Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Een afscheid, revisited

Memories & mijmeringen Posted on za, januari 30, 2021 11:37:26

(Precies vijf jaar geleden moest ik een tekst schrijven die ik nooit had willen schrijven, of toch zeker nog niet zo vroeg, niet op 30 januari 2016. Ik wilde wat hieronder staat ook per se zelf voorlezen op de begrafenisplechtigheid van mijn vader, Jos Van Laeken (1936-2016), dat was het minste wat ik voor hem, zijn nagedachtenis, mijn moeder, mijn echtgenote en alle familieleden en vrienden kon betekenen. Achteraf kreeg ik complimenten. Het mooiste was van iemand die zei dat hij nog nooit zo gelachen had op een begrafenis. Mission accomplished, dacht ik. Als mijn vader om iets herinnerd mocht worden, was het zijn relativerende blik, zijn ongedwongenheid en zijn levenslust, op die laatste ontmenselijkende maanden na dan. Als ik mijn vader om iets wilde láten herinneren, was het om wie hij werkelijk was: een man die leefde en liet leven, die ik nooit op kwaadsprekerij heb kunnen betrappen, die anderen het spotlicht gunde, die om ter hardst lachte met wat anderen vertelden en niet de aandrang voelde om zelf de lachers op zijn hand te krijgen, en die onmiskenbaar ook zijn kleine kantjes had, want niemand is perfect. Een mens, quoi. Ik heb deze tekst toen niet op mijn blog gepubliceerd: het was iets tussen mij, mijn vader en de aanwezigen op de begrafenis. Nu, vijf jaar later, voel ik wel de behoefte om te delen. Een afscheid revisited. U doet ermee wat u wilt.)

***

Zeven door de tand des tijds lichtjes verkleurde en bijgekleurde vader-zoon-momenten.

***

Een Spaanse gitaar heette dat toen nog. Elk kind kreeg op zijn verjaardag of met Sinterklaas zo’n exemplaar in handen gestopt in de jaren 60, teneinde Vrolijke, vrolijke vrienden te kunnen tokkelen. Zelf ben ik nooit verder geraakt dan Vr, de olijke, olijke vrienden bleven hangen in de goede bedoelingen, onhandig als mijn vingers zich verplaatsten over het instrument. Op zekere dag werd ons huishouden van drie verrijkt met een heuse elektrische gitaar. Een blinkend, goudoranje prachtstuk. Ik dacht: nu heb ik John, Paul, George en, ach, neem er ook die Ringo maar bij, hier in huis. Mijn vader, de rockster. Ik zou hier verhalen kunnen verzinnen over minutenlange, onnavolgbare solo’s, ik zag de pers mijn vader al de bijnaam ‘Jos Van Laeken is God’ toebedelen. Helaas, de waarheid is minder rock-‘n-roll. Een paar keer heb ik hem wat klanken uit het instrument weten knijpen. Iets dat klonk als plinkeplonke plinkeplonke. Onaangeroerd weepte de gitaar nog jaren gently in de bezemkast.

***

Begin jaren zeventig was ik een aandachtig luisteraar van de BRT Top 30. En ik volgde ook nog andere hitparades, van dewelke ik de Top 20 kon aflezen op de voorlaatste pagina van Humo. Ik maakte prognoses, van welke platen er de week nadien zouden stijgen en dalen. En ik verplichtte mijn ouders om met de beperkte platencollectie de we toen hadden staan, een persoonlijke top 5 te maken, waarna ik een Top 10 van het gezin-Van Laeken maakte. Die werd dan op donderdagavond integraal gespeeld. Dat ging goed tot mijn vader verzot werd op het lied Waarheen, waarvoor van Mieke Telkamp, de Nederlandstalige interpretatie van Amazing Grace. Toen werd ik met de nadelen van de democratie geconfronteerd: wekenlang werd ik verplicht om Waarheen, waarvoor door de huiskamer te laten schallen. Niet lang daarna stierf de huiselijke hitparade een stille dood, ook al omdat ik mijn ouders niet meer kon dwingen om mee te doen.

***

Mijn vader was secretaris van de voetbalclub van Beliard Murdoch. Zelf tegen een bal trappen lukte niet al te best: de enige keer dat ik hem op een voetbalveld heb bezig gezien trapte hij bijna het hoofd van een tegenstander af, met een beweging die het midden hield tussen de ‘funny walk‘ van John Cleese en de beruchte karatetrap van Eric Cantona. Secretaris zijn ging hem wonderwel af en ik ging elke zaterdag mee, met de mannen van de sjop, zoals dat toen werd genoemd. Kerels met schoppen van handen, die tijdens de rust van een match vijf pinten verzetten en nog ruim op tijd terug naast het terrein stonden voor aanvang van de tweede helft. Er werd gedronken, gepaft, geroepen, gore moppen verteld. En ik dacht: ik doe mee. Ik was veertien en probeerde het tempo te volgen. Na de wedstrijd schakelde ik over op Oxo. De combinatie van pils en Oxo zorgde voor geklots in mijn maag en toen we naar huis reden tegen het gezapige tempo van vijfendertig per uur, moest ik al na een paar honderd meter mijn vader verplichten tot stoppen, waarna ik de dichtstbijzijnde haag opzocht. Dat herhaalde zich een keer of vijf. Op het eind, de gal was al gepasseerd, zag ik mijn vader met een grijnslach naar me kijken. Voor mij leek het alsof ie woordenloos zei: ‘Maaine joenge weurt volwassen‘. Maar het kan ook net zogoed ‘Sukkeleir, ge moet nog veil liere!‘ geweest zijn.

***

Dansen, dat deed mijn moeder graag. Dansen, dat kon mijn vader amper. Toch ging hij graag naar bals. U kent die man die de halve avond zit te hinniken van het lachen: dat was hij. Kwam nauwelijks van zijn stoel, maar amuseerde zich kostelijk. En op het eind van de avond voerde hij meestal een nummertje op. Dan schoof hij een stoel achteruit, keek even rondom zich om zich ervan te vergewissen dat er niemand in de weg kon lopen, nam met beide handen zijn rechterschoen vast en wrikte zijn been tot in zijn nek. Mocht ik dat ooit geprobeerd hebben, dan zat ik vandaag in een rolstoel. Hij niet, hij kon dat. Tot groot jolijt van de omstanders en tot grote gêne van mijn moeder en mezelf. ‘De Jos go’ z’n biene in z’ne nek leggen‘, zeiden de andere balgangers. Eén keer presteerde hij het om zijn twéé benen in zijn nek te leggen. Ik zag het gebeuren en wendde mijn hoofd af. Tot ik een harde plof hoorde. Hij was van zijn stoel gevallen. Bezorgd probeerden de omstanders hem recht te helpen en, vooral, de knoop te ontwarren. De gelukzalige glimlach om zijn mond interpreteerde ik als ‘Yes, I did it!‘ De blauwe plekken nam hij er voor lief bij.

***

In juni 1977 kreeg ik mijn diploma van middelbaar onderwijs. Samen met de andere leerlingen van het Gemeentelijk Handelsinstituut — waarbij het niet echt uitmaakte of ze geslaagd waren of niet — trokken we naar het café op de hoek, de Ruby. Een gezelschap van een twintigtal jonge mannen en vrouwen, en één vader. U mag één keer raden: jawel, de mijne. In het begin van de avond vond ik dat behoorlijk gênant, maar na een paar pinten trok ik het me niet meer aan. Ook de rest van de bende niet: we hadden een sponsor. En op het eind van de avond moet de cafébaas gedacht hebben dat niet Frank maar Jos Van Laeken zopas zijn diploma behaald had. Trots, moet u weten, werd in onze kringen niet met woorden uitgedrukt, maar met gebaren. Zoals: een hele avond je vrienden-medeleerlingen trakteren.

***

Naast zijn uit de hand gelopen hobby als secretaris van voetbalclub Beliard, werd mijn vader op zekere dag ook afgevaardigde van de tweede ploeg van VK Esquire ’78, den Eskwier. Delegee, in schoon Vlaams. Eén van zijn sterren op de voetbalvloer was zijn zoon, die afwisselend in doel stond of de rechterflank terroriseerde met onstuitbare rushes. Althans, dat was de bedoeling. Mijn vader was geen tactisch brein. Zijn taak bestond erin elf namen op het wedstrijdblad in te vullen. Niet meer, niet minder. Zelden moest hij een speler teleurstellen, eerder was het week na week scharrelen om voldoende spelers aan de aftrap te krijgen. Zo kwam het dat we op een zondagochtend met z’n achten partij moesten geven aan de leider in het klassement. Als doelman stond ik in een schietkraam, maar — al zeg ik het zelf — ik pakte bij benadering twintig gemaakte doelpunten. ‘Goe gepakt!î’, zei pa achteraf. Dat vond ik ook wel. Dat de uitslag 0-20 was, was even bijzaak.

***

23 mei was een jaarlijks terugkerende queeste voor mij. Een zoektocht naar een cadeau voor zijn verjaardag. Eén keer presteerde ik het om hem een boekje over seriemoordenaar Freddy Horion te schenken. Bij de titel stond ik niet al te lang stil: ‘Monster zonder waarde‘. Achteraf bekeken niet al te subtiel en zeker ook niet zo bedoeld, wees gerust. Elk jaar opnieuw brak ik mijn hoofd over een geschikt geschenk. Halfweg de jaren 80, één van de weinige periodes waarin ik een heel klein beetje rebelleerde tegen mijn ouders, dacht ik: het kan me niet meer schelen, ik koop iets wat ik zelf goed vind. Ik ging naar een platenwinkel en kocht een exemplaar van ‘Rum, Sodomy And The Lash‘ van de Ierse dronkebroers The Pogues. ‘Was da?‘, zei hij toen hij het cadeaupapier had verwijderd en de kruiselings door elkaar liggende figuren aan boord van een scheepswrak op de hoes zag liggen. Ik zette de plaat op. The Sick Bed of Cuchulainn spoot door de luidsprekers. Tegen dat Sally MacLennane weerklonk, zat hij enthousiast in de zetel te schuifelen. ‘Amai, da’s goe!‘, zei hij. Daar en dan eindigde mijn rebellie en wist ik: hé, dit is mijn vader.



Kerstgemis

Memories & mijmeringen Posted on za, december 26, 2020 12:21:15

Lege-stoelsyndroom.

Er staat niet voor niets een koppelteken tussen ‘lege’ en ‘stoel’.

De woorden zoeken elkaar op, zoals mensen elkaar de voorbije dagen zouden hebben opgezocht mocht dat gekund hebben, of gemogen.

***

Karstmis is dien dag da ze nie schiete“, wist Wannes Van de Velde vele jaren geleden al. Een dag van tijdelijke, vaak hypocriete of opportunistische wapenstilstand. Vrede op Aarde voor alle mensen van goede wil. Een dag later is het weer gewoon Oorlog op Aarde voor vele mensen.

Kerstmis is ook een moment om te beseffen dat je dat jaar afscheid hebt moeten nemen van een dierbare. Het overkwam mij tussen 2016 en 2019 vier jaar na elkaar: mijn vader, mijn oma, mijn oom, mijn tante. Elk jaar een lege stoel erbij, wat je dan probeert te camoufleren door dichter bij elkaar te schuiven. De tafel zal vol zijn, of ze zal niet zijn. Optisch lijkt het allemaal in orde, gevoelsmatig niet. In dit bizarre jaar heb ik vreemd genoeg geen familielid verloren, al wil ik mijn geluk niet te veel op de proef stellen door dit zo te poneren. Het jaar is nog niet voorbij. En ik wil 2021 onder een goed gesternte kunnen beginnen.

***

Als kleine jongen vierde ik kerstavond bij de ouders van mijn moeder. De eettafel werd voor die gelegenheid uitgetrokken en nog eens extra verlengd met een lichtjes kwakkelend bijzettafeltje dat ook nog eens een beetje hoger was dan de eigenlijke tafel, waardoor er laat op de avond weleens een bierglas op de plek werd gezet waar de twee tafels samenkwamen. Verticaal werd horizontaal. En dat voor die ene keer dat de toile cirée bedekt was met een feestelijk wit kleed. Een vloek van bomma werd gevolgd door hilariteit alom. Het was maar een tafelkleed. Het was maar bier.

