Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Jong en oud hebben elkaar nodig

Economie, Uncategorised Posted on za, juni 20, 2020 12:59:09

Al weken staat het op mijn (volkomen denkbeeldig) to-dolijstje voor deze blog: iets schrijven over de ergerlijke manier waarop jong en oud van elkaar gescheiden worden in deze coronacrisis, en hoe dat ingegeven wordt door onze compleet achterhaalde kijk op het begrip leeftijd. De tijdelijke fysieke scheiding was onvermijdelijk, vanwege de besmettelijkheid van het virus en de kwetsbaarheid van oudere bevolkingsgroepen. Fair enough. Maar daarbovenop kwam een mentale scheiding. We moesten snel weer aan het werk (een nauwelijks berekend risico voor wie tot een risicogroep behoorde). We moesten denken aan de toekomst van de jongere generaties (versta: die ouderen zullen normaal gezien eerder geconfronteerd worden met hun sterfelijkheid). We moesten de scholen, de restaurants en de cafés heropenen, maar de rusthuizen nog niet (ocharme, die oudjes, maar ja, ’t is voor hun eigen goed, hé). We moesten misschien wel hartverscheurende keuzes maken wie we zouden proberen te laten overleven als er sprake zou zijn van triage en ja, jongeren hebben meer toekomst…

Als zestigplusser, met twee voeten ploeterend door de modder van de hedendaagse realiteit, niet dwepend met de ‘Vroeger was het beter’-gedachte, zelfs een heel klein beetje fomo en yolo, wil ik niet betutteld worden. Ik begrijp dat ik mijn kranige moeder van achtentachtig zes weken niet mocht bezoeken, maar ik weiger haar te zien als een hulpeloos oudje. Dat doet de overheid aan de ene kant net wel en aan de andere kant veel te weinig. Ik verklaar me nader: enerzijds wordt er betutteld dat het een lieve lust is, anderzijds werden de woonzorgcentra flink verwaarloosd. Enerzijds, anderzijds: het klinkt als iets van de CD&V en net daar lag de beleidsverantwoordelijkheid voor welzijn in Vlaanderen al meer dan achtendertig jaar — op een intermezzo van vijf jaar Agalev/Groen rond de eeuwwisseling na. De laatste uittocht zou een pak menselijker kunnen zijn. Móeten zijn. Of noem het ‘christelijker’, dat is misschien duidelijker voor sommigen.

***

Ik weiger als een has-been bestempeld te worden, en toch is het dat wat deze samenleving mij probeert aan te praten. Vijf jaar geleden schreef ik, op mijn zesenvijftigste, het boek Als het werk stopt, over de problematiek van de werkzoekende vijftigplusser. Wie ouder dan vijftig is, heeft het heel moeilijk om een nieuwe job te vinden. Wie ouder dan vijfenvijftig is, mag het haast vergeten. We zijn er lichtjes op vooruitgegaan sindsdien, niet dankzij mijn boek voor alle duidelijkheid, maar het blijft een teer economisch punt dat we, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Scandinavische landen, mensen die nog niet zó ver voorbij de helft van hun levensverwachting zitten, uitrangeren.

Dit probleem overstijgt de traditionele links/rechts-as en is wellicht daarom zo moeilijk te vatten. Het probleem is collectief, niet individueel, en het zit diepgeworteld in onze moderne maatschappij. Dan weet je: dit is een zeer hardnekkig probleem, en liefst proberen beleidsverantwoordelijken het te vergeten, da’s het makkelijkst. Doe wel en zie niet om, want dan zou u merken dat de pensioenleeftijd van 65 destijds werd ingevoerd omdat mensen gemiddeld niet veel ouder dan die leeftijd werden. Momenteel worden vrouwen in België gemiddeld 83,7 jaar, mannen 79,2 jaar, en het algemeen gemiddelde bedraagt 81,5 jaar. Nu ga ik de linkse lezers allicht schofferen, maar het verhogen van de pensioenleeftijd is economische én maatschappelijke logica. Eén, we moeten die pensioenen kunnen blijven betalen en hoe vroeger mensen afscheid nemen van de arbeidsmarkt, hoe meer ze een beroep doen op de sociale zekerheid (ook al hebben ze, inderdaad, zelf jarenlang afgedragen voor de betaling van hun eigen pensioen). Twéé, het is onverantwoord om oudere mensen te snel af te schrijven. Zij kunnen en willen nog heel veel.

In 1973 werd het brugpensioen ingevoerd, tegenwoordig heet dat ‘stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag’, SWT. In volle oliecrisis was dat niet eens zo onlogisch. Door die zware economische terugval ontstond er een hoge werkloosheid en koos de overheid ervoor om oudere werknemers vervroegd naar huis te sturen, waarbij ze bovenop hun werkloosheidsuitkering een aanvullende premie ontvingen van hun werkgever. Minder dan wat ze in vaste loondienst hadden, meer dan wat ze als werkloze zouden ontvangen. En dat tot aan hun wettelijke pensioenleeftijd. Het werkelijke doel was om jongeren sneller te laten instromen op de arbeidsmarkt. Kortom, men koos ervoor om twintigplussers aan het werk te zetten en hen de plaats te laten innemen van vijftigplussers. En men is dat blijven doen.

