Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Innovation, 50 jaar later

Geschiedenis Posted on zo, mei 21, 2017 11:40:53

Als u
morgen op het middaguur in het centrum van Brussel rondloopt, bedenk dan even
dat zich daar in de buurt precies vijftig jaar geleden een van de grootste
rampen uit onze geschiedenis voltrok. In de Nieuwstraat, waar nu het
spuuglelijke winkelcentrum City 2 geflankeerd wordt door het al even saaie
gebouw van Galeria Inno, reden toen nog auto’s rond, in één richting vanaf de
Kruidtuinlaan. Aan beide zijden van de smalle straat stonden auto’s geparkeerd.
Mensen flaneerden de drukke winkelstraat op en af: de mannen keurig in het pak mét
das, de vrouwen in een zedige rok tot net onder de knie, de jongens in korte
broek, de meisjes in een fleurig rokje. Beetje saai, als je dat nu terugziet in
nostalgisch zwart en wit.

Iets voor
halftwee brak de hel los. U mag dat letterlijk opvatten. Een vonk werd een
vuurtje, een vuurtje werd een brand, een brand werd een inferno. En dat alles
binnen het kwartier. De imposante inkomhal van het stijfdeftige warenhuis A
l’Innovation, waar zowat iedereen Frans sprak, zoals dat toen hoorde in de beau monde, fungeerde als schoorsteen. Lichterlaaie,
geen ander woord drukt het juister uit. U moet zich dat proberen voor te
stellen: mensen die kriskras door elkaar lopen, die elkaar verdringen om eerst
bij de trap te komen, die niet weten waar de uitgangen zijn, die zonder
nadenken moeten beslissen: ga ik naar beneden? Of naar boven? En als ze naar
boven gingen, drong zich al snel een nieuwe vraag op: laat ik mij door de brand
inhalen of spring ik, ook al maak ik nauwelijks kans om het te overleven?

Hulpverleners
konden niet meer naar binnen: dat zou hun eigen dood betekend hebben.
Persoonlijke drama’s speelden zich af. Zoals: een moeder die zich een weg
baande door de dikke rook en op straat vaststelde dat het kind aan haar hand
niet haar eigen dochter was. Ze had andermans kind gered, het hare bleef achter
in de brand. Geen enkele scenarioschrijver kan zoiets verzinnen. De
werkelijkheid overtrof fictie, alweer.

Als u
morgen rond één uur niet in Brussel bent, sta dan toch even stil bij iets wat
zo lang geleden gebeurde, wellicht lang voor uw geboorte. Tweehonderd
eenenvijftig doden (driehonderd drieëntwintig volgens andere bronnen) vielen er
te betreuren. Een veelvoud aan familieleden en vrienden bleef verweesd achter.
Het onbegrijpelijke was gebeurd. We begrijpen het vandaag nog altijd niet.

Ik zag
toen, als jongen van acht, de beelden van die gigantische rookpluim om
halfzeven ’s avonds op Brussel Vlaams,
de enige Nederlandstalige tv-zender die er was toen. Het nieuwsbericht begreep
ik niet goed, maar het beeld bleef wel hangen. Onheilspellend was het. Het was
een van de drijfveren om er zoveel jaar later een boek over te schrijven. Het werd een
onvergetelijke ervaring. Collega-auteur Geert De Vriese dook in het archief en
deed dat op zijn typische manier: zeer grondig, met oog voor de meest
pietluttige en toch relevante details, op zoek naar verbanden die niemand anders zou zien. Ik
zocht de zeldzaam geworden geredden, nabestaanden, hulpverleners en getuigen op
en sprak uitgebreid met hen. Nooit eerder was ik zo onder de indruk van
interviews. Elk beeld dat werd opgeroepen nam ik mee naar huis: het bleef uren,
soms nachten door mijn hoofd spoken. Ik zag de vlammen, ik hoorde het
knetteren, ik kon me zo voor de geest halen hoe dat moet geweest zijn, mensen zien
springen en horen vallen. Alsof ik er zelf bij was.

Ik zit
morgen van half één tot twee in een panel in het Literair Salon van Muntpunt
voor wat de organisatie vooraf al omschrijft als een “aangrijpend” en
“bloedstollend” panelgesprek. Precies op het moment dat het driehonderd
meter verderop begon te branden. Precies vijftig jaar later. Mijn bloed zal
heus niet stollen, maar de kans is groot dat mijn stem even stokt op dat
moment.

www.muntpunt.be

Geert De Vriese en Frank Van Laeken, INferNO.
De brand in de Innovation, Houtekiet, 21,99 euro.



INferNO

Geschiedenis Posted on za, februari 18, 2017 12:02:49

(Vanaf
vandaag ligt ‘INferNO’, het boek dat Geert De Vriese en ik schreven over de
brand in de Innovation van bijna vijftig jaar geleden, in de boekhandel. Bij wijze van teaser
leest u hieronder het voorwoord uit het boek.)

Voor wie in de jaren zestig de luiers ontgroeid was, was het een ‘Waar was u toen…?’-moment.
Zoals de moord op John F. Kennedy dat drieënhalf jaar voordien was geweest, of
een paar jaar later de eerste maanlanding of, heel veel later, 9/11. Waar was u toen op 22 mei 1967 de
chique Innovation afbrandde in de Nieuwstraat in Brussel? De auteurs van dit boek – respectievelijk
vijf en acht op dat ogenblik – vernamen het pas ’s avonds, wanneer
het nieuws de nationale televisie had gehaald, op Brussel Vlaams, zoals de VRT-televisie toen nog heette in de
volksmond. ‘Zware brand in het Brusselse grootwarenhuis Innovation,’ klonk het
plechtig en ook enigszins terughoudend, zeker als je de berichtgeving
vergelijkt met vandaag. Er waren toen nog avondkranten, die halsoverkop een
nieuwe voorpagina kregen met het eerste nieuws over misschien wel tien doden.
Tien werd tientallen, tientallen werd
officieel 251, officieus 323. Tweeënzeventig mensen blijven voor
eeuwig vermist en de verwarring rond het definitieve aantal slachtoffers zou
daarmee te maken kunnen hebben. Daarmee werd de brand in de Innovation – als we
afgaan op het officiële dodencijfer – de op een na grootste ramp op vaderlandse
bodem, elf jaar nadat de mijnramp in Marcinelle het leven had gekost aan 262
kompels.

Door een journalistieke bril uit de jaren
zestig bekeken kreeg de gebeurtenis best wel veel aandacht. Maar stel u daar
dus geen extra journaals of 24 uur op 24 live-verslaggeving bij voor. De radio
bracht een extra nieuwsuitzending een dik half uur na het uitbreken van de
brand en verder om het uur een bulletin met een update van die ene, toevallige
journalist ter plekke. De televisie begon haar uitzendingen die avond
uitzonderlijk vijf minuten vroeger dan normaal. Om vijf voor… halfzeven.
Avondkranten hinkten hopeloos achterop, nieuwssites waren zelfs nog geen sciencefiction,
de meeste mensen vernamen het nieuws met minstens een halve dag vertraging. Wie
geen televisie had en bij wie de radio niet aan stond, las het pas de ochtend
nadien in de krant, hoorde het op de tram, de bus of de trein, of vernam het
van een collega op het werk.