Ik herinner mij Kerstmissen met tot wel twaalf gasten. Mijn grootmoeder moet zowat het meest sociale mens zijn geweest dat ik ooit heb gekend, dus werden een eenzame zus of neven en nichten die zelf weinig of geen familie hadden, mee uitgenodigd. Een koude schotel — nooit kalkoen! — meer of minder kon er nog wel af. Twee keer verhuisden mijn grootouders. Er kwam al eens een nieuwe eettafel in huis, maar de gasten bleven dezelfde. Tot er iemand wegviel. En nog een. En nog een. Maar er kwamen er ook bij: lieven, kinderen. En nog een. En nog een. Had covid-19 niet de plaats ingenomen van de Kerstman, dan zouden we gisteren met zeven aan tafel hebben gezeten.

(U moet weten dat Kerstmis in onze familie niet langer gevierd wordt op kerstavond, maar op kerstdag zelf. Om komaf te maken met het halfdronken naar huis strompelen om twee uur ’s nachts, of, zoals in mijn geval, nog meer dan een uur naar huis moeten rijden in de duistere vrieskou. Dus werd het 25 december. Festiviteiten nemen een aanvang kort na de middag en eindigen voor 22 uur, zodat iedereen die dat wil op een deftig uur onder de wol ligt, wol die ondertussen allang vervangen is door iets synthetisch, maar dit geheel terzijde, zoals heel deze paragraaf trouwens. Het aperitief wordt nu om een uur of drie genuttigd, tegen halfzeven zitten we aan de hoofdschotel en het tweede dessert is rond halfnegen achter de kiezen. Gedronken wordt er nog amper, behalve door de organisatoren, want we doen dat nu niet meer op een vaste plek maar via een beurtrol. Tradities zijn er om in ere, euh, veranderd te worden.)

Zeven genodigden, dat zijn er vijf minder dan in de hoogdagen, ergens diep in de jaren 70. Van die zeven zijn er vier die er toen nog niet bij waren. Van die oorspronkelijke twaalf zijn er dus negen verdwenen, vijfenzeventig procent van de kerstpopulatie die af en toe met de glimlach een glas bier zag omkieperen. Met mijn excuses voor deze wiskundige uitstap.

Kerstgemis.

Hoewel Kerstmis al bij al sober werd gevierd, de occasionele borrel niet te na gesproken, leek er toch overvloed. De avond — en later, de dag — werd volgens vaste rituelen ingedeeld, nooit op papier vastgelegde gedragsregels waarover mijn grootmoeder zaliger streng waakte. In den beginne gaf nagenoeg iedereen aan de anderen een cadeau. Daarna werd dat koppel per koppel, de kinderen werden nog wel bedolven onder de cadeautjes (indien mogelijk werd een geschenk ontkoppeld, zodat er twee, drie of meer pakjes van konden worden gemaakt. Geloof me, Lego kun je desnoods blokje per blokje apart inpakken…). Nog wat jaren later werd het principe één cadeau per persoon geïntroduceerd, de naam van de ontvanger werd via loting bepaald, waarbij het altijd vloeken was als je de naam lootte van iemand van wie je begot niet wist waarmee je hem of haar een plezier kon doen. Daar werd meestal op discrete wijze een mouw aan gepast: de persoon voor wie het cadeau bestemd was, ging het zelf kopen en legde het eigen pakje onder de kerstboom. Dat zorgde dan weer voor een ander probleem: als iemand recht had op een cadeau, moest de gulle schenker dat onder de boom nemen en overhandigen, maar hoe doe je dat als je niet eens weet hoe dat verdomde pakje eruitziet dat je zelf nog nooit had vastgehad, laat staan keurig ingepakt?

De volgorde van het uitdelen van de cadeautjes werd bepaald door de teerling. Om beurten mocht je ermee smijten. Wie een zes had, kreeg een pakje. Simpel en efficiënt. Al was het soms lang wachten als je de pech had tientallen ronden lang geen zes te kunnen smijten. Geduld is een schone deugd, ook met Kerstmis.

***

Verre familieleden brachten nieuwe gebruiken mee. Zo leerden we een tafelspelletje waarvan de naam mij nu ontgaat — had het wel een naam? — en dat ik nu gemakshalve even samenvat als plat-bol-pingelen. Eén iemand was de moderator. Zei die ‘plat’, dan moest je je handen met de handpalmen naar beneden op tafel leggen. Zei die ‘bol’, dan moest je een vuist maken en die op tafel planten. Zei die ‘pingelen’, dan moest je met je wijsvingers trommelen. De moderator begeleidde zijn opdrachten ook, maar soms zei hij ‘Bol’ en trommelde hij met de wijsvingers, en dan moest je natuurlijk het eerste doen, niet het laatste. Wie fout zat, viel af. Op het eind was er een winnaar. En een onbeduidende prijs. Ergens in de voorbije decennia is dit spelletje opgegaan in de mist van de geschiedenis. Plat-bol-bingelen, úren gratis spelplezier van 7 tot 77.

Toen ik de jaren bereikte van wat in andere huishoudens als volwassenheid zou worden omschreven, organiseerde ik al eens een quiz. Daar kroop best wel wat voorbereiding in. Je deelde de familie op in ploegen van twee en, hupsakee, ‘De Slimste Mens van de Familie’ was gestart. Ware het niet dat niet iedereen mee was met het idee om op kerstavond/kerstdag aan hersengymnastiek te doen, en dus gewoon verder bleef babbelen met zijn of haar buur. Tot grote ergernis en een quasi zenuwinzinking van de quizmaster. Quizzen met Kerstmis was bijgevolg een bijzonder tijdelijk fenomeen. (Die gesprekken gingen in onze familie verdacht veel over dood en verderf: mensen die zijn weggevallen, of mensen die op het punt stonden weg te vallen, of mensen van wie verondersteld werd dat ze het niet meer zouden uitzingen tot pakweg het volgende kerstfeest. Het zal vast wel een afwijking zijn.)

Zo bleef er, naast het traditionele uitdelen van de cadeautjes mits het smijten van een zes, nog maar een spelletje over. ‘Mes en vork’, al klinkt het geloofwaardiger in het Antwerpse jargon, ‘Mes en verket’. Ik heb er geen idee meer van wie dat uitgevonden of binnengesmokkeld heeft, maar het gaat zo: ieder gezin brengt een aantal kleine pakjes mee, met een weinig kostbaar kleinood gewikkeld in overschot van cadeaupapier en daarrond een stevig vastgesnoerd koordje. Opnieuw werd de teerling bovengehaald. Wie een zes smeet, kreeg een pakje en een mes en een vork. Daarmee moest je het pakje, zonder het met je handen aan te raken, openmaken. Werd er elders aan tafel een zes gegooid, dan moest je het hele zootje doorgeven, en zo verder tot iemand het papiertje helemaal had verwijderd. Die gelukkige mocht de inhoud claimen. Zo zat je aan het eind van het gedoe met drie Marsen, twee Snickers, een Raider en nog wat druivensuiker voor je neus. Met aan de ene kant het wegvallen van betreurde familieleden en aan de andere kant de intrede van nieuwkomers werden de oorspronkelijke, alweer ongeschreven, spelregels steeds vaker met voeten getreden. Snoodaards gebruikten bijvoorbeeld plakband om het ondingetje af te sluiten. Probeer dat maar eens te verwijderen met mes en vork! Iemand anders bedacht dat snoep niet goed voor je is, en vulde de pakjes met zogezegd nuttige voorwerpen, zoals een rol plakband (waarvan al een beetje was opgebruikt om het pakje te verzegelen), een gom of een markeerstift, waar je dus achteraf niet van kon snoepen, verdomme.

Mes en verket is geen ongevaarlijk spel, beste lezer, dat kan ik u wel verzekeren. Want als je hopeloos zit te prutsen aan zo’n pakje en twee stoelen verder wordt een zes gegooid, word je geacht het pakje zonder morren door te geven, mét mes en vork. Een mes is gekarteld, moet u weten, en een vork is in wezen een kleine riek. Tel daarbij op: vermoeidheid, alcohol en frustratie, want je wil dat rotding natuurlijk wel zelf open wrikken. Zeggen dat we geregeld een familielid naar de spoed hebben moeten overbrengen, zou de waarheid geweld aandoen, maar het was hoe dan ook het meest riskante wat we collectief uitrichtten. Bij momenten was vrede op Aarde een relatief begrip. Maar daarna was er weer bûche, of kerststronk, of beide.

***

Kerstmis 2020. Mijn moeder, mijn vrouw en ik in één bubbel. De vier anderen in een andere. Om te bewijzen dat we aangepast zijn aan de moderne tijd, werden er via WhatsApp boodschapjes doorgegeven, om toch even nabijheid te creëren. Het is wat het is. Kerstdag in coronatijden. Zelfs Mes en verket werd geofferd op het altaar van covid-19: stel je maar eens voor dat iemand toch besmet zou zijn geraakt en het virus via mes of vork zou doorgeven. We zijn nog net niet zover gegaan om de teerling na elke worp te ontsmetten, maar er werd eerst wel aan gedacht.

In deze donkere dagen was kerstgemis nadrukkelijker aanwezig dan anders. De tafel voelde leger dan ooit aan. We konden dat niet camoufleren door dichter bij elkaar te gaan zitten, ten eerste omdat drie nooit als een groep zou aanvoelen, ten tweede omdat het letterlijk ongezond zou kunnen zijn. Anderhalvemeterkerstvieren, wie bedenkt het? Volgend jaar rond deze tijd wil ik terug een volle tafel, een quiz, een teerling en Mes en verket.

***

Hopelijk beleeft u, ondanks alles, prettige feestdagen.

Hou het veilig en gezond.

En bedenk dat 2021 alleen maar beter kan worden.



De Bewonderenswaardige 20 (3 t/m 1)

Geschiedenis, Memories & mijmeringen Posted on za, augustus 29, 2020 11:37:28

U zult het hebben opgemerkt: weinig politici in mijn lijst van bewonderenswaardige figuren. Abraham Lincoln stond er even in, maar uiteindelijk vond ik andere mensen interessanter, wetenschappers vooral. Toch bedankt voor het afschaffen van de slavernij, Abe! Franklin D. Roosevelt had ik eerst in de lijst opgenomen, tot ik mij bedacht en zijn echtgenote veel interessanter vond, met een invloed die blijvend is. In zeker opzicht was Martin Luther King, Jr., op 10, ook een politicus en er wordt weleens gefluisterd dat hij in 1968 voorbestemd was om kandidaat-vicepresident te zijn naast presidentskandidaat Robert Kennedy. King werd vermoord, en twee maanden later ook Kennedy. We zullen het nooit zeker weten.

Toch zult u hieronder in de top 3 een politicus terugvinden, zij het iemand die pas na z’n zeventigste in de politiek is gegaan en die dat eerbare beroep ook op een bijzonder eerbare manier heeft ingevuld. Tijd voor de ontknoping…

20. Rosa Parks

19. Ada Lovelace

18. Alan Turing

17. Rosalind Franklin

16. Leonardo da Vinci

15. Michael Faraday

14. Jonas Salk

13. James Watt

12. Florence Nightingale

11. Johannes Gutenberg

10. Martin Luther King, jr.

9. Charles Darwin

8. Albert Einstein

7. Nicolaas Copernicus

6. Eleanor Roosevelt

5. Louis Pasteur

4. Marie Skłodowska-Curie

3. NELSON MANDELA (1918-2013). De terroristische advocaat die vader des vaderlands werd. Vanaf 1944 raakte Mandela betrokken bij de strijd van het Afrikaans Nationaal Congres (ANC) tegen het apartheidsregime in Zuid-Afrika. Hij werd zelfs leider van de militaire tak, die actief rebelleerde tegen racisme en discriminatie, omdat geweldloos verzet niets had opgeleverd. In 1961 werd hij een eerste keer opgepakt voor hoogverraad, maar vrijgesproken. Het jaar nadien werd hij, na een tip van de CIA, opnieuw gearresteerd en in 1964 tot levenslang veroordeeld, een straf die uiteindelijk zesentwintig jaar zou duren. De eerste achttien jaar verbleef hij op Robbeneiland, in 1982 werd hij overgeplaatst naar Tokai, in 1988 naar Paarl, waar hij al van een vrijer regime genoot. In de gevangenis was Mandela de aanvoerder van protestacties, maar ging hij ook in dialoog met de cipiers. Hij begreep dat de Afrikaners angst hadden voor een genocide mochten de zwarten ooit aan de macht komen. Eind jaren 80 ontstonden intense gesprekken met de Zuid-Afrikaanse regeringsleiders. President Frederik de Klerk wist dat er, mede door internationale druk, geen alternatief was: op 11 februari 1990 kwam Mandela vrij. Vier jaar later werd de 75-jarige Mandela bij de eerste vrije verkiezingen in het land verkozen tot president. De apartheidsregels, die stilaan waren opgeheven in de jaren voordien, verdwenen nu helemaal. In plaats van de gevreesde genocide op de blanken uit te laten voeren, installeerde Mandela een Waarheids- en Verzoeningscommissie. Waarmee hij een van de krachtigste signalen van verzoeningsbereidheid ooit uitstuurde. Citaat: “Laten we het vreselijke verleden dat achter ons ligt, nooit vergeten, maar niet als een manier om ons op een negatieve wijze aan het verleden geketend te houden, maar eerder als een gelukkige herinnering aan hoever we zijn gekomen en hoeveel we hebben bereikt.” Een uitzonderlijke mens.

