alle regeringen van dit land door het stof. Ze hebben van alles beloofd en er is tot nog toe weinig of niets van waargemaakt, dus heeft het sociale media-tribunaal — een zeer actief organisme — hen schuldig verklaard, en wacht hen een fikse boete. Voorlopig nog niet in de vorm van een verkiezingsnederlaag, ze hebben nog drie jaar om de negatieve teneur recht te trekken en tegen dan zal Het Virus alleen nog chronisch aanwezig zijn in de samenleving, niet meer zo acuut als nu. Maar hun geloofwaardigheid ligt wel aan diggelen. Geloofwaardigheid komt te voet en verdwijnt te paard, in galop nog wel.

Met metaforen en aangepaste spreekwoorden kom je er niet, in coronatijden. Met hoogdravende beloften die voorbarig of ronduit vals blijken te zijn, evenmin. Sommigen spreken over Het Virus alsof het een persoon is, een ettertje dat hier rondwaart en ons schaamteloos koeioneert. Dat maakt erover praten makkelijker, wellicht, maar tegelijk is het een iets te doorzichtige manier om van een onzichtbare vijand een zichtbare te maken. Terwijl wij, mensen, dat virus helpen ronddansen, als was het een molenwiekende derwisj. Het Virus verspreidt zich niet omdat het dat zelf wil, maar omdat wij het, door ons gedrag, een flinke hand helpen. ‘We’re a virus with shoes,’ zei stand-upcomedian Bill Hicks daar ooit over.

***

Van premiers, minister-presidenten en vakministers verwacht je kordaat leiderschap, met één oog op nu en één op de toekomst. In het stemhokje duiden we politici aan die onze toekomst vorm moeten geven, ons heden moeten verzekeren en, af en toe, het verleden helpen herschrijven in de vorm van het terugdraaien van domme maatregelen of kortzichtige wetten. De holle slogans nemen we erbij, maar ze zouden niet het dagelijkse leven mogen bepalen. In crisissituaties verwacht ik geen beloften, maar daadkracht, gesteund op ideologische overtuiging, visie en expertise. Ideologieën zijn echter in onbruik geraakt, dat konden we vorig weekend nog merken bij de lancering van Vooruit, een sociaaldemocratische politieke beweging (zucht!) waar iedereen welkom is. Marketinggezwets tot in het oneindige, ons gebracht door een leeghoofdige posterboy. Visie? Ach, als er al een is, wordt die snel onder de mat geveegd, uit vrees voor repercussies. Want elke doordachte toekomstvisie veronderstelt opofferingen en grondige bijsturingen van ons gedrag, geen prettige boodschap om te brengen. Voor expertise verwacht je dat beleidsmakers die ofwel zelf hebben opgebouwd, ofwel dat ze uitgebreid hun oor te luisteren leggen bij experten en écht rekening houden met hun adviezen, hoe streng en onpopulair die ook mogen zijn. Ook dat blijkt in deze coronacrisis na een tijdje problematisch te worden, want virologen, infectiologen, epidemiologen, microbiologen, vaccinologen en biostatistici gaan uit van puur wetenschappelijke feiten of veronderstellingen op basis van onderzoek, en dat slechte nieuws — wat het in deze pandemie meestal is — willen politici niet meer brengen, tot het, zoals deze week, niet meer anders kan.

***

Politici willen te veel perspectief bieden, te veel optimisme uitstralen, te veel benadrukken dat we morgen, of neem nu overmorgen, vrij zullen zijn, omdat ze vermoeden of hopen dat het hen een plekje zal doen stijgen in de volgende populariteitspoll. Van een kapitein op een schip in zwaar stormweer verwacht ik niet dat die zegt dat het allemaal wel goed komt, maar dat ie ons, samen met zijn crew, door de storm loodst. Deskundig, zonder franjes, bijsturend wanneer dat nodig blijkt. Koppigheid is een slechte eigenschap op de brug, overdreven flexibiliteit eveneens. En wat ik ook verwacht is dat er één kapitein aan boord is, geen tien. Want dan krijg je die intussen bekende kakofonie aan tegengestelde meninkjes die altijd volgen op een zogezegd eendrachtig besluit.

De opeenvolgende staatshervormingen hebben het schip België voor een deel stuurloos gemaakt, merken we in dit soort crisissituaties. ‘Too many cooks spoil the broth’, zegt een Engels spreekwoord. In de keuken kan er maar één chef zijn. Eenheid van commando viel in deze ongeziene en aartsmoeilijke omstandigheden aan te bevelen: vele landen worstelden daarmee, net als de Europese Unie. Maar bij ons is het een gevolg van de staatsstructuur, die cultuur van een beetje geven en een beetje nemen om iedereen te plezieren, maar waarmee je uiteindelijk vastloopt.

