Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Belgische Politici Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on za, juli 11, 2020 12:13:37

Waar waren we gebleven? O ja…

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. Hugo Schiltz

9. Guy Verhofstadt

8. Herman Van Rompuy

7. Gaston Eyskens

6. Wilfried Martens

5. Lucienne Herman-Michielsens

4. Karel Van Miert

3. PAUL-HENRI SPAAK (1899-1972). In de wieg gelegd voor de politiek. Zijn grootvader langs moederskant, Paul Janson, wordt als vader van het sociaalliberalisme beschouwd, zijn oom, Paul-Emile Janson, was korte tijd premier van België. Hoewel ze tot de liberale tak van de familie behoorde, was zijn moeder actief voor de Belgische Werkliedenpartij, de unitaire voorloper van de sp.a en de PS. En om het familieverhaal af te maken: de dochter van Paul-Henri, Antoinette, voerde lange tijd het communautaire FDF aan. Spaak zelf koos van jongs af aan, als hoofd van de Socialistische Jonge Wacht, voor de sociaaldemocratie, waarbij in de eerste plaats zijn pacifisme opviel. In de tweede helft van de jaren 30 werd hij achtereenvolgens minister van PTT en Transport, minister van Binnenlandse Zaken, premier (1938-1939) en minister van Buitenlandse Zaken, een functie die hij bleef bekleden in ballingschap in Londen. Op 31 maart 1946 werd hij gedurende net geen jaar voorzitter van de eerste Algemene Vergadering van de pas opgerichte Verenigde Naties. Kort voordien had hij opnieuw een Belgische regering geleid en dat zou hij opnieuw doen van maart 1947 tot augustus 1949. In de jaren 50 werd hij voorzitter van de gemeenschappelijke vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, EGKS. In een rapport deed hij de aanbeveling om de Europese Economische Gemeenschap, EEG, op te richten, de voorloper van de Europese Unie: dat gebeurde in 1957. Dat jaar werd hij ook secretaris-generaal van de NAVO, wat hij bleef tot 1961. Op het eind van zijn politieke carrière werd hij voorstander van het federalisme en steunde hij de francofone partij FDF van zijn dochter Antoinette. Paul-Henri Spaak ontving eretekens in vierendertig landen. Zo iemand waarvoor de term ‘staatsman’ bedacht werd.

2. ACHIEL VAN ACKER (1898-1975). Eerstgeborene in mijn top 20 en een generatiegenoot van Spaak. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij actief in de Brugse afdeling van de Belgische Werkliedenpartij. Hij kwam op voor de rechten van de arbeider, richtte daartoe mee enkele coöperatieven op en een socialistisch weekblad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield hij zich bezig met het in standhouden van de socialistische beweging. Pas daarna kwam hij op het voorplan, eerst als minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, daarna tot vier keer toe als premier tussen 1945 en 1958. Lag aan de basis van de Kolenslag, een beleid dat erop gericht was de steenkoolproductie op te drijven, een belangrijk onderdeel van de economische heropbouw na de oorlog. Het leverde hem de bijnaam ‘Achille Charbon’ op. Hij wordt ook gezien als de ‘vader van de sociale zekerheid’, omdat hij als minister van Sociale Voorzorg een besluitwet had opgesteld die de basis vormt van de sociale zekerheid zoals we die nu nog kennen. Van 1961 tot 1974 was hij Kamervoorzitter.

1. JEAN-LUC DEHAENE (1940-2014). Was ‘slechts’ iets meer dan zeven jaar premier van het land, goed voor twee regeringen die zijn naam droegen, maar slaagde er in die relatief korte periode in om het land door moeilijke situaties te loodsen. Met het Sint-Michielsakkoord realiseerde hij in 1993 de tot dan toe grootste staatshervorming in België, twee jaar later wist hij — nota bene in een coalitie met sociaaldemocraten — met een streng begrotingsbeleid het land in de eurozone te manoeuvreren. In de jaren 80 was Dehaene al opgevallen als matchmaker van zeer diverse regeringen en als minister van sociale Zaken. Legendarisch is zijn uitspraak van begin 1988 toen de koning hem vroeg om als informateur de weg naar een nieuwe regering te plaveien: “Sire, geef me honderd dagen.” Die onmogelijk ogende karweien leverden hem de ietwat denigrerende bijnaam ‘de loodgieter’ op. Door zijn nogal kortaffe communicatie kwam hij boertiger en minder empathisch over dan hij in werkelijkheid was. Vooral ten tijde van de affaire-Dutroux en de Witte Mars was dat een nadeel. Zijn adagium “Een probleem moet je pas oplossen als het zich stelt” versterkte het beeld van de loodgieter, terwijl hij echt wel visionaire capaciteiten bezat. Ik heb de man drie keer mogen interviewen bij hem thuis in Vilvoorde. Dat plompe was niet gespeeld, anderzijds was hij best wel open en hartelijk. Omschreef zichzelf een politicus van de vorige eeuw: een Dehaene zou niet renderen in deze tijden van sociale media en veelvuldige lekken. Iemand met zijn capaciteiten wordt node gemist in deze ontregelende tijden. In zijn gloriejaren was hij de juiste persoon op de juiste plaats. Hadden we die nu nog maar…



Belgische Politici Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on vr, juli 10, 2020 11:56:12

Bent u al bekomen van de eerste helft van de lijst? Dan bent u klaar voor de nummers 10 tot en met 4. U zult hierin vergeefs zoeken naar de nochtans illustere namen van bijvoorbeeld Théo Lefèvre, Pierre Harmel, Paul Vanden Boeynants, Frans Grootjans of Willy De Clercq. Twintig is nu eenmaal een restrictief aantal. En ik beoordeelde hen, in alle onbescheidenheid, als net iets minder belangrijk dan de twintig namen die er nu in staan, waarbij ik toch vooral ook de internationale impact — zoals aanwezigheid binnen de Europese Unie — probeerde te vatten. Hoe dan ook is dit een subjectieve lijst, laten we ’t daarover eens zijn.

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. HUGO SCHILTZ (1927-2006). Flirtte tijdens de Tweede Wereldoorlog als tiener met het nationaalsocialisme. Behield daarna wel zijn flamingantische overtuiging, maar wist dit in een democratische visie te integreren. Dat vloekte weleens met oudere partijgenoten binnen de Volksunie, waarin destijds nogal wat romantische flaminganten rondliepen, die de oorlog liever anders hadden zien eindigen. In 1965 werd Schiltz verkozen tot volksvertegenwoordiger. Tussen 1975 en 1979 was hij partijvoorzitter: het waren de woelige Tindemans-jaren, met onder meer het afgewezen Egmontpact. Daarna volgden ministeriële periodes: gemeenschapsminister van Financiën en Begroting (Vlaamse Executieve) en minister van begroting en wetenschapsbeleid en vicepremier (federaal). In 1991, op zijn vierenzestigste, werd hij senator, meestal het signaal van een fin-de-carrière. Schiltz was een groot voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte, een samengaan van Vlaanderen en Nederland, maar wat hem een staatsman maakte, was dat hij altijd realistisch en compromisbereid is gebleven. Dat hij op het eind van zijn leven na de implosie van ‘zijn’ Volksunie overstapte naar Spirit in plaats van bij de N-VA te gaan, maakt duidelijk waar hij ideologisch voor stond. Zeker geen nationalistische hardliner. Wel een bevlogen, soms genadeloze debater.