2. ISAAC NEWTON (1643-1727). Engelse natuurkundige, astronoom en alchemist die de differentiaalrekening en integraalrekening ontdekte in de wiskunde. Maar hij is en blijft natuurlijk vooral de man van de vallende appel. In 1687 omschreef hij in Philosophiae Naturalis Principia Mathematica de drie wetten van de zwaartekracht die hij had opgesteld. Newton werd daarmee de grondlegger van de klassieke mechanica. En dan waren er ook nog Opticks, een standaardwerk over optica, de bouw van de Newtontelescoop en een theorie over kleuren die gebaseerd was op het prisma. Alsof dat niet volstaat, bestudeerde hij daarnaast ook nog de geluidssnelheid. In 2005 werd aan de leden van de Britse Royal Society gevraagd wie ze de belangrijkste geleerde uit de wetenschapsgeschiedenis vonden: Newton was primus in die poll. Albert Einstein zou het daar trouwens grondig mee eens geweest zijn: die was alleen maar theoreticus, terwijl Newton ook volop experimenten deed. In 1696 werd Isaac Newton muntmeester in Londen. Alle Britse munten kregen groeven aan de zijkant, waardoor valsemunters ze onmogelijk perfect konden namaken. Het verhaal gaat dat Newton ooit een rijgnaald langs zijn eigen oogbal tot aan het bot van zijn oogkas stak, om na te gaan hoe het menselijk oog functioneert. En die appel? Er bestaan vier verschillende versies van het verhaal. De meest waarschijnlijke: tijdens de pestepidemie van 1666 moest Newton zijn studies in Cambridge onderbreken en ging hij terug naar Woolsthorpe-by-Colsterworth, zijn geboorteplek. Daar zag hij in de boomgaard van zijn moeder een appel uit een boom vallen. Hij bedacht daarop dat de zwaartekracht van de Aarde zover reikt, dat het de Maan in haar baan houdt, waarbij hij komaf maakte met de theorie van Aristoteles dat op Aarde en in de hemel andere natuurwetten gelden.

1. GALILEO GALILEI (1564-1642). Italiaanse natuurkundige, astronoom, wiskundige en filosoof, die hoogleraar was in Pisa en Padua. In 1609 maakte hij een verbeterde versie van de telescoop, een van oorsprong Nederlandse uitvinding. In deze periode deed hij ontdekkingen in de bewegingsleer, de sterrenkunde en de sterkteleer. In zijn lessen sprak hij over valversnelling, wat haaks stond op de ideeën van Aristoteles, die dacht dat de snelheid van de val los stond van massa. Galilei publiceerde zijn bevindingen eerst in de vorm van anagrammen, door de letters van een zin door elkaar te gooien. Het doel was tweeërlei: één, niet het risico lopen van niet ernstig genomen te worden mochten zijn bevindingen niet kloppen, en twee, het risico op ideeëndiefstal vermijden. Zijn eerste conflict met de Kerk kwam er toen hij ongetrouwd ging samenwonen en drie kinderen verwekte. Hij presenteerde zijn waarnemingen van de maan, de sterrenhemel, de Melkweg en de manen van Jupiter in Rome, waar het verzet tegen zijn bewijzen van een copernicaans, heliocentrisch wereldbeeld groeide. Volgens de Kerk was de Aarde het centrum van het heelal. In de daaropvolgende decennia werd de relatie alleen maar grimmiger, het leverde hem zelfs levenslang huisarrest op en het verbod om nog les te geven. Tot twee keer toe werd zijn werk onder de loep genomen door de Inquisitie, zonder verder gevolg. Nochtans bleef de godsvruchtige wetenschapper stellen dat wat hij ontdekt had, net onderstreepte hoe doordacht God alles geschapen had. Hij beklemtoonde dat in zijn boek Dialogo sopra i due massimi sistemi del mondo, tolemaico e copernicano. Pas in 1992 sprak paus Johannes Paulus II excuses uit: daardoor werd zijn naam gezuiverd. Galileo Galilei is de vader van de moderne astronomie: als eerste bewees hij onweerlegbaar de copernicaanse stelling dat de Zon het midden van ons zonnestelsel vormt. En hij legde de grondslag voor de experimentele natuurkunde. Maar bovenal: hij is het ultieme bewijs dat echte wetenschappers op zoek blijven gaan naar een aantoonbare waarheid, wars van bestaande theorieën, vooroordelen en negatieve beïnvloeding. Galileo Galilei, de oerwetenschapper.



De Bewonderenswaardige 20 (10 t/m 4)

Geschiedenis, Memories & mijmeringen Posted on vr, augustus 28, 2020 11:50:32

Een positieve lijst, dus, om daarop terug te komen. Maar dan was de vraag “Vanaf wanneer realiseert iemand (universele) positieve zaken?” Dat was een moeilijke. Ik heb drie pijnlijke knopen doorgehakt: geen filosofen, geen -onomen, geen kunstenaars. Uw vraag “Hé, man, waarom niet?” probeer ik kort te beantwoorden. Filosofen hebben, in het beste geval, nuttige aanwijzingen gegeven, maar zelf weinig gerealiseerd. Dat is geen punt van kritiek: het is hun rol in het leven. Idem voor -onomen (economen, astronomen, enzovoort): in het beste geval nuttig, altijd langs de zijlijn. Met het weren van kunstenaars heb ik het zelf moeilijk, want ze zijn echt wel onmisbaar in ons leven en hebben doorgaans een positief effect op onze geest. Hier worstelde ik met de vragen: wie dan wel, en wie niet? En waarom, want ik wilde het ook een beetje objectiveren. Van Morrison heeft een zeer positieve invloed op mijn gemoedsgesteldheid, maar geldt dat ook op die van u en de rest van de mensheid? Beethoven verdient alle aandacht in ‘zijn’ jaar, maar deed hij meer dan de mensen van zijn tijd en van latere tijden ‘amuseren’ (ik druk het even moedwillig lapidair uit): op zich zeer relevant en belangrijk, natuurlijk, danke Ludwig von, hij heeft er de wereld niet mee veranderd, denk ik. Het is niet dankzij zijn Ode an die Freude dat de Europese Unie goed draait. Of slecht. Het getuigt alleen van goede smaak dat die hymne werd uitverkoren.

Een korte greep uit de namen die de lijst ook niet hebben gehaald: Mahatma Gandhi (naast het uitermate interessante concept van geweldloos verzet dat hij heeft bedacht, bleek hij een onverbeterlijke racist te zijn), Thomas Alva Edison (de meester-uitvinder met een recordaantal octrooien op zijn naam, maar vele ideeën heeft hij gewoon gejat, of hij was de snelste om er een octrooi voor aan te vragen), Maarten Luther (heeft de katholieke kerk wakker geschud en het protestantisme doen ontluiken, maar vond de mens ondergeschikt aan het goddelijke, de vrije wil erkende hij niet), Henry Ford (schonk ons de auto en de lopende band, die — los van de problemen die ze heden ten dage veroorzaken — finaal wel bijzonder nuttige uitvindingen zijn, maar bleek een overtuigde antisemiet), Christoffel Columbus (prima dat hij wat continenten ontdekte, minder prima dat daarvoor zoveel bloed moest worden vergoten)… En zo was er altijd wel iets. Moeilijke opdracht. En toch… we zullen doorgaan!

20. Rosa Parks

19. Ada Lovelace

18. Alan Turing

17. Rosalind Franklin

16. Leonardo da Vinci

15. Michael Faraday

14. Jonas Salk

13. James Watt

12. Florence Nightingale

11. Johannes Gutenberg

10. MARTIN LUTHER KING, JR. (1929-1968). Het lijkt alsof hij er altijd geweest is en dat hij al een man van middelbare leeftijd was toen hij in Memphis werd neergeschoten op 4 april 1968, en toch is dominee Martin Luther King, Jr. niet ouder geworden dan 39. Zijn geweldloze verzet tegen rassenscheiding in de Verenigde Staten leverde hem in 1964 de Nobelprijs voor de Vrede op. Dat was een jaar na de legendarische ‘I have a dream’-toespraak na de mars op Washington van 28 augustus 1963. Elke vorm van segregatie bestreed hij verbaal en door het organiseren van protestwandelingen. Nooit met geweld, ook al was een belangrijke minderheid van de zwarte bevolking racisme en discriminatie hartsgrondig beu en wilde die dat met alle mogelijke middelen bestrijden. King bleef vreedzaam: zijn retorisch talent en charismatische uitstraling bezorgden hem niet alleen bij de zwarte bevolking aanhangers. En hoewel de FBI van J. Edgar Hoover gretig elementen uit zijn persoonlijke dossier liet lekken — vooral over zijn liederlijke liefdesleven —, doet dat niets af aan zijn grote verdiensten. Alleen… het ‘Promised land’ is nog altijd niet in zicht, ondanks die ultieme toespraak op de vooravond van zijn gewelddadige dood. Zijn zonen en zijn weduwe namen daarna zijn taak binnen het Southern Christian Leadership Conference (SCLC) over.

9. CHARLES DARWIN (1809-1882). Engelse autodidact die opgroeide als gelovige wetenschapper, aanhanger van de natuurlijke theologie. Door persoonlijke waarnemingen tijdens zijn ontdekkingsreizen met de Beagle tussen 1831 en 1836 gooide hij dat religieuze juk af en gaf hij voorrang aan de wetenschap. Zijn conclusie: de evolutie van soorten wordt gedreven door natuurlijke selectie. De rest van zijn leven bleef hij wijden aan het verder uitdiepen van zijn allereerste vaststellingen. Dankzij Darwin wordt de mens als een diersoort beschouwd, en niet als een boven de natuur staande levensvorm. Zijn evolutietheorie ligt aan de basis van alle levenswetenschappen. On the Origin of Species is een van de belangrijkste boeken ooit verschenen. Alles wat we nu weten over mens en dier hebben we in principe aan Darwin te danken. Al is er natuurlijk kritiek, bijvoorbeeld over het feit dat hij de ontwikkeling van menselijke intelligentie en emotie uitsluitend bleef verklaren door natuurlijke selectie. Survival of the fittest, een term die filosoof Herbert Spencer lanceerde, ook wel gekend als ‘sociaal darwinisme’, blijft een niet zo prettige restant van Darwins onderzoek.

8. ALBERT EINSTEIN (1879-1955). In De slimste mens ter wereld zou hij wellicht niet goed scoren vanwege die opeenstapeling van nutteloze weetjes, maar mogelijk wás hij gewoon ‘de slimste mens ter wereld’. De Duits-Zwitsers-Amerikaanse theoreticus is een van de belangrijkste natuurkundigen uit de geschiedenis. En natuurlijk wordt hij vooral vereenzelvigd met de speciale en de algemene relativiteitstheorie uit respectievelijk 1905 en 1915, en, tot zijn eigen spijt, ook wel met de ontwikkeling van de atoombom. Hij publiceerde meer dan 300 wetenschappelijke werken, al mag de verdienste van zijn eerste echtgenote, de Servische natuurkundige Mileva Marić, niet onderschat worden. Toen het huwelijk nog goed liep, toetste hij al zijn ideeën bij haar af. Dat leverde niet zelden nieuwe of aangepaste inzichten op. In 1921 ontving hij de Nobelprijs voor Natuurkunde, maar toen de nazi’s in 1933 aan de macht kwamen, werd hij door het regime en nazigezinde collega’s weggepest: hij vluchtte naar de Verenigde Staten. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij een pleitbezorger tegen de kernwapenwedloop. In 1952 werd hem aangeboden om president van Israël te worden: hij weigerde. Zo slim was hij toch wel.