In dit boek brengen we een minutieuze
reconstructie van de feiten. Bijna letterlijk, wat de eerste uren betreft. Van
minuut tot minuut. Met getuigenissen van toen én van nu, al worden die bijzonder
schaars, vijftig jaar na datum. Waar mogelijk hebben we ze opgezocht, de
overlevenden, nabestaanden, betrokkenen. Zij zijn de unieke getuigen van een
historische gebeurtenis die in het collectieve geheugen gegrift staat. Een
rampenfilm, maar dan in het echt.

Sta ons toe u terug mee te nemen naar 22 mei
1967. Een dag die begon als een doordeweekse maandag in een doordeweekse week.

Geert De
Vriese en Frank Van Laeken, INferNO. De brand in de Innovation, 256 blz.,
Houtekiet, 21,99 euro.



2015, het jaar van het collectief egoïsme

Geschiedenis Posted on za, januari 02, 2016 13:06:06

Kudos voor
de toeschouwers die gratis waren binnengeslopen tussen de ontelbare eregasten
in de eindejaarsshow van Geert Hoste en die weigerden op commando mee te doen met
de ingestudeerde lachsalvo’s bij de getelefoneerde grappen. Het deed me even hopen
dat niet iedereen braafjes in de pas loopt in dit land. Even maar. Minder
grappig dan vorige jaar, maar daarom des te scherper en maatschappelijk
relevanter was die andere eindejaarsconférencier, Michael Van Peel. Twee shows,
twee stijlen, een wereld van verschil. Het verschil tussen de volgzame en de
spontane lach. Bij Hoste wordt je geacht om collectief uit je dak te gaan, de
camera’s registreren nu eenmaal graag billenkletsende en hun spierwitte tanden
bloot lachende BV’s. Bij Van Peel komt de zaal niet in beeld. Het is een keuze.
Die tussen makkelijk scoren en hard werken voor elke glimlach. Die tussen niet
hoeven nadenken en blijven doordenken. Ik heb het altijd meer gehad voor
creatieve, dribbelvaardige, ietwat eigenzinnige middenvelders dan voor spitsen
die alleen maar inleggertjes scoren.

***

Jaaroverzichten:
ze komen tegenwoordig steeds sneller klaar, meneer. De meeste kranten waren er
al half december mee begonnen. Het lijkt wel het Sinterklaasfenomeen. De
goedheiligman zet al een maand voor zijn feestdag voet aan wal. Kunnen wij ook,
denken hoofd- en eindredacteuren en nieuwschefs. Nog even en ook de
jaaroverzichten maken op 6 december hun opwachting. Zoals een sportman of
sportvrouw van het jaar alleen maar kan winnen omdat hij of zij de eerste tien
maanden van het jaar iets gepresteerd heeft. Deze samenleving heeft geen geduld,
of dat is althans de mening van mediabonzen en marketeers: ram ze de
jaaroverzichten door hun strot vóór iedereen collectief de media de rug
toekeert omdat er kommerloos gefeest moet kunnen worden in
komkommernieuwstijden. Met lachsalvo’s op commando, we zijn nu eenmaal beleefde
gewoontedieren.

***

Aylan.
Charlie Hebdo en #jesuischarlie. Schietincidenten op Amerikaanse scholen en op
andere publieke plekken in the land of
the free
(wapenverkoop). Massagraf in Mekka. De aarde beeft in Nepal.
Collectieve onthoofdingen. Aanslagen in Europa (daar weten we alles van), op
een populair toeristenstrand in Tunesië (daar weten we ook heel veel van), op
tientallen doelwitten elders in de wereld (daar weten we haast niets van).
Turteltaxhift, of zoiets, ja, er was ook een binnenland vorig jaar. Vluchtelingen.
Véél vluchtelingen. Nóg meer vluchtelingen. Wir schaffen das (nicht). Wir
wollen das nicht schaffen. Froome. Vanhaezebrouck. Blatter blijft, Blatter gaat,
Platini komt, Platini gaat. Wilmots is de beste coach van de wereld (als de
verkiezing wordt georganiseerd door zijn eigen makelaar met een door de man
zelf samengestelde jury, die die makelaar voor de zesde keer — op zes — tot
‘beste makelaar’ uitroept terwijl de beau monde van het voetbal toekijkt en met
de linkerhand de bij wijze van erkenning voor hun aanwezigheid toegestoken
petrodollars discreet in de jaszak propt: niet alleen Geert Hoste kiest zijn
publiek zorgvuldig uit). We gaan naar het WK. Honderden drenkelingen op de
Middellandse Zee. Salah Abdeslam komt (niet) uit de kast. We krijgen allemaal
100 euro cadeau van Vadertje Staat, die wel een veelvoud van dat bedrag van
onze spaarrekeningen komt plukken, maar ach.

***

Op zoek
naar een rode draad voor het afgelopen jaar kom ik uit bij: collectief egoïsme.
Onze Grote Leider zegt: Aylan, dat is spijtig, maar niet onze schuld. En die
vluchtelingen moeten maar onderdak zoeken in een buurland. Als er ooit opnieuw
oorlog uitbreekt in onze contreien weet u waaraan en waaraf: vluchten kan
alleen naar Nederland, Luxemburg, Duitsland of Frankrijk (voor alle zekerheid nog
even checken bij de Grote Leider of Groot-Brittannië wel in aanmerking komt als
buurland). De gedweeë volgelingen knikken: Hij heeft gelijk. Hij heeft altijd
gelijk. De rest van het volk kijkt de andere kant uit, er is een populaire show
op tv, versleten meidengroep zoekt frisse meidengroep, of zoiets. Straks kakken
ze met z’n allen op die flauwe Geert Hoste, maar eerst hashtaggen ze zich een
voorspelbaar eindje weg: de lach die daarbij ontstaat is even spontaan als die
in de zaal waar Jump wordt opgevoerd.

Collectief
egoïsme: proef de woorden, het klinkt contradictorisch. Want egoïsme, is dat
niet iets van, voor en door jezelf? Niet in Vlaanderen, niet in 2015. Als de
Nummer 1 in alle jaaroverzichten zegt dat we ons niet schuldig moeten voelen,
dan doen we dat ook niet. Vergeet even dat die mensen vluchten uit gebieden die
al jaren werden mismeesterd door de geopolitieke beslissingen van een
bondgenoot die we nooit openlijk hebben teruggefloten (de laatste die het
probeerde, de premier die in 2003 weigerde mee te stappen in de
anti-Irakcoalitie, wordt nu weggehoond door diezelfde mensen die vinden dat wat
er in de rest van de wereld gebeurt niet, nooit, jamais, never onze schuld
is). Vergeet even dat we in de eerste plaats menselijk moeten zijn: dat we
allemaal Brüder zouden zijn is naïeve
prietpraat van een componist die niet wil en kan luisteren, akkoord, maar een
beetje meer medemenselijkheid had wel gemogen, nee? “Goed dat die Aylan
niet tot hier is geraakt, dan kunnen we tenminste onze eigen sukkelaars
helpen”, roepen steeds meer anonieme lafaards, die van ‘Eigen volk eerst’
hun adagium hebben gemaakt en nog nooit in hun leven zelf een sukkelaar van bij
ons geholpen hebben, “want het is zijn eigen schuld”.

