Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Interview met Olga Tokarczuk (1998)

Literatuur Posted on zo, oktober 13, 2019 17:00:27

(Deze bijdrage verscheen op 21 november 1998 in wat toen nog De Financieel-Economische Tijd heette. Ik genoot dus twintig jaar geleden de eer om als allereerste in Vlaanderen de toekomstige Nobelprijswinnares voor Literatuur te mogen interviewen over haar boek Oer en andere tijden.)

Illusies en desillusies van een droomwereld

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk brengt in Oer en andere tijden een universeel, sprookjesachtig verhaal dat zich afspeelt in het denkbeeldige stadje Oer, dat zich zowel in Polen als waar elders ook ter wereld kan bevinden. Het is een wrang sprookje, de droomwereld van de personages is er een zonder illusies. Het lijkt wel de hedendaagse wereld zoals hij is. ‘Zolang ik me kan herinneren heb ik al een boek als dit willen schrijven’, zegt ze. ‘Een wereld scheppen en die beschrijven. Het is de geschiedenis van de wereld die, zoals alles wat levend is, wordt geboren, zich ontwikkelt en ten slotte sterft.’

‘Oer bestond niet. Was zelfs niet ontstaan, want over de aarde, waar iemand het zou hebben kunnen vestigen, trokken aanhoudend horden uitgehongerde legers van oost naar west. Niets had een naam. De aarde zat vol bomkraters, de beide rivieren, ziek en gewond, stuwden troebel water voort en waren moeilijk van elkaar te onderscheiden. Stenen verpulverden in de handen van hongerige kinderen.’

Het Oer waar Olga Tokarczuk het over heeft in Oer en andere tijden (originele titel: Prawiek i inne czasy, verschenen in 1996) is een illusoir stadje, een plaats die overal ter wereld kan liggen. ‘Het was mijn bedoeling een andere kijk op de wereld te brengen’, vertelt de 36-jarige schrijfster. ‘De geschiedenis beschrijft de zaken van buitenuit, mijn visie komt van binnenuit. Het is dan ook een zeer subjectieve wereld. Het gaat over sprookjes, mythen, dromen. Ik ben al heel mijn leven bezig geweest met dromen. Persoonlijk vind ik dat interessanter dan de echte geschiedenis.’

Toch is er een link met de realiteit: de (Poolse?) personages maken twee wereldoorlogen mee in nauwelijks dertig jaar. Tokarczuk: ‘Subjectieve beleving is één ding, maar het is natuurlijk zo dat de mens nu eenmaal in deze wereld en in deze eeuw leeft, hij heeft er een plaats in.’

‘Wat is die werkelijke wereld?’, repliceert ze op onze vraag of de inwoners van Oer moeite hebben om de realiteit te aanvaarden. ‘Het is dan wel een sprookje, maar ik wilde toch de wereld omschrijven zoals hij is. Om dat te bereiken moest ik de werkelijkheid overstijgen. Het is zoals oude mensen die verhalen vertellen aan kleine kinderen: ook zij gaan verder dan de werkelijkheid, ze maken er altijd een soort sprookje van.’

Bouwen/afbreken

‘De mensen van Oer hebben problemen, ze proberen orde te scheppen en de zin van hun leven te ontdekken’, vervolgt ze. Dat lukt niet, aan het eind van het boek is er alleen chaos. Iedereen wantrouwt iedereen, gezinnen vallen uit elkaar, er worden geen zonen meer geboren om de familienaam in stand te houden. Een pessimistisch slot, in onze ervaring tenminste. Tokarczuk: ‘Dat einde is allicht een gevolg van mijn persoonlijke opvatting; hoe ik als mens — niet als schrijver — in de wereld sta. Heel wat Poolse lezers zeggen me nochtans dat dit boek een optimistische geest uitstraalt; ze vertellen me dat het hen geholpen heeft. Interessant dat u dan weer net denkt dat dit een pessimistisch boek is. Is het niet zo dat de lezer zijn eigen realiteit in het verhaal projecteert en dat hij op basis daarvan een oordeel vormt?’

Het optimisme waar Olga Tokarczuk het over heeft, blijkt niet uit de relaties tussen de personages onderling. Zo zijn er bijvoorbeeld de jongeman Izydor en het meisje Ruta — hij, zoon van een alcoholistische bruut; zij, dochter van een ongehuwde, halfwilde uitgestotene — die op elkaar verliefd worden. Ruta wil echter geen formele relatie, omdat ze verkiest te trouwen met iemand waar ze absoluut niet van houdt (ze worstelt met een jeugdtrauma; aan het eind van de oorlog werd ze als klein meisje door een groep soldaten verkracht). Tokarczuk: ‘Aan de ene kant bouwen de personages de wereld op, maar tegelijkertijd is er een vernietigende kracht die alles weer kapot maakt. Die twee krachten vormen de wereld. In de streek waar ik woon, Neder-Silezië, zie je dat zeer goed: het ene jaar wordt er een huis gebouwd, het jaar daarop wordt het alweer vernield. Mijn eigen dualisme zit dan ook in het boek: bouwen en afbreken liggen heel dicht bij elkaar.’

Neder-Silezië was deze eeuw een hele tijd Duits grondgebied. De Poolse staat heeft weinig in de streek geïnvesteerd, zegt ze. ‘De regering had blijkbaar het gevoel dat Neder-Silezië snel weer tot Duitsland zou gaan behoren en vond het niet zinvol er geld in te steken. Neder-Silezië is een beetje de woestijn van Europa.’

Het beeld dat ze in haar hoofd had om Oer te creëren, was dat van de vakantiestreek waar ze in haar jeugd vaak kwam, zo’n honderd kilometer ten noorden van Krakau, vrij centraal in Polen. Polen zat de hele 20ste eeuw geprangd tussen twee invloedssferen. In het oosten was er de Sovjet-Unie, in het westen Duitsland (later: de geallieerde troepen in de DDR). ‘De inwoners van Polen hebben die dualiteit altijd aangevoeld’, vertelt ze. ‘Zo is er bijvoorbeeld de wil om tot het moderne Europa te behoren, maar toch ook het gevoel dat we een grensstaat vormen tussen Europa en Azië, tussen de geciviliseerde en de niet-geciviliseerde wereld.’

Een rode draad door het verhaal in Oer en andere tijden is een oude koffiemolen die telkens op het nippertje van de vernieling gered wordt. Het is het laatste object dat in het boek voorkomt. Dingen zijn belangrijk voor Olga Tokarczuk, zo merken we ook in volgende passage uit het boek: ‘Mensen denken dat ze intenser leven dan dieren, dan planten en zeker dan dingen. Dieren vermoeden dat ze intenser leven dan planten en dingen. Planten dromen dat ze intenser leven dan dingen. En dingen duren voort en in dat voortduren zit meer leven dan in al het andere.’

‘Dat is precies het optimistische element in mijn boek’, vertelt ze. ‘Het is belangrijk dat die koffiemolen gered wordt. De wereld valt uit elkaar, maar die koffiemolen zal later op een andere plaats weer gebruikt worden. Het is in Polen wel vaker gebeurd dat alles vernield werd, op één object na. Precies dat object zorgde ervoor dat mensen hun leven weer konden opbouwen.’