7. NICOLAAS COPERNICUS (1473-1543). Pruisische wiskundige en astronoom die een heliocentrisch model van het universum formuleerde met de Zon in het centrum. Eerder werd altijd gedacht dat de Aarde centraal stond. Z’n net voor zijn dood verschenen boek De revolutionibus orbium coelestium wordt bestempeld als een belangrijk moment in de wetenschapsgeschiedenis, samengebald in de term ‘Copernicaanse revolutie’. De katholieke kerk was minder enthousiast: die noemde de theorie van Copernicus ‘wiskundige fictie’. Ook theologen als Maarten Luther keerden zich tegen hem, omdat zijn argumenten niet door de Kerk aanvaard werden. Eerder al had Copernicus in 1517 een kwantiteitstheorie bedacht, die ook in de moderne monetaire economie van tel blijft: de theorie dat de geldhoeveelheid een bepalende invloed heeft op het prijspeil. Gun dus deze Copernicus best maar zijn plaats onder de zon.

6. ELEANOR ROOSEVELT (1884-1962). Neen, u hoeft niet uit te halen omdat ik de naam van haar echtgenoot gebruik. Ze was zelf van geboorte een Roosevelt, nicht trouwens van die andere president Roosevelt, Theodore. Huwde met Franklin Delano Roosevelt, die in 1921 getroffen wed door polio. Tussen 1933 en 1945 — presidenten mochten toen nog meer dan twee ambtstermijnen in het Witte Huis verblijven — was ze meer dan gewoon een First Lady. Ze sprak zich nadrukkelijk uit voor de mensenrechten en lag mee aan de basis van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en de basisrechten voor Amerikanen. Richtte mee het Freedom House op, een stichting ter bevordering van de democratie en het onderzoek ernaar. Mede dankzij haar lobbywerk in het Congress kregen Afro-Amerikanen en vrouwen hogere lonen. Bleef tot aan haar dood een belangrijke rol spelen in de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. In alle opzichten een First Lady. (En haar man, een democraat, was uiteraard met zijn ‘New Deal’ zeer belangrijk voor de economische wederopstanding van de Verenigde Staten na de krach van 1929. Hij werd drie keer herkozen.)

5. LOUIS PASTEUR (1822-1895). Franse scheikundige en bioloog, die bekend is geworden vanwege de naar hem vernoemde pasteurisatietechniek en de ontdekking van een vaccin tegen hondsdolheid, in 1885. Zijn theorie dat microben ziekteverwekkers zijn, is een van de belangrijkste ontdekkingen in de medische wereld. Op basis van die vaststelling ontwikkelde hij vaccins. Ook het steriliseren van medische instrumenten en wondverbanden werd door hem geïntroduceerd. Maar zijn grootste verdienste is ongetwijfeld dat hij ontdekte dat schadelijke microben in bederfbare voedselproducten kunnen vernietigd worden door ze korte tijd te verhitten: een techniek die we nog altijd kennen als ‘pasteuriseren’. We kunnen dus maar best ‘Merci’ zeggen tegen monsieur Pasteur dat we elke dag kunnen eten zonder al te grote gezondheidsrisico’s te nemen.

4. MARIE SKŁODOWSKA-CURIE (1867-1934). Pools-Franse schei- en natuurkundige die vanzelfsprekend altijd in één naam wordt genoemd met haar echtgenoot, Pierre Curie (1859-1906). ‘Madame Curie’ was echter in de eerste plaats een zelfstandige vrouw, geboren in Warschau als Maria Salomea Skłodowska, die op haar vijftiende cum laude de middelbare school afwerkte en vanwege de ‘russificatie’ van Polen als vrouw niet naar de universiteit mocht. Ze werkte als lerares en gouvernante zodat haar zus Bronia in Parijs medicijnen kon studeren. Zelf vertrok ze in 1891 naar Parijs, waar ze aan de Sorbonne scheikunde, natuurkunde en wiskunde studeerde. Ze mocht onderzoek doen naar de magnetische eigenschappen van gehard staal en kwam zo Pierre Curie tegen, met wie ze in 1895 trouwde. Zelf leverde ze in 1903 een proefschrift af over radioactiviteit. Datzelfde jaar ontving het echtpaar de Nobelprijs voor Natuurkunde “voor hun onderzoek naar de stralingsfenomenen”. Na de dood van haar man, in 1906, zette Marie haar en hun werk verder, wat haar vijf jaar later een Nobelprijs Scheikunde opleverde “voor haar ontdekking van radium en polonium en voor haar studie naar de aard en samenstelling van deze opmerkelijke elementen”, als een van de vier personen, en de enige vrouw, die twee Nobelprijzen heeft gewonnen. Als vrijzinnige werd ze echter niet aanvaard in de conservatieve Académie des Sciences. Vrouwvriendelijk zijn de wetenschappen nooit geweest.

Morgen: 3 tot en met 1.



De Bewonderenswaardige 20 (20 t/m 11)

Geschiedenis, Memories & mijmeringen Posted on do, augustus 27, 2020 11:37:45

De laatste top 20 op mijn blog deze zomer (ja, ik ben het ook een beetje beu, veel werk, weinig respons), maar zoals Ramses Shaffy al placht te zeggen: ‘We zullen doorgaan’. “Met de stootkracht, van de milde kracht.” ‘Tot het gaatje’, voegde André van Duin daar schertsend aan toe, de deugniet.

Voor de laatste categorie neem ik even afstand van de muziekwereld, na al die zangeressen, zangers, bands en albums. Het was even zoeken naar het juiste evenwicht, want ik ga het hebben over historische figuren, maar ik wilde het vooral positief houden. Dus viel het adjectief ‘belangrijkste’ al weg. Dan moet je immers een zekere Adolf Hitler in je lijst opnemen. Vreselijkste snor uit de geschiedenis, maar wel bepalend voor de 20ste eeuw en eigenlijk nog altijd: zonder die vreselijke Hitler zouden we nu paradoxaal genoeg misschien niet in vrede leven. Of zouden we niet telkens waarschuwen voor ‘de jaren 30’ als (extreem)rechtse luitjes rare dingen roepen of doen. Determinerend was de Führer dus alleszins, helaas.

Ik wil niet pronken met een lijstje waarin massamoordenaars prijken. De poll die de gewaardeerde twitteraar — ik weiger ‘tweep’ in de mond te nemen! — Jeroen Verhelst de derde week van juni organiseerde, waaruit hij de #historische100 afleidde, gaf als nummer 1 Napoleon Bonaparte. Hij kreeg van 45 deelnemers een stem die hem een of meerdere punten opleverde, wat zijn eindtotaal op 95 bracht, precies twintig punten meer dan de tweede. Natuurlijk is Napoleon belangrijk en positief geweest voor recht, meeteenheden, burgerlijke stand en dergelijke, maar het was ook een krijgsheer die over lijken ging. Op twee stond overigens Jezus van Nazareth, een man waaraan mirakels worden toegeschreven, waarin ik niet geloof. Al zal hij best wel aardige dingen gedaan hebben. Op drie Karl Marx, de übermarxist, want bedenker ervan. Maar zijn op zich waardevolle ideeën leidden tot communistische regimes en moeten we daar achteraf wel zo blij mee zijn? Idem dito voor enkele andere namen uit die top 20: Julius Caesar (op 7), Karel de Grote (11), Alexander de Grote (geen familie, 14), Dzjengis Khan (15) en Otto von Bismarck (19). (Hitler stond, voeg ik er nog even aan toe, op 21, wat eigenlijk te laag is als je het over historische betekenis van figuren hebt.) Nogmaals, interessante lijst, maar niet wat ik betracht.

Enfin, ik zoek het eerder in de richting van ‘Helden’, maar dat is dan weer zo’n kwalificatie die te pas en te onpas wordt gebruikt. Een brandweerman die zijn eigen leven riskeert om een kind uit een brandend huis te redden is voor mij een veel grotere held dan een politicus die iets bruikbaars bedenkt, maar voor de uitvoering op anderen rekent. Schrappen: helden.

Zo kom ik uiteindelijk uit bij ‘bewonderenswaardige figuren’, op zich ook al een ietwat ongelukkige en geforceerde omschrijving. Waarmee ik bedoel: mensen die iets hebben gedaan dat goed is geweest voor de rest van de mensheid en die daarom — ondanks soms persoonlijke tekortkomingen en mislukkingen — onze bewondering verdienen. Een positieve lijst met weerhaken, quoi. Welkom bij #DeBewonderenswaardige20

20. ROSA PARKS (1913-2005). Weigerde op 1 december 1955 in Montgomery, Alabama, haar zitplaats in het voor zwarten gereserveerde deel achterin de bus aan een witte passagier af te staan, nadat het ‘exclusief voor blanken’-gedeelte vol zat. Ze kreeg een boete van 10 dollar, weigerde te betalen en werd vervolgd voor ‘verstoring van de openbare orde’. Daarop startte Martin Luther King, Jr. een geweldloze boycot van de bussen in Montgomery: het busbedrijf ging bijna failliet en schafte de segregatie in haar voertuigen dan maar af. Rosa Parks kreeg vervolgens gelijk bij het Supreme Court. Ondertussen was ze wel ontslagen en werd ze met de dood bedreigd. Rosa Parks bewees dat moed en burgerlijke ongehoorzaamheid een aanzet kunnen zijn tot noodzakelijke veranderingen, al heeft de burgerrechtenactiviste niet kunnen verhelpen dat racisme onlosmakelijk verbonden blijft met de Verenigde Staten. Zie de actualiteit.

19. ADA LOVELACE (1815-1852). Britse wiskundige die een ‘analytische machine’ beschreef, die zou uitmonden in de eerste elektronische rekenmachine van haar tijdgenoot Charles Babbage (1791-1871). Wordt beschouwd als de ontwerpster van het eerste computerprogramma. Zag ook in dat computers — uiteraard zonder die naam te gebruiken — op termijn in staat zouden zijn om ingewikkelde berekeningen te maken, te moeilijk voor het menselijke brein. Samen met Babbage publiceerde ze hierover in 1843 een baanbrekend artikel. Ze voorzag dat een analytische machine in staat moest zijn om muziek te componeren, afbeeldingen te maken en wetenschap te bedrijven. Dank u, Ada!

18. ALAN TURING (1912-1954). Wiskundige en informaticus, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het grootste geheim actief was bij de Government Code and Cipher School in Bletchley Park, waar men probeerde gecodeerde berichten van de Duitse vijand te ontcijferen om de geallieerden een stap voor te kunnen geven. Samen met drie Poolse mathematici ontwikkelde hij een decoderingsapparaat dat de codes van het Duitse Enigma-apparaat kon ‘vertalen’, wat een van de belangrijkste ondersteunende elementen voor de overwinning van de alliantie werd. Turing werd geëerd voor zijn oorlogsinspanningen, maar toen bleek dat hij homoseksueel was, werd hij ontslagen. In 1952 werd hij gearresteerd voor ‘homoseksuele handelingen’, die tot 1967 verboden zouden blijven in Groot-Brittannië. Hij kreeg de keuze: chemische castratie of gevangenisstraf. Hij koos het eerste. Twee jaar later pleegde hij zelfmoord, al wordt er ook gespeculeerd dat hij vermoord zou zijn door de Britse geheime dienst. Pas in 2009 bood de Britse regering excuses aan, nog eens vier jaar later verleende de koningin Alan Turing gratie. Een zo belangrijke man die zo schandalig behandeld werd en niet eens tweeënveertig is geworden: zonde.

17. ROSALIND FRANKLIN (1920-1958). Britse chemica die met behulp van moleculaire röntgendiffractie mee aan de basis lag van het ontrafelen van de structuur van DNA. Al snel zorgde haar ontdekking voor een dispuut met Maurice Wilkins, haar collega aan het Londense King’s College. Franklin vertrouwde Wilkins niet en bleef haar bevindingen daarop geheimhouden. Hoewel haar onderzoek aantoonde dat DNA een helix-structuur vertoonde, bleef ze dat hardnekkig ontkennen. Wilkins bezorgde de röntgendiffractiefoto’s aan zijn Cambridge-collega James Watson, die hieruit concludeerde dat de structuur van DNA er als een dubbele helix moest uitzien. Samen met Francis Crick schreef Watson hierover een artikel in Nature, merkwaardig genoeg in hetzelfde nummer als waarin Rosalind Franklin die conclusies ondersteunde. Of ze de structuur zelf zou gevonden hebben, blijft voer voor discussie. Feit is dat haar hogekwaliteitsfoto’s onmisbaar waren in het onderzoek. Na de DNA-publicaties vertrok Rosalind Franklin uit King’s College op voorwaarde dat ze zich niet meer met DNA zou bezighouden en legde ze zich van dan af toe op virussen. In 1956 werd eierstokkanker bij haar ontdekt, ziekte waaraan ze twee jaar later, op haar 37ste, zou overlijden. In 1962, vier jaar na haar dood, ontvingen Watson, Crick en Wilkins de Nobelprijs voor de ontdekking van de DNA-structuur. Aangezien die prijs nooit postuum werd toegekend, was die eer niet meer weggelegd voor Rosalind Franklin.