9. GUY VERHOFSTADT (°1953). Voluntarist, zo wordt hij genoemd. Nochtans vond een flink deel van de Vlaamse bevolking dat hij als jonge politicus eerder een blaag was. Als jongerenvoorzitter stookte hij eind jaren 70, begin jaren 80 geregeld een neoliberaal brandje, als grote fan van Margaret Thatcher. Daarna werd hij de op dat moment jongste partijvoorzitter ooit, op zijn 28ste. Hij leidde de PVV met harde hand en luide mond tussen 1982 en 1985. De drie daaropvolgende jaren was hij minister van Begroting en Wetenschapsbeleid en vicepremier in de zesde regering onder Wilfried Martens. Vooral zijn genadeloos begrotingsbeleid, in een tijd van zware economische crisis, en zijn blijvende voorkeur voor neoliberale recepten leverden hem de bijnaam ‘da joenk’ op. Een snotneus met een grote mond, in de ogen van oudere heren van stand. Daardoor werd hij in 1988 buitenspel gezet door een entente van partij, vakbond en standenorganisaties binnen de christendemocratie. Hij werd opnieuw partijvoorzitter, ten koste van Annemie Neyts, en vormde de PVV om tot de VLD, waarbij politieke verruiming centraal stond. Opeenvolgende verkiezingszeges brachten hem geen stap dichter bij de regering, tot de dioxinecrisis in 1999 een uitweg bood. Heel snel werd een paars-groene coalitie gevormd, met Verhofstadt als bevlogen premier. De euthanasiewet en de wet op het homohuwelijk dateren uit die periode, maar ook de opnieuw ontspoorde begroting. In 2009 werd hij Europees parlementariër. Ook daar is hij, als overtuigd Europeaan, een opgemerkte verkozene.

8. HERMAN VAN ROMPUY (°1947). De studax die opklom in de partijgelederen. Als directeur van de studiedienst van de CVP, Cepess, lag hij mee aan de basis van verschillende regeringen en staatshervormingen. Dat hij partijvoorzitter zou worden, stond in de sterren geschreven (1988-1993). Geen dankbare taak, gezien de tegenstrijdige en elkaar bekampende standen binnen de partij. Van Rompuy zat op de lijn-Tindemans, bij wie hij nog adviseur geweest was, die lijnrecht tegenover de lijn-Martens stond. In de regering-Dehaene I werd hij minister van Begroting, wat hij zou blijven tot de verkiezingen van 1999. Na acht jaar in de luwte — het leverde talloze haiku’s op — werd Van Rompuy in 2007 Kamervoorzitter en tussen 30 december 2008 en 25 november 2009 zelfs premier, in woelige politieke tijden (kennen wij er andere?). Zijn kenmerk: rustige vastheid. Die leverde hem begin 2010 de titel van voorzitter van de Europese Raad op (verkeerdelijk vertaald tot ‘Europees president’), wat hij bijna vijf jaar zou blijven. Zijn terughoudendheid, niet-dogmatisch conservatisme en bemiddelingsbereidheid waren grote troeven in die functie. “Wij bezweren als politici voortdurend dat we alles onder controle hebben, maar eigenlijk zijn wij machtelozer dan ooit,” zei hij ooit. “De eenvoudige waarheid is dat het ons ontsnapt, dat we er zeer vaak gewoon als toeschouwer bij staan.”

7. GASTON EYSKENS (1905-1988). Geen discussie wie er het meeste impact had, vader of zoon. Zoon Mark mag dan een betere bedenker van spitante oneliners zijn, vader Gaston is de staatsman van de twee. Mocht in drie woelige periodes een regering leiden: kort na de oorlog (1949-1950, waarin een devaluatie van de frank gerealiseerd werd), in de jaren van de gecontesteerde Eenheidswet (1958-1961) en aan het eind van de woelige jaren 60 (1968-1973). Tussendoor was hij minister in verschillende regeringen. Onder zijn bewind werd in 1970 de Eerste Staatshervorming doorgevoerd. Vanaf dan is België een geregionaliseerde eenheidsstaat met cultuurgemeenschappen en gewesten. Een kwarteeuw lang was Gaston Eyskens een dominant figuur binnen zijn partij en binnen de Belgische politiek.

6. WILFRIED MARTENS (1936-2013). Negen regeringen leidde de Oost-Vlaming tussen 3 april 1979 en 7 maart 1992, met een onderbreking van een half jaar waarin Mark Eyskens iets mocht proberen. Een paar van die regeringen bleven de hele rit overeind, de meeste struikelden onderweg. Het communautair kruitvat Voeren was niet zelden een aanleiding daartoe. Voorafgaand was er nog een periode van twaalf jaar waarin de unionistische federalist opviel als jongerenvoorzitter én voorzitter van de CVP. Hij was een voorstander van artikel 35 van de Grondwet, waarbij alleen afgesproken bevoegdheden op het federale niveau zouden blijven. Toch kantte hij zich tegen confederalisme en separatisme. Dat ik Martens niet hoger rangschik, mag u eerder subjectief noemen. Dat hij de Amerikaanse kruisraketten tegen de wil van het volk en het parlement liet installeren, vond ik een democratie onwaardig. Hij vond dat ‘evident’, zijn stopwoordje. Zeker in de ‘liberale’ periode (1982-1988) was zijn beleid vaak hardvochtig. Hij vond geen adequaat antwoord op maatschappelijke uitwassen als het Heizeldrama (waarbij minister van Binnenlandse Zaken Nothomb weigerde zijn verantwoordelijkheid te nemen) en de aanslagen van de Bende van Nijvel. Weifelde toen de koning weigerde de abortuswet te ondertekenen (terwijl de boodschap simpel had moeten zijn: sire, u heeft geen keuze, u móet tekenen!). Bovendien was de rol van Jean-Luc Dehaene bij regeringsvormingen belangrijker dan die van de toekomstige premier zelf. In 1992 nam hij een leidende rol op bij de EVP, de Europese christendemocraten. Op het eind van zijn leven kon hij nog genieten van mooie liefdesjaren met Miet Smet.

5. LUCIENNE HERMAN-MICHIELSENS (1926-1995). De hoogst geklasseerde vrouw — vrouwen worden pas sinds kort, en dan nog veel te weinig, naar waarde geschat in de Belgische politiek — zal bij u misschien een ‘Wie?’ oproepen. Bijna dertig jaar lang maakte ze deel uit van het partijbureau van de liberalen. Ze was ook een tijdje ondervoorzitter en, van 1984 tot 1991, fractieleider in de Senaat voor de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang. De domeinen waarop ze zich specialiseerde waren gezinsbeleid en gezondheidszorg. Dankzij haar inspanningen achter de schermen werd de vrijzinnigheid grondwettelijk erkend, naast de bestaande erediensten. Maar we moeten haar vooral onthouden als de stuwende kracht achter nieuwe wetgeving rond huwelijksrecht, evenwaardigheid van man en vrouw binnen het huwelijk, en de vrije verkoop van anticonceptiva, wat in het katholieke Vlaanderen niet voor de hand lag. En als u slechts bereid bent één ding te onthouden: ze lag mee aan de basis van de abortuswet van 1990, het resultaat van meer dan twintig jaar parlementair werk. De wet draagt ook de naam van de Waalse sociaaldemocraat Roger Lallemand. Minder dan vijf jaar na haar politieke triomf, die haar razend populair maakte in feministische en vrijzinnige middens, overleed ze aan de gevolgen van diabetes. Deze hoge plek voor Herman-Michielsens is tegelijk ook een hulde aan parlementariërs die zich, soms wars van de partijlijn en maatschappelijke tendensen, vol overgave van hun taak kwijten.