Het is ook een oproep tot meer menselijke bescheidenheid. ‘De talenten die mensen van de Schepper hebben gekregen, zijn heel broos. De verbinding van die broosheid met hun overlevingsdrang stelt hen in staat verder te leven.’

Mensen moeten ook leren het absolute begrip Tijd te relativeren. Ze schrijft: ‘Om te kunnen denken moet men (…) de tijd inslikken: verleden, heden, toekomst en hun voortdurende veranderingen verinnerlijken. Tijd is werkzaam in het menselijke brein.’

God (m/v)

Opvallend in Oer en andere tijden is de dubbelzinnige, vaak zelfs dubieuze rol die God speelt. Via het achtdelige (tussen)spel ‘Ignis fatuus, oftewel Het Leerzame Spel voor één speler’ voert Tokarczuk een opperwezen op dat van karakter verandert naarmate Hij meer werelden ontdekt. In de Zevende Wereld aangekomen, merkt Hij dat de mensen proberen een hoge constructie te bouwen (de toren van Babel?) die hen naar de hemel moet voeren.

God vindt dat niet echt leuk, lezen we in het boek. ‘God keek op hen neer en dacht verontrust: zolang ze één volk blijven dat één taal spreekt, zullen ze alles kunnen doen wat bij hen opkomt… Ik zal dan ook verwarring zaaien in hun taal, ik zal ze in zichzelf opsluiten en ervoor zorgen dat de een de ander niet meer verstaat. Dan zullen ze tegen elkaar in opstand komen en mij verder met rust laten. En dat is wat God deed. De mensen verspreidden zich over alle windstreken en werden elkanders vijanden. Maar de herinnering aan wat ze hadden gezien bleef. En wie eenmaal de grenzen van de wereld heeft gezien, die zal des te pijnlijker zijn opsluiting beleven.’

De God die Tokarczuk opvoert is allesbehalve de perfectie zelve. ‘Ik heb God erbij gehaald als middel om te zien hoe de wereld in elkaar zit; Hij vertaalt alles. De alomtegenwoordige God, die het symbool is van liefde en goedheid, is eigenlijk vals. Het klopt gewoon niet. De God in mijn boek is een demiurg, een wereldbouwer die niet goed weet wat Hij wil en wie Hij is. Wij, mensen, denken dan weer soms dat we God genaderd zijn, dat we Hem bij de benen kunnen pakken, maar dan is Hij plots weer verdwenen. We kunnen geen vat op Hem krijgen.’

Wanneer Izydor, gefrustreerd omdat Ruta niet met hem wil trouwen, het klooster in wil, wordt hij onheus bejegend door een monnik. En een priester probeert Pawel, de vader van Izydor, geld af te troggelen wanneer die zijn overleden vader ten grave wil dragen, zogezegd omdat die zelden naar de kerk ging. Niet alleen God komt er belabberd uit, ook Zijn vertegenwoordigers op aarde. ‘Religie is een zeer intieme zaak’, antwoordt ze. ‘Ik heb geen vertrouwen in Gods vertegenwoordigers. En ik niet alleen. Het is een beetje een Pools syndroom dat mensen buiten de formele wegen om in contact proberen te komen met God. Ik was dan ook zeer verbaasd te horen dat een Duitse recensent mijn boek als zeer katholiek omschreef.’

Religie is altijd heel belangrijk geweest in Polen. Het land leverde niet alleen de huidige paus (Johannes-Paulus II, fvl); toen eind de jaren zeventig de vrije vakbond Solidariteit van Lech Walesa opdook, werd die openlijk gesteund door aartsbisschop Glemp. Tokarczuk: ‘Ik stel vast dat de Polen inderdaad meer met hun geestelijke leven bezig zijn dan de West-Europeanen. Er zijn veranderingen bezig, de kerk zoekt een andere weg. Ze scheidt zich af van de politiek. Ik vind het goed zo. De kerk is er voor het geestelijke welzijn van de mensen, niet om hen in een politieke richting te duwen. Religie is voor een groot deel instinctief: je moet geloven in iets of iemand.’

Interessante passage: tijdens een van Izydors geloofscrisissen gelooft hij, een paragraaf lang, dat God niet een Hij, maar een Zij is. ‘God was een vrouw, machtig, groot, vochtig en dampend als de aarde in de lente. Godin bestond ergens in de ruimte en leek op een onweersvolk vol water. Haar macht was verpletterend en deed denken aan een bepaalde kinderlijke ervaring waar hij bang voor was. Iedere keer als hij zich tot Haar wendde, antwoordde Ze hem met een opmerking die hem de mond snoerde.’

Weg met het traditionele beeld van de oude wijze man met de lange witte baard? ‘Izydor komt uiteindelijk tot de vaststelling dat God noch een Hij, noch een Zij is’, zegt Tokarczuk. ‘Een Het, als het ware, een onzijdig wezen. Op zich is dat niets nieuws. In de geschiedenis werd wel vaker naar de vrouwelijkheid in de figuur van God gezocht. Dat thema zal trouwens ook in mijn volgende boek ter sprake komen.’

Feminisme

God die — al is het dan maar heel eventjes — als vrouw wordt afgeschilderd, de vrouwelijke personages die veel meer geestelijke kracht bezitten dan hun mannen, vrouwen die nadrukkelijk zorgen voor de toekomst (het opvoeden van hun kinderen),… Het lijkt een sterk feministisch geïnspireerd boek. In het tweede hoofdstuk zegt een vrouw uit Oer zelfs: ‘Wat wij nodig hebben, zijn dochters. Als alle vrouwen nu eens in één keer dochters begonnen te baren, dan zou er vrede op aarde zijn.’

Tokarczuk weet het zelf niet. ‘Wat is dat: feminisme? In de wereld waarin ik leef moeten vrouwen opkomen voor hun eigen positie. Rechten en plichten zijn nu eenmaal niet gelijk verdeeld in de wereld. Ik vind het een goede oefening een wereld te scheppen waarin vrouwen meer mogelijkheden hebben. Waarschijnlijk is het naïef wat ik nu zeg, maar ik veronderstel dat er minder oorlogen zouden zijn. Misschien moeten we eens onderzoeken hoe de wereld dan zou functioneren. Het thema houdt me in ieder geval heel erg bezig. Weet je, waar ik nu verblijf — in de buurt van Verdun, in Frankrijk — vind je op de soldatenkerkhoven alleen maar graven van gesneuvelde mannen, geen enkele vrouw.’

Een wereld met alleen maar dochters, dat zou over een aantal jaren ook het einde van de menselijke soort betekenen, werpen we op. ‘Ach, maar die opmerking was pure verbeelding’, lacht ze.

Mannen en vrouwen leven in gescheiden werelden. In het boek wordt dat gesymboliseerd door het letterlijk in tweeën verdelen van het bed van Pawel en Mysia. ‘De scheiding begint al bij de opvoeding’, zegt ze. ‘Meisjes worden helemaal anders opgevoed dan jongens. Wat ik interessant vind, is wat er gebeurt op het moment dat een meisje en een jongen samenkomen.’

