Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Stijn

Memories & mijmeringen Posted on di, februari 22, 2022 18:21:21

In een tijd dat anderhalve meter nog geen fetisjafstand was, zaten we ongeveer zo ver van elkaar in de akoestische hel die Vorst Nationaal is. Jij naast jouw vrouw, ik een rij daarachter naast de mijne. Onze blikken kruisten elkaar. Jij dacht: is dat Frank Van Laeken niet? Ik dacht: is dat Stijn De Paepe niet? We hadden elkaars profielfoto al weleens zien passeren op het parallelle universum dat Twitter heet, vandaar. Maar we waren allebei te verlegen om te vragen ‘Ben jij… niet?’ Dus dachten we wel, maar deden we niets en vroegen we achteraf in een privéberichtje of jij misschien ook die avond in die zaal zat. ‘I’m not the kind of man who tends to socialize’, hadden we daar horen zingen en het leek wel toepasselijk op ons beider gedrag. Raar hé, de mens.

Het concert was overigens subliem, die 1ste november 2016. Paul Simon stelt zelden teleur. Een man die ‘window in your heart’ laat rijmen op ‘blown apart’ kan niet veel verkeerd doen, zoals jij dat ook niet kon in je dagelijkse kleine, doorleefde, doorwrochte, geëngageerde, soms lieflijke maar even vaak ook vuurspuwende gedichten, en nu hou ik op met al die adjectieven voor de mensen gaan denken dat ik een adept van Delphine Lecompte ben. Jouw gedicht van de dag was de perfecte ochtendgymnastiek. Dat, en koffie.

In de zomer van 2019 — weet je nog, die zomer dat alles kon en mocht en Wuhan nog heel ver weg leek — had ik je uitgenodigd als praatgast op MoMeNT in Tongeren. Ik, de tijdgeest op dat evenement, jij, de geestigste tijdfilosoof van allemaal. Afwisselend diep, zinnig en diepzinnig, maar altijd tongue in cheek. Zoals je rijmplekken in De Morgen en op Twitter dat ook waren. Zíjn. Ik wil die tegenwoordige tijd niet opgeven. Nog niet. Tegen beter weten in. Zíjn!

Jouw berichtje eind vorig jaar (‘Het gaat nooit meer weg’) heeft me dieper geraakt dan ik had kunnen bevroeden. Het klonk als ‘Hello darkness, my old friend’, terwijl iedereen weet dat duisternis zelden echt je vriend is.We waren niet close — dichter dan die anderhalve meter in Vorst Nationaal en in Tongeren zijn we helaas nooit geraakt — en toch voelde je aan als iemand met wie ik zeer vertrouwd was. Bén. En dat voelt verdomd goed. Raar hé, de mens. Still crazy after all these years.

You just slip out the back, Jack. Make a new plijn, Stijn.

Er rijmt heel veel op Stijn. Er rijmt heel weinig op kanker, die wanker.

***

(Ik heb deze bijdrage begin dit jaar naar Stijn gestuurd, als hart onder de riem. Toen nog in de tegenwoordige tijd, nu is dat achterhaald door de droevige feiten. Zijn respons: ‘Prachtig, Frank. Wat een pen heb jij’. Ik dacht: spreek voor jezelf, man. En ook: wat een pen heb jíj! Als er iemand de kracht van het woord had, was het Stijn wel. Mijn bijdrage had ik de titel There goes rhymin’ De Paepe meegegeven, vrij naar een lp-titel van Paul Simon, een van de weinige rockartiesten die hij kon pruimen. In het licht van de droevige actualiteit vond ik die titel veel te luguber klinken, vandaar de meer neutrale die er nu boven staat.)



Bang

Memories & mijmeringen, Samenleving Posted on za, januari 29, 2022 11:29:11

ik ben bang dat u mij minder graag zult zien (en vooral: lezen) omdat ik u op een grijze zaterdag ongevraagd een stukje over mijn angsten opdring.

Ik ben bang. Niet omdat ik eergisteren de gezegende en in de ogen van jonge mensen eerder ‘verzegelde’ leeftijd van drieënzestig jaar heb bereikt. Ik besef dat ik, in het beste geval, op twee derde van mijn tijd op aarde zit, maar het zij zo. Ik lig er niet wakker van. (Nog niet.)

Ik ben bang voor 2024. Niet omdat ik dan de pensioengerechtigde leeftijd zal bereiken, vijfenzestig in mijn geval, boomer zijnde, want ook dat deert me niet. Ik heb nog heel veel goesting, ik wil blijven schrijven tot de letters voor mijn ogen beginnen te dansen, dan weet ik dat het tijd zal zijn om het klavier op te bergen. Niet eerder. En ik hoop dat er nog heel wat teksten zullen volgen, men weze gewaarschuwd.

Ik ben bang voor 2024 omdat het een jaar wordt dat zowel op kleine als op grote schaal wereldschokkend zou kunnen zijn. Er zijn dat jaar tegelijk federale, Vlaamse en Europese verkiezingen, minder dan een half jaar later wordt er gestemd voor de gemeente en, nou ja, ook de provincie, weer iets later zal de ongetwijfeld vuile verkiezingscampagne in de Verenigde Staten uitmonden in het hoogfeest van de polarisatie. Wie weet komt de man die begin vorig jaar als zittend president een coup pleegde wel terug aan de macht, of een van de door hem aangeduide acolieten.

Ik ben bang omdat de uitkomst van al dat verkiezingsgeweld — zoals het er nu naar uitziet, al moet je die peilingen altijd met een zak zout nemen — zou kunnen zijn, dat ontmenselijking de regel wordt, dat autoritaire leiders dankzij hun makkelijk populisme, een gewiekste mediacampagne en goedgelovige, naïeve, volgzame kiezers de koers van een regio, een klein of een groot land en, uiteindelijk, de westerse wereld zullen bepalen.

Ik ben bang dat rechts Vlaanderen, wat het nu is, extreemrechts Vlaanderen zal worden, een grondgebied waar kliklijnen, intimidatie en gebrek aan mededogen de norm zullen worden, en waar een aangroeiend trollenleger de cadans zal bepalen. Het kan mij op zich weinig schelen of we nu België blijven dan wel Vlaanderen worden — ik ben enigszins gehecht aan die zwart-geel-rode vlag en waar die voor staat, maar ik ben geen belgicist en zal weinig tricolore tranen plengen, mocht België geen tweehonderdste verjaardag kunnen vieren. Wat mij wel angst inboezemt, is dat de huidige, steeds rechtsere tendens een heuse stijlbreuk wordt wanneer het ‘samen een meerderheid’-adagium van de Franckens van deze benepen wereld bewaarheid wordt. Want, wees gerust, als het erop aankomt zal de N-VA die denkbeeldige Chinese Muur steen voor steen afbreken. (Denkbeeldig, omdat we hier niet in China zitten én omdat de eerste steen van die figuurlijke muur nooit gelegd werd.) Dat wil zeggen: wanneer N-VA en Vlaams Belang inderdaad samen een Vlaamse meerderheid optekenen bij de Vlaamse verkiezingen, zullen ze die ook proberen te verzilveren. Afgaand op de meest recente peilingen zou dat betekenen: Vlaams Belang de grootste partij, die de stoel van minister-president aan de N-VA zal laten in ruil voor deelname aan de macht, terwijl N-VA zal meedoen óm mee te doen, wat het nu bijvoorbeeld federaal niet kan, we horen elke dag hoe frustrerend ze dat bij de alliantie vinden. Ik geef het u op een briefje (een blogje, technisch gesproken) dat Bart De Wever zelf de laatste stenen van die muur zal wegsmijten, om toch maar de eerste steen van een onafhankelijk Vlaanderen te mogen leggen. Principes in de politiek zijn als winden, wist good old Mark Eyskens al, en die liet er zelf af en toe eentje in stilte vliegen. Het is ondenkbaar dat de opportunist en realist die De Wever is, dan de principiële ideoloog zal uithangen. Stel je voor, Mister Confederalisme-dat-op-termijn-moet-leiden-tot-Separatisme, die op het moment suprême dé afspraak met de geschiedenis zou missen… Geen denken aan. Ook andere N-VA’ers die ver afstaan van het extreemrechts gedachtegoed zullen eieren voor hun geld kiezen: als ideologisch puntje bij realistisch paaltje komt, draait het heel plat om de postjes, het prestige, het mogen nippen van de macht.