Beloven is een zwaktebod. Een leidinggevende kan niet goed doen voor iedereen, omdat mensen dat ‘goede’ nu eenmaal verschillend invullen. Probeer dat dan ook niet te doen. Dan beloof ik dat ik u weer ernstig zal nemen, beste politici.



Gedogen is niet hetzelfde als aanvaarden

Samenleving Posted on za, maart 13, 2021 11:36:07

Een man van tweeënveertig, openlijk homoseksueel, wordt naar een verlaten plekje in een park gelokt via een datingsite voor homo’s en daar vermoord, maar toch wil het gerecht de term ‘homohaat’ niet in de mond nemen. Misschien moeten we dat respecteren: we willen nu eenmaal de rechtsstaat verdedigen en dat houdt absoluut in dat een onderzoek ongestoord en onafhankelijk moet kunnen gebeuren, toch? Maar laten we dan toch in de berichtgeving die ‘homohaat’ blijven benadrukken. En laten we die verzachtende term ‘gaybashing’ alstublieft terzijde schuiven. Vertaald uit het Engels betekent ‘bashing’ óók fysiek belagen, maar in eerste instantie komt het neer op extreme pesterijen, niet op het aanbrengen van zware letsels, laat staan het doden van iemand. Dit was in het beste geval doodslag, in het slechtste moord met voorbedachten rade. Dat is dan weer aan het gerechtelijk onderzoek om uitsluitsel te brengen en aan de rechter om uitspraak te doen. Ondertussen proberen de ouders van het slachtoffer, via hun advocaat, de gemoederen te bedaren, onder meer door zelf het woord ‘homohaat’ nog niet in de mond te nemen. Eerbaar en lovenswaardig, maar hoe verklaar je dan — ik herhaal het nog even — dat de daders bewust een vals profiel aanmaken op een homo-site om zo een toekomstig slachtoffer (wellicht met het oog op een diefstal) proberen te maken. Hadden ze hem net zo goed via een andere app of via Facebook kunnen lokken.

Bekende en onbekende homoseksuelen getuigden de hele week over wie ze zijn, wat ze doen, hoe ze (vies) bekeken worden, wat hen persoonlijk al is overkomen, wat hen angst aanjaagt. Getuigenissen die fungeerden als eyeopener, zo zeggen we dan spontaan, maar dat is vooral omdat onze ogen gesloten waren (en zeer binnenkort weer zullen zijn). Je moet discriminatie wíllen zien en je moet er vervolgens ook iets tegen wíllen doen. Al de rest is praat voor de vaak en tijdverlies.

Je leest dat gaybashing in opmars is. Dat tolerantie vanuit de dominante groep, hetero’s, onder druk staat. Dat religieuze fanatici nooit aanvaard hebben en nooit zullen aanvaarden dat er in hun ogen zieke mensen rondlopen, versta: al wie niet hetero én gelovig is. Dat de samenleving verkrampt als het op seksueel gedrag aankomt. Met andere woorden: dat we in 2021 een beetje stilstaan. Dat klopt niet. Het is namelijk nooit anders geweest. De samenleving is nooit helemaal verdraagzaam geweest tegenover een andere dan de heteroseksuele beleving van seksualiteit. Die moord is business as usual in zijn meest extreme vorm.

***

Meer dan een eeuw geleden bestonden homo’s niet. Officieel toch niet. Wie nog maar iets zei dat hem of haar kon laten identificeren als niet-hetero, vloog de cel in. Dus bleven ze verdoken zitten in een kast in een kast in een kast in een kast, zoals de Russische poppetjes. Herinner u hoe het met Oscar Wilde is afgelopen.

In de twintigste eeuw werden niet-hetero’s heel lang opgejaagd. Ik moet u ongetwijfeld het Derde Rijk niet opnieuw onder de aandacht brengen, of het stalinisme, of andere -ismen die alles en iedereen die niet-hetero was als een afwijking beschouwen.

In de Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, het handboek voor de psychiatrie, voor het eerst gepubliceerd in 1952, stond homofilie heel lang bij de psychische ziekten genoteerd. Pas in 1973, niet eens vijftig jaar geleden, werd de geaardheid geschrapt als afwijking, en dan nog niet van harte en unaniem.

De Britse wiskundige en informaticus Alan Turing ontcijferde tijdens de Tweede Wereldoorlog de Duitse enigma-code en redde zo ongetwijfeld vele tienduizenden levens. Oorlogsheld. Als stank voor dank werd hij zeven jaar later gearresteerd wegens het stellen van ‘homoseksuele handelingen’. Op 7 juni 1954 pleegde hij zelfmoord of werd hij vermoord door de Britse geheime dienst, ach, het is allebei erg: ofwel nam hij afscheid omdat hij niet mocht leven zoals hij wilde leven, ofwel werd hem het leven benomen omdat hij zich niet gedroeg zoals de overheid dat wilde.