16. LEONARDO DA VINCI (1452-1519). De homo universalis, al is zijn bijdrage tot de wetenschappen uiteindelijk beperkter dan de mythe ervan gemaakt heeft. Geboren in het Toscaanse dorpje Anchiano, op een paar kilometer van Vinci, ontpopte Leonardo zich in de 67 jaar die hem gegund waren als architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuur- en scheikundige, schrijver, beeldhouwer en schilder. Denk aan de Mona Lisa, Het laatste avondmaal of de Vitruviusman. Wetenschappers beweren dat hij in de eerste plaats een kunstenaar was, kunstenaars dat hij vooral een wetenschapper was. Maar misschien ligt daar net zijn grootste verdienste: hij bracht wetenschap en kunst samen. Voornaamste punt van kritiek is dan wel dat hij heel veel aantekeningen maakte en aan ontelbare experimenten begon, maar ze zelden afwerkte. Maar het is wel zo dat heel wat namen die hier nog zullen passeren van zijn werk hebben geprofiteerd. Laten we het zijn code noemen.

15. MICHAEL FARADAY (1791-1867). Britse natuur- en scheikundige, die als persoonlijke assistent van de scheikundige Humphry Davy kennismaakte met wetenschap op hoog niveau. Mocht zijn baas vergezellen op diens reizen op het Europese continent, waar hij onder anderen Alessandro Volta, André-Marie Ampère en Nicolas-Louis Vauquelin ontmoette. Dankzij zijn werk rond elektromagnetisme werd hij tot directeur van de Royal Institution benoemd. Hij kwam tot de vaststelling dat magnetisme elektriciteit kon opwekken. Door zijn onderzoek naar de capaciteit van condensatoren, werd de eenheid daarvan, farad, naar hem vernoemd. In de jaren 1840 ontdekte hij dat bij loodglas magnetisme de polarisatie van licht beïnvloedt: het Faraday-effect. En in een constructie van elektrisch geleidend materiaal die statische elektrische velden buitenhield, de ‘Kooi van Faraday’, experimenteerde hij verder. Daardoor is hij belangrijker dan zijn buitenlandse voorgangers Volta (ontdekker van de elektrische batterij), Ampère (ontdekker van elektromagnetisme) en Vauquelin (ontdekker van beryllium).

14. JONAS SALK (1914-1995). Amerikaanse medicus die een vaccin ontdekte tegen het in de jaren 50 nog zeer dodelijke poliomyelitisvirus. Het werd naar hem vernoemd en was een onmisbare eerste stap in de uitroeiing van de ziekte polio, ook wel kinderverlamming genoemd. In Nederland dateert de laatste polio-epidemie van 1956: toen werden nog bijna 2000 kinderen erdoor getroffen. In België werd vaccinatie in 1958 aanbevolen en negen jaar later wettelijk verplicht. Sinds 1970 zijn er geen poliopatiënten meer gesignaleerd bij ons. In 1988 waren er wereldwijd nog 350.000 gevallen, tegenwoordig zijn dat er slechts enkele honderden. Jonas Salk vroeg geen patent aan, omdat hij vond dat het vaccin aan het volk moest gegeven worden. Altruïsme bestaat.

13. JAMES WATT (1736-1819). Schotse ingenieur die de moderne stoommachine heeft uitgevonden. Maar ook het eerste kopieerapparaat, een patent dat hij in 1781 verwierf. Rond 1763 repareerde Watt een stoommachine die gebouwd was door Thomas Newcomen, een Britse uitvinder, en bedacht hij hoe hij die kon verbeteren. Met een aparte condensor dreef hij de efficiëntie op met 8 procent. Door stoomdruk te gebruiken, in plaats van atmosferische druk, kwam er nog eens 19 procent bij. In 1769 kreeg hij een patent voor ‘zijn’ stoommachine. Daarna kreeg James Watt de vraag om zijn stoommachine te bouwen, waarmee hij de aanzet gaf tot de industriële revolutie. Vanaf nu kon energie ook worden opgewekt door een machine, niet alleen door mensen of dieren. Watt introduceerde paardenkracht als eenheid van vermogen. Roep dus niet ‘Watt?’ omdat ik hem op dertien zet.

12. FLORENCE NIGHTINGALE (1820-1910). Britse verpleegkundige die alles in de schoot geworpen leek te krijgen om in de betere kringen te kunnen leven, maar die als tiener ‘de stem van God’ hoorde en zich het lot van armen, zieken en gewonden begon aan te trekken. Omdat vrouwen geacht werden aan de haard te blijven, schreef ze als reactie een feministische klassieker, Cassandra. De rest van de tijd introduceerde ze verpleging als vak en werd ze zo de grondlegger van de moderne verpleegkunde. Ze reorganiseerde ook een klein Londens ziekenhuis. Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) bood ze haar diensten achter het front aan om zieke en gewonde Britse soldaten te verzorgen. ’s Nachts deed ze haar ronde met een lantaarn, wat haar de bijnaam ‘The lady with the lamp’ opleverde. Ze overtuigde de legerleiding ervan dat soldaten minder stierven aan het front dan door een gebrekkige ziekenzorg en dat daar dus in geïnvesteerd moest worden. Haar visie dat gezondheid niet de afwezigheid van ziekte is, maar een situatie waarin je jezelf volledig kan ontplooien, werd later opgenomen in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Ook toen ze zelf ziek werd, bleef ze een team van wetenschappers aansturen en opkomen voor arme en onderdrukte mensen. In 1907 ontving ze als eerste vrouw ooit de Order of Merit. Hulde dus aan Florence Nightingale, maar ook aan de zwarte, Jamaicaanse verpleegster Mary Seacole (1805-1881), die eveneens aan ziekenzorg deed tijdens de Krimoorlog en ‘de zwarte Nightingale’ werd genoemd. Zij is veel minder bekend.

11. JOHANNES GUTENBERG (ca. 1400-1468). Duitse edelsmid, uitvinder van de boekdrukkunst in Europa. Voor alle duidelijkheid: niet de uitvinder van de drukkunst. Blokdrukken bestond al eerder, waarbij een volledige bladzijde uit één blok werd vervaardigd. Dat maakte het quasi onmogelijk om te corrigeren, omdat men telkens het volledige blok moest aanpassen. Gutenberg maakte voor het eerst gebruik van losse letters, wat correctie en redactie makkelijker en goedkoper maakte. Om het juiste resultaat te bereiken, had hij vele jaren moeten experimenteren. Letters in lood, een goedkope grondstof, bleken namelijk slecht uit te vloeien. Daarom werd er een percentage tin aan toegevoegd, plus bismut en antimoon, om het metaal minder te laten krimpen bij afkoeling. Een van de eerste resultaten was een kalender met astronomische voorspellingen voor het jaar 1448. Vervolgens vroeg de Kerk hem om aflaten te drukken. Tussen 1450 en 1455 vervaardigde hij de 42-regelige en 643 bladen dikke Gutenbergbijbel.

Morgen: 10 tot en met 4.



‘Schat, wij waren met cinema bezig, niet met revolutie’ (Kleine hommage aan Robbe De Hert)

Film, Literatuur, Memories & mijmeringen Posted on di, augustus 25, 2020 10:42:00

 (Drie jaar geleden mocht ik Robbe De Hert interviewen voor het boek Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden?, dat ik samen met Geert De Vriese schreef en dat in april 2018, vijftig jaar na de semi-revolutionaire gebeurtenissen, werd uitgegeven bij Houtekiet. Ik herinner me een warrig en verwarrend gesprek in een buurtcafeetje, dat toch een uitermate boeiende bijdrage heeft opgeleverd, want uiteindelijk had hij toch wel wat te vertellen over die rumoerige periode, maar oordeelt u daar vooral zelf over. Ik herinner me ook een ruwe bolster, waaronder een schat van een vent verscholen zat, onveranderlijk plat Antwerps pratend, van de hak op de tak springend. Daarna hielden we even contact. Ik stuurde hem het boek, maar dat ging verloren omdat hij een paar maanden in het ziekenhuis moest verblijven. Een nieuw exemplaar kwam wel toe. Hij belde me af en toe op, omdat hij ons vorige boek, InFERno, over de brand in de Innovation van 22 mei 1967, interessant genoeg vond om er een scenario van te maken. Het is er niet van gekomen, wat ook niet erg is. De Vlaamse cultuurwereld moet Robbe dankbaar zijn, als wegbereider, als dwarsligger, als filmer pur sang. Merci, schat!)

***

Robbe De Hert (25, filmregisseur)

‘Als filmmakers hebben wij niet veel aan Mei 68 gehad,’ stelt Robbe De Hert ferm. ‘Die waren niet met cultuur bezig.’ In 1968 probeerde de jonge cineast zich met vallen en opstaan een weg te banen in de woestenij die de Vlaamse cinema nog was. Terwijl hij weinig interesse had voor de studentenrevolte, draaide hij wel een sociaal geëngageerde documentaire die de gemoederen zou beroeren én tot in het parlement invloed zou hebben: S.O.S. Fonske. ‘Achteraf hebben we nog ambras gehad met Fonske, die vond dat hij recht had op een deel van de opbrengsten.’

Om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien, deed Robbe De Hert  aanvankelijk zeer uiteenlopende jobs. Cameraman bij de BRT, onder meer. In 1968 werkte hij op de stockage-afdeling van het luxewarenhuis Vaxelaire in Antwerpen. Daar vernam hij van een van zijn vrouwelijke collega’s dat die eerstdaags de deurwaarder op bezoek zou krijgen. Het toeval wilde dat haar man, Fons Noydens, in dezelfde drukkerij werkte als Patrick Le Bon, die zich net voordien had aangesloten bij Fugitive Cinema, het filmcollectief dat De Hert mee had opgericht. Noydens had een auto-ongeval gehad, maar omdat zijn verzekeringsmaatschappij failliet was gegaan, moest hij zelf opdraaien voor de schade. Het enige wat hem resteerde was zijn inboedel verkopen.

En zo stond Robbe De Hert op 15 mei 1968 samen met Le Bon, cameramannen Paul De Fru en Louis Celis, collega-cineast Guido Henderickx en gelegenheidsinterviewer Frans Buyens – die ook zo sympathiek was om de onmisbare, maar ‘geperimeerde’ filmpellicule mee te brengen (pellicule die eigenlijk voorbij houdbaarheidsdatum was) – in de huiskamer van ‘Fonske’ te wachten op de deurwaarder. Ze filmden de intrede van de deurwaarder, het weghalen van het meubilair, de wenende vrouw, de boze reacties van de buren en de openbare verkoop, die niet eens de kosten van de deurwaarder dekte.

‘Eerlijk gezegd hadden we ook een beetje oneerlijke bedoelingen,’ zegt hij daar nu over. ‘Ik had namelijk vernomen dat Fonske stotterde. Dat vond ik de max, niet om hem uit te lachen, maar het zou de zaak nog veel schrijnender gemaakt hebben. Bleek dat hij dat alleen maar deed wanneer hij te veel gedronken had en dat hij – toen wij daar stonden – al twee dagen geen druppel had aangeraakt. Maar wat bleek: de deurwaarder begon zelf te stotteren. Waarschijnlijk omdat zoiets nog nooit eerder gefilmd was geweest en de man zenuwachtig werd. Niet dat we die mensen wilden uitlachen, voor alle duidelijkheid. S.O.S. Fonske was ook als antwoord bedoeld op de uitlachtelevisie die Echo was (het wekelijkse magazine Echo bracht van 1961 tot 1973 op satirische, maar ook nogal paternalistische wijze het gewone leven van de Vlaming in beeld. Een soort Man Bijt Hond of Iedereen Beroemd avant la lettre; gdv&fvl). Wij wilden echt een anti­-Echo maken.’

‘Inbeslagneming als huwelijksverjaardag / Jong gezin met matras, twee stoelen en een tafel op straat / Zoveelste slachtoffer van Belfort-schandaal’ – Gazet van Antwerpen, 16 mei 1968.