De eerste keer dat het brugpensioen werd ingevoerd, kon je daar nog begrip voor opbrengen; de eerste keer weet je niet wat de gevolgen zullen zijn. Maar na zevenenveertig jaar zou dit brugpensioen/SWT niet meer mogen bestaan, meer nog: het had al decennia geleden afgeschaft moeten zijn. Het is in vele opzichten een brug te ver geworden. Dat het überhaupt nog bestaat, is een gevolg van een vreemde entente tussen instanties die meestal lijnrecht tegenover elkaar staan. Werkgevers willen af van die oudere werknemers, die in hun ogen minder flexibel, minder productief en vaker ziek zijn (vooroordelen die overigens zelden kloppen). Vakbonden vinden dat oudere werknemers rust verdienen, zodat jongeren hun plaats kunnen innemen. De overheid vindt dat allemaal goed, om de sociale rust toch op dit ene vlak te kunnen bewaren. En oudere werknemers beginnen op hun vijftigste uit te bollen, in het vooruitzicht van een afscheid van die tredmolen. Rustig genieten, weet u wel. Op de duur weet je niet beter of het hoort gewoon zo. Een vicieuze cirkel.

De realiteit is dat er heel wat ervaring, knowhow en stabiliteit worden opgeofferd. In de BMW-fabriek in het Duitse Dingolfing, in de staat Beieren, namen ze in 2007 de proef op de som: er werd een productielijn specifiek op maat voor oudere werknemers ingevoerd, met een gemiddelde leeftijd van 47 jaar. Na negen maanden bleek die productiever dan de andere, ‘jongere’ productielijnen in dezelfde fabriek. Wat bewijst dit? Dat vijftigplussers wel degelijk nog gemotiveerd kunnen zijn, als je hen ernstig neemt, en rekening houdt met zowel de beperkingen door hun leeftijd als de sterktes dankzij hun leeftijd. Een goede mix van leeftijden is een pluspunt. In Scandinavische landen volgen vijftig- en zelfs zestigplussers nog volop bijscholingen, bij ons wordt oudere werknemers afgeraden dat te doen, ‘want over een paar jaar ben je toch weg en wat is het nut er dan van?’

***

We moeten af van dat zwart/wit-denken. Er zijn zware beroepen — wanneer is die definitieve lijst er eigenlijk? — en die mensen moeten we op tijd kunnen laten vertrekken. Klopt. Er zijn fysieke en mentale omstandigheden waarin het meer dan verantwoord is om de arbeidsmarkt vroeger dan gepland te verlaten, wat je vooral individueel moet bekijken. Inderdaad. Maar ik ben er zeker van dat je mits een omslag in de mentaliteit en, vooral, de werkomstandigheden — ‘Werkbaar werk’, nog zo’n vlotte slogan die niet resulteerde in beleid — zult merken dat heel wat mensen heel graag nog deel blijven uitmaken van de actieve samenleving, en niet alleen als goedkope kinderoppas of sympathieke vrijwilliger.

De coronacrisis heeft een aantal tegenstellingen op scherp gesteld die geen tegenstellingen zouden mogen zijn. Jong en oud hebben elkaar nodig. Ik heb als freelancejournalist momenteel (nog) niet te klagen over werk, maar ik zou in een bedrijfsomgeving een heel goede mentor kunnen zijn voor jongere collega’s, zonder dat ik hen in de weg loop of zelf het gevoel krijg dat zij mij willen buiten duwen. Hoe onproductief is het om een samenleving op te delen in kinderen en jongeren die leren, volwassenen die werken en oudjes die thuis zitten? In een ideale wereld lopen al die fasen — behalve die eerste leerfase — door elkaar en nemen mensen een sabbatjaar op hun dertigste, beginnen ze opnieuw te studeren op hun veertigste, volgen ze nog bijscholingen op hun vijftigste en werken ze nog halftijds op hun vijfenzeventigste. Hokjesdenken is nefast voor een samenleving, ook voor het land van de koterijen.

(Waarschuwing: de eerste die ‘OK, boomer!’ als repliek op deze blogpost schrijft, weet ik te vinden.)



We moeten het over de oorlog hebben

Uncategorised Posted on za, juni 13, 2020 13:14:53

Dat het een schande was. Eén, dat iemand dit had durven tekenen. Twéé, dat een krant dit had durven publiceren. Het ging om een cartoon van Marec in Het Nieuwsblad. Wat zien we? Een mannetje dat met zijn linkerknie op de nek van een plat op de grond liggend en mistroostig kijkend ventje zit, met daarboven in een tekstballonnetje ‘Purple lives matter’. Het ene mannetje is Wouter Vandenhaute, de nieuwe voorzitter van Anderlecht, het ventje Michaël Verschueren, uitgerangeerd en uitgespuwd. En die ‘Purple lives matter’ is uiteraard een verwijzing naar de ‘Black lives matter’ na de dood van, neen: de móórd op George Floyd. ‘In mijn krant vandaag. Walgelijk’, schreef een collega-sportjournalist, werkzaam in dezelfde mediagroep als die krant, in een privé-berichtje naar mij. Ik onthoud u mijn antwoord niet: ‘Goh, ik kan veel hebben van cartoonisten. Niet de meest subtiele van Marec, zeer zeker.’