Ik ben bang, niet voor een onafhankelijk Vlaanderen, wel voor een Vlaanderen dat doorgaat op het elan van de huidige Vlaamse regering, waar CD&V en Open VLD meeheulen in een verhardend discours. Tegen vluchtelingen. Tegen vreemdelingen. Tegen profiteurs en fraudeurs, die voor hen onveranderlijk onderaan de piramide te situeren vallen. Sociale fraudeurs zijn voor hen erger dan fiscale, ook al gaat het om veel minder centen en is de negatieve impact op de maatschappij kleiner. Niet de middenstand regeert het land, beste Luc De Vos, maar Voka en VBO.

Ik ben bang dat al wie het moeilijk heeft het alleen nog moeilijker zal krijgen, en daar zitten heel veel mensen tussen die op zondagen 26 mei en 13 oktober 2024 net voor partijen zullen stemmen die tegen hún belang zullen regeren. De boodschap van het populisme oogt aanlokkelijk, hoe hol die ook moge klinken. Je moet het wel wíllen horen, natuurlijk.

Ik ben bang dat de rechtsstaat zal afbrokkelen ten faveure van een meedogenloos bewind. Met bokshandschoenen, zeg maar. Uit zelfverdediging. Waar het 70-puntenplan van Vlaams Blok hand in hand zal gaan met het 10-puntenplan van Theo Francken. Als die vreemde luizen hier maar weg blijven! Als zowel Francken als De Wever recent met de voeten vooruit de rechtsstaat tackelden — die wereldvreemde rechters, weet u nog wel! —, Francken bepleitte op het extreemrechtse speelkoertje dat Doorbraak is zelfs een ontmanteling, dan weet je dat de scheiding der machten ondergeschikt zal zijn aan een (extreem)rechtse agenda.

Ik ben bang dat wat er nu gebeurt in de sociale woningsector, met een vakminister die zijn subsidies niet kwijtgeraakt en dan maar voorstelt om het geld aan de private sector te gunnen, de regel zal worden. N-VA heeft het zo vaak over de middenklasse dat je er tureluurs van wordt. Wat zij bedoelen is: de hogere middenklasse en al wat daar bovenop komt. De lagere middenklasse en al wat daaronder valt, kan stikken. De boom in. (Als er dan nog bomen zullen zijn, want ecorealisme en klimaatontkenning zullen in dát Vlaanderen de regel worden.) Wie weinig heeft, zal dan nog minder hebben. En wie nog minder dan weinig heeft, zal elk etmaal moeten zien om het einde van de dag te halen met liefst toch een paar karige maaltijden en een verwarming die het een paar uur doet tijdens de wintermaanden. Velen onder hen zullen tegelijk dader en slachtoffer zijn: dader, omdat ze die partijen mee aan de macht zullen helpen, slachtoffer, omdat die partijen hen vervolgens genadeloos zullen laten vallen. Mensen zijn middelen, geen doel, in het oog van rechtse nationalisten. Eigen volk eerst wil eigenlijk zeggen: eigen natiestaat eerst. De natie staat boven het volk. De vlag is belangrijker dan de mens die ermee zwaait.

Ik ben bang dat de kille atmosfeer van vandaag zal omslaan in de ijskoude omgevingstemperatuur van morgen.

Ik ben bang dat sociale en ethische verworvenheden van nu in de toekomst snel tot het verleden zullen behoren.

Ik ben bang dat naar boven likken en naar beneden trappen een gewoonte zal worden.

Ik ben bang dat extreem normaal wordt en normaal extreem.

Ik ben bang dat al wie het moeilijk heeft zal gewezen worden op de eigen verantwoordelijkheid voor die situatie en dat er niet meer zal gekeken worden naar de collectieve en individuele maatschappelijke realiteit.

Ik ben bang dat Dewinter zijn verloren maandag-ritueel, poseren met een worstenbrood en een bolleke, zal mogen herhalen de maandag na de verkiezingen, waarbij het ongeveer al de anderen zullen zijn die verloren hebben.

Ik ben bang dat intimidatie van journalisten de regel zal worden, niet de uitzondering. Al wie links is, zal bedreigd worden. Een heel grote groep, want als je je uiterst rechts op het spectrum bevindt, is zelfs iemand in het centrum ‘een linkse rat’.

Ik ben bang dat andersdenkenden verbaal zullen worden geïntimideerd, met dank aan de ijverige trollen die altijd paraat staan.

Ik ben bang dat de jaren 2030 heel veel weg zullen hebben van de jaren 1930.

Ik ben bang dat de mens zichzelf uiteindelijk de das zal omdoen, verblind als hij hier rondloopt.

Ik ben bang dat al wie er een beetje anders uitziet, een ander geloof belijdt, andere ideeën heeft over een harmonieuze samenleving, niet meer welkom zal zijn of de mond zal worden gesnoerd. Denk niet aan een Pinochet-scenario, het zal subtiel gebeuren, zachtjes aan zal onverdraagzaamheid doodnormaal worden, zullen de geesten gemasseerd worden om minder wakker te liggen van individueel leed, zeker als het over andersdenkenden gaat. Extreemrechtse parochiekrantjes als ’t Pallieterke, ’t Scheldt en Doorbraak zullen wel meehelpen om díe doorbraak te forceren. Als je niet het goed doet, ligt het aan jezelf, die boodschap wordt nu al vaak meegegeven in die kringen.

Ik ben bang, ja…

Ik ben bang, maar heb geen gebrek aan strijdlust. It giet oan!



Sollicitatie

Journalistiek, Memories & mijmeringen Posted on za, januari 22, 2022 11:29:23

Geachte hoofdredacteuren en verantwoordelijken van opiniepagina’s van kwaliteitsbladen,

ik zag de voorbije dagen tot mijn grote ergernis opnieuw columns en in herhaling vallende opiniestukken verschijnen van onder anderen — in alfabetische volgorde en niet in rangorde van waardering, want die is er nauwelijks of niet — Maarten Boudry, Mia Doornaert, Mark Elchardus, Delphine Lecompte, Joren Vermeersch en nog wat grut, en ik dacht, brutaalweg, dat kan beter. Nee, eerlijk, ik dacht: ik kan dat beter. Enfin, ik denk dat niet, ik zég: ik kan dat beter. Steviger gefundeerd, genuanceerder en toch spitanter, weg van het reactionaire, betweterige, voor de tigste keer vanonder het stof gehaalde pseudohistorische feitjes en weetjes, menselijker, etcetera enzovoort, ik ga hier stoppen met adjectieven in het rond te strooien, anders denken jullie nog dat ik in de leer ben geweest bij Delphine, niet de prinses, maar de kleindochter van die dokter die toch net iets minder oud is geworden dan de duizend jaar die hij zelf in een olijke bui had vooropgesteld.