4. KAREL VAN MIERT (1942-2009). Reeds in zijn eindverhandeling toonde hij grote belangstelling voor de Europese Commissie. Begin jaren 70 werd hij medewerker van de Nederlander Sicco Mansholt, toenmalig Europees Commissaris voor Landbouwbeleid. Maar hij was ook actief in eigen land, bij de Rode Leeuwen en de Jongsocialisten, als kabinetsmedewerker van Henri Simonet en als kabinetschef van Willy Claes, minister van Economische Zaken. In 1978 werd hij covoorzitter van de nog unitaire BSP/PSB, die als gevolg van de discussies rond het Egmontpact een paar maanden later al opgesplitst werd in een Vlaamse en een Waalse vleugel. Zo werd Van Miert alleen partijvoorzitter, wat hij tot 1989 zou blijven. In die periode zou hij de slabakkende partij, mede dankzij een opvallende volksvertegenwoordiger als Louis Tobback, weer opkrikken. Bij de socialistische standen maakte hij zich minder populair door de partij te ontkoppelen van de vakbonden. Halfweg de jaren 80 werd hij ook ondervoorzitter van de Socialistische Internationale. In 1989 werd Van Miert benoemd tot Eurocommissaris voor Transport, Consumentenbeleid, Kredieten en Investeringen. Vier jaar later mocht hij daar de posten Personeel, Algemeen Beheer en Mededingingsbeleid aan toevoegen. Vooral op dat laatste vlak viel Van Miert op. Hij ging regelrecht in tegen multinationals en politieke lobbygroepen die zich tot dan toe almachtig hadden geacht. Het leverde hem de bijnaam ‘machtigste man van Europa’ op. Dat hij zijn in de Agusta-affaire in opspraak gekomen levenspartner Carla Galle onvoorwaardelijk is blijven steunen, zal wel een rol gespeeld hebben in het feit dat hij na zijn aftreden als Europees commissaris in 1999 geen rol van betekenis meer zou spelen. De nieuwe lichting keerde zich af van het verleden, ondanks de niet geringe verdiensten van Karel Van Miert voor partij, sociaaldemocratie in het algemeen, land en Europa.

Morgen: 3-2-1.



Belgische Politici Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on do, juli 09, 2020 11:46:07

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: neen, Bart De Wever staat er niet tussen. Dat heeft niet te maken met een speciale aversie voor de man of zijn partij, noch met zijn politiek gewicht. De Wever is momenteel zonder meer de beste van de klas. Probleem: het is een bijzonder zwakke lichting, nu al een hele tijd. De Wever is een intellectueel, stuurt het maatschappelijke debat — mede dankzij goed gekozen ‘handlangers’ in de Vlaamse media — in een richting die hij wil, werd niet voor niets ‘schaduwpremier’ genoemd ten tijde van de regering-Michel I, heeft de rol van Philippe Dewinter overgenomen als invloedrijkste politicus zonder zelf (officieel) aan de knoppen te hoeven zitten. Máár: wat heeft hij, lokaal, Vlaams en federaal, gedaan met de macht die de kiezer hem heeft toegeworpen? Is Antwerpen een nieuwe stad na acht jaar burgemeester De Wever? Is Vlaanderen een andere regio sinds de verkiezingen van 2014? En wat heeft De Wever, in de schaduw, weten te realiseren op federaal niveau, als leider van de grootste partij in de coalitie, met een Franstalige minderheid, met drie andere partijen die het dichtst bij zijn programma aanleunden? Bitter weinig, is het antwoord. Dus, daarom, geen De Wever. Laat hem eerst maar eens écht iets betekenen voor het Vlaamse volk.

Ook geen andere politici van nu. Maggie De Block en Theo Francken stonden jaren bovenaan in de polls als populairste politicus, maar dat was niet echt een gevolg van hun uitzonderlijke, politieke talent. Hun populariteit had álles te maken met het departement Asiel en Migratie, en met hun onverzettelijke houding ten aanzien van asielzoekers. Dat zag de Vlaming graag, iemand die de ‘vreemdelingen’ buiten hield. De Block heeft gefaald op een departement dat haar op het lijf geschreven leek (no pun intended), Volksgezondheid. Francken heeft veel geroepen — hoe ranziger, hoe meer de rechtse achterban dat apprecieerde —, maar was als staatssecretaris gewoon een uitvoerder, zoals het hoort. Een passant met een grote mond, quoi.

Beke, Rutten, Crombez, Rousseau, Almaci, Mertens, Reynders, vader en zoon Michel, Calvo, Van Grieken, Bourgeois, Leterme, Somers, Crevits, Milquet, Onkelinx, Magnette, Nollet, Spitaels, Busquin, Gol, Stevaert, zelfs de invloedrijke Dewinter, etcetera: neen, ze scoren meestal een onvoldoende, heel af en toe kan er van een zesjescultuur gesproken worden, of van een (te) korte periode van succes (Stevaert). Sommigen kunnen pas over een paar decennia objectief beoordeeld worden: misschien vinden we Alexander De Croo of Koen Geens over twintig jaar wel absolute toppers, het zou zomaar kunnen.

Mijn intentie was om een top 20 op te stellen voor de periode 1920-2020, sinds de Eerste Wereldoorlog zeg maar. Ik heb die uiteindelijk gereduceerd tot de periode 1945-2020, vanaf de Tweede Wereldoorlog dus. Hoe kan ik met de ogen van vandaag Edward Anseele, Camille Huysmans of Hubert Pierlot beoordelen? Het zou van iets te veel pretentie getuigen: de samenstelling van deze lijst is op zich al pretentieus genoeg.

U mag zich verwachten aan 7 christendemocraten, 7 sociaaldemocraten, 4 liberalen, 1 Vlaams-nationalist en 1 groene politicus. Twee Franstaligen en achttien Nederlandstaligen: dat zegt meer over mijn eerder gebrekkige kennis van politiek in Wallonië in combinatie met het gegeven dat onze federale regeringen en de cruciale departementen doorgaans geleid werden door een Vlaming. Zo konden die meer in beeld komen.

Vandaag belicht ik de nummers 20 tot en met 11, morgen 10 tot en met 4, zaterdag 3 tot en met 1. Het boos reageren mag een aanvang nemen.

20. JOS GEYSELS (°1952). Loodste als politiek secretaris van Agalev (1997-2003) de groenen voor het eerst in regeringen, federaal en Vlaams, en wist daarbij als kleinste coalitiepartij heel wat ecologische programmapunten af te dwingen. Lag mee aan de basis van het ‘cordon sanitaire’ tegen het Vlaams Blok. Heldere communicator, die ver van het wollige discours van andere generatiegenoten bleef. Rekende zichzelf de ontluisterende nederlaag van Agalev bij de federale verkiezingen van 2003 zwaar aan. Trad onmiddellijk af als politiek secretaris, wat meteen ook zijn afscheid van de actieve politiek was. Zonde, voor iemand met zijn politiek talent en op die prille leeftijd (nog geen 53). Werd daardoor ook een pijnlijk voorbeeld van de manier waarop politici in dit land veel te vroeg opgebrand worden. Zie ook nummers 18, 15 en 14.