Heel eerlijk, als ik het voor het zeggen had in die krant, zou ik de cartoon niet gepubliceerd hebben, vanwege te gevoelige materie. Noem me gerust laf, want op zich moeten cartoonisten de grenzen kunnen opzoeken en er af en toe minstens één voetje overheen tillen. Ik herinner me van vlak na het Heizeldrama (29 mei 1985, 39 doden) een cartoon van ZAK in De Morgen: in een paar pennentrekken had hij de situatie geschetst. Vol stadion, lijken naast het veld en ongeduldige voetballers erop. De letterlijke tekst ken ik niet meer, maar het kwam neer op “Kunnen de doden het veld verlaten zodat we eindelijk kunnen beginnen voetballen?” Cynisch, wrang, je zal maar zwaargewond zijn geraakt of een vriend, broer of man hebben verloren die dag op de Heizel. Toch vond ik die cartoon passend, omdat dat cynisme hoorde bij de toenmalige (en ook de huidige) Europese voetbaltop. The show must go on! Jammer van de doden, maar er moet straks een beker met de grote oren worden uitgereikt. ZAK had overschot van gelijk om dat te hekelen.

Ik weet niet of De Morgen destijds boze brieven en gele briefkaarten heeft ontvangen: er was nog geen mail, er waren nog geen sociale media, lezersfora bestonden niet, er stonden pas dagen of weken na datum brieven in de krant, in Het Laatste Nieuws met de vermelding ’20 frank ontvangen voor Kindergeluk’. Zijn we echt gevoeliger geworden voor grove boodschappen, of krijgen we dat idee alleen maar omdat we onze mening nu onmiddellijk kunnen ventileren en verspreiden, waardoor twintig reacties algauw op een grote massa lijken te wijzen? Ik ben blij dat De Morgen destijds die ZAK-cartoon gepubliceerd heeft. En ik vind het op zich kunnen — hoeveel schande velen, onder wie heel wat mediamensen, er ook van spraken — dat Het Nieuwsblad die Marec-cartoon in de krant zette. Niet alles hoeft subtiel te zijn, cynisme is soms goed om dadelijk tot de kern van de zaak door te dringen, en zinloze vergelijkingen — in dit geval de ‘moord’ op een clubbestuurder, zoon van een legendarische secretaris, en de moord op een zwarte man — horen daarbij.

Maar goed, zoals u in de titel las, moeten we ’t over de oorlog hebben, ook al blijft Basil Fawlty ‘Don’t mention the war!’ roepen. Fawlty Towers blijft mijn favoriete komische serie aller tijden. Voor het eerst op tv in 1975: ik was zestien en begon te verpoppen van jongetje tot jongen. De zesde aflevering van het eerste seizoen is altijd mijn favoriete episode geweest: The Germans. De plot: de vrouw van Basil Fawlty, Sybil, ligt in het ziekenhuis met een ingegroeide teennagel. Bij een brandoefening in het hotel loopt Basil een hersenschudding op, waardoor hij zelf in het hospitaal belandt. Als hij bij het ontwaken een zwarte dokter aan zijn bed ziet staan, denkt hij dat hij hallucineert. Hij verlaat stiekem het ziekenhuis en krijgt in het hotel te maken met een groep Duitse gasten. Hij bezweert manusje-van-alles Manuel ‘I’m from Barcelona’ en dienstmeid Polly om de oorlog niet te vernoemen, wat hij zelf wél doet. Hilarische scènes.

Een aflevering van Fawlty Towers begon altijd redelijk normaal. Korte situatieschets, waarna Basil al vrij snel begon te flippen en je minder dan een halfuur later in de totale chaos was beland. Schaterend zette je vervolgens de tv af, beter werd het toch niet meer die avond. Een van de vaste hotelgasten was Major Gowen, een dementerende militair die af en toe in beeld kwam gewaggeld en wat onsamenhangende dingen zei, waarop Basil (John Cleese) hem meestal onbegrijpend aanstaarde. In The Germans heeft de majoor het nostalgisch over de ‘West Indies’, een vroegere Britse kolonie, en vertelt hij hoe hij zijn overleden vrouw vergeefs probeerde duidelijk te maken wat het verschil is tussen een ‘neger’ (jawel, nigger in het Engels) en een ‘bruine’.

John Cleese, die samen met zijn toenmalige echtgenote Connie Booth (die Polly speelde) het scenario schreef, creëerde een reeks karikaturale personages: alleen de vrouwen gedragen zich nog redelijk normaal. Basil is een betweterige, veel te luide, onhandige misantroop, Manuel een domme nietsnut en de majoor een relikwie uit (gelukkig) vervlogen tijden. De karikaturen liggen er zó vingerdik op, dat je hen niet serieus kan nemen. Dat we nu, vijfenveertig jaar later, de fictieve woorden van een seniele, karikaturale, krasse knar ernstig nemen is op zich al bijzonder vreemd. Kunnen we het verschil niet meer maken tussen gescripte fictie en de realiteit? Is alles realityshow geworden in de 21ste eeuw? Ik kon toen niet echt lachen om wat de majoor zei, maar ik kon wel lachen mét hem, als overlevende van een aangebrand verleden. Als ik dat toen, als zestienjarige, kon, moeten volwassenen van vandaag dat óók kunnen. Blijf dus met je fikken van The Germans, of het is oorlog!