Dromen

‘Zich iets verbeelden is eigenlijk een vorm van scheppen’, schrijft ze in het boek, ‘het is de brug van verzoening tussen materie en geest. Als je het maar vaak en intensief genoeg doet. Dan wordt het beeld omgezet in een druppel materie en voegt zich bij de stromen van het leven. Soms raakt er onderweg iets in misvormd en verandert. Vandaar dat alle menselijke verlangens, mits ze voldoende sterk zijn, in vervulling gaan. Niet alles helemaal, tot het einde, zoals je had verwacht.’

De mens moet niet alleen creatief zijn om te overleven, maar ook om te kunnen dromen. Tokarczuk: ‘We maken de realiteit veeleer dan dat we ze tot ons nemen. De werkelijkheid wordt telkens vernieuwd: we verbeelden ze en we interpreteren ze.’

Dit inzicht is een gevolg van haar ‘vorig leven’. Ze studeerde psychologie en werkte vervolgens een tijdje als psychotherapeute. ‘Het is me inderdaad opgevallen hoezeer we apart van elkaar leven: ieder heeft zijn eigen wereld, maar die verschillende werelden botsen voortdurend. Ik ben op zoek naar de betekenis van alle gebeurtenissen in ons leven.’

Oer en andere tijden was haar derde roman, zopas verscheen in Polen haar vierde. Ze ontving in eigen land de prestigieuze Koscielski-prijs en werd in Frankrijk genomineerd voor het beste buitenlandse boek van 1998. Momenteel verblijft ze met een schrijversbeurs in Noord-Frankrijk. Waarom ze schrijfster werd, is ook voor haar een raadsel. ‘Op een bepaald moment vond ik zo’n innerlijke kracht dat ik wel moest opschrijven wat er met me gebeurde en wat ik wilde zeggen. Maar ik wilde zeker geen schrijfster worden: mijn eerste boek heb ik niet geschreven met de gedachte dat ik het ook ging publiceren. Dat ik het uiteindelijk toch ben geworden, heeft vooral met mijn introvertie te maken. Het interesseerde me op zeker ogenblik veel meer wat er binnenin mij leefde, dan wat er met mijn patiënten aan de hand was. Als ik psychotherapeute zou zijn gebleven, zou ik dat heel slecht gedaan hebben. Ik zou alleen maar zijn blijven wegdromen bij de verhalen van mijn patiënten. Vandaag is dromen mijn job geworden.’

Olga Tokarczuk, Oer en andere tijden (Een tijdloze literaire caleidoscoop), 1998, De Geus, Breda.



Pretentie

Literatuur Posted on za, april 13, 2019 11:59:03

‘Pretentie’, zo definieert Van Dale, is
‘aanspraak’, ‘het meer willen zijn dan je bent’. Pretentie is dus iets
negatiefs, zoals arrogantie, of hoogmoed, of zelfgenoegzaamheid. Daar ben ik
zelf ook jaren van uitgegaan. Wie pretentieus is, voelt zich verheven: boven de
massa, boven zijn collega’s, boven het gezelschap waar hij of zij zich op dat
ogenblik in bevindt. Dat hoort niet, ook al ben je wel degelijk slimmer dan die
anderen, heb je meer films gezien, zat je vaker in een ongemakkelijke theaterstoel,
las je veel meer boeken, dacht je langer na over maatschappelijke kwesties.
Pretentie was slecht. Punt.

Is het met ouder worden dat ik mijn visie heb
bijgestuurd? Heeft het met wijsheid te maken? Heb ik me iets te lang en iets te
veel geërgerd aan dommigheden? Wat het ook is, ik ben pretentie als begrip gaan
neutraliseren. Zonder het woord te gebruiken of in mijn achterhoofd te houden,
ben ik het hoe langer hoe meer geworden, pretentieus. Ik heb de pretentie om te
stellen dat ik wel iets weet over een aantal dingen, een brede waaier van
onderwerpen zelfs. Ik heb de pretentie om te beweren dat ik wel een aardig
stukje kan schrijven: ik zit als columnist niet in de categorie van een Mark
Coenen, maar ik kom af en toe een klein beetje in de buurt, en ik schrijf beter
dan… (namen op eenvoudig verzoek te bekomen). Als journalist hoef ik me niet
meer te bewijzen. Dat weet ik gewoon. Ik ga daar niet vals bescheiden of flauw
over doen — en het is doodjammer dat heel wat potentiële opdrachtgevers dat
niet doorhebben of weten —, het is gewoon zo. Noem dat gerust pretentie, ik
beschouw dat tegenwoordig als zelfkennis. Bescheiden zijn is een deugd, valse
bescheidenheid is voor niets nodig. Onderschatting van je eigen capaciteiten.
Zelfverloochening. Vals, quoi.

Ik las laatst het niet zo dikke essay van de
Nederlandse schrijver en journalist Joost de Vries. Echte pretentie heet dat, met als onmisbare en tegelijk
intrigerende ondertitel: Waarom het zo
irritant is en waarom we niet zonder kunnen
. Op het eind omschrijft hij
pretentie als ‘honger om serieuzer te zijn’. En serieuzer te worden genomen,
allicht. In een politiek en sociaal versnipperde wereld, met sociale media die
iedereen, tot in de verste uithoek van de wereld, een megafoon hebben
aangereikt, wordt iemand met een mening sneller gestigmatiseerd dan de tijd die
hij of zij nodig had om die mening te vormen. Als je a zegt, ben je
pretentieus. Zeg je b, ben je dat ook. (Tussen haakjes en terzijde: hoe
pretentieus moet je zijn om anderen pretentie aan te wrijven als je eigen
kennis gebaseerd is op wat er door je medestanders geroepen wordt?)

Onze samenleving is grondig veranderd, constateert
De Vries. “Ooit was er een ivoren toren, inmiddels is die omgehaald; de
verticale maatschappij is horizontaal geworden; de piramide is plat — kies je
metafoor. De meritocratie heeft laten zien dat iedereen alles kan worden, de
verspreiding van de media heeft de wereld leuker, vrolijker en oppervlakkiger
gemaakt, de kloof tussen high- en lowbrow is gedempt, de democratisering van de
media heeft iedereen een stem gegeven en iedereen zijn stem mag en moet gehoord
worden. Alle mensen zijn gelijk, de ‘gewone man’ hoeft niet meer op te kijken
naar de advocaat, de schrijver, de professor, de dokter omdat die toevallig
gestudeerd hebben — je status wordt zodoende niet meer bepaald door je
geleerdheid met betrekking tot een onderwerp (diepte), maar door de hoeveelheid
mensen die je ermee bereikt (oppervlakte).”

De meeste populistische leiders zijn
anti-pretentie, anti-establishment, anti-elite, terwijl ze natuurlijk deel
uitmaken van het (of een)
establishment, en van een elite. Donald Trump is daar een schoolvoorbeeld van.
Rijk, golft vaker dan dat hij zijn land leidt, woont in poepchique — maar van
een waanzinnig slechte smaak getuigende — vertrekken, omringt zich met
(blad)goud, maar spreekt zogezegd de taal van het gewone volk. Een minderheid
van dat volk — maar geen kleine minderheid — applaudisseert. “Dat is onze
man, hij is van ons, hij begrijpt ons tenminste!” Natuurlijk is hij niet
van hen, hij kakt op dat gewone volk, en liefst vanop zijn gouden wc-pot.
Jezelf de pretentie aanmeten om je anti-pretentieus te gedragen is blijkbaar
een gave. Om het met die ‘diepte’ en ‘oppervlakte’ uit de vorige paragraaf te
zeggen: diepgang is out,
oppervlakkigheid in. Tenzij je je
betoog doorspekt met pseudo-diepzinnige zinssneden, dan creëer je een nieuw
soort oppervlakkige diepgang.