19. ELIO DI RUPO (°1951). Al twee decennia de machtige man van het Waalse socialisme en zo de natuurlijke opvolger van André Cools, Guy Spitaels en, in mindere mate, Philippe Busquin, al begon hij onder die toenmalige PS-minister wel zijn politieke carrière. Was tussen 1994 en 1999 federaal vicepremier onder Jean-Luc Dehaene en tevens minister van Economische Zaken. In de nasleep van de affaire-Dutroux werd hij door een fantast valselijk beschuldigd van pedofilie, wat zijn carrière bijna abrupt tot een einde bracht. Sinds 1999 was Di Rupo, met een paar onderbrekingen, partijvoorzitter van de PS, een partij die door een diepe crisis ging, in de eerste plaats vanwege tal van corruptieschandalen waarbij hooggeplaatste en machtige functionarissen betrokken waren. Pas na twintig jaar, een eeuwigheid in onze politieke constellatie, gaf hij de fakkel door aan Paul Magnette. Eind 2011 werd Di Rupo, na de fameuze 541 dagen, premier van een klassieke tripartite, met een minderheid aan Vlaamse kant. Ondanks het feit dat de Vlaamse partijen er bij de verkiezingen van 2014 op vooruit gingen, bleef het bij een ambtstermijn van net geen drie jaar. Di Rupo is tegenwoordig al voor de derde keer minister-president van Wallonië. Het politieke succes van Di Rupo is om twee redenen merkwaardig en hoopgevend: hij is de zoon van Italiaanse immigranten, waardoor hij een voorbeeldfunctie heeft naar gemeenschappen met andere wortels. En hij is de eerste openlijk homoseksuele politicus die tot de hoogste echelons van het land weet door te dringen. Dat is geen verdienste — hij is wie hij is —, maar het is eveneens hoopgevend dat dit geen issue was.

18. WILLY CLAES (°1938). Politicus-pianist-dirigent. Een pijnlijk voorval in zijn jeugd — het gezin-Claes werd uit een huurhuis gezet omdat een familielid van de verhuurder erin wilde komen wonen, waarna zijn oude piano oneerbiedig op het trottoir werd neergeplaveid — verklaart zijn keuze voor de sociaaldemocratie. In de jaren 70 was hij achtereenvolgens minister van Onderwijs en Economische Zaken (in twee regeringen, de tweede keer als vicepremier). Van 1975 tot 1977 was hij co-voorzitter, naast André Cools, van de nog unitaire BSP/PSB. Op zijn 44ste werd hij al tot minister van Staat benoemd, wat uitzonderlijk jong is. Tussen 1988 en 1994 werd hij opnieuw vicepremier en bemande hij ook de ministerposten van Economische Zaken, Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Zesentwintig jaar lang was hij ook volksvertegenwoordiger. Zijn grootste persoonlijke triomf, de benoeming tot secretaris-generaal van de NAVO in 1994, werd ook zijn grootste desillusie. Een jaar later moest hij aftreden vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Agusta-affaire. Pas vele jaren later, toen hij de actieve politiek teleurgesteld verlaten had, werd hij vrijgepleit. Zo komt het dat ook Claes al op z’n 57ste uitgerangeerd werd. Gelukkig voor hem was er nog de muziek.

17. PATRICK DEWAEL (°1955). Volgens mensen die het kunnen weten de beste minister van Cultuur die Vlaanderen ooit heeft gekend. Nochtans is dat al een eeuwigheid geleden (1985-1992). Als rechterhand van Guy Verhofstadt zag hij de partij bij elke verkiezing groeien en toch aan de zijlijn blijven staan. De wraak was zoet, toen Verhofstadt in 1999 de sleutels van de Wetstraat 16 kreeg en Dewael, als minister-president, die van het Martelaarsplein 19. Hij bleef het vier jaar, waarna hij aan de zijde van Verhofstadt minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier werd. Dat een eminente kenner van de juridische geplogenheden van deze ingewikkelde staat vervolgens Kamervoorzitter werd, hoeft niet te verbazen. Sinds 1994 is Dewael ook burgemeester van Tongeren, een stad die onder zijn impuls van een ingedommeld groot dorp uitgroeide tot een levendige stad.

16. LOUIS TOBBACK (°1938). Groeide in de jaren 80 als fractievoorzitter van de SP uit tot gesel van de opeenvolgende regeringen-Martens. Vergeleek de premier met Caligula, een uitspraak die lang bleef hangen. Toch mocht hij in 1988 bij Martens en Dehaene aanschuiven om een nieuwe regering te vormen, waardoor ‘da joenk’ (bijnaam van de toen nog thatcheriaanse Verhofstadt) opzij geduwd kon worden. Werd twee keer minister van Binnenlandse Zaken, nam de tweede keer ontslag na de dood van de uitgewezen asielzoekster Semira Adamu. Vooral in de tussenperiode (1994-1998) was zijn rol onmisbaar voor de Vlaamse sociaaldemocraten. Met de slogan ‘Uw sociale zekerheid’ behoedde hij hen als partijvoorzitter in 1995 voor een forse nederlaag, waardoor de terugkeer van de VLD en Verhofstadt kon afgewend worden, ook al omdat Dehaene en Tobback een tandem vormden, met veel wederzijds respect. Startte in die periode ook de noodzakelijke vernieuwing van zijn partij op, wat een nieuwkomer als Steve Stevaert de kans gaf zich te profileren. Was ook vierentwintig jaar lang burgemeester van Leuven. Tobback was een van de eerste politici die besefte dat spitse oneliners een pluspunt zijn om een boodschap over te brengen.

15. FRANK VANDENBROUCKE (°1955). De intelligentste van de klas van de afgelopen dertig jaar. Meer academicus dan politicus, maar net daardoor een frisse verschijning in de vermolmde politieke wereld in ons land. Begon als volksvertegenwoordiger, was heel kort fractieleider, om dan al, op zijn drieëndertigste, partijvoorzitter te worden. Een vergiftigd geschenk, met een aantal schandalen met partijmedewerkers in het verschiet. In 1994 werd hij voor eventjes minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier, waarna hij in Oxford ging studeren (om nóg slimmer te worden). Hij keerde als een gelouterd man terug en werd minister van Sociale Zaken en Pensioenen, daarna Werk, om tenslotte op het Vlaamse niveau minister van Onderwijs en Vorming en viceminister-president te worden. Zijn partijprogramma’s overstijgende analyses op het vlak van pensioenen en onderwijs werden slechts matig geapprecieerd, vooral binnen de eigen partij. Hij werd dan ook met zachte dwang naar de uitgang begeleid. Zonde, voor een op dat moment nog maar 53-jarige politicus.

14. KAREL DE GUCHT (°1954). Zonde, deel vier, dat iemand als deze liberale topper ook al op vrij jonge leeftijd — in zijn geval zestig — uitgerangeerd werd. In de relatieve luwte van het Europees Parlement kon De Gucht, voormalig jongerenvoorzitter van de PVV, zich zachtjes aan profileren. Na het verkiezingsdebacle van 1994 moest hij zich terugwerpen op het Vlaamse niveau. In 1999 werd hij partijvoorzitter van een partij in bloei, met Verhofstadt en Dewael als premier en minister-president. In de discussie over het migrantenstemrecht — De Gucht was pro, maar voelde aan dat het momentum er niet was — demonstreerde hij zijn koppige rechtlijnigheid, niet altijd een bondgenoot. Als minister van Buitenlandse Zaken (2004-2009) vormde die rechtlijnigheid, gekoppeld aan vlijmscherpe communicatie, alweer een heikel punt, vooral in zijn relatie tot Congo. Tussen 2009 en 2014 was hij een opgemerkte Europees Commissaris voor Handel. Zijn mandaat eindigde niet vanwege onvoldoende prestaties, maar omdat in de traditionele koehandel die volgt op verkiezingen, Marianne Thyssen (CD&V) de voorkeur kreeg op hem.