Een linkse. Een dwarsligger. Een man die nooit een blad voor zijn mond neemt. Zo kennen we Robbe De Hert, maar dat engagement heeft hij niet van thuis uit meegekregen. Of toch? ‘We hadden in 1951 al Humoradio in huis. Ik was acht, negen jaar en las iedere week Open venster, de brievenrubriek van Willy Courteaux. Dat was een openbaring voor een jonge gast. Courteaux had een zeer linkse visie op de samenleving, hij heeft mij sterk beïnvloed. Na het draaien van mijn eerste kortfilm, Twee keer twee ogen, in 1963, leerde ik Louis Celis kennen, een fotograaf uit Merksem. Een zeer geëngageerde vent. En mijn derde linkse invloed was Fernand Auwera, die ik in 1977 voor het eerst ontmoette.’

Die laatste, auteur, zou mee de scenario’s schrijven van De Herts films De Witte van Sichem, Marie Danneels (Of het leven dat we droomden), Gaston’s War en Lijmen/Het been. Maar eerst moeten we terug naar de jaren vijftig van de vorige eeuw. De jonge Robbe, ‘Robin’ voor de burgerlijke stand, was in zijn jonge jaren meer in de bioscoop dan thuis, op school of op straat te vinden. Hij verslond films. Samen met zijn oudere broer Jos, ‘Grapjos’, wilde hij iets doen in de filmwereld. ‘Onze eerste lokalen waren in het ouderlijke huis in Schoten: in de ene ruimte stonden de confituurpotten, in de andere lag de vuile was. Dat waren Studio 1 en Studio 2. Op de deur van onze kamer stond “Fugitive Cinema”. Die “fugitive” hadden we gelezen in een boek, maar deed ons ook denken aan de film The Fugitive Kind met Marlon Brando. Ik was een jaar of twaalf. ‘

Serieuzer werd het toen hij begin jaren zestig met generatiegenoten als muzikant Walter Heynen, fotografen Louis en Frans Celis, geluidsman André Boeren en dichter Paul De Vree begon na te denken over een coöperatieve vereniging. Hoewel Fugitive Cinema pas officieel werd opgericht in maart 1966, werd de kiem vier jaar eerder al gelegd. ‘Iedereen was zo serieus en pretentieus in die dagen. Bedrijven in de filmsector werden Omega en Odeon genoemd, dat soort dingen. Triestig eigenlijk.’

Fugitive wilde een antwoord bieden op het gebrek aan filmcultuur in dit land. Streefdoel was om alles en iedereen uit het filmbedrijf onder één dak samen te brengen, van regisseur over monteur tot distributeur. ‘Toen ik begon was er werkelijk niks in Antwerpen. Edith Kiel was gestopt en daarachter gaapte de grote leegte (de Antwerpse cineaste Edith Kiel, 1904-1993, maakte in de jaren vijftig lowbudget-komedies in het Antwerps; gdv&fvl). Dat had ook een voordeel: we vielen onmiddellijk op. Twee keer twee ogen kreeg zo onverwacht veel aandacht in de pers. Iedereen kende mij, terwijl ik niemand kende. Pas op het Filmfestival van Antwerpen van 1964 leerde ik mensen uit de filmwereld kennen. En uit de politiek, zoals gouverneur Richard Declerck, die het festival mee patroneerde en wiens naam ik drie jaar later heb gebruikt voor het personage dat ik speelde in de film De vijanden van Hugo Claus (De Hert acteerde in meerdere films in die periode; gdv&fvl). Dat was als hommage bedoeld, omdat dat filmfestival heel veel betekend heeft voor de Vlaamse cinema. Ik heb daarna trouwens nog verschillende keren samengewerkt met Declercks dochter, Annie, die op de dienst Kunstzaken van de BRT zat.’

In filmkringen werd de jonge rebel niet met open armen ontvangen. ‘De enigen uit de filmwereld die mij steunden waren Roland Verhavert en Ivo Michiels. Ivo noemde mij “zijn beste leerling”. Toen we weer eens dringend geld nodig hadden, heeft hij mij zo bestoeft bij een rijke madame dat ze me spontaan honderdduizend frank (2.500 euro; gdv&fvl) gegeven heeft. Ik heb altijd goede kritieken gehad, maar het meest opvallende waren de positieve reacties van Maria Rosseels van De Standaard. Voor de rest beperkten onze connecties zich tot vrienden en kennissen.’

‘FRANKENSTEIN SCHIEP DE VROUW / KLEUR DELUXE / Een beeldschone jonge vrouw ten prooi van een vreselijk monster’ – filmadvertentie voor Frankenstein Created Woman van regisseur Terence Fisher, die z’n tweede week ingaat in cinema Quellin te Antwerpen, Volksgazet, 3 mei 1968.

‘De BRT was de enige plek waar je terecht kon met kortfilms en documentaires, maar dat was een gesloten bastion waar je niet binnengeraakte. Ik heb elf keer voorgesteld dat ze S.O.S. Fonske zouden kopen. Altijd geweigerd. Tot hij in de prijzen viel op het filmfestival van 1969, als “beste sociale film”. Hij kreeg ook prijzen van zowel de Katholieke als de Socialistische Filmliga en werd uitgeroepen tot “beste tv-reportage”, terwijl hij nog niet op televisie te zien was geweest. Toen konden ze het niet snel genoeg programmeren bij de BRT. S.O.S. Fonske werd zelfs uitgezonden op een zaterdagavond, vlak vóór het Eurovisiesongfestival. Zo hadden we nog veel kijkers ook. Achteraf kreeg de film een bekroning van Humo “voor de informatie zoals die van televisie verwacht werd”. Tja…’

De kortfilm werd ook gebruikt door een comité van bedrogen verzekerden van diezelfde failliete verzekeringsmaatschappij. ‘Een aantal maanden later werd S.O.S. Fonske vertoond voor een parlementaire commissie en lag daarmee mee aan de basis van een wetswijziging over de eindverantwoordelijkheid bij het afsluiten van verzekeringen. Dat vonden wij wel straf, dat je met een film zoiets teweeg kon brengen. Al hebben we achteraf nog ambras gehad met Fonske, die vond dat hij recht had op een deel van de opbrengsten, terwijl we met die film nauwelijks uit de kosten zijn geraakt.’

‘Geheime Agent, Vechtpartijen… en Mooie Meisjes! / Goed gespeeld MATT HELM’ – filmadvertentie voor The Wrecking Crew van Phil Karlson, met Dean Martin als geheimagent Matt Helm, nieuw in zaal Metro, Volksgazet, 3 mei 1968.

Terwijl S.O.S. Fonske gunstige reacties kreeg, was Robbe De Hert al volop bezig met zijn volgende project: De bom. Het draaien daarvan was al een jaar eerder, in 1967, begonnen, maar hij werd pas in 1969 voltooid. In De bom vindt een garagehouder, gespeeld door Louis Paul Boon, op een dag een atoombom. Hij verstopt ze en zorgt voor ophef met de aankondiging dat hij de bom pas zal teruggeven als de productie van vernietigingswapens wereldwijd wordt stopgezet. Tegenspeelster van Boon was de Amerikaanse actrice Betsy Blair, de ex van Gene Kelly.

De dreigende atoomoorlog hield hem meer bezig dan de studentenrevolte, vertelt De Hert, al kwam dat in eerste instantie toch weer door de film. ‘Prachtige films zijn er gemaakt over dat thema. The World, the Flesh and the Devil, met Harry Belafonte: fantastisch! Een zwarte man die wordt ingesloten in een mijn en die als hij weer boven komt verliefd wordt op een blanke vrouw, ook racisme komt erin aan bod. On the Beach, met Gregory Peck, Ava Gardner en Fred Astaire: geweldig! Dr. Strangelove, natuurlijk: die heb ik zo vaak gezien, dat ik hem zo ongeveer van buiten ken. Schrik van de bom? Dat nu ook weer niet en dat heb ik ook weer te danken aan Dr. Strangelove, omdat daarin gelachen wordt met de machthebbers. Maar het woog wel op de maatschappij.’

‘Weet je wat zo straf was aan De bom? Die straatinterviews waren echt. Niets voorgekauwd. Wij gingen klaarstaan aan de cinema en als de mensen buitenkwamen, zei Maurice De Wilde – die dat graag voor ons wilde doen – dat er iemand in de buurt mee gedreigd had een atoombom te laten ontploffen. Een van hen reageerde: “Ik zou die bom ontmantelen”. “Hoe ga je dat doen?” vroeg Maurice. “Ha, een mekanieker bellen hé.” De meeste andere reacties waren heel negatief en pessimistisch.’

‘DUIKEN IN DE GAGS – BADEN IN DE VREUGDE – PLONSEN IN DE LACH / LOUIS DE FUNES / DE KLEINE BADER’ – filmadvertentie voor Le petit baigneur van Robert Dhéry met Louis de Funès, voor de vijfde week vertoond in ciné Pathé, Volksgazet, 3 mei 1968.

Met de maatschappelijke revolutie was De Hert niet echt bezig in die dagen. ‘Ikke? Schat, wij waren met cinema bezig, niet met de revolutie. We hebben veel betogingen gefilmd, zeker een honderdtal, dat wel. Erin meestappen kon ik niet, het filmen deed ik heel graag. Onze Jos, die op de Lloyds Bank werkte, was daar veel meer mee bezig dan ik. En om de actualiteit uit Parijs te kunnen volgen was mijn Frans toch te slecht. Een tv? Had ik niet, daarvoor moest ik naar mijn moeder gaan. Televisie is trouwens pas interessant geworden met Koot & Bie op de VPRO.’

‘Och, zoals het spreekwoord zegt: als ’t in Parijs regent, druppelt het in Brussel. Ik herinner me nog dat we zijn gaan filmen toen eind mei de Bozar bezet werd. Maar in Antwerpen was er niets. Of in elk geval toch niets dat mij bijgebleven is.’

‘Het culturele elan van mei ’68 is trouwens altijd maar nep geweest’ – Robbe De Hert in Drinkend hert bij zonsondergang, 1983.

In zijn autobiografie uit 1983 is De Hert niet mals voor wat Mei 68 voor gevolg heeft gehad. Hij schrijft: ‘Fatsoensrakkers in Oost (Praag ’68) en West wilden onze jongste verworvenheden weer inpakken. Pas uit het keurslijf gescheurd in het begin van de jaren 60, mochten we er terug in kruipen. De “verbeelding aan de macht”, het vuurwerk van gedachten en stromingen dat zich zo pas concreet manifesteerde in Knokke en elders (de Free-cinema in Europa en de USA), van Vera Chytilova (“De madeliefjes”), Milos Forman, Jiri Menzel (“De streng bewaakte treinen”), Makavejev (“Mysteries van het organisme”, waarin Stalin en Mao er eens goed van langs kregen), werden eveneens als burgerlijk omschreven.’

‘Je kan van mij nu niet verwachten dat ik hier eens gauw-gauw het bilan ga opmaken van mei ’68,’ gaat hij in het boek door op z’n elan. ‘Ik wil hier alleen maar even kwijt dat, wat zich manifesteerde op cultureel vlak vóór die hete mei-dagen, meer vrijheid in zich droeg dan wat zich ernà zou afspelen. Mei ’68 (e.a.) bevatte ideeën die me nauw aan het hart liggen, en natuurlijk waren wij tegen de cultuur als speelterrein van de burgerij (je zou voor minder), maar om nu met al die droevige theoretici over de nieuwe cultuur akkoord te gaan? De meest zure en verbitterde stellingen, ontdaan van elke charme, haalden de bovenhand. Zelfs Jean-Luc Godard zag zijn eigen niet meer graag…’

‘Staat dat er echt?’ vraagt hij zich vijfendertig jaar na datum af. ‘Och ja, wij hebben zelf aan Mei 68 niet veel gehad. Die waren niet met cultuur bezig.’

‘eerst… JAMES BOND 007 TEGEN Dr NO – dan… HARTELIJKE KUSSEN UIT RUSLAND / vervolgens… GOLDFINGER – eindelijk… OPERATIE DONDER – en nu… MEN LEEFT SLECHTS TWEE MAAL’ – filmadvertentie voor You Only Live Twice van Lewis Gilbert met Sean Connery als James Bond, al zes weken op het programma in ciné Astra, Volksgazet, 3 mei 1968.