Dat zie je ook bij de rijzende populistische
ster van Nederland, Thierry Baudet. Schrijft Joost de Vries: “In de
klassieke betekenis is pretentie een poging je van de rest te onderscheiden.
Wanneer Baudet met grote denkers en hoge cultuur schermt doet hij dat niet om
zich te onderscheiden van de massa, maar juist om zich erbij aan te sluiten.
Hij gebruikt het om zijn eigen basale wittemannenangsten van een intellectuele
dekking te voorzien, hij gebruikt grote ideeën om opspelende onderbuiken goed
te praten.”

Zo’n Baudet gaat een stap verder dan Trump, is
wellicht ook veel intelligenter. Waar Trump zich bedient van simpele taal
(‘Make America great again!’, ‘Build that wall!’), sloganeske leugentjes om
bestwil, profileert Thierry Baudet zich als de slimme jongen om de hoek, die
weet waar ‘de uil van Minerva’ voor staat, ook al hoort zijn publiek het op dat
moment in Keulen en omstreken donderen. Hij strooit met nauwelijks geweten
weetjes. Van pretentie gesproken. Maar het resultaat is hetzelfde als een
liegende Trump: méér bewondering, mensen die de retoriek die ze niet begrijpen
of niet kunnen controleren, overnemen, die zelf ook beginnen te verwijzen naar
die uil van — hoe-heette-dat-ding-ook-weer? — Radio Minerva.

Pretentie is hip geworden. Gespeelde
anti-pretentie eveneens. Je scoort als populist vandaag met echte én valse
pretentie. Of met het geregeld rondstrooien van Latijnse spreuken, natuurlijk.
Wat een pretentie, trouwens. Sapere aude. En zo komen we stilaan in de buurt
van de natte droom van populisten: een terugkeer naar de volgzame samenleving
van begin jaren 60. Toen de notabelen van het dorp pretentieus mochten zijn,
omdat het hoorde bij hun status. En de massa, die zweeg en knikte.

Joost de
Vries, Echte pretentie, Das Mag, 19,99 euro.



Woodstock in België — inleiding ‘1969’

Literatuur Posted on za, april 06, 2019 12:47:03

Well, it’s 1969, okay

All across the USA

It’s another year for me and you

Another year with nothing to do

Neen, de heer James
Newell Osterberg jr. klinkt niet echt vrolijk in het openingsnummer van de
allereerste platenworp van The Stooges, een zootje ongeregeld uit Ann Arbor in
de Amerikaanse staat Michigan. 1969 bekt
wel lekker, net als No fun. Maar
meneer Iggy Pop, want over hem gaat het in deze eerste zinnen, vergist zich:
1969 is zeer oké. We moeten er dan wel Richard Nixon bij nemen, als nieuwe
president van het land van Pop, de zelfverbranding van Jan Palach, de dood van
Brian Jones, de gruwelijke moord op Sharon Tate, maar er zijn toch ook: de
eerste vlucht van een Boeing 747, het luchtdebuut van de Concorde en de
plechtige opening van de nog fileloze Kennedytunnel in Antwerpen. Eddy Merckx
landt op de maan en Neil Armstrong wint de Tour, of zoiets. Ze doen dat hartje
zomer en binnen de vierentwintig uur.

1969 is het jaar van
Woodstock. Drie dagen op affiche, vier dagen in de praktijk, omdat een en ander
nogal stuntelig georganiseerd is in het dorpje Bethel, in de staat New York.
Het duurt allemaal wat langer dan gepland, maar hé: Peace & music, Make love not war, ook in Amerika is de
verbeelding heel even aan de macht, al was het maar als tegenreactie op die
verderfelijke oorlog in Vietnam. Een melkveehouder stelt 240 hectaren weiland
ter beschikking, grond die deskundig vertrappeld wordt door vierhonderdduizend
bezoekers, van wie de meesten niet eens een ticket hebben gekocht. Chaos troef.
De autoriteiten roepen de noodtoestand uit. Er vallen drie doden te betreuren
en er worden twee baby’s geboren, dat compenseert. Net als de muziek.

1969 is bij ons het
jaar waarin pop- en rockfestivals voor het eerst au sérieux worden genomen. Er
zijn er nogal wat, en nog wel op de meest onverwachte plekken: Amougies,
Châtelet, Ciney, Deurne, Hoei, een parking onder het Hiltonhotel in Brussel.
Niet dat het werkelijk ‘de eerste festivals’ zijn. Er worden dan al enkele
jaren festivals georganiseerd, waarin pop- en rockaccenten worden gelegd. Máár:
het wordt allemaal groter én voor het eerst nemen pop en rock de bovenhand. Op
Jazz Bilzen worden voor het eerst twee rockavonden opgezet. In de Arenahal in
Deurne wordt het 1st International Pop Event georganiseerd. En meteen ook het last. In Amougies – Amengijs voor de
flaminganten – stelt een boer zijn weiland ter beschikking voor een vijfdaags
festival dat in Parijs niet mag plaatsvinden, uit angst voor late Mei
’68-toestanden. Aan de voet van de Kluisberg mag het wel.

Fleetwood Mac, The
Nice, Yes, Ten Years After, Captain Beefheart, Frank Zappa, Pink Floyd: de
namen doen watertanden, als je ze in 2019 op vergeelde affiches ziet staan. En
wie er ook bijna altijd mee op staan: The Pebbles en Wallace Collection. Want
1969 is het jaar van Seven horses in the
sky
en Daydream. Belpop wordt
volwassen. Ook Jess & James en New Inspiration pikken hun graantje mee.

1969 is het jaar dat
Guy Mortier hoofdredacteur van Humo
wordt en dat zullen we geweten hebben. Je ziet het blad week na week verpoppen
van een overzichtelijk maar verder nogal braaf en voorspelbaar weekblad naar
een onmisbare baken voor lezers die in de volgende decennia niet in de pas zullen
lopen. De poppagina’s – TTT, weet u wel – breiden uit. De koppen worden gemortieriseerd. Er moet gelachen
worden.

1969 is vijftig jaar
geleden. Da’s lang. Toch hebben we nog voldoende ‘overlevenden’ bereid gevonden
om diep in hun geheugen te grasduinen. Daar zaten nog herinneringen verborgen,
die voor de ene al frisser oogden dan voor de andere. En waar dat niet hielp —
of waar er niemand meer te vinden was die het kon navertellen —, hebben we
archieven onveilig gemaakt. Het gevolg van die zoektocht houdt u in de hand:
een boek. Netjes opgedeeld in twaalf hoofdstukken, voorafgegaan door een
hoofdstuk Nul dat de voorgeschiedenis van de festivals in ons land samenvat.
Meer moet dat niet zijn.