Zo, ik weet dat uw tijd kostbaar is, dus wil ik die beperkte aandachtspanne niet langer misbruiken, wat ik — toegegeven — met deze extra zin eigenlijk al doe, waarvoor mijn welgemeende excuses.

Wees gegroet,

Frank Van Laeken,

journalist tot in de kist,

misschien wel uw toekomstige columnist,

ouder maar niet belegen wordend kapoentje,

journalistiek veeleer een grijsje dan een groentje (met mijn excuses aan het adres van Stijn De Paepe voor het krakkemikkige metrum).



De meester, hij begint niet meer

Memories & mijmeringen, Samenleving Posted on za, oktober 23, 2021 11:28:50

Het lerarentekort dat nu al een dikke week de voorpagina’s van onze kranten domineert, komt niet uit de lucht vallen. Dit is geen meteoor die, onaangekondigd, ‘Surprise!’ roept en vervolgens in één klap onze levens vergalt. Of een virus dat vrolijk begint rond te dwarrelen. Drie jaar geleden waarschuwden experten al voor dit probleem. Drie jaar later is het er. Zo gaat dat.

‘Gouverner, c’est prévoir’, zegt het spreekwoord. Regeren is vooruitzien. Als onze regeringen, meervoud, één ding niet doen is het dat wel, vooruitzien. De waan van de dag is belangrijker geworden dan het algemeen belang. Wie een toekomstvisie heeft in de politiek, vloekt in de kerk van het status quo. Opportunisten hebben idealisten, ideologen en humanisten deze eeuw van het voorplan verdrongen. O, kijk daar, een boerkini. Of: hier zie, een nieuwe poll en we gaan, euh, niet echt heel zwaar achteruit. En, neen, de vreemdelingen komen er níet in!

Vorig jaar werd er schande gesproken dat de scholen zo lang dicht moesten blijven tijdens de eerste lockdown, onze bloedjes van kinderen zouden ocharme een grote leerachterstand oplopen. Vandaag is er niet alleen die achterstand, maar wordt die ook nog wat groter, bij gebrek aan leerkrachten. Het wekelijkse aantal uren ‘studie’ — een eufemistische term om te verdoezelen dat er op dat ogenblik net níet gestudeerd wordt, maar enkel de tijd verbeuzeld — is niet meer op de vingers van één hand te tellen. In de lente van 2020 werd er online vergaderd tot iedereen er horendol van werd, in het belang van het kind. Nu heeft de minister snel een stuk of tien mogelijke maatregelen op een papiertje gekribbeld, in het belang van zijn eigen hachje. Arm Vlaanderen.

***

Om mijn eigen schooltijd te kunnen reconstrueren, moet ik diep doordringen tot in de spelonken van mijn geheugen. De meester had vroeger een veel stevigere reputatie, al zou dat ons, boefjes, niet tegenhouden om de zwakkere exemplaren in de lerarenkudde te koeioneren. Zo gaat dat overal ter wereld in het Grote Dierenrijk. Je zoekt de mankepoten uit en begint op hen te jagen. Dat is ’t makkelijkst. In de praktijk betekende dit dat minder strenge leraren de dupe werden van dat jonge geweld. Ik weet niet of de feiten intussen verjaard zijn, maar: sorry daarvoor, meester (m/v). Het was sterker dan onszelf.

De beste meesters waren diegenen met natuurlijk gezag. Niet de man die zich introduceerde met de woorden ‘Ze noemen mij de bloedhond, het kapmes en de hakbijl’ en die tijdens een van de eerste lessen een bordveger door een kartonnen wand smeet omdat er gebabbeld werd in zijn klas. Akkoord, het was effectief, we zwegen van dan af, maar angst is nog lang geen respect. Ook niet de professor die vlak voor zijn pensioen stond en een stel achttien- tot twintigjarigen opdroeg om te zwijgen in de les, zo niet ‘Buiten!’ Zielige ventjes waren dat. Van decibels leer je weinig.

De beste meesters stonden niet met het schuim op de lippen voor de klas, noch met knikkende knieën. Ze deden wat ze deden, omdat ze wisten wat ze deden en ervan overtuigd waren dat ze een stel schobbejakken met een prettig gevuld hoofd de wijde wereld moesten insturen. Dank u daarvoor, meesters, al ben ik aan de rijkelijk late kant. Zo gaat dat nu eenmaal: dankbaarheid uit zich in stilte, te laat, te weinig.

***

De wereld is grondig veranderd en toch is de verhouding leraar-leerling volgens mij niet zo grondig gewijzigd. Aan de ene kant nog altijd kennis van zaken in combinatie met gezond zelfbewustzijn en didactische kwaliteiten, óf bulderen om je gelijk te halen, óf knikkende knieën, aan de andere kant zien hoe ver je te ver kunt gaan. Er is wel één groot maatschappelijk verschil. De meester van 2021 is niet meer de meester van pakweg 1971. Het aanzien van het beroep is achteruitgegaan. Dat geldt niet alleen voor De Meester, maar ook voor De Politicus, De Notaris, De Burgemeester of Meneer Pastoor. En er staat weinig of niets tegenover dat dalende aanzien. Lieden in andere beroepen lachen weleens met een leraar die op de vraag ‘Wat doet u?’ antwoordt ‘Ik stá in het onderwijs’. Haha, hij stáát in het onderwijs en wat doen wij dan: zítten, misschien? Ach, dat is nog onschuldig, het zijn plaagstootjes, net als dat eeuwige gemonkel als het over het aantal vakantiedagen gaat. Meer dan drie maanden, de gelukzakken!

Als het zo eenvoudig was, stónd nagenoeg iedereen in het onderwijs, maar dat is dus niet zo, anders was ik nu al niet zevenhonderd woorden ver in deze blogpost. Het voorzetsel ‘onder’ domineert ons onderwijs: onderbetaald, ondergewaardeerd, ondermaats, onderbemand. Als ik mij even een vergelijking met de ondergewaardeerde (en, toegegeven, vaak ook ondermaatse) scheidsrechters in het Belgische voetbal mag permitteren: ze verzuipen in de regeltjes, hele en halve reglementswijzigingen, het verbod om zichzelf te kunnen zijn, vastgeroeste structuren (of het gebrek aan enige structuur), orders van bovenaf die om de haverklap veranderen.