De coming out van Will Ferdy werkte bevrijdend op Vlaamse homo’s, was zonder twijfel ook gedurfd en revolutionair, maar zei begin jaren 70 veel over een samenleving die net Mei ’68 en de swingende sixties had beleefd. We stonden nog nergens. En we gingen nergens naartoe.

Langs het voetbalveld wordt al decennia ‘Jeanet’ geroepen, om een speler van de tegenstander te jennen. Niet dat supporters werkelijk denken dat de speler in kwestie homoseksueel is, ‘Jeanet’ past gewoon in hun wereldbeeld, waarbij homo’s (‘jeanetten’) minderwaardige wezens zijn. Niet formidable, maar fort minable. Je mag met hen lachen, ze zijn niet normaal.

In de jaren 80 werden mannelijke homo’s ontweken, genegeerd en gekleineerd omdat zij de ongeneeslijke ziekte aids, het eindstadium na de overdracht van het hiv-virus, geïntroduceerd hadden in de westerse maatschappij. Omdat promiscue gedrag veroordeeld werd, hoefde er ook niet zoveel geld worden gepompt in het ontwikkelen van een vaccin of geneesmiddel. Een paus verbood heteroseksuele Afrikanen om een condoom te gebruiken en had miljoenen doden op zijn geweten. Reactionair rechts wilde al wie uit de kast was getreden er terug in duwen. De norm werd, opnieuw, law and order, en hypocrisie, de meest christelijke aller ‘deugden’. (Vandaag hekelde extreemrechts onmiddellijk de moord in Beveren, omdat ze zo kon anticiperen op de identificatie van — hopelijk voor hen — islamitische daders. Als het tégen de islam is, is extreemrechts opeens homovriendelijk. Een paar dagen later vaardigen ze een homofoob af naar het Vlaams Audiovisueel Fonds. Probeert u de logica maar niet te vatten, het zal u toch niet lukken.)

Zo vrijgevochten de jaren zestig leken (leken!), zo donker werd het deze eeuw opnieuw. Hoe meer categorieën seksualiteit er zijn, hoe hoger de aandrang bij rechts om de geest van ’68 en vrije seksbeleving af te zweren. En rechts heeft het wel voor het zeggen, in de parlementen, op straat en in de geesten overal ter wereld. In werkelijkheid is de wereld nooit vrijgevochten geweest: weinig is voor altijd verworven, veel blijft onontgonnen terrein. Soms lijken de traditionele Processie van Echternach en de maatschappelijke reacties op de Gay Pride heel sterk op elkaar. Het gaat maar niet vooruit. Niet omdat we niet kunnen, maar omdat we niet willen.

***

Afwijken van de norm — huwelijk mét kinderen tussen gelovige mensen van verschillend geslacht en met dezelfde huidskleur — is nog altijd uit den boze. Hooguit wordt de regenboog gedoogd. Gedogen is niet hetzelfde als aanvaarden. Wie gedoogt laat iets oogluikend toe, ook al mag het in feite niet; wie aanvaardt heeft geen probleem met andermans gedrag. Aanvaarden dat de L, de G, de B, de T, de Q, de I, de A en de + in LGBTQIA+ worden gerespecteerd, ho maar, dat is twee regenbogen te ver. We doen ons voor als verdraagzaam, maar dat geldt alleen tegenover een dominant specimen van de eigen soort. Abnormaal zijn zij die denken dat ze de normaliteit vertegenwoordigen. Helaas vormen ze een meerderheid en bepalen zij alsnog de norm.



De mens van Pavlov

Samenleving Posted on za, februari 27, 2021 11:44:12

De gemiddelde bewoner van deze aardkloot heeft tijdens de pandemie meer verloren dan gewonnen. In mijn geval: zeven en een halve kilogram. Wat dan weer betekent dat ik eigenlijk gewonnen heb, het voorbije jaar, maar dit geheel terzijde. Thuis werken in combinatie met een evenwichtig dieet — en niet langer de vettige lunches in de redactiekantine en de snacks-uit-verveling rond vier uur — doet wonderen. De gespannen buik, weg. Het buikje dat overblijft, wordt aan gewerkt. De iets te nauw geworden hemden en broeken, ze passen weer. Mijn garderobe kreunt niet langer, zachtjes hoor ik mijn kleren zuchtjes slaken. ‘Eindelijk ademruimte!’ Het kan ook mijn verbeelding zijn. Of verveling. Nu nog aan die buikspieroefeningen beginnen.