De Duitsers
hebben het meer dan zeventig jaar geleden nicht
gewusst
— tenminste, dat beweren ze toch! —, maar wij weten het maar al te
best. Wir wollen das nicht schaffen. En
al wie dat beweert, ook al wordt die internationaal uitgeroepen tot persoon van
het jaar, verkondigt nonsens: zeg dat onze Nationale Persoon van het jaar het gezegd
heeft. Zijn partij (Hij, dus) heeft gelijk, dat zullen we binnenkort wel beseffen.
Wij, idioten. Pardon: wij, volgzame idioten.

En terwijl
het jaar straks zes dagen oud zal zijn, zal blijken dat dit collectieve egoïsme
geen alleenrecht van rechts of van het liberalisme is, want dan zullen de
Waalse spoormannen doen waar ze zo in uitblinken: passagiertje pesten. Eigen
actie eerst.

***

Bret Easton
Ellis schreef het begin december al in The
New York Times
, een vertaling kunt u vandaag lezen in De Morgen: “To be accepted we have to follow an upbeat
morality code where everything must be liked and everybody’s voice respected,
and any person who has a negative opinion ­— a dislike — will be shut out of
the conversation. Anyone who resists such groupthink is ruthlessly
shamed.”

En dan moet
je er nog niet aan denken dat in november de ongekroonde koning van het
neoliberale egoïsme verkozen zou worden tot president van de ondanks alles nog
altijd machtigste natie ter wereld. Het lachen zou ons snel vergaan.

Schiet mijn
mening gerust af, of lees ze niet (tijd gespaard!): ook in 2016 ga ik de roeper
langs de zijkant zijn die passanten een spiegel voorhoudt. Ook mezelf,
overigens, ik heb het af en toe nodig om te zien dat mijn tronie minder
mooi is dan ik op het eerste gezicht had gedacht. Op het gevaar af dat u mij
een tsjeef gaat noemen (“Waar een wij is, is een weg!”, weet u wel!)
moeten we met z’n allen iets meer het venster op de wereld openzetten en zelf
aanschouwen wat er gebeurt, zonder dat iemand ons voorkauwt hoe we ons moeten
gedragen. Een hele rake opmerking van Michael Van Peel: “We hebben nood
aan onze eigen lobby. Aan mensen die voor ons opkomen en die ons vertegenwoordigen,
en die we dan samenzetten in één kamer. Volks-ver-te-gen-woor-di-gers wil ik ze
noemen”. Zou er in de zaal één politicus hebben gezeten? En zou die
spontaan geapplaudisseerd hebben bij die opmerking, wetende dat de camera niet
op hem of haar gericht was en er dus geen gevaar was om zich betrapt te voelen.

Collectief
egoïsme, we moeten ervan af.



Red Star Line

Geschiedenis Posted on do, november 27, 2014 11:09:26

Ik ben er geweest! (Neen, dat klinkt iets te luguber als
aanhef.)

Ik ben er geraakt! (Pff, een ietsiepietsie te psychologisch
dit.)

Ik ben er eindelijk
geraakt! (Oké, dit kan ermee door.)

Ik ben er eindelijk
geraakt. In het Red Star Line Museum in Antwerpen, bedoel ik. Deze prestigieuze
plek waar Antwerpenaren en tijdelijke passanten herinnerd worden aan een
spectaculair maar al bij al minder fraai hoofdstuk uit ons verleden. Ik had net
het boek Wij gaan naar Amerika van
Dirk Musschoot achter de kiezen, een mooi uitgegeven werk over de migratie van
landgenoten naar het beloofde land Amerika, waarin je als lezer geconfronteerd
met een pijnlijke periode uit onze geschiedenis. Tussen 1850 en 1930 lieten
honderdvijftigduizend Belgen have en goed achter – wie geluk had, kon een en
ander nog snel ver onder de prijs verkopen om toch wat centen op zak te hebben
– op zoek naar een beter leven. We waren een Derde Wereldland in die tijd. In
1866 maakte cholera, een typische arme-mensen-ziekte, hier nog 60.000
slachtoffers. Cholera duikt op waar de bevolking afvalwater niet kan gescheiden
houden van regenwater. Vandaag: in landen waar de levensomstandigheden
mensonwaardig zijn. Toen: bij ons.

Opgericht in 1872
transporteerde de Red Star Line vanaf een jaar later vele duizenden
gelukszoekers. Op het hoogtepunt waren dat er meer dan 120.000 per jaar, die
vanuit Oost- en Zuid-Europa naar Antwerpen afreisden, meestal met de hele
familie. De welgestelden reisden in eerste klasse en hadden heel wat privileges
aan boord van de gigantische stoomboten. Wie daar maatschappelijk net onder
zat, mocht in tweede klasse afvaren en kon aan boord ook nog redelijk vrij
rondlopen. De sukkels verbleven zes weken lang in derde klasse, helemaal
onderin het schip, en mochten slechts bij uitzondering hun kajuiten verlaten.
Een tijdelijke gevangenis op het water was het, op weg naar een onzeker
bestaan, weg van de miserie van het vroegere thuis.

In een van de eerste
vertrekken van het museum moet de bezoeker even terugkeren van het verleden van
meer dan honderd jaar terug naar het heden. We zien de foto’s van moderne
landverhuizers en lezen hun levensverhaal, vol armoede en ontbering. De Red
Star Line-derdeklassers van vandaag, meestal illegaal aanwezig in een land dat
niet van plan is hen hartelijk welkom te heten. Op een tv-scherm worden actuele
reportages getoond. Onderaan scrollt de tekst “Staatssecretaris voor Asiel
en Migratie Theo Francken wil duizend extra sans-papiers
verwijderen” voorbij. ‘Verwijderen’, zo staat er. ‘Verwijderen’, zo heeft
hij het ook gezegd in een kranteninterview nog voor hij goed en wel achter zijn
nieuwe bureaumeubel had plaatsgenomen. ‘Verwijderen’, zo staat het blijkbaar ook achteloos in door ambtenaren opgestelde teksten. Ik bedenk me plots: zou de Amerikaanse
staatssecretaris voor Bevolking, Vluchtelingen en Migratie, Anne Richard, zich
ooit op haar Facebook-pagina afgevraagd hebben of de economische meerwaarde van
Belgische migranten aanzienlijk lager ligt dan die van Ieren, Chinezen of
Italianen? Ik gok op: neen.