13. MARIANNE THYSSEN (°1956). Als opvolgster van De Gucht kreeg ze in 2014 het departement Werk, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit toegewezen. In tegenstelling tot haar Belgische voorganger deed ze dat eerder discreet, mét resultaten. Sociaal beleid werd een belangrijke pijler van de Europese Unie, sociale rechten werden goedgekeurd, sociale dumping aangepakt. Tussen 2008 en 2010 kreeg ze van haar partij een vergiftigd geschenk toegeschoven: het voorzitterschap in een periode dat Yves Leterme er niet in slaagde zijn verkiezingsoverwinning, in een kartel met N-VA, te verzilveren. Zij mocht de brokken lijmen. In tegenstelling tot de andere CVP- en CD&V-voorzitters viel Thyssen op door een duidelijkere, minder omfloerste communicatie. Aan het eind van een politieke carrière mag de conclusie zijn: verdienstelijk, maar plus était en elle. Dat ze dat niet gerealiseerd heeft, is echter niet haar fout.

12. MIET SMET (°1943). Opgegroeid in het zogeheten ‘wonderbureau’ van de CVP Jongeren, duurde het wel tot haar vijfendertigste tot ze volksvertegenwoordiger werd. Ze viel het grote publiek voor het eerst op als staatssecretaris voor Milieu en Sociale Emancipatie in de tweede helft van de jaren 80, maar haar glorieperiode beleefde ze als minister van Tewerkstelling en Arbeid (1992-1999). Voor het eerst werd er écht werk gemaakt van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Smet toonde zich een hardnekkige tegenstander van de oude politieke school, die nogal seksistisch en patriarchaal van aard was. In 1999 werd ze aangeduid als lijsttrekker van de Europese lijst van de CVP, wat ten koste ging van… Wilfried Martens, die weigerde op de lijst te staan. In 2008 trouwde ze met de voormalige premier. Smet blijft een scherpe waarnemer van het politieke bestel.

11. LEO TINDEMANS (1922-2014). De man van het hoogste aantal voorkeurstemmen ooit: bijna één miljoen bij de Europese verkiezingen van 1979. Dat was nadat hij twee regeringen had geleid in de periode 1974-1978. Die tweede beëindigde hij abrupt met de legendarische woorden in het parlement: “Voor mij is de grondwet geen vodje papier. (…) Ik ga van deze tribune weg, ik ga naar de koning en ik bied het ontslag van de regering aan.” Daarmee kwam er een einde aan een lange discussie rond het Egmontpact, een beoogde staatshervorming waarbij de taalgemeenschappen meer bevoegdheden moesten krijgen, maar die uiteindelijk op verzet stuitte bij CVP en Volksunie. Tindemans werd ‘beloond’ met het partijvoorzitterschap (1979-1981), gevolgd door acht jaar als minister van Buitenlandse Zaken. Al die tijd was de relatie met partijboegbeeld Wilfried Martens ijzig.

Morgen: 10 t/m 4.



Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



Crommunicatie

Politiek Posted on za, april 25, 2020 17:47:35

“Surrealisme is de onmiddellijke kennis van de werkelijkheid,” zei René Magritte ooit. De Belgische grootmeester van het surrealisme zal het mij niet kwalijk nemen dat ik zijn citaat even leen en naar een hedendaagse context verplaats. Hij is ergens ver weg toch maar aan het wandelen met Georgette en de hond, terwijl hier de corona-oorlog woedt. Daar is ie mooi aan ontsnapt.

Dat surrealisme de onmiddellijke kennis van de werkelijkheid voorstelt, konden we gisteravond zien. Terwijl de bijeenkomst van de Nationale Veiligheidsraad haar vijfde uur inging, konden journalisten voor de poorten van het Egmontpaleis en de Wetstraat 16 al letterlijk citeren wat er op dat eigenste moment in het grootste geheim bedisseld werd. Een reporter zei live op de Vlaamse televisie dat de vergadering misschien wel rekening hield met de vervroegde seizoenfinales van Thuis en Familie. (Alsof de Franstalige aanwezigen uitkeken naar de tussentijdse ontknoping van een Vlaamse soap.) Een andere journalist greep net op het ogenblik dat hij op tv aan het woord kwam naar zijn achterzak: berichtje op de smartphone, met een nieuwe stand van zaken. Vers voor de pers.

Eerder van de week was een voorlopige nota van het expertencomité gelekt. Hoera, we kunnen weer afspreken met maximum tien vrienden, was de niet zo voorzichtige conclusie. Waarop iedereen op de vingers probeerde uit te tellen aan hoeveel vrienden ze geraakten. Tegen dat ze aan tien zaten, bleek dat die versoepeling van de coronamaatregelen de ultieme adviestekst niet had gehaald.

Ceci n’est pas une crise.

René Magritte is een van onze grootste kunstenaars ooit, maar zoveel surrealistische fantasie zal hij wel niet gehad hebben, dat hij dit avondlijke scenario had kunnen bedenken. Al wat er ontbrak, was een man met bolhoed en een appel voor zijn gezicht die de persconferentie voorzat. En dat het na afloop mannen met bolhoed en kostuum begon te regenen.

Magritte stierf twintig jaar vóór Microsoft PowerPoint introduceerde. Geen surrealistische software maar je kunt er wel surrealistische presentaties mee maken, zo bewezen communicatievazallen van onze regeringsleiders. Een powerpointpresentatie kan op verschillende manieren gebracht worden, maar de vuistregels blijven steeds dezelfde: maximum zeven lijnen van maximum zeven woorden, een ondersteunend beeld zegt meer dan negenenveertig woorden, hou het simpel, zorg ervoor dat wat je op het scherm ziet de aandacht niet wegneemt van wat er op hetzelfde moment gezegd wordt.

Wie gisteren de presentatie in allerijl heeft gemaakt, was niet aanwezig de dag dat de vuistregels werden uitgelegd in de cursus PowerPoint for Beginners. Hij of zij heeft achteraf niet de nota’s van een andere student opgevraagd. “Och, dat ziet er niet moeilijk uit, het zal wel lukken,” u weet hoe dat gaat. Overmoed ontmoet hoogmoed, van lieden die vinden dat er zoveel mogelijk op die slides moet staan. En dus kregen we gisteravond tussen tien en halftwaalf een splitscreen te zien, met aan de rechterkant een pratend hoofd en aan de linkerkant een tekst die zelden geassocieerd kon worden met wat dat pratend hoofd op dat ogenblik aan het zeggen was. De powerpointpresentatie begon een eigen leven te leiden en dat leidde af van de boodschap. Ik kreeg er een powerpunthoofd van. Dit was geen communicatie maar crommunicatie. Kromspraak-met-visuele-ondersteuning. (Wie naar de radio geluisterd heeft, was aan het eind ongetwijfeld beter op de hoogte, helaas had ik die reflex niet.)

Op de microbubbel Twitter gonsde het van de reacties. De ene zei: dat is toch niet zo erg, de boodschap wordt sereen gebracht, je moet maar leren luisteren. De andere zei: wat een zootje, dit volgt niemand nog! Ik zweefde een tijdje tussen beide standpunten in, om uiteindelijk te belanden bij de tweede groep. Ik heb afgehaakt.

Ceci n’est pas une présentation.