Zelf ging hij zich begin jaren zeventig engageren in trotskistische kringen. Dat had veel te maken met zijn lief, Ida Dequeecker, die een van de eerste dolle mina’s van ons land was en die hem zou beïnvloeden met haar politieke ideeën. Het waren de jaren waarin extreemlinkse partijtjes elkaar de loef probeerden af te steken: communisten (KP), maoïsten (Amada) en trotskisten (RAL) staken bijna evenveel energie in de onderlinge strijd als in het bekampen van de rechtse krachten in de samenleving. De Hert: ‘Dat ging zover dat toen in juli 1982 de King Kong in brand werd gestoken door extreemrechtse criminelen, de maoïsten daar niet eens iets over schreven in hun weekblad Solidair. Wij zijn ooit eens opgepakt toen we rijkswachters filmden die inreden op betogers en die mannen van Amada beweerden daarna doodleuk dat wij collaboreerden met de rijkswacht.

Vijftigduizend films moet hij zo ongeveer gezien hebben in zijn leven. Ook vandaag nog altijd vijf per week. ‘Ik heb eindelijk een passe-partout gekregen. Kan ik gratis gaan. Van meneer Heylen (baron Georges Heylen was vijf decennia lang de grote baas van zowat alle Antwerpse bioscopen; gdv&fvl) kregen we dat niet. “Ge denkt toch niet dat we onze beste klanten gratis binnenlaten, die komen toch!” zei die.’

‘Ik heb nooit een plan gehad. En ik ben geen terugkijker. Maar vraag me iets en ik zal je zo vertellen hoe het gegaan is. Het zit allemaal hier, in mijn hoofd.’



Albums Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on za, augustus 22, 2020 11:46:52

Ik heb nu al zo vaak verwezen naar de 500 Greatest Albums of All Time van Rolling Stone dat het maar fair is om die top 20 hier even in telegramstijl te laten passeren: 20. Thriller/Michael Jackson, 19. Astral weeks/Van Morrison, 18. Born to run/Bruce Springsteen, 17. Nevermind/Nirvana, 16. Blood on the tracks/Bob Dylan, 15. Are you experienced/The Jimi Hendrix Experience, 14. Abbey Road/The Beatles, 13. The Velvet Underground/The Velvet Underground and Nico, 12. Kind of blue/Miles Davis, 11. The Sun Sessions/Elvis Presley, 10. The Beatles/The Beatles (de dubbele witte), 9. Blonde on blonde/Bob Dylan, 8. London calling/The Clash, 7. Exile on Main Street/The Rolling Stones, 6. What’s going on/Marvin Gaye, 5. Rubber soul/The Beatles, 4. Highway 61 revisited/Bob Dylan, 3. Revolver/The Beatles, 2. Pet sounds/The Beach Boys, 1. Sgt. Pepper’s lonely hearts club band/The Beatles.

En nu ik weer…

20. The Blue Nile — A walk across the rooftops

19. Van Morrison — Astral weeks

18. Bob Dylan — Highway 61 Revisited

17. The Clash — London calling

16. The Jimi Hendrix Experience — Are you experienced?

15. The Triffids — Born Sandy devotional

14. John Cale — Music for a new society

13. Van Morrison — Common one

12. Aretha Franklin — I never loved a man the way I love you

11. Antony and the Johnsons — I am a bird now

10. The Beatles — Revolver

9. Bruce Springsteen — Born to run

8. Joni Mitchell — Blue

7. Stevie Wonder — Songs in the key of life

6. Talking Heads — Remain in light

5. Bob Dylan — Blood on the tracks

4. The Beach Boys — Pet sounds

3. Marvin Gaye — What’s going on (1971). De coming-of-age van een soulzanger, die voor het eerst zelf producete en negen songs schreef die met hun twee voeten, wat zeg ik: met hun héle lijf, in de uitdagende samenleving van toen stond, waarin zwarten tweederangsburgers bleven, racisme welig tierde en de straten van de grootsteden geen veilige plekken waren (zijn die eerste twee aspecten ooit verdwenen?). Daarnaast had Gaye ook nog eens oog voor het milieuvraagstuk (Mercy mercy me) en bleef hij hopen op een interventie van boven (God is love). De nummers vloeien in elkaar over, als om te benadrukken dat dit een conceptplaat is, geen verzameling losse songs. Hoe scherp de maatschappijkritiek ook klonk, er blijft altijd die fantastische, warme stem. De verkoop viel geweldig mee, met twee miljoen exemplaren alleen al in de States. Zie je wel dat mensen, soms, goeie smaak hebben. (Zoals u hierboven al kon aflezen, staat What’s going on op 6 op de min of meer eeuwige lijst van Rolling Stone.)

Luister vooral naar: What’s going on, Save the children, Mercy mercy me (The ecology) en Inner City Blues (Make me wanna holler).

2. Stevie Wonder — Innervisions (1973). Drie jaar vóór Songs in the key of life had Stevie Wonder al uitgepakt met deze lp, die ik, na lang wikken en wegen, nog net iets hoger inschat. Net als What’s going on is Innervisions een conceptalbum, waarin een blinde man beschrijft wat er fout loopt in de Amerikaanse samenleving. Drugs, racisme, onvermogen om samen te leven in de prille jaren 70. Kans is groot dat Marvin Gaye hem hierbij geïnspireerd heeft. Uiteindelijk zaten ze bij hetzelfde platenlabel, Motown. Om Innervisions voor te stellen, werd een speciaal evenement georganiseerd. Recensenten, vrienden en kennissen werden met een busje naar Times Square gebracht en daar geblinddoekt, waarna ze het album te horen kregen. Dave Marsh van Rolling Stone omschreef dit vreemde gebeuren als volgt: “Toen de plaat begon te spelen, was ik compleet gedesoriënteerd. De muziek was zo helder, zo lucide, en had een geweldige kracht die alleen maar versterkt werd omdat ik niets kon zien. Geen afleiding, of noem het volledige afleiding: wat een manier om voor het eerst naar Living for the city te luisteren.” Ach, zelfs met je ogen wijd open is dit fantastisch. Zou Richard Nixon echt Misstra know-it-all zijn geweest? (Op 24 bij Rolling Stone.)

Luister vooral naar: Visions, Higher ground, Don’t you worry ‘bout a thing en He’s misstra know-it-all.

1. Van Morrison — Veedon fleece (1974). Sta me toe wat ik vijf jaar geleden, bij de zeventigste verjaardag van mijn favoriete zanger, schreef over mijn favoriete plaat gewoon te copy-pasten, u bent dat toch allang vergeten. Gaan we!

Het jaar is 1974. In toonaangevende muziekbladen als Rolling Stone en Melody Maker wordt Veedon Fleece neergesabeld als zijnde ‘pompeus’ en ‘zelfingenomen’. Pas jaren later zullen diezelfde bladen en vele andere muziekliefhebbers het album alsnog catalogeren onder ‘Vergeten Meesterwerken’. Op de hoes kijkt de gehurkte zanger je met halflang ros haar schuchter en ietwat argwanend aan. Aan zijn voeten twee gehoorzame Ierse wolfshonden. Op de achtergrond een kasteel, Sutton House Hotel, waar hij logeerde in die dagen. De dominante kleur is groen, we bevinden ons onmiskenbaar in Ierland. Volgens de legende werd de lp in vier weken tijd opgenomen tijdens zijn vakantie, die hij nodig had om te bekomen van de slopende wereldtournee van 1973 (die resulteerde in de dubbellp It’s too late to stop now). Zelf praat Morrison er niet graag over, maar medemuzikanten vertelden vele jaren later over ontspannen opnamesessies, met veel improvisaties en invallen van het laatste ogenblik. Toch klinkt het geheel bijna wiskundig precies, alsof er maandenlang aan geschaafd werd, tot elke noot juist zat.

Veedon Fleece opent met een van de mooiste nummers die ik ken: Fair play. Een zachte gitaar en een voorzichtig aangeslagen piano zetten de toon. Bij mij zorgt het begin van dat nummer telkens weer, na elvendertig beluisteringen, voor een pavloviaanse reactie: gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen. Gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen. Gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen.

Waarover Fair play gaat? Het meer van Killarney, Edgar Allan Poe, Oscar Wilde, Henry David Thoreau en Geronimo. Een indianenleider in Ierland? ‘And there’s only one meadow’s way to go / And you say “Geronimo”‘. Komt daar de perfecte liefde voorbijgeslopen (‘Forever fair / And I’m touching your hair / I wish we could be dreamers / In this dream, ohhh / Let it dream’)? Zou zomaar kunnen. Al kan het net zogoed een gevolg zijn van de stream of consciousness van die opnamedag. Eigenlijk hoef ik het helemaal niet te weten. Ik luister, onderga en geniet. (En voel iets vochtigs over mijn wang biggelen.)

In Linden Arden stole the highlights laat de bard zijn stem de hoogte ingaan, om in het daaropvolgende nummer, Who was that masked man, helemaal over te gaan tot falsetto. Beide songs gaan over een Ierse inwijkeling die probeert te overleven in San Francisco, ten prooi valt aan paranoia en dan maar zijn heil zoekt in geweld, ‘living with a gun’. ‘Oh, ain’t it lonely / When you’re living with a gun / When you can’t slow down and you can’t turn ‘round / And you can’t trust anyone’. Velen vinden die falsettozang belachelijk, voor mij komt Morrison er prima mee weg. Het doet een beetje denken aan Pete Wingfields Eighteen with a bullet (ja, zoek dat maar even op!), al was Morrison in dit geval mogelijk de inspiratiebron, want het nummer van Wingfield werd pas in 1975 uitgebracht, een jaar na Veedon fleece dus.

Van het onveilige San Francisco dribbelen we vervolgens weg naar de Streets of Arklow in het veilige, groene Ierland, ‘God’s green land’. Meer dan een vrolijk kringelende fluit en een subtiel strijkarrangement (bedacht door Jeff Labes, die een niet te onderschatten rol speelde in de sfeerschepping op Veedon fleece) is er niet nodig om weg te dromen. ‘And our heads were filled with poetry / And the morning a-comin’ on to dawn’. In Wicklow, zoals Arklow in werkelijkheid heet, is het goed vertoeven. God, natuur en poëzie lopen er hand in hand. ‘And our souls were clean and the grass did grow’. Zalig. Zelfs de malse regen die je erbij fantaseert kan het idyllische gevoel niet verstoren.

Het 8 minuten en 48 seconden durende You don’t pull no punches, but you don’t push the river wordt opnieuw aangedreven door gitaar, piano en fluit. Van Morrison laat zijn zoektocht naar Ziel & Zin van Het Leven meanderen langs het pad van een mythologische schrijver (‘William Blake and the Eternals’), de zusters van barmhartigheid (‘Sisters of mercy’) en grootse kathedralen, waar Gods liefde wordt bezongen, op zoek naar de ‘veedon fleece’, een onvertaalbare term die zelfs de Ieren niet blijken te kennen. Bedoelt hij het ‘gulden vlies’, heeft hij het over ‘maagdenvlies’, of gaat het — zoals hij ooit in een zeldzaam openhartig interview liet uitschijnen — over de ‘Ierse ziel’? Morrison was in die periode nogal sterk geïnteresseerd in Gestalttherapie, dat verklaart wellicht deels de op een aantal losse gedachten hinkende inhoud van You don’t pull no punches…. En dan heb ik het niet eens over die mysterieuze titel gehad. Wat het ook is, laat deze track als een warme deken over je heen rollen. Dit is balsem voor de ziel, onwezenlijke schoonheid, de overtreffende trap van subliem, meditatie voor gevorderden. Niet alles in het leven moet verklaarbaar zijn, toch?

Het voordeel van een ouderwetse lp is dat de stilte aan het einde van een plaatkant eventjes kan intreden. Neem uw tijd om naar de platendraaier te schrijden, draai voorzichtig om en ontdek aan het begin van kant twee Bulbs, dat zowaar op single werd uitgebracht. Dit is de Van Morrison van Brown eyed girl en Domino: achteloos ladiedadieda’end in het refrein, soul en gospel in harmonie samenbrengend, vrolijker klinkend dan het thema waarover hij zingt. ‘We’re just screaming through the alley way / I hear her lonely cry, ah why can’t you? / And she’s standing in the shadows / Canal street lights all turn blue’.

Als ik Wikipedia mag geloven gaan Bulbs en de daaropvolgende track, Cul de sac, over de problemen die een migrant ondervindt wanneer hij zijn vertrouwde thuis verlaat om elders zijn geluk te beproeven. Dit zou dus over Morrison zelf kunnen gaan, ook al is het hoofdpersonage van Bulbs een vrouw. Alleen al in de titel Cul de sac, Engels voor ‘doodlopende straat’, zit veel symboliek verborgen. ‘It’s not very far away / It’s not as far as a country mile / (You got it) / It’s just a Cul De Sac’ zingt hij delicaat.