De inrichters van het
museum zijn erin geslaagd om kamer per kamer herkenningspunten te installeren.
Je wordt als bezoeker meegezogen in de kleine en grote levensverhalen, van
nobele onbekenden over misschien wel verre, vergeten familieleden tot Albert
Einstein en Irving Berlin, gelukszoekers die het geluk gevonden hebben, of zelf
gecreëerd. (Alles is relatief wanneer je droomt van een witte kerst.)

De maquettes van de
reusachtige passagiersschepen, zoals de Belgenland II met zijn capaciteit van
2.500 opvarenden, een door stoom voortgedreven dorp, tonen haarfijn de grote verschillen
aan tussen de haves en de havenots aan boord: van oogverblindende
luxe tot doffe ellende, van een herenbestaan tot proberen overleven in duistere
krochten, van gesoigneerd en gewaardeerd tot hooguit getolereerd worden.

Wat het Red Star Line
Museum vooral aantoont: ooit waren wij zelf migranten, op zoek naar werk, een
inkomen, een menswaardige leefomgeving. We ontvluchtten de erbarmelijke
omstandigheden hier en hoopten op een warme ontvangst in een land ver weg, waar
ze een vreemde taal spraken die we niet begrepen, waar de mensen ons als aliens beschouwden en waar miljoenen
lotgenoten zich uiteindelijk, na vallen, opstaan, nog een paar keer vallen en
hopelijk toch blijven opstaan, inburgerden en volwaardig lid van de samenleving
werden. Herkent u het? Migratie is van alle tijden, multiculturalisme eveneens.
Dat is de onderliggende en niet opdringerig gebrachte boodschap van dit mooie
museum.

Zou Filip Dewinter al
langsgeweest zijn?

Dirk Musschoot – Wij gaan naar Amerika – Uitgeverij Lannoo, 256 blz., 29,99 euro.



Joods Actueel

Geschiedenis Posted on do, augustus 07, 2014 08:34:46

“Nog eens onder uwe vettige bruine
boomstronk mogen uitkruipen op de wereldmorgen.be zie ik blijkbaar is de douche
kapot.” (…) “De douche goed opendraaien en zet de temperatuur van
de geiser wat omhoog.” (…)
“Ik ken een Duitse columnist die u zou antwoorden als volgt: Ga uw
lasterlijke arische reet onder de douche afspoelen om zeker te zijn dat er geen
antisemitische sporen op uw gat zitten.”

Een kleine greep uit de mails die ene Guido
Joris, gepensioneerde medewerker van Joods
Actueel
, een maandblad van de joodse gemeenschap in Antwerpen dat ook
actualiteitsbijdragen op zijn website publiceert, richtte aan een medewerker
van DeWereldMorgen, met als aanhef
‘omhooggevallen boskabouter’ en als toevoeging ‘ten persoonlijke (sic) titel’. Allesbehalve subtiel en
doordacht. Dat uitgerekend een niet-joodse medewerker van een joods blad
telkens opnieuw verwijst naar douchen is bepaald onkies binnen de gekende historische
context.

De mails werden gisteren openbaar gemaakt in
de marge van een opiniestuk dat viroloog Marc Van Ranst had geschreven voor De Morgen en waarin hij zelf repliceerde
op een haatmail van diezelfde Joris. Die was in zijn pen gekropen omdat Van Ranst
na een recent bezoek aan Gaza opmerkelijke woorden had gebruikt als
‘Gazacaust’, ‘anti-Israëlische petitie’ en ‘het historisch krediet van Israël
is opgebruikt’. Ongelukkige uitlatingen, dat zeker, van een man die zwaar onder
de indruk was van het menselijke leed dat hij had gezien in het
platgebombardeerde Gaza, waar hij het ene na het andere dode en zwaar verminkte
kind tussen het puin zag liggen.

Joris vroeg Van Ranst daarop of diens ouders
en grootouders tijdens de Tweede Wereldoorlog joden hadden verborgen gehouden
of helpen ontsnappen, als om aan te geven: als ze dat niet hebben gedaan, heb jij
vandaag geen recht van spreken. Een uitgangspunt dat qua onzinnigheid zijn gelijke
niet kent. Van Ranst antwoordde dan ook: ‘Laat mijn grootouders hierbuiten!’,
maar dan in iets uitgebreidere bewoordingen. Hij schreef onder meer: “Het
oordeel van de wereld zal terecht hard zijn voor de Israëlische leiders”.

Er valt iets te zeggen over de beladen
uitspraken van Van Ranst, die allesbehalve afstandelijk en onpartijdig waren, maar
de reactie van Joris was helemaal van de pot gerukt. Nog sterker werd het toen Joods Actueel in een reactie op zijn
website Van Ranst aanviel onder de kop ‘Bericht aan Marc Van Ranst: Laat de
holocaust hierbuiten!’. Daaronder een foto van Van Ranst die werd gemonteerd in
een zwart/wit-foto van de hoofdingang van Auschwitz: we zien treinsporen die
naar de dood leiden en tientallen poppen op de rails, speelgoed dat werd
afgepakt van de joodse kinderen. Beelden die herinneren aan de onmenselijkheid
van een genocidair regime. Daar hoort het hoofd van een hedendaagse viroloog
niet bij te staan.

Een terechte opmerking (betrek die holocaust
er niet bij!) wordt dus schaamteloos gekoppeld aan de oudste journalistieke
manier om af te rekenen met tegenstanders: maak hen verdacht. Door Van Ranst te
combineren met een gruwelijk tafereel aan een concentratiekamp en dan ook nog
eens termen te gebruiken als ‘revisionisme’ en ‘geobsedeerd’, maakt Joods Actueel haar lezers duidelijk dat
die Van Ranst moet gewantrouwd worden. Hij is een vijand van het joodse volk.

Dit is krek dezelfde methode als degene die Goebbels
en de nazi’s toepasten in de propagandistische films en boeken uit de jaren
dertig, genre Der ewige Jude of Der Jud Süss, waarin beelden van
opdringerige joodse woekeraars werden afgewisseld met die van door elkaar heen
krioelende ratten. Ziekelijke beelden met een ziekelijke boodschap. Destijds én
nu.

Mocht ik nog hoofdredacteur van eender welk
medium zijn en één van mijn medewerkers verstuurde zulke ranzige mail, ook al
ging die gepaard met de toevoeging ‘ten persoonlijken titel’, dan zou ik hem of
haar onmiddellijk ter verantwoording roepen en wellicht ook zwaar sanctioneren.
Als die medewerker daarop zou volharden in dat gedrag, dan zette ik ‘m aan de
deur. Dat doet Joods Actueel niet,
wel integendeel: het verdedigt Guido Joris nog. Waarmee het zich meteen op
dezelfde harde lijn stelt.