Communicatie is een vak. Mijn gedacht: laat het staatshoofd of de premier in vijf minuten een wervende en wervelende tekst debiteren, recht uit hart en hersenen, waarin emotie en ratio hand in hand gaan en elkaar niet voor de voeten lopen. En laat de powerpoint dan over aan de mindere goden die wél getraind zijn om dit soort presentaties te geven.

Iemand schreef: zouden we dan beter af zijn met een president die de natie met een goed voorbereide tekst toespreekt? Daar moest ik even over nadenken. Ik denk: ja. Jazeker. Já, zeker! En toen realiseerde ik me: wie kan dit, bij ons? Wij hebben geen Macron, met zijn geparfumeerde woorden. Wij hebben geen Merkel, met haar geloofwaardige parler vrai. Wij hebben geen Johnson, met zijn highbrow English dat zijn boertige niveau een heel klein beetje opkrikt. Wij hebben, gelukkig, geen Trump, met zijn roep-maar-eender-watideetjes. Wij hebben ook geen Rutte, een halfwassen regeringsleider die soms wel de juiste toon vindt. Wij hebben — als het op verbale souplesse, geloofwaardigheid en kordate toon aankomt — welgeteld… niemand. Als je de gave van het woord niet hebt, moet je het eenvoudig en helder houden, wat, toegegeven, niet voor de hand ligt in minstens twee landstalen.

Ceci n’est pas facile.

Ofwel kunnen onze politici niet praten, ofwel geloof je ze niet, ofwel praten ze een beetje wollig en halfzacht. Wat er niet in zit, kan er niet uit komen.



Welkom in Kakofonië!

Politiek Posted on za, april 18, 2020 13:03:08

Het stond al een tijdje op mijn planning: een stukje onder de titel ‘In memoriam Politique Politicienne’. Over het nederige zwijgen van de meeste politici in coronatijden. Goed dat ik het niet geschreven heb. Het primaat van de politiek is terug in (on)ere hersteld. Het woord van de expert wordt al wat meer gecounterd door de daad van de minister. Zwijgen — en het woord aan de échte deskundigen laten — is niet langer goud. Na de Nationale Veiligheidsraad van woensdag gingen alle remmen los. Chaos troef. Onduidelijkheid regeert. Welkom in Kakofonië!

Ergens is het volstrekt onbegrijpelijk dat die ene maatregel over bezoek door één persoon aan iemand in een zorgcentrum prematuur gelanceerd werd. De experts vroegen ‘reflectie’ over de problematiek van in eenzaamheid verkommerende senioren, de Veiligheidsraad maakte er meteen een beperkte toelating tot bezoek van. Zonder goed en wel te beseffen dat een bezoeker die de voorbije veertien dagen geen symptomen van het coronavirus had vertoond, daarom niet werkelijk covid-19-vrij zal zijn. Zonder overleg met de sector, terwijl je wel een beetje kunt inschatten dat een woon-zorgcentrum met pakweg 150 inwoners ook 150 bezoekers zou ontvangen en dan liefst tegelijkertijd, want zo zijn de mensen, kijk naar de containerparkfiles. Je ziet het zo voor je, een broeihaard van nieuwe en oude ziektes. Zonder onderling overleg zelfs, want Vlaams minister van Welzijn Beke wist naar eigen zeggen van niets. Zijn hiërarchische overste, minister-president Jambon, had nochtans verklaard dat het toch niet zo moeilijk te organiseren moest zijn, zo’n bezoekmaatregel.

Ik vind dat bizar: overleg zou vandaag juist makkelijker moeten gaan. Geen tijdrovende verplaatsingen, zet de computer aan en praten maar! Meer netto tijd om na te denken en te overleggen.

De eigengereidheid van Jambon, de wijsneuzerigheid van onderwijsminister Weyts, die zelf weleens zou bepalen wanneer de scholen open zouden gaan, de onwetendheid van de bevoegde welzijnsminister: het vertrouwen in de capaciteit van onze leiders is deze week, op zijn zachtst gezegd, niet gestegen. Of ze nu in de federale regering zitten, of in een van de vele deelregeringen, want ook de nationale excellenties Geens en De Block bliezen warm en koud de afgelopen dagen. En premier Wilmès, de voorbije weken af en toe geroemd omdat ze de allure van een staatsvrouw begon te krijgen, las woensdag gewoon af van haar papiertje, zonder emotie, wat op zich goed is omdat we eerder nood hebben aan rationaliteit dan emotionaliteit, maar ook zonder empathie. Het klonk even wervend als voorlezen uit het Belgisch Staatsblad.

De oppositie zal hier garen uit spinnen, zo wordt gezegd. Vlaams Belang, met grote voorsprong, en PVDA/PTB gaven de voorbije weken het meest uit aan online-boodschappen. Strategisch niet onbegrijpelijk, maar waaróm: om te zeggen dat het beleid niet deugt, in tijden waarin enige samenhorigheid over de partijgrenzen heen wenselijk is? Die rekening kunnen ze achteraf nog maken, als de lockdown is opgeheven. Nu is het bijzonder ongepast en verwarrend.

De PS begint stilaan terug oppositie te voeren tegen een minderheidskabinet dat ze zelf heeft gesteund. Sp.a en Groen zijn wel heel stilletjes, op een paar kopstukken na. Vragen ze zich intern af of deze regeringsconstructie dan toch een democratische draak is? Hadden ze dan misschien niet beter wél steun kunnen geven aan tijdelijke volmachten en níet aan een minderheidsregering die opnieuw de eed mocht afleggen alsof er veel toekomst in deze gedoogformule zit?

Diepste dieptepunt van een week vol dieptepunten was de campagne van N-VA, waarin Antwerps burgemeester De Wever zei dat hij uitrusten op een bankje niet zou beboeten. ’t Is niet dat de advertentie gepubliceerd werd zonder zijn toestemming, want hij — in feite zijn team, maar hij is natuurlijk op de hoogte — voegde er zelf een tekstje aan toe in de sociale media: ‘Een kwestie van gezond verstand. Akkoord?’ Na de vele inbreuken op de coronamaatregelen tijdens het paasweekend kwam de dubbelzinnige boodschap als een boemerang terug. De Wever mocht het uitgebreid toelichten in Terzake. Velen verstonden dat hij een mea culpa sloeg en zich verontschuldigde. Maar als je goed luisterde, hoorde je hem alleen zeggen dat hij het betreurde dat de context verkeerd begrepen werd: hij wilde niet dat de Antwerpenaren en bij uitbreiding alle Vlamingen de regels aan hun laars zouden lappen, maar wees op het absurde van een boete voor iemand die even alleen gaat verpozen op een bankje — terloops: een mening die andere burgemeesters delen, maar zij verkozen om daar niet mee naar buiten te komen. Kortom, niet de boodschapper of de boodschap was fout, maar de boodschap was fout begrepen. Waar hebben we dat nog gehoord? Het geflipflop houdt niet op en heeft natuurlijk te maken met de coronacontext waarin het federale niveau het laatste woord heeft, een niveau dat N-VA eind 2018 vrijwillig heeft verlaten. N-VA speelt momenteel in 1B van de Belgische politiek. PS doet dat ook, maar daar hebben ze wel nog het (valse) gevoel dat ze de eerste periodetitel hebben gewonnen.

Flipfloppen is contraproductief in zo’n crisis. Velen verwijten Marc Van Ranst dat zijn boodschap vandaag anders klinkt dan twee maanden geleden, maar wie hem goed gevolgd heeft — elke dag in een journaal en minstens één duidingsmagazine —, moet toegeven dat zijn communicatie behoorlijk rechtlijnig was. Twee maanden geleden waren mondmaskers, om het daar maar weer even over te hebben, prioritair voor de zorgverleners, niet voor de man of vrouw in de straat. Dat verandert nu stilaan. Ná de lockdown zullen mondmaskers nuttig zijn.