Woensdag had mijn teergeliefde een presentje bij. Een kleinigheid om mijn doorzettingsvermogen te belonen. Noem het een late Valentijn. Een zak zoute chips, for old times’ sake. Niet zo’n petieterig zakje uit de automaat dat je in drie minuten achter de kiezen hebt gemoffeld (de inhoud, niet het zakje). Ook geen zak van gezinsformaat. Gewoon een degelijke, stevige zak chips. Die ik vervolgens in recordtempo naar binnen heb geschrokt. Mijn persoonlijke relatie tot een zak chips is zoals die van een Vlaams Blokker ten aanzien van mensen met een andere huidskleur: ze moeten zo snel mogelijk weg. Moeten! Zo snel mogelijk! Weg! Geen kruimel mag overblijven. Dat ik een uurtje later met lichte tegenzin mijn favoriete avondmaal naar binnen moest werken, opende mij de ogen. Wat had ik gedáán? Een hele zak chips, verdorie, en ik kan niet eens zeggen dat die mij bijzonder smaakte (het waren geen pickleschips).

Het werktuiglijke van mijn handeling deed me nadenken. Dit was pavloviaans. Wat de Russische fysioloog Ivan Pavlov (1849-1936) meer dan honderd jaar geleden al aantoonde, deed ik dunnetjes over. Ik ben geconditioneerd. De aankondiging dat vrouwlief een zak chips mee had, deed me verlangen. Het daaropvolgende geluid van een krakende zak chips deed me kwijlen. Het geluid van een zak chips die werd opengescheurd, zorgde voor een watervalachtige speekselafscheiding waarvan gelukkig geen beelden bestaan. Het verzwelgen van de chips was de ultieme hallucinatie: ze zijn van mij, ze moeten op, ook al ben ik allang voldaan. Klassieke Pavlovreactie. Niet bij een hond, deze keer, maar bij een volwassen man.

Pavloviaans was ook de term die me voor de geest sprong bij het zien van de beelden van mensen die de eerste zonnestralen en de veel te hoge temperaturen voor de tijd van het jaar aangrepen om naar de kust te trekken. Of die studenten die, naargelang de plek waar hun kot zich bevindt, naar het Sint-Pietersplein of het stadspark gingen om er te zonnekloppen, en even te doen alsof dat virus hier niet rondwaart. Het kwam hen op virtuele lynchpartijen te staan, hoogdravende waarschuwingen, strenge verordeningen van burgemeesters, boegeroep van lieden die zich wel al een jaar aan de regeltjes houden. Ik begrijp zowel de boze reacties als de nood om even uit te breken. Het is allebei ongezond: het ene voor je hart, het andere voor je longen. Covid-19 lacht er niet mee. Best niet doen, dus.

Wat mij nog het meest stoorde, is dat wij, mensen, blijkbaar niet in staat zijn de platgetreden paden te verlaten. Zon in het weekend -> kust. Zon in de week -> stadspark. Zon op een avond -> barbecue. Het is een geconditioneerdheid die ik weiger te aanvaarden, al is de manier waarop ik omga met een zak chips er enigszins vergelijkbaar mee. ‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit,’ schreef Gerard Walschap, maar hij was fout. Hij had moeten schrijven: ‘De mens, ge begrijpt gij niet waarom die altijd weer doet wat ge ervan moogt verwachten.’

Het is geen verplichting om vanaf vijftien graden naar Oostende of Blankenberge te trekken. Andere kuststeden en -gemeenten zijn minder druk en bijgevolg aangenamer. Het werd niet contractueel vastgelegd dat je als student naar die plaatsen moet gaan waar je als student naartoe gezogen wordt. Je kan ook een wandeling maken in een rustige wijk of je dekentje spreiden op kleinere publieke grasperken. In studentensteden als Leuven, Gent, Antwerpen, Hasselt en Brussel valt veel te ontdekken, zonder dat er op die plekken meteen busladingen met gelijkgezinden worden gedropt. Maar iets in ons zegt: we moeten de anderen opzoeken, want pas dan bestaan we. Dan kunnen we zeggen dat we er geweest zijn, er zijn immers getuigen van. Ook al sta je dan uren in de file heen en uren in de file terug, terwijl je ter plekke uren schuifelt omdat er geen doorkomen aan is. De vele stonden ongemak worden vergeten bij die ene stonde pseudovertier. Waar dan de camera van de nieuwsdienst strategisch staat opgesteld om wat al geweten is te registreren, ook redacties zijn geconditioneerd. Het is druk. Er is te veel volk. De horeca klaagt (voor één keer met reden). Mensenlief, toch, we zijn even makkelijk te lezen als een flutroman!

De mens van Pavlov blijft verbazen, zoals ik deze week ook mezelf heb verbaasd met die zak chips. Zó voorspelbaar. Ik kan beter. Wij kunnen beter. Een beetje originaliteit kan soms wonderen doen in het leven. Neem eens een afslag vroeger of later, en verras jezelf. En geniet van de rust en de stilte.



Volgende »