Al wie openlijk kritiek durft te hebben op het
militaire beleid van Israël, krijgt al jaren de wind van voren uit joodse
kringen. Je wordt verdacht gemaakt, je wordt bij de vijanden van het jodendom
geklasseerd, je wordt een antisemiet genoemd. Het overkwam mij ook toen ik een
paar weken geleden een open brief aan Netanyahu formuleerde en via het doorgaans
doodbrave en oersaaie sociale medium LinkedIn de wind van voren kreeg van
enkele Engelstalige joden die ik van haar noch pluim kende. Je moet zionisten
niet leren hoe Goebbelsiaanse propaganda gevoerd moet worden. Dat maakt de
toestand des te wranger: de fanatieke joden van vandaag, die zich onvoorwaardelijk
vereenzelvigen met de politiek van de staat Israël, zijn uitgebreid in de leer
gegaan bij hun ergste vijanden uit het verleden. Bien étonnés de se trouver ensemble!

Mocht Joods
Actueel
al enige credibiliteit hebben gehad, dan is die nu definitief verdwenen.
Met dank aan een niet-joodse medewerker. Elke keer dat hoofdredacteur Michaël
Freilich voortaan druk gesticulerend de joodse medemens en zijn gedragingen zal
verdedigen in radio- en tv-studio’s en in kranten en weekbladen, weet ik: deze
man is niet oprecht. Deze man verdraait de werkelijkheid. Deze man heeft recht
op zijn eigen mening in zijn eigen medium, maar zou voor de rest beter
doodgezwegen worden, omdat zijn mening irrelevant is geworden, zelfs als het
gaat over joodse onderwerpen, zijn onderwerpen.

De mening van Joods Actueel zal mij voortaan nog meer worst wezen dan die
voordien al was. Ik plaats Joods Actueel
op dezelfde lijn als ’t Pallieterke, ’t Scheldt en Vlaams Belang Magazine: blaadjes die vanuit het eigen Grote Gelijk
eender wat zouden roepen om gehoord te worden, die andersdenkenden voortdurend
verdacht maken en die elke aanzet tot redelijke discussie deskundig in de kiem
smoren. Ook hier geldt: bien étonnés de
se trouver ensemble
!

Mijn respect voor de joodse medemens is intact
gebleven. Mijn respect voor een aantal van zijn vertegenwoordigers is zwaar
gehavend. Mijn respect voor de staat Israël staat momenteel op een nulpunt en dat heeft vooral met de regering ter plekke te maken.
Mijn respect voor Joods Actueel is
niet meer (en het was voordien al bijzonder klein).

Zo, en nu even in de mailbox kijken of er al
iets ‘ten persoonlijke (sic) titel’
is binnengekomen.



28 juni 1914

Geschiedenis Posted on za, juni 28, 2014 13:32:16

Precies honderd jaar geleden werd de
Oostenrijkse aartshertog en troonopvolger Franz Ferdinand samen met zijn
echtgenote Sophie in Sarajevo neergeknald. Het was elf uur in de voormiddag,
niet eens the dark of the matinee. De
moord werd beraamd door Servische nationalisten, boos als die waren omdat Franz
Ferdinand weigerde rekening te houden met hun verzuchtingen om alle Slavische
volkeren onder te brengen in één Balkanstaat.

Do you
want to?
, werd aan een aantal Bosnisch-Servische
studenten gevraagd en drie ervan knikten uitbundig ja. Die Franz Ferdinand
moest en zou eraan gaan tijdens zijn geplande bezoek aan Sarajevo, op 28 juni
1914. Boze plannen werden gesmeed.

De eerste die het probeerde was ene Nedeljko
Čabrinović, zo kunnen we aflezen op Wikipedia. Een grappig verhaal, eigenlijk,
want die jongeman smeet een granaat in de open wagen van de Oostenrijkse
kroonprins, die het ding doodleuk terug op straat gooide, waar de ontploffing
drie officieren verwondde. Čabrinović dronk zoals afgesproken een flesje cyaankali
in één teug leeg, maar de houdbaarheidsdatum bleek verstreken. Dan mij maar
verdrinken in de rivier, dacht hij, wat ook niet lukte: een diepte van twintig
centimeter is weinig effectief om jezelf van kant te maken. Hij werd
gearresteerd.

Uiteindelijk zouden de fatale schoten enkele
uren later worden afgevuurd door de bijna twintigjarige Gavrilo Princip, iemand
die wel weg wist met principskwesties, al hebben we aan hem niet het woord
‘principe’ te danken, zelfs niet aan ‘Il Principe’ van Niccolò Machiavelli, die
van het doel en de middelen, inspiratiebron van de bondscoaches van Nederland
én België, maar we dwalen af.

***

We kunnen er een beetje woordspelerig over
doen, maar Princip zette daarmee een mechanisme in gang dat exact een maand
later zou leiden tot het begin van de Eerste Wereldoorlog en meer dan vier jaar
van doffe ellende en miljoenen doden. Zelf zou hij niet de hele oorlog meemaken,
want in april 1918 stierf Princip in de gevangenis aan de gevolgen van
tuberculose. Ongetwijfeld niet echt het heldhaftige einde dat hij voor ogen had.

Dat de Groote Oorlog honderd jaar geleden
begonnen is, zal u niet ontgaan zijn. Al heel vroeg in dit gezegende jaar 2014,
het jaar dat de Rode Duivels voor het eerst wereldkampioen voetbal zullen
worden, begonnen de herdenkingen. En dat gaat zo maar door. Eigenlijk ben ik de
hele Eerste Wereldoorlog al grondig beu op het ogenblik dat de échte
herdenkingen, honderd jaar na de feiten, nog moeten beginnen. Er is ook niemand
die het nog kan navertellen, want de laatste veterane overleed ruim twee jaar
geleden.

De historische gebeurtenis is nu al helemaal
uitgemolken en dat is jammer, want deze duistere periode in de geschiedenis van
de mensheid heeft ook onze levens beïnvloed en verdient onze blijvende
aandacht. Er kwam modern wapentuig, nóg dodelijker dan voordien, met nóg
gruwelijker gevolgen, en de domme, kortzichtige afwikkeling via het Verdrag van Versailles – ik
maak even een tijdssprongetje van vijf jaar – leidde dan weer tot Duits
revanchisme, Mein Kampf, de plotse
populariteit van een ziekelijk ventje met een snorretje en de onvermijdelijke
Tweede Wereldoorlog die nóg dodelijker en gruwelijker was dan zijn illustere voorganger.

***

1914 is een scharnierjaar geworden in de
moderne geschiedenis en niet omdat Daring Club de Bruxelles kampioen werd in
het voetbal of omdat Philippe Thys voor de tweede opeenvolgende keer de Tour
won. De aanleiding tot de Eerste Wereldoorlog leert ons dat extremistisch nationalisme
gevaarlijk is. Het begin van de Groote Oorlog toont ons aan dat oorlogszuchtige
krijgsheren vaak meer in de pap te brokken hebben dan gecultiveerde, beheerste
staatsmannen. En de afwikkeling van de oorlog bewijst dat geen enkel dier zo
onmenselijk is als de mens. (U moet maar eens de films Paths of Glory van Stanley Kubrick, Gallipoli van Peter Weir en All
Quiet On The Western Front
van Lewis Milestone bekijken of de talloze
boeken over het onderwerp lezen, fictie en non-fictie, te beginnen met Sophie
De Schaepdrijvers standaardwerk De Groote
Oorlog
).