Dit is een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid. Misschien moeten we eens wat minder lachen met dat in het onderwijs stáán of aan die vele vakanties. Wellicht moeten de bestaande structuren worden aangepast aan de moderne tijd. Waarschijnlijk moet er ruimer gerekruteerd worden (jawel, dames en heren van de rechtse partijen, iemand met een hoofddoek kan ongetwijfeld een volwaardige leerkracht zijn, praat er eens mee, probeer het eens uit, wees niet zo defensief). Zeer zeker moet de aangekondigde besparing van honderd miljoen euro in het Vlaams onderwijs worden omgedraaid. We moeten verdomme investeren, niet besparen. Meneer Weyts — ik zie geen Meester in hem — moet niet de populairste van het Vlaamse Regeringsklasje proberen te zijn (‘Hier zie, mannen, een zak met geld. Goed hé!’), hij moet zijn job doen. Hij moet niet zitten azen op collegiale schouderklopjes, hij moet zelf op het terrein schouderklopjes uitdelen, onder meer in de vorm van hogere verloningen.

***

Meester, mag ik u alsnog van harte danken voor de moeite? En Meesters van de toekomst: veel succes, courage, en ook, dank op voorhand.



Afscheid van een jeugdliefde

Journalistiek, Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 19, 2021 11:31:32

Ik besef heel goed dat dit een eerste wereldprobleem is, maar toch heeft het zich al verschillende weken in mijn hoofd genesteld, waar het in rechtstreeks duel ging met mijn hart: hernieuw ik mijn abonnement op mijn geliefde voetbalclubje, het alom gerespecteerde en uitermate sympathiek bevonden Beerschot, of doe ik dat niet? Ik heb net het beste seizoen van mijn club noodgedwongen voor tv moeten volgen — corona weet u wel — en keek er heel erg naar uit om me opnieuw onder te dompelen in dat veertiendaagse ritueel van veel te vettige frieten eten bij de mama, foeteren omdat de dichtstbijzijnde parkeerplaats weer een gemeente verderop te vinden is, mopperen over de ploegopstelling (de coach kent er, zoals algemeen bekend, niets van), applaudisserend rechtstaan om de gladiatoren welkom te heten op de groene rechthoek, klagen over gemiste kansen (of het gebrek daaraan), te vroeg juichen om een goal waarvan de maker volgens de VAR een okselhaar buitenspel stond, een buurman die alles beter denkt te weten (terwijl jij natuurlijk tactisch véél meer beslagen bent), lachend-boos-met een neutraal gezicht de lange tocht naar de auto (waar stond die ook alweer?) aanvatten, het begin van Match of the Day missen, enfin: heerlijk, toch?

Wie voor een club als Beerschot supportert, beseft al bij aanvang dat het vaker ‘niet’ of ‘net niet’ zal zijn, dan ‘ja, jàà, jààààààà!’ Maar dat neem je erbij, al sinds zondag 20 november 1966 toen mijn bompa, de vader van mijn moeder, mij meenam naar dat imposant Olympisch Stadion, alwaar dat in dat chique paarse tenue gestoken Beerschot met 3-6 verloor van Club Brugge — 1-5 bij de rust, een hattrick van de 22-jarige spits Raoul Lambert, maar dat heb ik moeten opzoeken. Het deerde niet: ik was plotsklaps opgenomen in de grotemensenwereld en dat voelde goed voor een jongen die nog acht moest worden. Het smaakte naar meer, véél meer. Eerst gebeurde dat nog spaarzaam, een paar jaar later kreeg ik ook zo’n kartonnen abonnement waar bij elke thuiswedstrijd een controleur een knip in gaf. Toen ik dacht de leeftijd der volwassenen bereikt te hebben, haakte ik af, om andere dingen te doen: dat bespaarde mij de miserie van de teloorgang van het oorspronkelijke Beerschot, maar het voelde toch ook een beetje als verraad aan. Veel later keerde ik terug, als werknemer zelfs, de club was ondertussen al een paar keer van naam veranderd. Lang duurde mijn aanwezigheid in de bureaus niet, een woordvoerder die intern kritische opmerkingen durft te maken tegen een eigenwijze voorzitter blijft niet lang het woord voeren.

Een jaar of vijf geleden, na een nieuw faillissement en een nieuwe naamswijziging, keerde ik terug op het Kiel, en omarmde ‘mijn’ club, koesterde wederom het ritueel van matchdagen en de wedstrijdbeleving zelf. Het echte Beerschot mocht dan wel al een poos niet meer bestaan, de identiteit Beerschot leefde nog wel, toch voor die zesduizend die er jaar na jaar een paar honderd euro voor overhadden. De club bleef maar promoveren, het aantal abonnees bleef stabiel. Vreemd fenomeen. De Antwerpenaar is altijd een successupporter geweest, dat weten ze op de Bosuil, op het Rooi en in het Olympisch Stadion maar al te goed. Maar ach, zolang je zelf maar deel van die wat aparte familie kon zijn, maakte het niet zoveel uit. Tot corona zich ermee kwam bemoeien.

***

Intermezzo.

Ik ben zelfstandig journalist. Als freelancer schrijf ik heel vaak over voetbal. Als auteur of coauteur van intussen dertien boeken, pende ik in 2015 £X€£$$ United. Het geld van het voetbal (Houtekiet) neer, een vlijmscherp traktaat over alles wat er misloopt in het topvoetbal, met de nadruk op de financiële excessen op hoog en laag niveau. Als voetbalromanticus pleitte ik tegen clubeigenaars à la Marc Coucke en Roman Abramovitsj, rijke tiepen die het alleen voor het zeggen hebben en ‘hun’ voetbalclub behandelen als privé-speelgoed, met de supporters als noodzakelijk kwaad. Die teneur trek ik door in al mijn werk: alert, kritisch, afstandelijk, wat een beetje haaks staat op dat opportunistisch wereldje vol scorebordjournalistiek, dienstbaarheid aan clubbestuurders en makelaars, en medeplichtigheid aan al wat er fout gaat in het voetbal. In De bankzitter, een wekelijkse rubriek in De Standaard, koppel ik pure bewondering aan kritische analyses en het signaleren van wanpraktijken en abject gedrag. Iemand moet het doen.

***

In januari 2018 nam bouwbedrijf DCA Beerschot Wilrijk over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen alleenheerschappij in de bestuurskamer, maar een Belgische eigenaar heeft tenminste nog voeling met club en achterban, pompte ik mezelf moed in.

In juli 2018 nam de Saudische prins Abdullah bin Mossaad bin Abdulaziz al Saud de helft van de aandelen over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen monopolies en oligopolies, maar er bleef die voeling met club en achterban, omdat de man die de zaken waarneemt voor de prins de club door en door kent.

In de zomer van 2019 werd KFCO Wilrijk, dat de naam van het failliete Beerschot zes jaar eerder had laten overleven in KFCO Beerschot Wilrijk, afgestoten, de naam nogmaals gewijzigd (in Beerschot VA) en het historische stamnummer 13 teruggekocht. Ik schreef daar enkele verontwaardigde tweets over, maar voor de rest zweeg ik en bleef ik supporteren.

Al een tijdje gonst het gerucht dat de prins hoofdaandeelhouder zal worden, iets wat ik betreurenswaardig vind, zoals ik in £X€£$$ United uitgebreid heb aangevoerd. Ik zweeg en bleef supporteren, de definitieve overname moest immers nog gebeuren, waar maakte ik me voorbarig druk over?