Ook Little Britain moest er deze week aan geloven, een komische serie die tussen 2003 en 2005 werd uitgezonden, met als protagonisten het duo Matt Lucas-David Walliams. De humor was onveranderlijk van de grove soort. Waar vandaag aanstoot aan wordt genomen, zijn de scènes waarin de heren zich als ‘blackface’ vermommen: een witte die zwart wordt geschminkt en zich ‘zwart’ gedraagt. Ook hier geldt: de karikatuur is zo overduidelijk, dat je maar twee dingen kunt doen, ermee lachen of er niet mee lachen. Censureren lijkt me geen valabele optie. Dit is niet vergelijkbaar met Zwarte Piet, een ‘blackface’ die jonge kinderen moet doen geloven dat Sinterklaas een nogal brutale en ietwat onbetrouwbare zwarte knecht heeft. Kinderen begrijpen nog geen karikaturen, zij nemen dit letterlijk. Het is ook niet vergelijkbaar met de witte zangers die zich zwart schminkten in The Black and White Minstrel Show, een populaire zangshow die twintig jaar lang de schermen teisterde, tot de tv-bonzen het in 1978 welletjes vonden. Zó fout, en desondanks passeerde dat rimpelloos in die tijd. Die vorm van racisme zou nu niet meer kunnen.

Humor evolueert. Wat de meesten grappig vonden in de jaren vijftig, vinden we nu flauw. Wat twintigers vandaag grappig vinden, zouden de twintigers van toen niet geaccepteerd hebben. Er is altijd een dunne scheidslijn geweest tussen grappig en niet grappig, tussen misplaatst en misdadig, tussen de grenzen oprekken en de grenzen opheffen. ZAK, Marec, The Germans en Little Britain mag je gerust afstotelijk vinden: ieder zijn ding. Als humor aanzet tot geweld, haat of discriminatie moet je het verbieden, gewoon omdat het wettelijk niet mág, maar politieke correctheid moet limieten hebben. Doe wat mij betreft praktijktesten of installeer een academisch monitoringsysteem om alles in het oog te houden, het kan me niet schelen, maar laten we geen cultuurbarbaren, kwezels of heikneuters worden. Dat je de standbeelden van Leopold II beklad of desnoods van hun sokkel trekt, tot daaraan toe, maar van het monument Fawlty Towers moeten ze afblijven. De dag dat er over elke grap moet worden nagedacht, is humor dood.

Als we alles op een weegschaal gaan leggen, kan er niets meer. Vergeet de films van Tarantino, met hun overdreven gewelddadigheid. Doe er de films van de Coenbroers maar meteen bij. Vergeet komische series, altijd zal er wel een minderheid zijn die zich beledigd voelt. Vergeet de liedjes van Prince, heeft u dat seksistisch en objectiverend ondertoontje dan niet gehoord? Een samenleving moet gevoelig zijn voor de bekommernissen van minderheden, en daar ook rekening mee houden als er sprake is van reële beledigingen of bedreigingen, maar ze moet vooral niet zodanig krampachtig reageren dat alles in vraag wordt gesteld. Voor je het weet beland je in een humorloze maatschappij, die veel weg zal hebben van een totalitair regime, waar de overheid bepaalt wanneer, hoe vaak en met wie u mag lachen. We kennen daar een paar voorbeelden van: het China van Mao, de Sovjet-Unie van Stalin en kornuiten, en nazi-Duitsland. Don’t mention the war!



Leopold II

Geschiedenis Posted on za, juni 06, 2020 13:12:45

‘Ik zag nen aave man, ‘et s’ôeves langst de stroêt / Een zwette redingotte, ne lange witten boed / Hij ei ne wandelstok, ne zilvere kepi / Ik wei ni zaine nôem, ‘k nôem em Leopold II.’ In mijn herinnering dateert Leopold II van Jef Elbers uit de vroege jaren 70, in realiteit blijkt het 1984 te zijn. Een ogenblik dat de Brusselse volkszanger zich al een poos geëngageerd had bij het Vlaams Blok, wat niet verwonderlijk was voor iemand die nog bij de fascistoïde Vlaamse Militanten Orde (VMO) had gezeten.

Het lied van Elbers ging niet over de gelijknamige koning, maar over een man die op onze tweede vorst geleek. Het zal die lange witte baard geweest zijn die het ‘m deed. Leopold II, de echte, kwam deze week weer eens in het nieuws, mede dankzij een knie die toebehoorde aan een witte agent en een zwart hoofd dat eronder lag en minutenlang ‘I can’t breathe’ prevelde, tot de man inderdaad niet meer kon ademen. Het ging over racisme in de States en racisme bij ons, en dan komt Belgisch Congo ter sprake en onveranderlijk ook de man die ons dat land destijds had ‘geschonken’. Congo was een privé-projectje van ’s lands vorst, vanaf 1885, hij was net vijftig geworden en zou eind dat jaar twintig jaar op de troon zitten. Daar hoorde blijkbaar een feestje bij. Onafhankelijke Congostaat noemde hij de tiende provincie van toenmalig België, ook wel: Congo Vrijstaat, want over eufemismen moest je die oude heersers niets leren. Leopold II (1835-1909) zou drieëntwintig jaar genieten van die Belgische annex, waar de grondrijkdommen gretig werden toegeëigend en weerspannige inboorlingen — ik leen even het taaltje dat toen ongetwijfeld werd gebruikt — werden opgesloten, verminkt (het afhakken van handen was populair in die tijd) of vermoord. In 1908 droeg hij zijn speeltuin over aan de Belgische Staat, die nog tweeënvijftig jaar lang de scepter zou zwaaien in Congo, tot aan de onafhankelijkheid van 1960. Lees gerust Adam Hochschilds ontluisterende portret De geest van koning Leopold II en de plundering van de Congo uit 1998, waarvan de oorspronkelijke Engelse titel nog veel meer zegt: King Leopold’s Ghost: A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa. Na lezing ben je opeens iets minder trots dat je Belg bent.