Ook al zijn we al die herdenkingen beu, het is
toch zeer gepast om even stil te staan bij de strijd die onze voorouders
voerden, het leed dat ze leden, de ontberingen waarmee ze vier jaar lang te
maken kregen. Hulde!



“Waarom bestaat die rassenhaat nu nog?”

Geschiedenis Posted on vr, mei 23, 2014 07:00:12

Eén overlevende is er nog van de gruwelijke
experimenten die de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog uitvoerden op
zigeunerbaby’s. Rita Winterstein-Prigmore heet ze. Haar verhaal werd door de
Oost-Vlaamse auteur Koenraad De Wolf opgetekend in het boek ‘Blauwe ogen’. Ze
ziet het op haar 71ste als haar missie om overal te gaan vertellen waartoe
rassenhaat kan leiden. “Hoe is het toch mogelijk dat een intelligent volk
dat Bach, Händel en Beethoven heeft voortgebracht, kon luisteren naar een
idioot als Hitler?”

De experimenten van
Mengele

Dat er zes miljoen joden gestorven zijn in de
uitroeiingskampen van de nazi’s is alom bekend. Dat er ook een half miljoen
zigeuners werden gedood op plekken als Auschwitz is dat veel minder. Zigeuners
werden door het Hitlerregime als Untermenschen behandeld en wie ongezond of te
mager was of andere afwijkingen vertoonde ten opzichte van wat de nazi’s als de
norm beschouwden, moest het doorgaans met zijn leven bekopen.

In 1942 vaardigden de nazi’s een maatregel uit waardoor
zigeuners verplicht werden om zich te laten steriliseren. De 21-jarige Theresia
Winterstein, half Sinti-zigeunerin, half Duits, had net onder dwang het
document ondertekend waarin ze zich inschreef voor die ingreep, toen ze zwanger
raakte van een tweeling. Normaal zouden de nazi’s haar tot abortus hebben
gedwongen, maar een tweeling was voor hen interessant om onder het mom van de
wetenschap experimenten op uit te voeren.

Professor Werner Heyde voerde die plichtsgetrouw uit in het
ziekenhuis van Würzburg, in Beieren, de woonplaats van de Wintersteins. Heyde
stond onder direct bevel van de beruchte Josef Mengele, die van Hitler de vrije
hand had gekregen om te experimenteren op kinderen en patiënten en daardoor de
bijnaam ‘Engel des Doods’ toebedeeld kreeg. ‘Studie van de erfelijkheidsleer’
heette dat programma omfloerst. Het was de bedoeling om van in de ogen van de
Duitsers ondergeschikte rassen perfecte Ariërs te maken: blond en met blauwe
ogen. Zij moesten daarnaast het sterftecijfer op het front compenseren.

Hoewel alle officiële documenten aan het eind van de oorlog
werden vernietigd, wordt verondersteld dat er in heel Duitsland op drieduizend
zigeunertweelingen experimenten werden uitgevoerd. Als er dan al een kind bij
hoge uitzondering deze waanzin overleefde, stierf het niet zo lang na de oorlog
aan de gevolgen van deze praktijken. Op één na.

Rita en Rolanda

Op 3 maart 1943 beviel Theresia Winterstein van twee
meisjes: Rita en Rolanda. Vier weken later werden haar haar kinderen afgenomen.
Rolanda stierf kort daarna, als gevolg van het inspuiten van methyleenblauw om
haar ogen Arisch blauw proberen te maken. Rita overleefde die ingreep
ternauwernood. Op een dag kon Theresia Rita even onder het waakzaam oog van de
dokters buitensmokkelen om haar snel te laten dopen in een nabij gelegen kapel
die ironisch genoeg Sint-Ritakapel heette.

Boven het linkeroog van Rita werd om een nu nog altijd
onverklaarde reden een gat geboord, waardoor ze haar hele leven lang last heeft
gehad van haar gezondheid. Migraine, hoofdpijn, astma, bronchitis. Ze kon pas
op haar achtste naar school gaan en moest al op haar veertiende weer stoppen.

“Van mijn eerste levensjaren herinner ik me helemaal
niets meer”, zegt Rita Winterstein 71 jaar later in de Antwerpse gebouwen
van de Sint-Egidiusgemeenschap, waarvoor ze vrijwilligerswerk doet. “Mijn
vroegste herinnering is dat ik op mijn vijfde altijd ziek was. Ik viel de hele
tijd flauw. Als mijn grootouders en mijn moeder aan het praten waren, klonk dat
altijd heel ver weg. Pas toen ik tien was ontdekte een dokter dat ik een
litteken achter mijn oog had, maar hij wist niet van waar dat kwam. Mijn moeder
wilde er niet op ingaan en ik stelde me verder geen vragen. Iedereen in mijn
familie ging ervan uit dat ik niet ouder dan zestien of zo zou worden.”

Geweldige schok

Rita probeerde een zo normaal mogelijk leven op te bouwen en
trouwde al op jonge leeftijd met een Amerikaanse militair, George II Prigmore.
Ze kreeg kort na elkaar twee kinderen: een zoon, George III, en een dochter,
Sherry. In de Verenigde Staten bouwde ze in de jaren zestig en zeventig een
nieuw leven op en ook haar gezondheid leek lange tijd stabiel te zijn.

Tot ze in 1973 tegen een boom reed, nadat ze achter het
stuur was flauwgevallen. Haar moeder kwam overgevlogen uit Duitsland, en kon
niet anders meer dan huilend opbiechten wat er met haar gebeurd was tijdens de
oorlog, ook al kende ze zelf de details niet van wat de nazi’s hadden
aangericht.

“Dat was een geweldige schok. Ik was teleurgesteld en
boos. Maar ik begreep mijn moeder wel: ze dacht dat ik niet lang zou leven en
wilde me die ellende besparen. Sinds dat moment ben ik de Duitsers beginnen
haten. Niet daarvoor, neen. Ik had met hen gespeeld op school, ik had Duitse
vriendjes, ik vond dat normaal. Van het ene op het andere moment waren ze de
slechteriken voor mij.”

Rita kon het haar moeder vergeven dat ze zo lang had
gezwegen. Haar man, een Amerikaanse militair, wilde dat niet. Het was het begin
van het einde van hun huwelijk.

Herrenras in stand
houden

Het zou nog tot 1988 duren, 43 jaar na het einde van de
Tweede Wereldoorlog, alvorens Rita en haar moeder tegemoetkomingen kregen van
de Duitse staat. “Duitsland wilde niet erkennen dat zoveel zigeuners
slachtoffer waren van de nazi’s”, vertelt ze. “En de rechtspraak was
in handen van rechters die nog onder de nazi’s hadden gediend. Dat verklaart
alles. Veel hooggeplaatste functionarissen uit het nazitijdperk bleven gewoon
zitten op hun hoge posten. Ook dokters die experimenten op kinderen hadden
gedaan, ja.”