Op 20 mei 2021 maakte Beerschot bekend dat Peter Maes de nieuwe trainer van de club wordt. Hij werd weggeplukt bij STVV, tot daaraan toe, maar hij werd bijna drie jaar geleden ook nadrukkelijk genoemd in de marge van de ‘Propere Handen’-affaire. Jarenlang heeft Maes een deel van zijn loon in het zwart ontvangen, in envelopjes. Tot 2,5 miljoen euro zou hij zo aan het officiële circuit onttrokken hebben. Het onderzoek loopt nog, iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen wordt (zei Beerschot-ondervoorzitter Walter Damen afgelopen weekend nog in een krant), dat klopt allemaal, maar dat er onoirbare zaken zijn gebeurd, staat wel vast. En dan nog zou een club zolang er geen gerechtelijke uitspraak is, best wat terughoudend zijn met het in dienst nemen van een in opspraak gekomen figuur. Dat Lommel en STVV dat hadden gedaan, gaf mij de gelegenheid om daar iets kritisch over te zeggen of schrijven. Dat ‘mijn’ club dat nu doet, maakte het pijnlijker. Kon ik opnieuw blijven zwijgen en supporteren? Ik, die clubs als AA Gent en Standard door de mangel haalde omdat ze met Mogi Bayat bleven samenwerken? Ik, die Cercle Brugge een filiaal van AS Monaco blijft noemen? Ik, die de ‘Keuken is besteld’-affaire van KV Mechelen blijft oprakelen?

***

Ik moest voor mezelf een CD&V’tje doen, een enerzijds/anderzijds-afweging maken, maar dan liefst wel mét een bijbehorende conclusie. De afweging was tussen het plezier, de wedstrijdbeleving, het sociale gebeuren dat een sportwedstrijd is, de kameraadschappelijkheid en het veertiendaags ritueel dat ik hierboven al beschreven heb enerzijds, en ethische principes, beroepstrots, kritische zin en de rechtlijnigheid die ik zo gretig geëtaleerd heb in £X€£$$ United anderzijds. Kon ik dat wel maken, aan de ene kant hyperkritisch blijven over voetbal in het algemeen en aan de andere kant een oogje dichtknijpen voor mijn favoriete club? Het hart zei, och jongen, ze doen allemaal wel iets raars, het hoofd knetterde, man toch, hier hoef je niet eens over na te denken.

Eigenlijk was het een no-brainer en toch twijfelde ik. Nogmaals afscheid nemen van een jeugdliefde, het is niet makkelijk. Maar ik kan het voor mezelf niet maken de kritische journalist te zijn die ik wil zijn en blijven schrijven over alle aspecten, ook de negatieve, in het voetbal, en een club blijven steunen die zonder boe of ba een envelopjestrainer heeft aangesteld. Maar het doet verdorie wel pijn. Tegelijk geeft het me de geestelijke vrijheid om mijn beroep nog onpartijdiger en onafhankelijker uit te oefenen, en te zeggen en schrijven wat ik vind dat moet gezegd en geschreven worden.

***

Als u binnenkort op een zaterdag een hele luide kreet hoort op het ogenblik dat Rapha Holzhauser een vrije trap in de winkelhaak heeft geborsteld, vergeef het mij dan. Het zal sterker zijn dan mezelf. Je kan het mannetje dan wel weghouden van bij Beerschot, maar je kan Beerschot niet weghouden uit het mannetje. Jeugdliefdes zijn voor altijd, ook al zie je mekaar een poos niet.



1 september

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on za, april 17, 2021 11:36:14

Wat zegt ge? Ha, ja, dat ge ’t beu zijt. Ik ook, jong, ik ook. Maar ge moet daarom nog niet doen alsof dat ding hier ribbedebie is, hé. Ja, man, ik weet het, ge wilt meer dan één dierbare knuffelen, ik begrijp het. Wat zegt ge? Da’ ge dat nu al doet? Maar allee, dat vindt Het Virus juist tof, hé, dat gij u niet gedraagt zoals het hoort. Allee, jong, da’s toch niet slim, enfin. Ja, ik weet het, we mogen niet veel, maar wat we mogen, mogen we mogen hé. Wat zegt ge? Da ’t niet genoeg is? Kijk, man, als gij er uw botten aan veegt, dan beperkt ge mijn vrijheid ook, hé, ik die er mijn botten niet aan veeg. Dat ik eens moet kijken naar de parken en de kust? Ja, jong, veel te veel volk, hé. Het Dedecker-effect, zeker? Dedecker, awel, dienen burgemeester van Middelkerke, ge weet wel, groot bakkes, populist tot in de kist, de meneer die van de week in Terzakes zat en die eigenhandig de horéca zal steunen. Haha, de hoREca. Allee, goREca, zoals Dedecker het uitspreekt hé. Wat zegt ge? Ja, da’s de verkeerde klemtoon, hé jong. ’t Moet hóreca zijn. HOreca. Wist ge dat niet? Wat zegt gij dan? Horecá? Allee vooruit, horeCA. Moet kunnen hé. Vrijheid, blij… nee nee, zeker geen vrijheid blijheid. Weet ge wat het is, vriend. Als ik mij gedraag en gij maar half en nog een ander helemaal zijn goesting doet, dan blijven we dienen Van Ranst elke avond op tv zien hé. Het ligt aan ons, hé, niet aan hem. Alleen dankzij ons kan dat virus nog circuleren. Wat zegt ge? Dat ge ’t kotsbeu zijt. Ja, dat hebt g’ al eens gezegd. Ik ook, en ja, dat heb ik ook al eens gezegd. Zo zijn we terug waar we begonnen zijn, kameraad, terug naar af. Weet ge wat het is? De polletiekers beloven te veel dingen die ze niet kunnen waarmaken. Dingen waarvan ze niet weten of het wel zal lukken. Allee nu: terrassen open in de paasvakantie, 19 april, 1 mei, 8 mei, half mei, half juni, 11 juli, het Rijk der Vrijheid in de zomer, wie kan er nog volgen? Wat zegt ge? W’ hebben toch perspectief nodig? Perspectief, mijn gat. Niemand kende dat virus, weinig mensen kunnen het nu al inschatten, wat zijt ge dan met beloftes? Weet ge wat ik vind, jong: dat we moeten mikken op 1 september. Al de rest is gespin en gegok, en daar zijn we geen kloten mee. Zorgt dat iedereen twee keer gevaccineerd is tegen 31 augustus en dan kan het leven hervatten. Wat zegt ge? Dat da’ nog lang is? ’t Zal wel zijn. Maar wa’ wilt ge, da’ we de datum altijd maar blijven opschuiven om toch op dienen eerste september uit te komen. Hebt ge dat liever? Zijt gij zo’ne ‘Liever één vogel in de hand dan tien in de lucht’-kerel, die uiteindelijk met lege handen achterblijft. Want, dat ben ik nu eens zo beu als kouw’ pap, zie, altijd maar weer iets voorspiegelen dat niet haalbaar is. Dan haken de mensen pas af. Dan zeggen ze: och, ’t zal mijnen tijd wel duren en dan beginnen ze te doen alsof dat klotevirus verdwenen is. Dan doen ze alsof ze zich aan de regeltjes houden en in ’t geniep doen z’ hun goesting. Is dat de oplossing, misschien? Wat zegt ge?