Of toch… we hebben
terloops ook een maandblad gecreëerd, over pop en rock in 1969, om u helemaal
terug te voeren naar de sfeer van toen. Na een korte, maar intense
brainstormsessie hebben we het Pop &
Rock 69
gedoopt. Met als vaste rubrieken: Nieuw in de platenwinkel!, de Top
10 in Vlaanderen
, een concertkalender en artikels uit de pers van die
dagen.

Well, it’s 1969, okay!

Geert De Vriese & Frank Van Laeken,
Woodstock in België. De eerste festivals, Houtekiet, 272 blz., 21,99 euro.



Moeder, waarom schrijven wij?

Literatuur Posted on vr, juni 01, 2018 09:43:05

Waarschuwing: deze blogpost bevat sporen van
rancune, boosheid en grote ontevredenheid.

***

Het is juni. Dat wil zeggen dat de
herdenkingen van vijftig jaar Mei ’68 achter de rug zijn, terug naar het
archief voor negen jaar en elf maanden, waarna de hele zooi opnieuw wordt
opgerakeld. Helaas zal het dan zonder heel wat van de hoofdrolspelers zijn,
zeventigers en tachtigers die nu nog in staat zijn om het na te vertellen. Dat
is een jammerlijke en pijnlijke, maar ook realistische vaststelling. Mei 2018
was het ideale moment om het nog één keer uitgebreid over Mei ’68 te hebben,
mét de oud-strijders.

Ik heb samen met Geert De Vriese een boek
geschreven over die iconische periode, Mei
’68. 31 dagen die ons leven veranderden?
, het zal de trouwe lezer niet
ontgaan zijn. Dat vraagteken staat er niet voor niets. Het antwoord is ja én
neen, maar daarvoor moet u het boek lezen. Een goed boek. Wat zeg ik – alle
bescheidenheid overboord: het beste Nederlandstalige boek over die ene maand
uit de hedendaagse geschiedenis die consequent met hoofdletter wordt
geschreven. Minstens vier sterren waard. Met getuigenissen van nagenoeg alle
hoofdrolspelers van toen, alleen Daniel Cohn-Bendit reageerde nooit op ons
verzoek om hem te mogen spreken. Hoofdrolspeler Paul Goossens noemt ons boek
‘indrukwekkend’, Kris Merckx raadt het aan jongeren aan die zich over die
periode willen informeren (‘historisch goed onderbouwd’), Luc De Vos,
ex-Militaire School, omschrijft het als ‘bijzonder geslaagd’, en zo kan ik nog
wel even doorgaan met lofzangen.

Geert is een van de beste verhalenvertellers
van de Lage Landen, ik ben geen onverdienstelijk interviewer. En vooral: ik kan
een goed gesprek in leesbaar proza omzetten, met respect voor wat de geïnterviewde
heeft gezegd en voor wat de lezer aan informatie zou mogen verwachten. Ik ben
niet de enige die goed is in zijn domein, Geert evenmin, maar de combinatie van
de twee is – ja, wéér die onbescheidenheid – ongezien, zeker in Vlaanderen.

Ons boek verscheen half februari. De idee
daarachter was – net als bij INferNO,
ons boek over de brand in de Innovation van een jaar eerder – om een paar
maanden vóór de herdenkingsdatum (in dit geval: herdenkingsmaand) te verschijnen. We moeten daar niet flauw over doen: wij
waren het daarmee eens, al was het achteraf gezien misschien een foute
inschatting van de uitgeverij. (En van ons, dus.) Een brand van vijftig jaar
geleden in een warenhuis is in de hoofden van de mensen minder aan een precieze
datum gebonden dan een revolutionaire maand in West-Europa. In het ene geval
was de brand het evenement, in het tweede de maand zelf: Mei ’68, de naam zegt
het al. Dan is februari wellicht een vreemde keuze. Kwam daar nog bij dat de
necrofiele literaire pers zich in die periode verschool in de reet van een dode
schrijver (en dat schrijf ik met alle respect voor de Grote Schrijver die Hugo
Claus was, en met haast nog meer respect voor de belangrijke beslissing die hij
op het einde van zijn leven heeft genomen, maar: wekenlang opnieuw dat œuvre
oprakelen, hoefde dat nou écht?).

Mei ’68 werd uitvoerig besproken op apache.be
(waarvoor dank), kreeg ook een korte recensie in de weekendkaternen van Het Laatste Nieuws en in Plus Magazine (dankuwel), werd op langzullenwelezen.be aangeprezen door
welgeteld één persoon (merci), werd eervol vermeld in Primo (zeer erkentelijk), ik werd zelf geïnterviewd op een
studentenradio (toffe ervaring), op doorbraak.be
kwam ons boek heel kort ter sprake (fijn) en… dat was het zo ongeveer. Hier
en daar zal de korte inhoud wel in een klein hoekje gepropt zijn, mijn excuses
aan de auteur(s) mocht dat mij ontgaan zijn. Maar dus niets, geen letter in de
kwaliteitskranten, die nochtans behoorlijk veel hebben teruggeblikt op die ene maand.
Eentje presteerde het om een ander boek, over het hele jaar 1968, ‘fraai
gedocumenteerd’ te noemen, terwijl dat de ene na de andere fout bevat. Check,
dubbelcheck. En de openbare omroep, een huis met vele kamers waar ik weleens
vertoef, vond het evenmin de moeite, ook al werd er op verschillende radio- en
tv-zenders uitgebreide aandacht besteed aan die historische maand. Het straffe
is: ik heb de meeste verantwoordelijken persoonlijk aangeschreven. Nooit
antwoord gekregen, niet eens een ‘Welgemeende fuck you!’ of ‘Hoepel op, schrijverke!’ Niet antwoorden, kan ik u
verzekeren, is veel onbeleefder dan een korte afwijzing sturen. Het is een
afwijzing in het kwadraat. Het zij zo, zelfgenoegzaamheid is geen onbekend
gegeven in de Vlaamse pers. Kortzichtigheid evenmin, om het nog niet over ‘Ons
kent ons’ te hebben.

***

Zo, het is eruit: ik heb gezegd. Benieuwd of
het, behalve door u, wordt gelezen. En of het repercussies zal hebben (nóg
minder recensies van toekomstige boeken, bijvoorbeeld). Moeder, waarom
schrijven wij eigenlijk? Waarom steken twee mensen alles bij elkaar opgeteld meer
dan een jaar van hun leven in het schrijven van een boek dat vergeten wordt,
straal genegeerd, opzijgeschoven, dat ongelezen blijft liggen? Het
frustratiezweet druppelt van mijn voorhoofd.

***

(Ach, ik ben aan vakantie toe.)



Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden?

Literatuur Posted on za, februari 24, 2018 12:38:12

(Overmorgen ligt Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden? in de handel, het boek dat ik samen met
Geert De Vriese schreef over die beroemde/beruchte/onvergetelijke/verwerpelijke
(schrap zelf wat volgens u niet past) maand in dat drukke nieuwsjaar 1968.
Hieronder leest u het voorwoord uit het boek.)

Mei ’68, de
verbeelding aan de macht?

Is Mei ’68 wel
wat het lijkt?