Ze weet nu ook waartoe die experimenten van toen dienden.
Die pasten in wat de nazi’s een ‘studie van de erfelijkheidsleer’ noemden.
Onder leiding van dokter Josef Mengele moesten er kinderen worden geproduceerd
die eruit zagen als model-Ariërs: blond met blauwe ogen. “Het Herrenras moest in stand gehouden
worden. Dus werd er methyleenblauw ingespoten.”

“Als ik vandaag Duitse jongeren in de trein bezig hoor
met hun racistische opmerkingen over Turken, Arabieren, joden en zigeuners, dan
krimp ik in elkaar. Hoe is het toch mogelijk dat een intelligent volk dat Bach,
Händel en Beethoven heeft voortgebracht, kon luisteren naar een idioot als
Hitler, die er met zijn onnozele snor zelf een beetje uitzag als een zigeuner,
en hem zodanig blind volgen in zijn rassenhaat dat ze zelf hun medemensen
vermoordden of verraadden? En waarom bestaat die haat ook nu nog? Ik begrijp
dat niet. Daar kan ik me zo kwaad om maken: waarom laat Merkel toe dat er
neonazi’s actief zijn in Duitsland?”

“Ik ben er trots op Sinti te zijn”, zegt ze. “Weet
je, een zebra geeft ook zijn strepen niet af. Ik ben wie ik ben, zelfs al zou
dat betekenen dat ik ooit in een concentratiekamp zou belanden. Ze hebben ons
gepest, opgejaagd en weggevoerd, maar ze hebben ons niet kunnen uitroeien.”

Op bezoek in
Auschwitz

Haar moeder Theresia stierf in 2007, ze werd 85. Twee jaar
geleden bezocht Rita Winterstein voor het eerst Auschwitz. Met tegenzin. In dat
kamp stierven vele familieleden van haar. “Ik wou liever niet gaan, maar
er was een tachtigjarige doodzieke man uit Würzburg die geen familie meer had
om mee te gaan naar die verdoemde plek. Dan ben ik maar meegegaan. Een
verschrikkelijke ervaring! Toen ik al die namen van de slachtoffers las op de
muur en er Winterstein zag tussen staan, stortte ik in. Achteraf ben ik nog
twee keer teruggekeerd. Nu zie ik het als iets dat ik moest doen, een soort
genezingsproces.”

In juli vorig jaar ontving Winterstein de Vredesprijs van de
stad Würzburg, haar geboorteplaats. Eindelijk erkenning, al krijgt ze er haar
leven niet door terug en sukkelt ze ook nu nog constant met haar gezondheid. “Ach,
dat is al zo lang geleden, hoor ik mensen af en toe zeggen. Onbegrijpelijk! Dat
klinkt als al die nazi’s die na de oorlog het verleden probeerden te begraven
en er nog mee weg kwamen ook.”

Een definitieve terugkeer naar de Verenigde Staten, waar
haar kinderen en kleinkinderen wonen, is het laatste grote doel van haar leven.
Maar eerst wil ze overal ter wereld getuigen en jongeren duidelijk maken tot
wat de nazi’s in staat waren. “Ik zie dit als een missie om vrede te
bewerkstelligen. Soms hoor ik racisten roepen: ‘We hebben een nieuwe Hitler
nodig om onze straten op te kuisen!’. Hoe wreed kan een mens zijn? Dat doet
pijn. Zo lang God me de kracht geeft, wil ik overal gaan vertellen wie ik ben
en wat ik heb meegemaakt.”

Rita
Winterstein-Prigmore en Koenraad De Wolf, Blauwe ogen. De laatste overlevende
van de nazi-experimenten getuigt, Uitgeverij Lannoo, 232 blz., 17,99 euro.

***

Auteur Koenraad De Wolf:

“Democratie moet
tegen zichzelf beschermd worden”

Koenraad De Wolf maakte de oorlog niet zelf mee. Hij werd
geboren in 1956, schreef ondertussen al 35 boeken, maar ‘Blauwe ogen’ is pas zijn
eerste roman. “Het is de Sint-Egidiusgemeenschap die me heeft gevraagd om
het levensverhaal van Rita Winterstein te schrijven. Ik ben haar dan gaan
opzoeken in haar armoedig appartementje in Würzburg, dat volstond met
archiefdozen met foto’s van haar familie. Door haar slechte gezondheid kan ze
niet meer in een woonwagen leven, hoewel ze dat eigenlijk liever zou willen. Ik
ben daarna lessen creatief schrijven gaan volgen, omdat ik wist dat een zuiver
historisch werk onvoldoende aandacht zou krijgen. Daarom heb ik me omgeschoold
tot romanschrijver.”

De ondertitel van zijn boek luidt ‘De laatste overlevende
van de nazi-experimenten getuigt’. Hoe zeker is hij dat er geen andere Rita
Wintersteins meer rondlopen? “99,99%. Ik heb uitgebreid opzoekwerk gedaan
en ben nergens op andere Sinti gestuit die als jong kind tijdens de oorlog misbruikt
werden voor nazi-experimenten en die nu nog leven.”

Met zijn website www.holocaustrevisited.com wil De Wolf ook
waarschuwen voor een nieuwe opmars van extreem-rechts. “We moeten met
harde hand respect afdwingen voor de Universele Verklaring voor de Rechten van
de Mens. Als je ziet hoe die zwarte ministers in Frankrijk en Italië recent
werden beledigd, dat is je reinste racisme. En daar wordt dan ook nog eens
vrolijk over gedaan. Dat is de totale apathie: iedereen laat maar betijen. Hallucinant!
De democratie moet tegen zichzelf beschermd worden.”



Rwanda

Geschiedenis Posted on di, april 08, 2014 13:39:14

‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit’. De slotzin uit Gerard
Walschaps roman Tor spookt dezer
dagen door mijn hoofd, als ik opnieuw de gruwelijke beelden uit Rwanda zie.
Twintig jaar geleden en nog zo vers in het geheugen. De Rwandese president
Kagame beschuldigt België en Frankrijk ervan dat ze met hun koloniale denken en
hun strikte opdeling in Hutu’s en Tutsi’s uit de jaren dertig van de vorige
eeuw mee aan de basis liggen van de genocide die ruim een halve eeuw later achthonderdduizend
mensen wegmaaide. Letterlijk: wegmaaide.
Met machetes, de Kalasjnikovs van de arme Afrikanen.

Kagame zou wel eens gelijk kunnen hebben, al is hij niet de
aangewezen persoon om anderen met de vinger te wijzen, wegens zelf allicht mee
verantwoordelijk voor de dood van Hutu-president Habyarimana en diens Burundese
collega op 6 april 1994, daarna een dubieuze rol spelend in de dodelijke dagen
die volgden.