Een afscheid, revisited

Memories & mijmeringen Posted on za, januari 30, 2021 11:37:26

(Precies vijf jaar geleden moest ik een tekst schrijven die ik nooit had willen schrijven, of toch zeker nog niet zo vroeg, niet op 30 januari 2016. Ik wilde wat hieronder staat ook per se zelf voorlezen op de begrafenisplechtigheid van mijn vader, Jos Van Laeken (1936-2016), dat was het minste wat ik voor hem, zijn nagedachtenis, mijn moeder, mijn echtgenote en alle familieleden en vrienden kon betekenen. Achteraf kreeg ik complimenten. Het mooiste was van iemand die zei dat hij nog nooit zo gelachen had op een begrafenis. Mission accomplished, dacht ik. Als mijn vader om iets herinnerd mocht worden, was het zijn relativerende blik, zijn ongedwongenheid en zijn levenslust, op die laatste ontmenselijkende maanden na dan. Als ik mijn vader om iets wilde láten herinneren, was het om wie hij werkelijk was: een man die leefde en liet leven, die ik nooit op kwaadsprekerij heb kunnen betrappen, die anderen het spotlicht gunde, die om ter hardst lachte met wat anderen vertelden en niet de aandrang voelde om zelf de lachers op zijn hand te krijgen, en die onmiskenbaar ook zijn kleine kantjes had, want niemand is perfect. Een mens, quoi. Ik heb deze tekst toen niet op mijn blog gepubliceerd: het was iets tussen mij, mijn vader en de aanwezigen op de begrafenis. Nu, vijf jaar later, voel ik wel de behoefte om te delen. Een afscheid revisited. U doet ermee wat u wilt.)

***

Zeven door de tand des tijds lichtjes verkleurde en bijgekleurde vader-zoon-momenten.

***

Een Spaanse gitaar heette dat toen nog. Elk kind kreeg op zijn verjaardag of met Sinterklaas zo’n exemplaar in handen gestopt in de jaren 60, teneinde Vrolijke, vrolijke vrienden te kunnen tokkelen. Zelf ben ik nooit verder geraakt dan Vr, de olijke, olijke vrienden bleven hangen in de goede bedoelingen, onhandig als mijn vingers zich verplaatsten over het instrument. Op zekere dag werd ons huishouden van drie verrijkt met een heuse elektrische gitaar. Een blinkend, goudoranje prachtstuk. Ik dacht: nu heb ik John, Paul, George en, ach, neem er ook die Ringo maar bij, hier in huis. Mijn vader, de rockster. Ik zou hier verhalen kunnen verzinnen over minutenlange, onnavolgbare solo’s, ik zag de pers mijn vader al de bijnaam ‘Jos Van Laeken is God’ toebedelen. Helaas, de waarheid is minder rock-‘n-roll. Een paar keer heb ik hem wat klanken uit het instrument weten knijpen. Iets dat klonk als plinkeplonke plinkeplonke. Onaangeroerd weepte de gitaar nog jaren gently in de bezemkast.

***

Begin jaren zeventig was ik een aandachtig luisteraar van de BRT Top 30. En ik volgde ook nog andere hitparades, van dewelke ik de Top 20 kon aflezen op de voorlaatste pagina van Humo. Ik maakte prognoses, van welke platen er de week nadien zouden stijgen en dalen. En ik verplichtte mijn ouders om met de beperkte platencollectie de we toen hadden staan, een persoonlijke top 5 te maken, waarna ik een Top 10 van het gezin-Van Laeken maakte. Die werd dan op donderdagavond integraal gespeeld. Dat ging goed tot mijn vader verzot werd op het lied Waarheen, waarvoor van Mieke Telkamp, de Nederlandstalige interpretatie van Amazing Grace. Toen werd ik met de nadelen van de democratie geconfronteerd: wekenlang werd ik verplicht om Waarheen, waarvoor door de huiskamer te laten schallen. Niet lang daarna stierf de huiselijke hitparade een stille dood, ook al omdat ik mijn ouders niet meer kon dwingen om mee te doen.

***

Mijn vader was secretaris van de voetbalclub van Beliard Murdoch. Zelf tegen een bal trappen lukte niet al te best: de enige keer dat ik hem op een voetbalveld heb bezig gezien trapte hij bijna het hoofd van een tegenstander af, met een beweging die het midden hield tussen de ‘funny walk‘ van John Cleese en de beruchte karatetrap van Eric Cantona. Secretaris zijn ging hem wonderwel af en ik ging elke zaterdag mee, met de mannen van de sjop, zoals dat toen werd genoemd. Kerels met schoppen van handen, die tijdens de rust van een match vijf pinten verzetten en nog ruim op tijd terug naast het terrein stonden voor aanvang van de tweede helft. Er werd gedronken, gepaft, geroepen, gore moppen verteld. En ik dacht: ik doe mee. Ik was veertien en probeerde het tempo te volgen. Na de wedstrijd schakelde ik over op Oxo. De combinatie van pils en Oxo zorgde voor geklots in mijn maag en toen we naar huis reden tegen het gezapige tempo van vijfendertig per uur, moest ik al na een paar honderd meter mijn vader verplichten tot stoppen, waarna ik de dichtstbijzijnde haag opzocht. Dat herhaalde zich een keer of vijf. Op het eind, de gal was al gepasseerd, zag ik mijn vader met een grijnslach naar me kijken. Voor mij leek het alsof ie woordenloos zei: ‘Maaine joenge weurt volwassen‘. Maar het kan ook net zogoed ‘Sukkeleir, ge moet nog veil liere!‘ geweest zijn.

***

Dansen, dat deed mijn moeder graag. Dansen, dat kon mijn vader amper. Toch ging hij graag naar bals. U kent die man die de halve avond zit te hinniken van het lachen: dat was hij. Kwam nauwelijks van zijn stoel, maar amuseerde zich kostelijk. En op het eind van de avond voerde hij meestal een nummertje op. Dan schoof hij een stoel achteruit, keek even rondom zich om zich ervan te vergewissen dat er niemand in de weg kon lopen, nam met beide handen zijn rechterschoen vast en wrikte zijn been tot in zijn nek. Mocht ik dat ooit geprobeerd hebben, dan zat ik vandaag in een rolstoel. Hij niet, hij kon dat. Tot groot jolijt van de omstanders en tot grote gêne van mijn moeder en mezelf. ‘De Jos go’ z’n biene in z’ne nek leggen‘, zeiden de andere balgangers. Eén keer presteerde hij het om zijn twéé benen in zijn nek te leggen. Ik zag het gebeuren en wendde mijn hoofd af. Tot ik een harde plof hoorde. Hij was van zijn stoel gevallen. Bezorgd probeerden de omstanders hem recht te helpen en, vooral, de knoop te ontwarren. De gelukzalige glimlach om zijn mond interpreteerde ik als ‘Yes, I did it!‘ De blauwe plekken nam hij er voor lief bij.

***

In juni 1977 kreeg ik mijn diploma van middelbaar onderwijs. Samen met de andere leerlingen van het Gemeentelijk Handelsinstituut — waarbij het niet echt uitmaakte of ze geslaagd waren of niet — trokken we naar het café op de hoek, de Ruby. Een gezelschap van een twintigtal jonge mannen en vrouwen, en één vader. U mag één keer raden: jawel, de mijne. In het begin van de avond vond ik dat behoorlijk gênant, maar na een paar pinten trok ik het me niet meer aan. Ook de rest van de bende niet: we hadden een sponsor. En op het eind van de avond moet de cafébaas gedacht hebben dat niet Frank maar Jos Van Laeken zopas zijn diploma behaald had. Trots, moet u weten, werd in onze kringen niet met woorden uitgedrukt, maar met gebaren. Zoals: een hele avond je vrienden-medeleerlingen trakteren.