Wie verkiest u: de rustig communicerende Marc Van Ranst of een vooraanstaand politicus die eerst zwart roept, een paar dagen later wit en die tussendoor langs vijftig tinten grijs is gepasseerd?

Nu pleiten voor méér mondmaskers in het sociale verkeer, is niet verkeerd, maar het zou geloofwaardiger zijn mocht het niet komen van lieden die anderhalve maand geleden dat hele virusje nog weglachten. Als je eerst absolutistisch en op een provocerend toontje Waarheid A verkondigt en daarna even absolutistisch en provocerend Waarheid B — u mag ze gerust ook Wit en Zwart noemen —, moet je niet verwonderd zijn dat mensen je niet prijzen om je voortschrijdend inzicht, maar dat ze je eerder zullen zien als onbetrouwbaar en opportunistisch. Wie zwijgt op het moment dat hij niet het woord heeft, zal later met meer allure kunnen spreken wanneer hij wel aan zet is.

Mensen zijn ongeduldige wezens. Een week lockdown, dat is zo eens iets anders. Twee weken lockdown, ach, dat overleven we wel. Drie weken lockdown, verdorie, de digicorder is helemaal leeg gekeken. Vier weken lockdown en de zon schijnt volop, dan voelt een kleine maar zeer zichtbare minderheid de onweerstaanbare drang om een barbecue of picknick te organiseren. Na vijf weken klinkt het geroep om het normale leven — wat dat verder ook moge betekenen — terug te hervatten steeds luider. Opiniemakers, economen en een deel van de politieke klasse wijzen op de weerslag op onze economie. Tussen de lijnen versta je: denk aan de jongere generaties en hun toekomst. (Jammer voor de oudjes die het coronavirus niet overleven, maar die gingen sowieso op korte termijn dood, dus…)

Ons geduld is op en dat wordt nog aangewakkerd door het ongeduld van wie aan het woord komt. Dat heeft te maken met een verschillende timing: media willen nu antwoorden op de vraag wat er morgen zal gebeuren, economen willen antwoorden op wat we overmorgen zullen doen, experten gaan stap voor stap. Zij zijn voorlopig, zelfs na een paar verbale uitschuivers, zowat de enige bevolkingscategorie die niet door overmoed geleid wordt. Houden zo.



That 70’s Show

Politiek Posted on za, maart 07, 2020 12:59:17

Sinds deze week is het duidelijk: de Amerikaanse presidentsverkiezingen van 3 november vormen voor het eerst in de geschiedenis een strijdtoneel van zeventigers. Aan de ene kant de zittende president, Donald Trump (tegen dan 74), aan de andere kant ofwel Joe Biden (net geen 78 op dat ogenblik), ofwel Bernie Sanders (79). That 70’s show zou je kunnen zeggen, ware het niet dat die tv-reeks rond een groep tieners aan het eind van de jaren 70 draait.

Van de Republikeinen zijn we het gewend dat ze binnen het partijestablishment gerijpte kandidaten afvaardigen. George W. Bush was een jonkie toen hij de eed aflegde (54), maar zijn vader was al 64, Ronald Reagan bijna 70, invaller Gerald Ford 60, Richard Nixon 56 (bij zijn eerste eedaflegging) en Dwight Eisenhower 62. Buitenbeentje Donald Trump mocht op zijn zeventigste aan zijn eerste ambtstermijn beginnen. In de naoorlogse geschiedenis was Harry Truman eerder de uitzondering bij de democraten: hij was 61 op zijn moment de gloire. Daarna kwamen John F. Kennedy (43), diens vervanger Lyndon B. Johnson (55), Jimmy Carter (52), Bill Clinton (46) en Barack Obama (47). Stuk voor stuk politici op het toppunt van hun kunnen.

Dat er op de democratische conventie straks zal gekozen worden tussen twee late zeventigers — nadat prille zeventiger Elizabeth Warren en gevorderde zeventiger Michael Bloomberg (78) er na Super Tuesday de brui aan gaven — is dus eerder uitzonderlijk, al zou je het ook symptomatisch kunnen noemen, na de nominatie van Hillary Rodham Clinton, op dat ogenblik 69, vier jaar geleden. Waar zijn de hemelbestormers gebleven, de veertigers en vijftigers die de democratische partij competitief en combattief maakten? Waar blijven de nieuwe Kennedy’s, Clintons of Obama’s? Wie durft zijn nek nog uit te steken? Wie mág zijn nek nog uitsteken?

Biden en Sanders — en reken daar ook Nancy Pelosi maar bij, de voorzitster van het Huis van Afgevaardigden die over drie weken 80 wordt — kunnen niet verhelen dat de democraten geen verhaal meer hebben. Ze zijn compleet uitverteld. Dat was bij de vorige verkiezingen al het geval, toen Hillary bij gebrek aan beter (en omdat die idioot van een Trump toch nooit zou winnen, weet u nog!), naar voor werd geschoven als verre van ideale kandidate, ‘maar we hebben niemand beter’. De relatieve jongeren Amy Klobuchar (bijna 60) en Pete Buttigieg (38) konden het nooit halen in de primaries. De eerste omdat ze een vrouw is, de tweede omdat hij homo is. De verkiezing van een zwarte president leek twaalf jaar geleden een half mirakel, maar dat had veel te maken met de minderheden die eindelijk naar de stembus trokken. Zwarten en hispanics zullen echter niet stemmen voor een vrouw, noch voor een man die openlijk homoseksueel is. Obama was nog een van hen, Klobuchar en Buttigieg blijven voor reactionaire, machistische, patriarchaal gestuurde kiezers een ‘no go’. Amerika stemt conservatief. Een zwarte die economisch blauw was (Obama zou bij ons een Open VLD’er zijn), dat kon nog net. Veel verder mag het niet gaan.

Dus moet er binnenkort een knoop worden doorgehakt: de blauwe Biden — een vazal van Obama — of de paarse Sanders. Ginder noemen ze Bernie Sanders een socialist, hier zou hij tot de linkervleugel van Open VLD behoren, of tot het ‘moedige midden’ van de sp.a. Sanders is ongeveer even links als de vroegere huisideoloog van de sociaaldemocraten, Mark Elchardus: niet zó links dus, eerder behoudsgezind met nog enkele resterende rode stipjes.

Niet zo gewaagde voorspelling: Donald Trump gaat voor ‘four more years’. Een ramp voor de Amerikanen en de wereld, niet eens een zegen voor de republikeinen (maar nu wint er tenminste niemand van de anderen en bovendien hebben ze zelf geen volwaardig alternatief voor de narcistische idioot). Trump dus, bij gebrek aan beter, zoals vier jaar geleden, al hadden de meeste waarnemers dat toen niet door, of keken ze verveeld de andere kant op om het niet te hoeven zien.

De Amerikaanse Democratische Partij is dood. Als Sanders het over een paar maanden verliest van Biden, rest hem nog één zinnige daad bij wijze van politieke erfenis: een nieuwe politieke beweging oprichten, links van democratisch centrumrechts, met Alexandria Ocasio-Cortez als boegbeeld. Een vrouw met een kleurtje, dat is een risico, maar misschien kan zij op haar 30ste de boel opschudden en al wie nog niet ingedut is in het politieke spectrum links van de republikeinen — in Vlaamse termen: al wie niet tot Vlaams Belang of de radicale vleugel van de N-VA behoort — een nieuw perspectief bieden. Anders zijn we vertrokken voor een langdurige republikeinse dominantie, die zelfs zal blijven voortduren wanneer er toevallig toch eens een establishment-vriendelijke democraat wordt verkozen, want die zet dan toch de bestaande politiek gewoon verder, met een iets centraler sausje eroverheen.