Dat is de vraag
die ons inspireerde en intrigeerde om de enige maand in de wereldgeschiedenis
met hoofdletterstatus onder de loep te nemen bij haar vijftigste verjaardag.
Het antwoord leek voor de hand te liggen. Alle historische mijlpalen zijn gekleurd
en verkleurd door nostalgie, dramatiek, romantiek, noem maar op. Dus ook Mei
’68. Maar dan nog was het vaak behoorlijk schrikken van welke clichés en andere
ideaalbeelden uit het collectieve geheugen in de prullenmand mochten.

En dat was niet
eens het meest confronterende. Veel vaker dan verwacht hadden we het gevoel dat
we het niet over gebeurtenissen van een halve eeuw geleden hadden, maar over
vandaag. Eind mei 1968 waarschuwt een wereldwijd gerespecteerd politicus
bijvoorbeeld voor een Amerika dat zich helemaal op zichzelf terugplooit, onder
impuls van een – en wij citeren – ‘politicus op zoek naar gemakkelijk succes’.
Kroegkreten en krantencommentaren als ‘Over vijftien tot twintig jaar zijn de
buitenlanders hier baas!’ en ‘Dit is de eerste keer dat een politicus zo direct
inspeelt op rassenhaat’ associeerden we ook niet meteen met de rode banieren
van Mei ’68. En toch.

En wat te denken
van de spiegel die twee activisten van toen ons voorhielden, vanuit hun eigen
bewustwordingsproces?

‘Ik zonderde mij af, keerde me af van mijn
vrienden en van mijn ouders. Ik zocht het isolement om te kúnnen
radicaliseren.’

‘Men slaagde er niet in om de radicalisering van
de jeugd te begrijpen. Het was altijd de schuld van de anderen. De heersende
samenleving dacht dat er geen vuiltje aan de lucht was en dat er
complotronselaars aan het werk waren, die de boel op stelten zetten. Dat was
toen zo en dat is nu nog altijd zo, vandaag bij jonge allochtonen.’

Grote verhalen en
grote emoties zeggen altijd veel over een grote gebeurtenis. Maar kleine dingen
uit het dagelijks leven leerden ons op hun manier evenveel over de algemene
tijdsgeest waarin Mei ’68 zich afspeelde. Met name over de mate waarin de
wereldwijde revolutionaire opwinding eigenlijk doordrong tot in de doorsneehuiskamers
in het algemeen en tot bij de Vlaamse jongeren in het bijzonder. De muziek die
het populairst was in mei 1968, bijvoorbeeld. Nee, dat waren niet de Beatles of
de Stones, laat staan Jimi Hendrix. Of neem wat – volgens de dan ook al imagobepalende
reclamewereld, tenminste – de allereerste bijdrage was van de computer tot het
algemeen geluk van de Vlaamse vrouw. Bepaald emancipatorisch is ze niet, kunnen
we nu al wel verklappen.

En de Vlaamse
studenten in mei 1968? Dat moet wel ‘Leuven Vlaams’ zijn, toch? Niet, dus. Ook
dat bleek een fout in de gps van het collectieve geheugen te zijn. De vlammen
laaiden bij ons op in een andere stad. Al was het, toegegeven, veeleer een
strovuur in vergelijking met de katalysator die het veroorzaakte. De
gedoodverfde vader, zoon en heilige geest van de opstand: Mai Soixante-huit.

In Parijs, en bij
uitbreiding heel Frankrijk, werd de toestand als prerevolutionair aangevoeld,
met naast bijzonder heftig studentenprotest en politiegeweld ook een massale stakingsgolf
in de bedrijven en bij de overheden. Zelfs de hoofdzetel van de voetbalbond
werd bezet door doelmannen en spitsen onder de strijdkreet ‘Le football aux footballeurs!’ Maar toen we uitzoomden, bij onze
speurtocht in archieven en in onze meer dan dertig interviews, stootten we eens
te meer op een intussen ondergesneeuwd facet van de maand van de grote opstand:
in de Verenigde Staten wordt al veel langer geprotesteerd, in Berlijn
gewelddadiger en in Amsterdam provocerender.

Mei ’68 begint
min of meer in 1964, met de Free Speech Movement op de universiteit van
Berkeley in Californië. De nieuwe tijden spoelen in 1965 al aan in Europa met
onder meer Swinging London en het
Amsterdamse Provo, en via de dood en het gecultiveerde martelaarschap van Che
Guevara in 1967 monden ze uit in Dolle Mina en AMADA. En zo wordt de
geschiedenis van Mei ’68 meteen ook een geschiedenis van de jaren zestig.

Ontdek samen met
ons dat – om de bekendste slogan van Mai
Soixante-huit
te parafraseren – de verbeelding inderdaad aan de macht is.
Maar niet helemaal en soms zelfs helemaal niet zoals de bedenkers het toen
bedoelden en zoals de mythe en de overlevering het vandaag vaak willen.

Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden?,
Geert De Vriese & Frank Van Laeken, 400 pagina’s, uitgeverij Houtekiet,
24,99 euro.



Boekenbeurs

Literatuur Posted on zo, november 06, 2016 12:55:05

Dat Joël De
Ceulaer gelijk heeft. Die Boekenbeurs heeft niets meer met boeken en alles met
commercie te maken. ’t Is niet omdat het gedrukt staat en het technisch gezien
‘een boek’ is, dat we het in één adem moeten vernoemen met wat Dostojevski,
Claus en Woodward & Bernstein op de wereld loslieten.

ik ben
auteur. Ik heb op anderhalf jaar tijd vier boeken geschreven: twee op m’n dooie
eentje, twee in fijn gezelschap. Non-fictie. Ik mocht dus tot twee keer toe
signeren op deze Boekenbeurs. Bijna had ik in een bui van zelfgenoegzaamheid
het woord ‘auteur’ op mijn visitekaartje laten voorafgaan door het adjectief
‘gevierd’. Bijna. Want dan is er telkens weer die genadeloze reality check die
‘signeren-op-de-boekenbeurs’ heet.

Dinsdag
mocht ik op de dag des doden aantreden samen met Geert De Vriese. Samen
schreven we een half jaar geleden De
Grote Duivels
(bijtitel: het ware verhaal achter het EK 1980). Het boek
kreeg nauwelijks media-aandacht en is ongetwijfeld nog in grote stapels terug
te vinden in het pakhuis van de uitgeverij. Helaas waren die grote stapels niet
terug te vinden op onze signeerpupiters. Vergetelheidje. Gelukkig zijn Geert en
ik veelschrijvers, en konden we pronken met onze andere recente worpen op de
boekenmarkt. Nu moet u weten dat onze uitgeverij, die deel uitmaakt van — hoe
kan het anders? — een Nederlandse groep, dit jaar in een andere hal staat dan
vorig jaar rond deze tijd. Toen: ergens discreet weggemoffeld. Wie zat te
signeren (of beter: wie klaarzat om te signeren en werkloos toekeek, mensen
zoals ik dus) hoefde zich niet te generen. Bezoekers liepen aan en af en vooral
voorbij, maar het stoorde niet. Je kreeg niet het gevoel dat ze je bekeken als
een paria die toevallig ook eens een boek had geschreven.