Moeten we standbeelden van Leopold II her en der in het land nog blijven gedogen, was de vraag die even onverbiddelijk als onvermijdelijk opdoemde de voorbije dagen. Versta: moeten we eer blijven betonen aan een bezetter, een dief, een slavendrijver en een massamoordenaar, en dat allemaal verzameld onder datzelfde royale schedeldak? Als je de vraag zo stelt — en waarom zouden we dat niet doen? — is het antwoord logischerwijs en volmondig ‘Neen’. Uiteraard niet. Wie denk je wel dat we zijn? Sommigen voegden de daad bij het woord en gingen Leopold II bekladden, niet onbegrijpelijk, maar tegelijk ook een zwaktebod.

Toch werden die borst- en standbeelden van Leopold II ooit geplaatst. En dat kan alleen maar geweest zijn om eer te betonen aan de monarch, waarom investeer je anders in edelgesteente en de vaardige handen van een kunstenaar die het beeld mag vervaardigen? Zoals een Cyriel Verschaevestraat ooit zo werd genoemd omdat de lokale notabelen die Verschaeve zo’n nobele dichter, priester én man vonden. Die actieve collaboratie, ach, een detail, zoals dat Congo-hoofdstuk voor diegenen die beslisten om een standbeeld te plaatsen voor Leopold II eerder een vervelende bijkomstigheid zal geweest zijn. Had die weledele man ons volgens de overlevering niet talloze somptueuze bouwwerken geschonken: de koninklijke serres, de uitbreiding van het koninklijk paleis van Laken, de koninklijke galerijen van Oostende, de Zoo en het Centraal Station van Antwerpen, het Jubelpark, het Brusselse Justitiepaleis, de basiliek van Koekelberg en, o ironie, het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, waar al die in zijn opdracht gestolen voorwerpen netjes uitgestald werden. Neen, als je het in zijn historische context plaatst, was die Leopold meer schurk dan held, een onverbeterlijke racist en allesbehalve een verlichte dictator.

Wat straalt zo’n borst- of standbeeld anders uit dan ‘Ik sta hier voor u, dus ik heb iets voor u betekend’? In het diepst van zijn gedachten zal zelfs Hendrik Bogaert denken dat hij recht heeft op een beeldje, het mag van plastic zijn. O, maar Leopold II is een historisch figuur, die kunnen we toch niet zomaar uit onze geschiedenis schrappen? Misschien moeten we er wel een verklarend bordje naast zetten? (Spoiler alert: kijk eens rond in een museum en turf het aantal mensen dat de bordjes naast schilderijen en beelden gaat bestuderen, het is een minderheid.)

We zouden al kunnen beginnen om de ware betekenis van Leopold II in de geschiedenislessen vanaf de lagere school te duiden. Beste kindertjes, dit was ooit een koning van ons, eigenlijk was hij niet beter dan andere massamoordenaars als pakweg Hitler, Stalin, Mao en Pol Pot. En die standbeelden: haal ze neer, de man verdient geen eerbetoon. Om hem en zijn wandaden niet te vergeten? Dan kan je net zo goed de publieke ruimte gebruiken om beelden van Freddy Horion, Marc Dutroux en enkele moslimterroristen te plaatsen, ‘om hen vooral niet te vergeten’. Beter nog: zet ergens in onze hoofdstad één beeld en noem het ‘Beeld van de bekende misdadiger’. Eén keer per jaar organiseren we een bedevaart die eindigt met het smijten van rotte eieren en tomaten naar het beeld.

Ik heb een voorstel. Er worden geen beelden meer gemaakt van nog levende personen, hoe geweldig we ze als samenleving op het moment zelf ook vinden. Pas vijftig jaar na de dood van een bekende medemens oordeelt een comité van historici, politici en wetenschappers die op hetzelfde domein actief zijn als de mogelijk geëerde, wie er eventueel een borst- of standbeeld verdient en waar dat best geplaatst wordt. Hoe groter de verdienste van de persoon, hoe vaker hij of zij in het straatbeeld mag voorkomen. Los van alle sentiment en ons-kent-ons. Twee, drie generaties later moeten we in staat zijn om de juiste context te schetsen. Als die onafhankelijke experts dan, in naam van de bevolking, van oordeel zijn dat iemand vanwege zijn of haar bijzondere prestaties aan de buitensporige ontlasting van de duiven mag overgeleverd worden, laten we dat dan vooral doen. Want: ere wie ere toekomt.

***

Jef Elbers leeft nog. Een standbeeld voor hem is vooralsnog niet aan de orde. Wellicht nooit. Laten we niemand op ideeën brengen.



Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



#BlackLivesMatter

Samenleving Posted on ma, juni 01, 2020 13:17:06

Ik ben geboren als een witte jongen. Dat komt erop neer dat ik vanaf de wieg geprivilegieerd ben, want witte (zeg voor mijn part: blanke) mannen hebben een streepje voor. Dat is geen verdienste en dat is ook niet iets waarop je mij moet aanspreken. Het is nu eenmaal zo. Toeval. Een zaadcel die hallo zegt tegen een eicel en het resultaat was ik. Ik wil dus niemand horen zeggen dat het geweldig is dat ik een witte man ben. En ik wil evenmin iemand horen zeggen dat het een schande is dat ik een witte man ben.