Het contrast tussen de liberals in de steden en de reactionaire rest van de Verenigde Staten wordt almaar groter. De spreidstand tussen gezond verstand (een beleid voor iedereen) en opportunistisch populisme (de conservatieven opvrijen met leugentjes en tegelijk de rijken stilletjes rijker maken) valt niet vol te houden. Toch gebeurt het. Het zegt veel over de intelligentie van het kiespubliek.

Trump is een vloek, maar het is niet sinds november 2016 dat Amerika een lachertje is geworden. Dat is al veel langer het geval. Go for it, Alexandria!



Peu is te weinig

Politiek Posted on za, februari 15, 2020 13:01:58

Er wordt minder gepest op school, was een van de hoofdpunten op het radiojournaal gisterochtend. Goed nieuws, ben je dan geneigd te denken, al gaat het om slechts enkele percenten minder en moet dit gegeven de komende jaren bevestigd worden. Maar toch… we trekken ons graag op aan het positieve. Vooruit met de geit!

Tot je dan, enkele tellen later, verneemt dat PS-voorzitter Magnette de definitieve doodsteek heeft gegeven aan het projectje van koninklijk opdrachthouder Geens. Geen paars-geel, no way, maar dan in het Frans en via een uitgekiende mediaselectie, zodat het nieuws echt wel zou doordringen tot in la Flandre profonde. Net zoals trop te veel is, is peu te weinig. Er is nog nauwelijks een raakvlak tussen de grootste politieke partijen van Vlaanderen en Wallonië, laat staan dat er overlappingen zijn tussen de partijprogramma’s. De Chinese muur tussen N-VA en PS lijkt een pak steviger dan die tussen N-VA en Vlaams Belang. Dat het land eerder snel dan langzaam uiteenvalt en het project-België geen toekomst lijkt te hebben, is daarbij meegenomen. Voor N-VA is dat de ultieme natte droom — zie artikel 1 van de statuten. Voor de PS is het geen schrikbeeld meer. Stel je voor dat het land splitst, dan is de Parti Socialiste gewoon de grootste partij van het land Wallonië. Dat is ook iets om je aan op te trekken.

In de Nederlandstalige media werd het weer geframed alsof Magnette de onverzettelijke, egoïstische, alleen aan het eigenbelang denkende partijvoorzitter is. Op het vlak van de media is het land alleszins al gesplitst. Eigen politiek volk eerst. Terwijl, als je tenminste de moeite doet om naar hem te luisteren of zijn interview in Le Soir te lezen, Magnette gewoon herhaalt wat hij al een poos zegt, en wat ook de conclusie was van de preformateurs Bourgeois en Demotte begin november, ruim drie maanden geleden dus: paars-geel lukt niet. Het water is veel te diep. Magnette zei ook niet dat de enige uitweg uit deze impasse paars-groen aangevuld met CD&V is — de zogeheten Vivaldi-collectie —, want je kunt niet alleen proberen een regering te vormen zonder N-VA en de ‘extreme partijen’ (Vlaams Belang en PTB-PVDA), benadrukte hij, maar ook zonder PS. Er blijven dan 101 zetels over, vijfentwintig meer dan nodig is voor een meerderheid. Nieuwe verkiezingen schrikken de PS evenmin af, liet Magnette nog weten.

Wat Magnette nu zegt (‘Niet met N-VA!’), zei Bart De Wever al op 26 mei, verkiezingsavond (‘Niet met PS of Ecolo!’). Als het gaat om de timing wie wanneer wie heeft uitgesloten, mag dat gegeven niet genegeerd worden — nog zoiets waar Vlaamse media ‘sterk’ in zijn. De moedwil komt van beide kanten. Je kan het die partijen verwijten, je kan het ook zien als standvastigheid. Tussen confederalisme en gedeeltelijke herfederalisering van bevoegdheden gaapt een diepe kloof. Je mag van de N-VA niet verwachten dat ze opnieuw vijf jaar geduld vraagt van haar initiële doelpubliek, de Vlaams-nationalisten. Je mag van de PS niet verwachten dat ze het land verder laat uithollen. Wat je wel mag verwachten: dat politici zoeken naar een compromis dat zo weinig mogelijk compromitterend is. Daar drijft dit land al decennia op. Die goodwill, dat voluntarisme is momenteel verdwenen. Van verkozenen des volks mag je zowel consequentie (vasthouden aan de voornaamste programmapunten van hun partij) als inconsequentie (toegevingen doen om een zo breed mogelijk gedragen consensus te vinden) verwachten. Vandaag houdt de grootste partij van elke regio vast aan die consequente en tegelijk onverdraagzame houding. Wie eerst met de ogen knippert, verliest. Niet toegeven.  

Blijft de vraag waar de therapeutische hardnekkigheid van de CD&V vandaan komt. Dat de rechtervleugel van die partij (De Crem, Bogaert) de N-VA in de regering wil, is logisch: dan zal het regeerakkoord er een pak rechtser uit zien. Dat ook de nieuwe voorzitter, Joachim Coens, en de meest verstandige man van de christendemocraten, Koen Geens, alleen maar voor paars-geel wilden rijden, is dat veel minder. Ten tijde van het kartel was de liefde een pak koeler. Overigens was het gisteren precies zestien jaar geleden dat het ‘Valentijnskartel’ tot stand kwam, een beetje symbolisch dat net op die datum Geens de oranje handdoek in de ring wierp.

Wil de CD&V misschien opnieuw een kartel, zij het dan vanuit de omgekeerde overweging van 2004? Toen was dat de laatste reddingsboei voor de Vlaams-nationalisten, op dat moment nog één zetel rijk in het Vlaams parlement, nu lijken sommige christendemocraten hun treintje te willen aanhaken aan de intussen veel grotere N-VA, wetende dat de eigen partij stilaan richting overbodigheid dendert. De partij die de N-VA destijds gered heeft, wil nu op haar beurt gered worden, zou het zo simpel kunnen zijn?

Tussen de constatering van het duo Bourgeois-Demotte op 5 november en het vroegtijdig teruggeven van het mandaat van Geens op 14 februari, liggen precies honderd en een dagen. Drie maanden en een dikke week waarin rondjes werden gedraaid.

Wat een schaamteloos dralen.

Wat een kostbaar tijdverlies.

Wat een slecht amateurtoneel.

België als draaideurenkomedie die uitdraait op een tragedie. Rien N-VA plus (ter verschoning: deze uitdrukking komt niet van mij, ik leen ze hier even). We hebben nu al vijf informateurs (twee duo’s en de eenzaat-Magnette), een duo preformateurs en een koninklijk opdrachthouder versleten, wat nu, koning? De burgers van dit land zijn meer waard, zou je kunnen stellen. Ware het niet dat diezelfde burgers deze patstelling mee tot stand hebben gebracht op 26 mei. La belle gigue, zong André Bialek al in 1976. Mais la belle gigue, gigue / Gigue qu’on leur fera danser / Quand les vieilles digues, digues / Diguedon les fera tomber / Si c’est possible. België als absurd woordspelletje in een liedje. We blijven nu eenmaal het land van Magritte.

Ceci n’est pas une formation.



Volgende »