Dit jaar
was het anders. We zaten aan een doorloopgang vlakbij de ingang van de hal.
Kortom: er passeerde veel meer volk. Tegenover ons stond een lange bank, waar
vermoeide bezoekers even konden verpozen, waardoor je als — werkloos
toekijkende — signeer-auteur het gevoel had dat je in de zoölogie was
aanbeland, waarbij je zelf het wilde dier achter tralies was. Ik voelde me
bekeken. Achter die zithoek stonden mensen aan te schuiven in wat een eindeloze
rij leek, een rij die ook nooit ophield, daardoor het adjectief ‘eindeloos’
kracht bijzettend. Bleek dat ene Jeroen M., schrijver van ‘Oorlog en vrede in
de pan’, of zoiets, daar door de meute aan het oog onttrokken een schrijfkramp
zat te krijgen. Ik prees mezelf gelukkig dat ik geen last had van die kramp.

Maar wat
zat ik daar dan te doen? Bref, ik heb
één boek mogen signeren, voor een goede vriend die zelf die dag elders op de
Boekenbeurs moest signeren, waardoor mijn record van vorig jaar (twéé
gesigneerde exemplaren) niet in gevaar kwam. En ik kreeg ook een bevestiging
dat het boek over racisme in het Belgische voetbal, Vuile zwarte, dat ik samen met Paul Beloy heb geschreven, nuttig is,
toen twee Antwerpse vriendinnen even halt hielden bij mijn pupiter, één van de
twee het boek ter hand nam en dan luid genoeg opdat ik het zou kunnen horen
tegen de andere fezelde ‘Racisme in de
foetbal? Da cho wer ouver die broin apen!’
. Als er ooit een opvolger voor Vuile zwarte komt, hebben we al een
titel. We zullen die mevrouw keurig een deeltje van de royale royalty’s
bezorgen.

Gisteren
zat ik er weer, nu met Paul. Eerst werden we deskundig geïnterviewd door Sporza-presentator
Aster Nzeyimana, de rijzende ster aan het tv-firmament. (A-ster is born, zou je kunnen zeggen, maar nu wijk ik af). Toen
het interview begon zaten er welgeteld twee (2) belangstellenden in de aparte
ruimte, elk in een uithoek dan nog, waardoor het maken van oogcontact ertoe
leidde dat je scheel ging kijken. Meer volk op het podium dan in de zaal, maar
gelukkig druppelden er in het volgende half uur nog behoorlijk wat
belangstellenden binnen. Daarna mochten we signeren. Feest. Zes exemplaren aan
de man gebracht. Ieder zes euro verdiend. Dansen! Zingen!

Ik herhaal:
Joël De Ceulaer heeft gelijk. Tenminste, voor wie op zoek is naar het ‘betere’
boek. Daarom dit voorstel. Laat die Boekenbeurs gerust ieder jaar doorgaan op
de huidige locatie. Reserveer één volledige hal voor kookboeken. Breng in hal
twee de kinder- en jeugdboeken onder. Zet in hal drie alle succesvolle romanauteurs
samen. En geef in hal vier de fictiedebutanten een kans, naast het restaurant,
het roomijskarretje en de speelhoek. Non-fictie (behalve dus de kookboeken)
heeft geen plaats meer op deze boekenmarkt. Moeilijke boeken, die tot zes jaar
geleden alle aandacht kregen op Het Andere Boek, het alternatief voor het
commercieel festijn in het Bouwcentrum, verdienen een eigen forum. Voor een
select en geïnteresseerd publiek. Niet voor de meute die er toch alleen maar
rondloopt omdat ze zich verplicht voelt om één keer per jaar iets
semi-cultureels te doen. En om BV’s te spotten. Vóóral om BV’s te spotten. Die
zullen zich ook weleens voelen alsof ze het populaire aapje in de dierentuin
zijn, maar op het einde van de dag lopen ze wel dansend en zingend naar de
bank, met iets meer dan zes euro op zak.

Nee, die
Boekenbeurs, dat komt nooit meer goed. Lees liever een boek.



De muze en het meisje (Katrijn Van Bouwel)

Literatuur Posted on zo, oktober 16, 2016 13:11:05

Improvisatieactrice,
meldt de achterflap over Katrijn Van Bouwel. Stand-upcomédienne, dat weten we
ook. Copywriter, maar dat blijft eerder in het verborgene.
Televisieverschijning, in Scheire en de
Schepping
, Spelen met uw leven en
– als festivalfee in de zomer van 2015 – 1.000
Zonnen en Garnalen
. En bovenal Twitterfenomeen. Proef de lelijkheid van dat
woord: Twit-ter-fe-no-meen.

Laten we
haar liever een feenomeen noemen, dat past beter. Een vrouw die een paar keer per
dag in je tijdlijn opdoemt met een grapje, een fijne woordspeling, een
melancholische ontboezeming, een je-ne-sais-quoi’tje dat de waan van de dag
overstijgt. 10.887 volgers, terwijl ik dit intik, and counting. Zoals 50,000,000
Elvis fans can’t be wrong
, zo kunnen weldra 11.000 volgers dat ook niet
zijn.

En nu mag
ze zich, op haar bijna 35ste, schrijfster noemen. Auteur. Collega van Bob
Dylan, zou ik pesterig kunnen zeggen tegen al die schrijvers die zich nu hebben
verzameld om een karamellenverzenschrijver – ik verzin het niet! – belachelijk proberen
te maken. The times they aren’t
a-changin’
voor hokjesdenkers. Maar ik wijk af, want ik wil het niet over de
lelijkheid van jaloezie hebben, maar over schoonheid. Schoonheid die kwistig
over 220 pagina’s uitgestrooid werd, opgedeeld in vier hoofdstukken: de
seizoenen van het wankele liefdesleven.

Tussen
“Ik stap uit de kamerjas dit stille leven in” en “En hoe mij dat
voltooit” staan vele honderden mooie zinnetjes en volwassen zinnen. Ik was
begonnen met er de mooiste uit te pikken, maar ik betrapte me erop dat ik het
boek aan het overschrijven was. Een paar, toe maar, om in de stemming te
geraken. “Niemand kleedt zich zorgvuldiger dan wie uitgekleed wil worden.”
“Rouw is een geduldige minnaar, die zich langzaam ontkleedt, tot je zelf
in je blootje staat.” “Een mens is zijn eigen blinde hoek.”
“Als de ogen de spiegel van de ziel zijn, gebruikte ik de zijne om mezelf
te zien.” “Mijn geheim is dat ik het jouwe wil zijn.”

Hé, die
laatste ken ik nog. Die was een tijdje de vastgemaakte tweet van @_katrijn. En
dat is geen toeval, want ze gebruikt ons, Twittervolgers, schaamteloos als
klankbord. Sloeg een zin aan, dan kwam die in het boek. Zo zie je maar, je kan
Twitter ook gebruiken om mooie dingen te doen. Een boek schrijven,
bijvoorbeeld.