Ik ben opgegroeid onder witte mensen. Jongens, meisjes, mannen, vrouwen. Thuis, op school, op het werk. Slechts occasioneel liep ik iemand met een andere huidskleur tegen het lijf in mijn leefomgeving. Homo’s en lesbiennes waren er wel in mijn wijde vrienden- en kennissenkring. Sommigen liepen met een boogje om hen heen, of spraken fluisterend — als ze in de buurt waren — of hardop — als ze niet in de buurt waren — kwaad over hen. Behoorlijk omfloerst, of in de vorm van een aangebrande mop, met als onderliggende boodschap: dit hóórt niet. Zo zijn wíj niet.

Ik was vroeger roodharig. Ros. De tand des tijds heeft die rosse glans doen verdwijnen, net als een deel van dat haar trouwens. “Rosse kater, springt in ’t water, met uw tenen boven ’t water”, werd er weleens gezongen naar mij. Toen de Vlaamse gemeenschap nog nagenoeg honderd procent wit was, werd er ook al gezocht naar mogelijke zwakke schakels om te pesten. Het is van alle tijden. Het wordt doorgegeven van ouders op kinderen. Zoek de zwakke schakel, zorg ervoor dat jij de pester bent en niet de gepeste. Och, die ‘rosse kater’ heeft me niet getraumatiseerd. Ik vond het tijdverlies om erop te reageren. Die beledigingen waren nog redelijk onschuldig, met de nadruk op ‘redelijk’, want ook dat gedrag is natuurlijk laakbaar.

Ik weet niet wat het is om tot een minderheid te behoren. Ik weet niet wat het is om van de ene omgeving te migreren naar een totaal andere, verhuizen van de stad naar het platteland laat ik dan even terzijde liggen, hoewel: het geeft je wel een idee wat het moet zijn om als buitenstaander te moeten leven, maar dan zonder de discriminatie en de kleineringen. Mensen kijken je aan alsof je van Mars komt, maar da’s niet erg: ik koester mijn geïsoleerde bestaan als vreemdeling. Pas als mensen je aankijken en je ze ziet denken of hoort zeggen dat je beter op Mars was gebleven, wordt het vervelend.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat moet zijn, leven als vreemde in je eigen land. Niet dat je dat bént, maar als velen dat zeggen, ga je dat op den duur zelf denken, of voel je je er op z’n minst slecht bij. Ik schreef samen met een zwarte man een boek over racisme in het voetbal. Daardoor kreeg ik heel even het gevoel een vreemde te zijn, want sommigen vinden het blijkbaar niet passen dat een witte man — een geprivilegieerde jongen in onze witte westerse samenleving — onrecht aankaart waar hij zelf niet het slachtoffer van is. Het is aan de slachtoffers om dit naar buiten te brengen, kreeg ik af en toe te horen. Of ik las het in beschouwingen over andere racistische daden. Ik begrijp dat totáál niet. Ik vind dat zelfs beledigend, wat zeg ik: een vorm van racisme. Iederéén zou moeten opkomen tegen racisme, of je nu zelf tot de geviseerde groep behoort of niet. Het is een burgerplicht. Het signaal dat ik wou geven met dat ene boek, Vuile zwarte, was er een van burgerzin. Racisme is verwerpelijk, altijd en overal.

Ik las deze morgen een tweet van iemand die zich beroepshalve hoofdredacteur mag noemen en die zich openlijk afvroeg of het niet #LivesMatter of #AllLivesMatter moet zijn, in plaats van #BlackLivesMatter. Het gaat om een witte man, dat hoef ik u niet te vertellen. Van middelbare leeftijd, aan zijn profielfoto te zien. Een typische reactie van geprivilegieerde witte mannen van middelbare leeftijd, van iemand die niet begrijpt (of wil begrijpen) waar die hashtag zijn oorsprong vindt. #BlackLivesMatter zegt níet dat alléén zwarte levens van belang zijn, wel integendeel: het zegt dat zwarte levens evenvéél tellen als alle andere levens. Het zegt: in wezen zijn we allemaal gelijk. Het zegt: in het Amerika van nu worden mensen met een zwarte huidskleur gediscrimineerd, gecriminaliseerd, op vele vlakken sociaal uitgesloten, en dat zou niet mogen. Het zegt: tot hier en niet verder. Wie dat niet snapt, neemt best geen openlijke standpunten in. Of wordt best geen hoofdredacteur. Voor zulke mensen zei de grote Martin Luther King, Jr. ooit: ‘Nothing in all the world is more dangerous than sincere ignorance and conscientious stupidity’. Onwetendheid en domheid als vijanden van het volk. Het moet wat zijn op die redactievergaderingen…

Ik voer u terug naar 1939, toen Billie Holiday, een gekleurde jazzzangeres, Strange Fruit uitbracht. Een gebroken stem zingt over een gebroken samenleving. De eerste lijnen zeggen alles. ‘Southern trees bear a strange fruit / Blood on the leaves and blood at the root / Black bodies swinging in the southern breeze / Strange fruit hanging from the poplar trees’. Voor die ene hoofdredacteur duid ik even dat het ‘vreemde fruit’ waarvan sprake geen appelen, peren of papaya’s zijn. Holiday zong over zwarten die door leden van de Ku Klux Klan gelyncht werden, waarna de racisten hen demonstratief lieten hangen aan de bomen, bengelend in de zachte wind van het zuiden van de Verenigde Staten. Het Amerika van Billie Holiday verschilt nauwelijks van het Amerika van Donald Trump, ook al zijn we eenentachtig jaar later en hebben we ondertussen Rosa Parks, Martin Luther King, de Nation of Islam, Malcolm X, de vreedzame mensenrechtenbeweging en een zwarte president gekend. Racisme zit diep verankerd in de Amerikaanse samenleving, dieper dan het bij ons zit, al zit het bij ons ook behoorlijk diep, als je even rondkijkt. Met een leider die zelf een racistische narcist is, voelen KKK’ers en aanverwanten zich gesterkt. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die zelf de protesten zwaarder bekampt dan het oorspronkelijke onrecht — de dood door overdreven politiegeweld van een zwarte man —, voelen ordehandhavers die zelf sympathie hebben voor de KKK zich vrije vogels. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die terecht de gewelddadige reactie van een getergde menigte veroordeelt en vergeet naar de oorzaak ervan te kijken, zitten racisten gebeiteld. Wie kan er hen wat maken?