***

Naast zijn uit de hand gelopen hobby als secretaris van voetbalclub Beliard, werd mijn vader op zekere dag ook afgevaardigde van de tweede ploeg van VK Esquire ’78, den Eskwier. Delegee, in schoon Vlaams. Eén van zijn sterren op de voetbalvloer was zijn zoon, die afwisselend in doel stond of de rechterflank terroriseerde met onstuitbare rushes. Althans, dat was de bedoeling. Mijn vader was geen tactisch brein. Zijn taak bestond erin elf namen op het wedstrijdblad in te vullen. Niet meer, niet minder. Zelden moest hij een speler teleurstellen, eerder was het week na week scharrelen om voldoende spelers aan de aftrap te krijgen. Zo kwam het dat we op een zondagochtend met z’n achten partij moesten geven aan de leider in het klassement. Als doelman stond ik in een schietkraam, maar — al zeg ik het zelf — ik pakte bij benadering twintig gemaakte doelpunten. ‘Goe gepakt!î’, zei pa achteraf. Dat vond ik ook wel. Dat de uitslag 0-20 was, was even bijzaak.

***

23 mei was een jaarlijks terugkerende queeste voor mij. Een zoektocht naar een cadeau voor zijn verjaardag. Eén keer presteerde ik het om hem een boekje over seriemoordenaar Freddy Horion te schenken. Bij de titel stond ik niet al te lang stil: ‘Monster zonder waarde‘. Achteraf bekeken niet al te subtiel en zeker ook niet zo bedoeld, wees gerust. Elk jaar opnieuw brak ik mijn hoofd over een geschikt geschenk. Halfweg de jaren 80, één van de weinige periodes waarin ik een heel klein beetje rebelleerde tegen mijn ouders, dacht ik: het kan me niet meer schelen, ik koop iets wat ik zelf goed vind. Ik ging naar een platenwinkel en kocht een exemplaar van ‘Rum, Sodomy And The Lash‘ van de Ierse dronkebroers The Pogues. ‘Was da?‘, zei hij toen hij het cadeaupapier had verwijderd en de kruiselings door elkaar liggende figuren aan boord van een scheepswrak op de hoes zag liggen. Ik zette de plaat op. The Sick Bed of Cuchulainn spoot door de luidsprekers. Tegen dat Sally MacLennane weerklonk, zat hij enthousiast in de zetel te schuifelen. ‘Amai, da’s goe!‘, zei hij. Daar en dan eindigde mijn rebellie en wist ik: hé, dit is mijn vader.



Kerstgemis

Memories & mijmeringen Posted on za, december 26, 2020 12:21:15

Lege-stoelsyndroom.

Er staat niet voor niets een koppelteken tussen ‘lege’ en ‘stoel’.

De woorden zoeken elkaar op, zoals mensen elkaar de voorbije dagen zouden hebben opgezocht mocht dat gekund hebben, of gemogen.

***

Karstmis is dien dag da ze nie schiete“, wist Wannes Van de Velde vele jaren geleden al. Een dag van tijdelijke, vaak hypocriete of opportunistische wapenstilstand. Vrede op Aarde voor alle mensen van goede wil. Een dag later is het weer gewoon Oorlog op Aarde voor vele mensen.

Kerstmis is ook een moment om te beseffen dat je dat jaar afscheid hebt moeten nemen van een dierbare. Het overkwam mij tussen 2016 en 2019 vier jaar na elkaar: mijn vader, mijn oma, mijn oom, mijn tante. Elk jaar een lege stoel erbij, wat je dan probeert te camoufleren door dichter bij elkaar te schuiven. De tafel zal vol zijn, of ze zal niet zijn. Optisch lijkt het allemaal in orde, gevoelsmatig niet. In dit bizarre jaar heb ik vreemd genoeg geen familielid verloren, al wil ik mijn geluk niet te veel op de proef stellen door dit zo te poneren. Het jaar is nog niet voorbij. En ik wil 2021 onder een goed gesternte kunnen beginnen.

***

Als kleine jongen vierde ik kerstavond bij de ouders van mijn moeder. De eettafel werd voor die gelegenheid uitgetrokken en nog eens extra verlengd met een lichtjes kwakkelend bijzettafeltje dat ook nog eens een beetje hoger was dan de eigenlijke tafel, waardoor er laat op de avond weleens een bierglas op de plek werd gezet waar de twee tafels samenkwamen. Verticaal werd horizontaal. En dat voor die ene keer dat de toile cirée bedekt was met een feestelijk wit kleed. Een vloek van bomma werd gevolgd door hilariteit alom. Het was maar een tafelkleed. Het was maar bier.

Ik herinner mij Kerstmissen met tot wel twaalf gasten. Mijn grootmoeder moet zowat het meest sociale mens zijn geweest dat ik ooit heb gekend, dus werden een eenzame zus of neven en nichten die zelf weinig of geen familie hadden, mee uitgenodigd. Een koude schotel — nooit kalkoen! — meer of minder kon er nog wel af. Twee keer verhuisden mijn grootouders. Er kwam al eens een nieuwe eettafel in huis, maar de gasten bleven dezelfde. Tot er iemand wegviel. En nog een. En nog een. Maar er kwamen er ook bij: lieven, kinderen. En nog een. En nog een. Had covid-19 niet de plaats ingenomen van de Kerstman, dan zouden we gisteren met zeven aan tafel hebben gezeten.

(U moet weten dat Kerstmis in onze familie niet langer gevierd wordt op kerstavond, maar op kerstdag zelf. Om komaf te maken met het halfdronken naar huis strompelen om twee uur ’s nachts, of, zoals in mijn geval, nog meer dan een uur naar huis moeten rijden in de duistere vrieskou. Dus werd het 25 december. Festiviteiten nemen een aanvang kort na de middag en eindigen voor 22 uur, zodat iedereen die dat wil op een deftig uur onder de wol ligt, wol die ondertussen allang vervangen is door iets synthetisch, maar dit geheel terzijde, zoals heel deze paragraaf trouwens. Het aperitief wordt nu om een uur of drie genuttigd, tegen halfzeven zitten we aan de hoofdschotel en het tweede dessert is rond halfnegen achter de kiezen. Gedronken wordt er nog amper, behalve door de organisatoren, want we doen dat nu niet meer op een vaste plek maar via een beurtrol. Tradities zijn er om in ere, euh, veranderd te worden.)

Zeven genodigden, dat zijn er vijf minder dan in de hoogdagen, ergens diep in de jaren 70. Van die zeven zijn er vier die er toen nog niet bij waren. Van die oorspronkelijke twaalf zijn er dus negen verdwenen, vijfenzeventig procent van de kerstpopulatie die af en toe met de glimlach een glas bier zag omkieperen. Met mijn excuses voor deze wiskundige uitstap.

Kerstgemis.