Waarover De muze en het meisje gaat? De liefde, het
onbereikbare, bezitterigheid, dromen, perfectie, en nog zo veel meer. Het volle
leven, zeg maar. Het ene hoofdpersonage, ‘de muze’, is een naaktmodel dat
halsoverkop verliefd wordt op een schilder, die dankzij haar eindelijk weer
inspiratie vindt. Het andere hoofdpersonage, ‘het meisje’, is een
stand-upcomédienne, grofgebekt, sarcastisch. Als de muze ook nog eens aan
taxidermie gaat doen, weet je: dit is voor een deel uit het leven van de
schrijfster gegrepen. Maar je beseft ook dat ze zichzelf niet zodanig
blootgeeft, dat de term ‘autobiografisch’ zich brutaal opdringt.

“Winnen
is niet altijd blijven doorgaan. Winnen is weten wanneer je moet stoppen,”
tweette Katrijn nog niet zo lang geleden. Om mijn lievelingsartiest Van
Morrison te citeren: “It’s too late
to stop now”
, Katrijn Van Bouwel. Dit vraagt om bevestiging. Schrijf
ze! (En blijf ons als gewillige literaire proefkonijnen gebruiken.)

De muze en het meisje, Katrijn Van Bouwel, 220
blz. Prometheus, 19,95 euro.



Schrijver

Literatuur Posted on za, december 05, 2015 14:02:58

Dames en heren, ik ben genomineerd voor de
Bronzen Urbanus, zowat de belangrijkste culturele prijs van de gemeente
Galmaarden, waartoe mijn woonplaats Tollembeek behoort. En Urbanus, dat weet
iedereen van De Panne tot Tongeren, is de beroemdste inwoner van dit Pajotse
dorp. Dé Urbanus, jawel, die ik op mijn zestiende bewonderde omdat hij a)
grappig was, b) soms zelfs hilarisch, c) anti-establishment met lange vettige
haren en d) mij inspireerde om zelf de rest van mijn leven absurde flauwiteiten
uit te spuwen (sorry, daarvoor).

‘Schrijver’, zo staat er achter mijn naam in
een artikeltje van dertig lijnen dat geheel onterecht werd weggemoffeld op de
regionale pagina’s van Het Laatste Nieuws.
Andere kranten maakten niet eens melding van deze prijs, die hier ten velde
nochtans het equivalent is van de Gouden Boekenuil of de Oscars, kan je nagaan.
Vijf tegenkandidaten zijn er, die ik verder van haar noch pluim ken, maar dat
geldt ongetwijfeld ook in omgekeerde richting. Hier wonen niet veel mensen,
maar we laten elkaar met rust. Of we zijn niet geïnteresseerd in wie de ander
is, beslist u zelf maar. De buren kennen we een beetje, dat wel. Het is dan ook
mijn sympathieke overbuurman die me genomineerd heeft. Als lid van de
cultuurraad heeft hij dat voorrecht. Op 23 januari weet ik of we halsoverkop
een schouw moeten laten bouwen om een trofee op te zetten. (Ik moet er verdorie
een thuiswedstrijd van mijn geliefde voetbalclub voor laten vallen, maar alles
voor die fifteen minutes of very local
fame
.)

‘Schrijver’, ik probeer van het woord te
proeven, maar het blijft vreemd klinken. Ik heb dit jaar twee boeken
geschreven. Ik schreef in het verleden drieënhalf boeken en schrijf volop
artikels, columns en blogposts, maar voel me geen ‘schrijver’. Hugo Claus, dat
was een schrijver. A.F.Th. van der Heijden, dat is er één. En er zijn er nog,
van hele goede tot wanstaltige, maar ze mogen zich wel schrijver noemen. Een
schrijver associeer ik met fictie, niet met afstandelijke verslaggeving of het
kritisch spuien van meninkjes. Schrijven is voor mij een werkwoord, geen
kunstvorm.

Eerlijk gezegd, toen ik de vraag kreeg of het
me interesseerde om genomineerd te worden, was ik eerst verrast. Té verrast om:
‘Bah, weet ik zo nog niet’ te zeggen. Dus zei ik: ‘Ach ja, waarom niet?’. En nu
ik mijn naam na veel te lang zoeken (waarom is dit geen voorpaginanieuws?!) heb
teruggevonden, wil ik winnen, want zo zit ik dan ook weer in mekaar: tussen
‘Nee, geen interesse’ en ‘Ja, ik ga ervoor’ zit hooguit een dag, of de
publicatie van een minuscuul artikel in de krant. Geef me een computerspel en
ik wil winnen. Tot vals spelen toe, er zijn getuigen van. Dus ja, ik wil dit
kleinood uit handen van de grote Van Anus ontvangen. (Wie moet ik allemaal bedanken in mijn overwinningstoespraak?)

***

Dimitri Verbelen, dat is tenminste een echte
schrijver, die heeft een roman gepleegd, maar die woont niet in Tollembeek en
komt dus niet in aanmerking voor de Bronzen Urbanus. In Vrolijke, vrolijke vrienden wordt de lezer door hem opnieuw naar
Aalst ontvoerd. Het is daar een vruchtbare bodem, blijkbaar. Verbelen kan het
weten, want hij heeft er lang vertoefd. Zijn naam zegt u iets? Hij is de man
achter de Facebookpagina ‘Vrolijk relativerende liga ter bestrijding van
azijnpis en verzuring’, die — zoals de naam het al zegt — vrolijk relativeert
en daarmee de verzuring probeert te bestrijden.

Dat doet hij in Vrolijke, vrolijke vrienden niet, het verhaal van vier
jeugdvrienden die elkaar uit het oog verliezen en terug contact zoeken in de
marge van een voetbalclub op de dool, het immer geweldige en zelden succesvolle
Eendracht Aalst. Maar de zuipschuiten van weleer stevenen af op een
verschrikkelijk drama. Er kan wat afgelachen worden met deze roman, maar bovenal is het toch een heel serieuze plot.

Ja, ik moest geregeld aan De helaasheid der dingen denken, waarin Dimitri Verhulst zijn
personages ook om ter marginAalst laat wezen. In vergelijking met dat
wonderbaarlijke, afwisselend intrieste en hilarische, boek moet Verbelens worp
het afleggen, dus laten we die weg niet verder inslaan. Want Vrolijke, vrolijke vrienden mist wel een aantal dingen — er zouden meer
dialogen in mogen staan, bijvoorbeeld, en minder beschrijvende passages —, maar
biedt genoeg inhoud en stilistisch vermogen om je als lezer bij het nekvel te
blijven vasthouden. (Hahaha, ‘stilistisch vermogen’, ‘nekvel’, ik lijk wel een
would be-schrijver die een collega de vergetelheid in recenseert, niet doen,
Van Laeken, je bent een ‘schrijver’!). Met plezier gelezen, bijgevolg. Ook al
omdat de personages zo herkenbaar zijn: in je eigen omgeving heb je ook al
weleens een veelvraat, een grote mond met losse handjes en een stille genieter
tegengekomen. En een man met grootse plannen die uiteindelijk in een heel voorspelbare omgeving terechtkomt, want dat ben je tenslotte zelf.

***

En nu ga ik snel afsluiten. Ik heb nog zeven
weken om de jury van de Bronzen Urbanus gunstig te stemmen. Ideeën voor
steekpenningen en cadeautjes zijn welkom. Te richten aan: Frank Van Laeken,
schrijver, Tollembeek. Adres hoeft niet, de postbode leest de krant, lokale
beroemdheden pluk je er hier zo uit.



Volgende »