Maar het gaat nu even niet over Paul Kagame, de man krijgt
al genoeg aandacht op dit moment. Het gaat over de mens, of die nu Rwandees,
Chinees, Mongools, Venezolaans of Belgisch is. Vlaams mag ook, ja. De mens: de
enige diersoort met een hogere vorm van intelligentie, zin voor humor, relativeringsvermogen,
mededogen. Waar was de intelligentie in die tweede week van april in 1994? Waar
kon er gelachen worden? Wie durfde relativeren? Mededogen, iemand?

Ach, de mens, die sukkel, die loser, die nietsnut. Zoveel heldendichten je kan maken over individuele mensen,
zoveel schotschriften er eveneens denkbaar zijn over anderen. Mooie levensverhalen staan
tegenover droevige persoonlijke geschiedenissen, drama’s, intens verdriet,
waanzin. Kolonel Kurtz’ ‘The horror, the horror’ is nooit veraf. We helpen de
planeet met zijn allen naar de kloten. We kunnen het niet velen dat onze buren
het beter hebben dan wij en als ze het slechter hebben kijken we er niet naar
om. We zien die splinter in andermans oog, maar vergeten die balk, als u me toestaat heel even bijbels te worden.

We worden allemaal onschuldig geboren. Naakt. Met heel
weinig bagage, behalve dan dat genetisch materiaal dat vader en moeder hebben
doorgegeven en waar we tijdens ons korte of lange leven maar niet van af
geraken, hoe graag we dat soms ook zouden willen. We zijn niet goed of niet
slecht. We zijn, gewoon. Tot we goed
of slecht worden, omdat we leren keuzes te maken. Goede keuzes, foute keuzes, whatever, keuzes…

We aanbidden onze eigen god, we volgen blindelings onze
eigen profeet (al begrijpen we zijn woorden niet altijd), we lopen achter onze
vlag aan, we zijn links, rechts, onverschillig, averechts, of wat dan ook, we
dwepen met onze leiders en we kijken neer op al wie dat niet doet. Niets
menselijks is ons vreemd. Niets onmenselijks ook. We zijn het enige dier dat
doodt voor zijn plezier of omdat iemand ons dat heeft ingefluisterd, tenminste:
dat denken we toch.

We roepen ‘Nooit meer oorlog!’ en sturen vervolgens onze
troepen naar alle uithoeken van de wereld. We schreeuwen ‘Nooit meer Rwanda!’
en kijken intussen met even veel afschuw als racistisch dédain naar beelden uit
de Centraal-Afrikaanse Republiek, anno Nu. Domme negers! Waarop één of ander
leeghoofdig blank joch in een levensmoeë bui zwaarbewapend een klaslokaal
binnenstapt en er leerkracht en klasgenoten wegmaait. Figuurlijk: wegmaait. Met een geweer. Want wij zijn
beschaafd, meneer, wij zijn blank. Geen machete in onze hand, maar modern
wapentuig. Sneller, efficiënter, aanvaardbaarder, want goed voor de business.
De ene zijn dood…, u kent dat spreekwoord wel.

Rwanda herinnert ons aan het ergste dat de mens zijn
medemens kan aandoen. Leren we uit die geschiedenis? Het antwoord is: neen.
Kijk, opnieuw, naar de Centraal-Afrikaanse Republiek. Kijk naar Oekraïne. Kijk
naar Syrië. Wreedheid is verschrikkelijk, behalve wanneer het in ons kraam
past. Omdat dat denkbeeldig opperwezen, of die dubbelzinnige profeet, of die
spuuglelijke vlag, of die charismatische Grote Leider ons hebben geleerd wat
Goed en Kwaad is, en dat er geen gulden middenweg bestaat. Al wie niet met ons
is, is tegen ons. Weg ermee!

Daarom zal die genocide van twintig jaar geleden niet de
laatste zijn, zoals het toen ook al niet de eerste was. We hebben weinig of niets
geleerd uit Rwanda. We doen gewoon voort. Morgen zijn we die gruwelijke
beelden, die ons begin van de paasvakantie danig hebben verstoord (we konden
niet snel genoeg naar de afstandsbediening grijpen om een andere reality show op te zetten!), alweer
vergeten.

Mens, hoe stom kunt gij zijn, als ge kúnt denken en het niet
doet. Kieken!

***

Stel dat er zoiets als een alwetend opperwezen zou bestaan,
wat voor verschrikkelijke kl***zak, ach, laat maar…

***

Terug naar Afrika. Je kan veel kritiek hebben op de
chaotische manier waarop Bob Geldof bijna dertig jaar geleden poogde om de
honger in het oosten van dat continent aan te pakken, hij heeft het tenminste
geprobeerd, terwijl anderen in hun luie zetel moreel superieur zaten te wezen.
‘Saint Bob’ is een overdreven predikaat om hem toe te bedelen, maar deze man
verdiende het niet om zoveel persoonlijke miserie te moeten meemaken. Een
ex-vrouw die zichzelf de dood in spoot, veertien jaar geleden, nu een dochter
van 25 die er van de ene op de andere dag niet meer is.

Op het gevaar af dat u mij bij de Serge Simonarts van deze
wereld onderverdeelt: ik heb Bob Geldof één keer in levende lijve mogen
ontmoeten. Samen met een ex-lief wilde ik in 1986 een bescheiden versie van
Live Aid organiseren, specifiek gericht op kinderen. Child Aid. Geldof was in
Gent waar hem een eredoctoraat werd uitgereikt door de faculteit Letteren en
Wijsbegeerte en we kregen een kwartier toegemeten. Hij zag er hondsmoe uit, nogal verfrommeld,
mompelde stilletjes wat gemeenplaatsen. Maar je kon niet anders dan hulde
brengen aan zijn gedrevenheid en zijn menslievendheid, die je tevoren nooit had
kunnen afleiden uit de sarcastische en soms morbide teksten van The Boomtown
Rats, zijn postpunkband. Bob Geldof was op dat moment een hoopgevend icoon in
een wereld die overliep van het cynisme, de wereld van Reagan en Thatcher, van een
volmachtenregering bij ons, van armoede en honger, van 1984 in de dagelijks praktijk. Toen verdiende hij respect, vandaag
sympathie. En mededogen.

En dan zie je reacties verschijnen als ‘En dan nog op een
maandag ook’ (I Don’t Like Mondays,
voor de slechte verstaanders, de bekendste hit van The Boomtown Rats). Het is
ver genoeg van ons af om er grapjes over te maken. Letterlijk en figuurlijk
‘afstandelijk’. Dan durven we wel. We doen dat vanuit een morele superioriteit
die je niet voor mogelijk acht van een wezen dat de gave van het mededogen
bezit. Morele superioriteit: het ‘Ik heb gelijk!’ van den Aldi. Goedkoop, dus.
En waardeloos.

De mens, ge wilt gij daar niet aan uit kunnen!



Volgende »