Hoewel Kerstmis al bij al sober werd gevierd, de occasionele borrel niet te na gesproken, leek er toch overvloed. De avond — en later, de dag — werd volgens vaste rituelen ingedeeld, nooit op papier vastgelegde gedragsregels waarover mijn grootmoeder zaliger streng waakte. In den beginne gaf nagenoeg iedereen aan de anderen een cadeau. Daarna werd dat koppel per koppel, de kinderen werden nog wel bedolven onder de cadeautjes (indien mogelijk werd een geschenk ontkoppeld, zodat er twee, drie of meer pakjes van konden worden gemaakt. Geloof me, Lego kun je desnoods blokje per blokje apart inpakken…). Nog wat jaren later werd het principe één cadeau per persoon geïntroduceerd, de naam van de ontvanger werd via loting bepaald, waarbij het altijd vloeken was als je de naam lootte van iemand van wie je begot niet wist waarmee je hem of haar een plezier kon doen. Daar werd meestal op discrete wijze een mouw aan gepast: de persoon voor wie het cadeau bestemd was, ging het zelf kopen en legde het eigen pakje onder de kerstboom. Dat zorgde dan weer voor een ander probleem: als iemand recht had op een cadeau, moest de gulle schenker dat onder de boom nemen en overhandigen, maar hoe doe je dat als je niet eens weet hoe dat verdomde pakje eruitziet dat je zelf nog nooit had vastgehad, laat staan keurig ingepakt?

De volgorde van het uitdelen van de cadeautjes werd bepaald door de teerling. Om beurten mocht je ermee smijten. Wie een zes had, kreeg een pakje. Simpel en efficiënt. Al was het soms lang wachten als je de pech had tientallen ronden lang geen zes te kunnen smijten. Geduld is een schone deugd, ook met Kerstmis.

***

Verre familieleden brachten nieuwe gebruiken mee. Zo leerden we een tafelspelletje waarvan de naam mij nu ontgaat — had het wel een naam? — en dat ik nu gemakshalve even samenvat als plat-bol-pingelen. Eén iemand was de moderator. Zei die ‘plat’, dan moest je je handen met de handpalmen naar beneden op tafel leggen. Zei die ‘bol’, dan moest je een vuist maken en die op tafel planten. Zei die ‘pingelen’, dan moest je met je wijsvingers trommelen. De moderator begeleidde zijn opdrachten ook, maar soms zei hij ‘Bol’ en trommelde hij met de wijsvingers, en dan moest je natuurlijk het eerste doen, niet het laatste. Wie fout zat, viel af. Op het eind was er een winnaar. En een onbeduidende prijs. Ergens in de voorbije decennia is dit spelletje opgegaan in de mist van de geschiedenis. Plat-bol-bingelen, úren gratis spelplezier van 7 tot 77.

Toen ik de jaren bereikte van wat in andere huishoudens als volwassenheid zou worden omschreven, organiseerde ik al eens een quiz. Daar kroop best wel wat voorbereiding in. Je deelde de familie op in ploegen van twee en, hupsakee, ‘De Slimste Mens van de Familie’ was gestart. Ware het niet dat niet iedereen mee was met het idee om op kerstavond/kerstdag aan hersengymnastiek te doen, en dus gewoon verder bleef babbelen met zijn of haar buur. Tot grote ergernis en een quasi zenuwinzinking van de quizmaster. Quizzen met Kerstmis was bijgevolg een bijzonder tijdelijk fenomeen. (Die gesprekken gingen in onze familie verdacht veel over dood en verderf: mensen die zijn weggevallen, of mensen die op het punt stonden weg te vallen, of mensen van wie verondersteld werd dat ze het niet meer zouden uitzingen tot pakweg het volgende kerstfeest. Het zal vast wel een afwijking zijn.)

Zo bleef er, naast het traditionele uitdelen van de cadeautjes mits het smijten van een zes, nog maar een spelletje over. ‘Mes en vork’, al klinkt het geloofwaardiger in het Antwerpse jargon, ‘Mes en verket’. Ik heb er geen idee meer van wie dat uitgevonden of binnengesmokkeld heeft, maar het gaat zo: ieder gezin brengt een aantal kleine pakjes mee, met een weinig kostbaar kleinood gewikkeld in overschot van cadeaupapier en daarrond een stevig vastgesnoerd koordje. Opnieuw werd de teerling bovengehaald. Wie een zes smeet, kreeg een pakje en een mes en een vork. Daarmee moest je het pakje, zonder het met je handen aan te raken, openmaken. Werd er elders aan tafel een zes gegooid, dan moest je het hele zootje doorgeven, en zo verder tot iemand het papiertje helemaal had verwijderd. Die gelukkige mocht de inhoud claimen. Zo zat je aan het eind van het gedoe met drie Marsen, twee Snickers, een Raider en nog wat druivensuiker voor je neus. Met aan de ene kant het wegvallen van betreurde familieleden en aan de andere kant de intrede van nieuwkomers werden de oorspronkelijke, alweer ongeschreven, spelregels steeds vaker met voeten getreden. Snoodaards gebruikten bijvoorbeeld plakband om het ondingetje af te sluiten. Probeer dat maar eens te verwijderen met mes en vork! Iemand anders bedacht dat snoep niet goed voor je is, en vulde de pakjes met zogezegd nuttige voorwerpen, zoals een rol plakband (waarvan al een beetje was opgebruikt om het pakje te verzegelen), een gom of een markeerstift, waar je dus achteraf niet van kon snoepen, verdomme.

Mes en verket is geen ongevaarlijk spel, beste lezer, dat kan ik u wel verzekeren. Want als je hopeloos zit te prutsen aan zo’n pakje en twee stoelen verder wordt een zes gegooid, word je geacht het pakje zonder morren door te geven, mét mes en vork. Een mes is gekarteld, moet u weten, en een vork is in wezen een kleine riek. Tel daarbij op: vermoeidheid, alcohol en frustratie, want je wil dat rotding natuurlijk wel zelf open wrikken. Zeggen dat we geregeld een familielid naar de spoed hebben moeten overbrengen, zou de waarheid geweld aandoen, maar het was hoe dan ook het meest riskante wat we collectief uitrichtten. Bij momenten was vrede op Aarde een relatief begrip. Maar daarna was er weer bûche, of kerststronk, of beide.

***

Kerstmis 2020. Mijn moeder, mijn vrouw en ik in één bubbel. De vier anderen in een andere. Om te bewijzen dat we aangepast zijn aan de moderne tijd, werden er via WhatsApp boodschapjes doorgegeven, om toch even nabijheid te creëren. Het is wat het is. Kerstdag in coronatijden. Zelfs Mes en verket werd geofferd op het altaar van covid-19: stel je maar eens voor dat iemand toch besmet zou zijn geraakt en het virus via mes of vork zou doorgeven. We zijn nog net niet zover gegaan om de teerling na elke worp te ontsmetten, maar er werd eerst wel aan gedacht.

In deze donkere dagen was kerstgemis nadrukkelijker aanwezig dan anders. De tafel voelde leger dan ooit aan. We konden dat niet camoufleren door dichter bij elkaar te gaan zitten, ten eerste omdat drie nooit als een groep zou aanvoelen, ten tweede omdat het letterlijk ongezond zou kunnen zijn. Anderhalvemeterkerstvieren, wie bedenkt het? Volgend jaar rond deze tijd wil ik terug een volle tafel, een quiz, een teerling en Mes en verket.

***

Hopelijk beleeft u, ondanks alles, prettige feestdagen.

Hou het veilig en gezond.

En bedenk dat 2021 alleen maar beter kan worden.



Volgende »