Dus ja, als witte man, niet trots op zijn privileges maar er wel gretig gebruik van makend, voel ik me geroepen om dit brutale, diepgewortelde, schijnbaar onwrikbare onrecht aan te klagen. Ik kijk ernaar vanop een veilige afstand, maar ook dat kan mij niet verweten worden. Ik kom van waar ik kom, ik woon waar ik woon. Opnieuw: geen verdienste, noch een verwijt waard. We mogen hier niet meer over zwijgen. We mogen de daden van die narcistische idioot, ook al is hij democratisch verkozen, niet zomaar tolereren. Als westerse — hoofdzakelijk witte en hoofdzakelijk mannelijke — politici geen krachtig signaal Witte Huis sturen, wat het moge zijn laat ik aan hun verbeeldingskracht over, hoeven ze hier nooit nog in het openbaar te zeggen dat ze voor een open en tolerante samenleving zijn, want dan zijn het voor eens en voor altijd hypocriete lafaards die uw aandacht niet waard zijn.

‘A riot is the language of the unheard’, zei Martin Luther King ooit. Het is, helaas, de enige zichtbare manier om ‘Tot hier en niet verder!’ te roepen. Hij zei ook, meer dan vijftig jaar geleden, ‘We cannot walk alone’: en toch heeft ‘zijn’ volk nog altijd geen glimp opgevangen van het Beloofde Land en stappen ze nog altijd alleen op. ‘We will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends’. Wie in deze tijden zwijgende vrienden heeft, heeft geen vijanden nodig, want iedereen is je vijand. Wie hier, in West-Europa, als persoon met enig maatschappelijk gewicht en gezag blijft zwijgen, is een vijand van George Floyd en al die andere slachtoffers van excessief politie-ingrijpen.

Nog eentje, om het af te leren, uit die ene fameuze toespraak: ‘I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin, but by the content of their character’. Dromen zijn bedrog. Zevenenvijftig jaar na die bevlogen en door alle mensen van goede wil toegejuichte uitspraak worden zelfs Kings achterkleinkinderen nog altijd achtergesteld om hoe ze eruitzien.

#BlackLivesMatter!



Ongemakkelijke waarheid

Journalistiek Posted on za, mei 30, 2020 13:18:14

Ik heb nog nooit in mijn volwassen leven zo’n lange periode zo weinig omhanden gehad. Mijn agenda van de komende maanden oogt leger dan het witte blad voor de neus van een getormenteerde schrijver met een acute aanval van writer’s block. De wekker staat werkloos op het nachttafeltje, als een relikwie uit het pre-coronatijdperk. Alleen nog nodig om de tijd aan te geven als je ’s nachts moet opstaan om te plassen en je nieuwsgierigheid om te willen weten hoe laat het is het haalt op je gezond verstand dat zegt dat je ’s nachts beter niet herinnerd wordt aan het tijdsbesef dat je in wakkere momenten wél nodig hebt. Of wanneer je hersenen je onveranderlijk influisteren dat je nu wel lang genoeg geslapen hebt, jij luierik. Even een blik op dat onding werpen. 7u15. Is dat nu een uur om op te staan, vraag je jezelf af, want er is niets dat je daartoe dwingt. Is dat nu een uur om op te staan, vroeg je jezelf tot voor kort af, want je had allang een of andere als nuttig gebrandmerkte activiteit aangevat moeten hebben. Diezelfde wekker, hetzelfde tijdstip, een andere gemoedsgesteldheid.

Ik heb nog nooit zo vaak kunnen uitslapen als nu — versta: kunnen opstaan wanneer mijn lichaam daartoe beslist en niet een in opdracht van een baas aangegeven alarmsignaal — en toch ben ik moe. Lichamelijk, ook al steek ik, in normale omstandigheden stachanovist tot in het diepste van mijn vezels, naar mijn gevoel geen klop uit. Geestelijk, omdat mijn brein te weinig aan het werk gezet en uitgedaagd wordt.

Héél moe word ik van al die meningen in deze coronacrisis, jawel, óók de mijne. Al wie tot voor kort zijn of haar mening niet kon ventileren, omdat er geen tijd voor was in dat druk-druk-drukke leven, kan dat nu opeens wel en dat al maanden aan een stuk. De mening als tijdverdrijf, als middel om de dag door te komen en ’s avonds laat naar bed te kunnen gaan met het gevoel dat je je tenminste toch een beetje nuttig hebt gemaakt. Althans, dat maak je jezelf wijs. De mening als zoethoudertje. Pardon, meningen, meervoud, want op één mening kan je niet staan.