Van delicaat naar delicatesse is een luttele afstand van niet meer dan één flauwe woordspeling en kijk, daar is Comfort you al. Neem dat warme deken van daarnet, leg het over uw rillende botten en laat Van Morrison u troosten. Hij ziet u graag. Al zal het nummer in eerste instantie toch voor zijn nieuwe lief bedoeld zijn geweest, niet voor u.

Comfort you is het begin van een drieluik dat steeds diepzinniger, intenser en schoner wordt. Een paar minuten later komt Come here my love zachtjes op de deur tikken. ‘Come here my love / And I will lift my spirits high for you / I’d like to fly away / And spend a day or two’. De zanger is ‘mystified’, wordt overmand door een gevoel van melancholie, maar laat zich meedrijven op de golven van het sentiment met als ultieme doel ‘become enraptured by the sights and sounds, in intrigue of nature’s beauty’. Zinnen die je zelf zou willen kunnen verzinnen om er je eigen geliefde aangenaam mee te verrassen.

Denk tegelijkertijd aan verliefd zijn, het Ierse platteland en een zeldzaam zonnige dag en je komt uit bij Country fair. ‘We counted pebbles in the sand / Sand like time slippin’ through our hand / In the country fair’. Geen mystiek hier, geen namedropping, geen hermetisch gedoe: een rechttoe rechtaan song over twee geliefden die in het gras gaan liggen en naar een vredig stromende rivier kijken. Country fair is het slotnummer op Veedon fleece. Als de laatste klanken zijn uitgestorven, passen maar twee dingen: oneindig veel respect voor iemand die dit op zijn negenentwintigste uit zijn hart, hersenen en pen kon schudden, en stilte, diepe stilte. Even minutenlang niets doen en nagenieten. Moet kunnen, het hoeft niet altijd even druk-druk-druk te zijn. (De driehonderd ‘kenners’ die Rolling Stone vroeg om input te geven voor hun 500 Greatest Albums of All Time hebben blijkbaar nooit van Veedon fleece gehoord, want de plaat staat er niet in. Of ze hebben geen smaak, kan ook natuurlijk…)

Als ik ooit verbannen word naar een verlaten eiland en ik mag niet meer dan tien platen meenemen, dan wordt dat een hartverscheurende keuze tussen al dat prachtigs van Van Morrison, Bob Dylan, Neil Young, Bruce Springsteen en honderden anderen, zowel one hit wonders als artiesten met een omvangrijke collectie.

Als ik maar één plaat mag meenemen, is de keuze veel simpeler: Veedon fleece!

Luister vooral naar: Fair play, You don’t pull no punches, but you don’t push the river, Come here my love en Country fair.



Albums Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on vr, augustus 21, 2020 10:34:23

U mag het gerust een eigenaardigheid noemen, maar dit is weer een zeer Angelsaksische lijst geworden, besef ik plots, en ook nogal mannelijk, sorry, en opvallend genoeg staan de topnamen uit mijn vorige lijstjes (zangeressen, zangers, bands) er nauwelijks tussen. Het ging me bij Nina Simone, Billie Holiday, Scott Walker, Roy Orbison, Wannes Van de Velde, Jacques Brel, The Velvet Underground, The Doors en Creedence Clearwater Revival meer op het totaalpakket dan om uitschieters. En in een top 528 zouden ze ongetwijfeld veelvuldig opduiken, vanaf plaats 21. Maar niet hier, want…

20. The Blue Nile — A walk across the rooftops

19. Van Morrison — Astral weeks

18. Bob Dylan — Highway 61 Revisited

17. The Clash — London calling

16. The Jimi Hendrix Experience — Are you experienced?

15. The Triffids — Born Sandy devotional

14. John Cale — Music for a new society

13. Van Morrison — Common one

12. Aretha Franklin — I never loved a man the way I love you

11. Antony and the Johnsons — I am a bird now

10. The Beatles — Revolver (1966). Experimenteren en toch toegankelijk blijven, dat was de opdracht en daarin slaagde de Fab Four wonderwel op een plaat die alle kanten op stuitert en toch netjes binnen de kwalitatieve lijnen blijft kleuren. Het frisse van de eerste zes platen en de talloze nummer 1-singles blijft absoluut behouden, terwijl ze toch andere wegen inslaan, met oosterse invloeden, en meer dan ooit gestuurd en gestuwd door de briljante producer die George Martin was. Strijkers op Eleanor Rigby? Neen, het stoort allerminst. Blazers op Got to get you into my life? Laat maar komen! Voor de meesten is het kiezen tussen Revolver, Rubber soul, Sgt. Pepper’s lonely hearts club band en The Beatles (ook wel The White Album genoemd), bij mij durft het ook weleens wisselen. L’Osservatore Romano, de officiële krant van het Vaticaan, publiceerde tien jaar geleden zowaar een lijst met de tien beste rockplaten en Revolver stond, godbetert, op 1. In de 500 Greatest Albums of All Time van het toonaangevende blad Rolling Stone staan The Beatles vier keer in de top 10: de ‘dubbele witte’ op 10, Rubber soul op 5, Revolver op 3 en Sgt. Pepper’s op 1. Ik houd het op Revolver. De paus knikt goedkeurend.

Luister vooral naar: Eleanor Rigby, And your bird can sing en Got to get you into my life.

9. Bruce Springsteen — Born to run (1975). Commercieel succes koppelen aan kwaliteit, het kan hoor. The Boss bewees het met zijn derde lp, die hem op de wereldkaart zette. Als je het resultaat beluistert, zou je denken dat het een ‘piece of cake’ was om de plaat te maken, maar niets was minder waar. Alleen al op het titelnummer werd een half jaar gezwoegd, de auteur bleef storende geluiden horen “die anderen in de studio niet hoorden”. Typisch Springsteen, nooit tevreden met zichzelf. Uiteindelijk liet hij zich overhalen om er een producer bij te halen, dat werd zijn ontdekker en manager Jon Landau, een vertrouwenspersoon. Voor de hele lp werden veertien maanden uitgetrokken. Voor het eerst is er sprake van drummer Max Weinberg — uitgegroeid tot de motor van de The E Street Band — en pianist Roy Bittan, twee onmisbare leden van dit unieke gezelschap. Rolling Stone zette deze plaat op 18.

Luister vooral naar: Thunder road, Tenth Avenue freeze-out en Born to run.

8. Joni Mitchell — Blue (1971). Deze plaat gaat over relaties. Alle platen van Joni Mitchell gaan over relaties. Niemand schrijft beter over relaties dan Joni Mitchell. Relaties zijn verdomd moeilijk om te onderhouden, als we Joni Mitchell mogen geloven (en wie zijn wij om haar níet te geloven?). Op Blue komen haar liefdesbesognes met Graham Nash, Cary Raditz en James Taylor uitgebreid aan bod, een deel van de songs werd geschreven op de eilanden Kreta en Formentera tijdens een uitgebreide Europese vakantie. Geen singles en toch was de plaat een commercieel succes: Blue klom op tot nummer 3 in de Amerikaanse charts. In Canada, waar Joni Mitchell vandaan komt, werd de plaat uitgeroepen tot de beste Canadese lp van de vorige eeuw (hoger genoteerd dan eender wat van Neil Young, bijvoorbeeld). Rolling Stone zette deze plaat pas op nummer 30, de sukkels.

Luister vooral naar: Carey, California en River.

7. Stevie Wonder — Songs in the key of life (1976). Zesentwintig was de blinde zanger nog maar toen deze lp uitkwam en toch was het al zijn achttiende (!) bijdrage tot de muziekindustrie. Werktitel was overigens Let’s see life the way it is, soms moet je gewoon blij zijn dat werktitels geen definitieve titels worden. De opnamen gebeurden in Los Angeles, Sausalito en New York, waar het de eerste plaat was die werd opgenomen in The Hit Factory. Het aantal uren dat Wonder sleutelde aan de plaat was ontelbaar, honderddertig (!) mensen werkten eraan mee. Normaal zijn dubbellp’s vervelend en bevatten ze een resem overbodige tracks. Niet zo in dit geval: vier geweldige plaatkanten en daarbovenop nog een aardig bonussingletje met vier songs. Uiterst dansbaar materiaal afgewisseld met esoterische songs, Stevie Wonder liet zich niet afremmen. Alleen Rumours van Fleetwood Mac werd in 1977 meer verkocht dan Songs in the key of life. (Wat kent Rolling Stone overigens van muziek: deze staat niet hoger dan 57.)

Luister vooral naar: I wish, If it’s magic en As.

6. Talking Heads — Remain in light (1980). Het predikaat ‘postpunk’ dat Talking Heads werd toebedeeld, had allicht meer te maken met die ene avond in CBGB’s, in het voorprogramma van de Ramones, dan met de werkelijkheid. Van bij het begin klonken zij eclectischer dan hun generatiegenoten: funk en Afrika vloeiden in elkaar over, rock was altijd in de buurt, en met een producer als Brian Eno wist je dat er geëxperimenteerd zou worden. Hypnotiserend is een goede omschrijving. Stilzitten kan niet, zeker niet op de eerste plaatkant, zeventien minuten hoekige ritmes die je van de ene naar de andere kant van de kamer doen stuiteren (dans hier dus best in openlucht op). Ik vervloek mezelf nog af en toe dat ik de groep in die periode nooit live heb gezien. Een optreden vele jaren later van David Byrne, hoe goed ook en hoe geniaal de man ook altijd is gebleven, kon dat niet compenseren. Want die andere drie (Chris Frantz, Jerry Harrison en Tina Weymouth) waren even onmisbaar als hij om die verwoestende sound te creëren. (129 bij Rolling Stone, de losers!)

Luister vooral naar: Crosseyed and painless, The great curve en Once in a lifetime.

5. Bob Dylan — Blood on the tracks (1975). Liefdesbreuken zijn pijnlijk, maar ze leveren soms briljante kunstwerken op. Jammer voor de betrokkene(n), het zal óns niet beletten om er intens van te genieten. Zo wreed gaat het soms. Op Blood on the tracks probeert Dylan de demonen te bedwingen die opdoken tijdens de scheiding van zijn geliefde Sara, zo dachten we lang. In deel één van zijn memoires, Chronicles Vol. 1, schreef hij in 2004 dat de plaat niets te maken had met zijn persoonlijke leven en dat de nummers gebaseerd zijn op kortverhalen van Anton Tsjechov. Gelove wie kan. Zoon Jakob Dylan zag het anders: “Ik hoor mijn ouders praten”, getuigde hij. ‘You’re an idiot, babe / It’s a wonder that you still know how to breath’ klinkt in elk geval niet al te vriendelijk. De lp werd in verschillende periodes opgenomen, onder meer omdat de bard zelf vond dat ze op een bepaald moment te monotoon klonk, waarna hij er andere arrangementen op schreef en instrumenten toevoegde. Blood on the tracks staat slechts op 16 in Rolling Stones beste albums ooit. Te laag, vind ik.

Luister vooral naar: Tangled up in blue, If you see her, say hello en Shelter from the storm.

4. The Beach Boys — Pet sounds (1966). Ook wel gekend als de laatste plaat van Brian Wilson alvorens hij écht gek werd. Verdwenen zijn de aanstekelijke surfhits uit de beginjaren, dit is dé plaat van songwriter en producer Brian Wilson, met slechts een bijrol voor zijn kompanen die live bleven toeren, terwijl de mensenschuwe Wilson in de studio aan de songs bleef sleutelen. Een mens zou van minder kierewiet worden. Ook al omdat er een soort wedstrijdje-om-ter-briljantst liep tussen The Beatles en The Beach Boys. Concurrenten die elkaar respecteerden. Paul McCartney noemde God only knows de beste song ooit. Misschien is dat dankzij de Franse hoorn, de sleebellen, de imitatie van een wandelend paard, klavecimbel, fluiten, basklarinet, accordeon en strijkers die Wilson gebruikte om de sound te verrijken. Ik bezit een vierdelige box, waarin naast een mono- en stereo-versie van de plaat, ook de muziek zit zonder stemmen en de stemmen zonder instrumentale begeleiding. Laten we ’t omschrijven als: hemels. Bij Rolling Stone strandde Pet sounds op nummer 2, achter die vermaledijde Beatles met hun Sgt. Pepper’s.

Luister vooral naar: Sloop John B, God only knows en I just wasn’t made for these times.

Morgen: 3-2-1.



Volgende »