Katje Lee, daar horen we allemaal een mening over te hebben en die uiteenlopende meningen moeten beperkt blijven tot twee, duim omhoog of duim omlaag, da’s lekker overzichtelijk. Het dier moet dood of het dier moet leven. Zwart of wit. These-antithese-synthese kennen we niet meer. Dat schema hebben we, gooi ik er snel even tussen met een wikipediawijsheidje, niet te danken aan Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) of aan Karl Marx (1818-1883), maar aan een andere Duitse denker, de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814), die op zijn beurt geïnspireerd werd door Kant. Stelling-tegenstelling-samenstelling, oftewel zwart-wit-vele tinten grijs, kennen we niet meer. Het is nu these óf antithese. Kies maar. Nuance, ach, u wordt oud, meneer. Dat is zo, ja, hoeveelste-eeuws is dat eigenlijk? Bij nader inzien: heeft nuance ooit wel bestaan?

Ik word zó moe van de meningen van mensen die in andere tijden misschien wel het predicaat ‘weldenkend’ zouden opgekleefd krijgen, maar die nu loos gaan in het poneren van hun eenzijdige visies. Mensen die worden gepercipieerd als slim en die zichzelf ongetwijfeld ook slim durven te noemen, die liefst ook worden gezien als sceptisch, blinken nu uit in een duim-omhoog-of-duim-omlaagdiscours. Dit hoeft geen ad hominemverhaal te worden, daarom noem ik hen maar half, maar ik denk dan aan leerstoelhouder-annex-filosoof-annex-überpositivist Maarten B., politicoloog Carl D., socioloog Mark E., econoom-die-geen-vermogensbeheerder-mag-genoemd-worden Geert N., editorialist Jan S. en senior writer Joël DC, en er zijn er nog een pak, inclusief een stel politieke verantwoordelijken. Zij bedienen zich steeds vaker, steeds luider en steeds irritanter van een absolutisme dat ze bij alle anderen zouden willen afzweren. Over mondmaskers, over kernenergie, over economische relance, over de wegen die de politiek moet inslaan. Zij gebruiken gretig termen als ‘voortschrijdend inzicht’ om aan te geven dat anderen — soms terecht, overigens — hun inzichten moeten aanpassen aan de nieuwe realiteit, terwijl ze zelf nauwelijks nog voortschrijden eens ze zich een definitief inzicht gevormd hebben dat ze vervolgens fanatiek en absolutistisch verdedigen, als waren ze religieuze fundamentalisten die zich gesteund weten door goddelijke waarheden. De coronacrisis heeft die tegenstrijdige gedragingen alleen maar zichtbaarder gemaakt. Absolutisme is de absolute vijand van intelligentie, het dwingt je om afstand te nemen van afstandelijkheid, nochtans een gezond principe als je maatschappelijk iets betekent en er af en toe mensen naar je luisteren. Hoe meer mensen er naar je luisteren, hoe groter die afstand tot absolutisme zou moeten zijn, terwijl het in de praktijk uiteraard net andersom is. Altijd en overal.

Wellicht komt het omdat ik zelf weleens iets doe in de branche, maar het stoort me nog het meest bij journalisten. Onlangs schreef Peter Vandermeersch, Nederlandse Belg of Belgische Nederlander, u kiest maar, tegenwoordig aan de slag in het Ierse krantenbedrijf Independent News & Media, dat verontwaardiging en verwondering de motoren zijn van journalistieke bedrijvigheid. Ik zou er alleszins ook nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling en een open geest aan willen toevoegen. Maar vooral: elke journalist moet een wantrouwige twijfelaar blijven. Hij (m/v/x) moet alles en iedereen wantrouwen: geen makkelijke attitude, want iedereen wil vriendjes maken en niets menselijks is journalisten vreemd. En hij moet twijfelen. Is het wel zo? Benadert wat ik schrijf de waarheid voor zover we die nu, op dit moment, kennen? En is dat morgen nog altijd zo? In die zin verschilt een journalist in wezen niet zoveel van een wetenschapper, die op zijn minst verwondering, nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling, een open geest en twijfel, eeuwige twijfel, op zijn of haar curriculum moet hebben staan. Zonder kan je niet functioneren in die wereld. Als je dat niet kan aanvaarden, moet je maar activist worden en zelf op de barricaden gaan staan. Alleen in situaties die heel erg zwart/wit zijn — een oorlog met een zichtbare vijand die een bedreiging vormt voor jou, je dierbaren en je land- en lotgenoten bijvoorbeeld —, mag je dat activistenkleed dragen, als journalist en als wetenschapper.

Het volk heeft nood aan klare taal. Wat ik eerder schreef: mag wel of mag niet. Niet: mag een beetje, want dan mag het wel. De mensen van wie ze die klare taal verwachten, kunnen die antwoorden niet altijd of zelfs uiterst zelden geven, omdat ze die niet of nog onvoldoende kennen. Helaas, in crisistijden zoals degene die we nu meemaken, wordt ‘Ik weet het niet’ of ‘Ik weet het niet helemaal zeker’ niet aanvaard, terwijl het vaak de enige juiste repliek zou zijn. En dus sloven wetenschappers, die doorgaans bijzonder terughoudend zijn en helemaal niet geneigd om op het voorplan te treden tot ze sluitende conclusies kunnen presenteren, zich uit om het volk een beetje naar de mond te praten, ook al druist dit in tegen hun normale modus operandi. De ene dag zeggen ze dit, de volgende dag klinkt het al lichtjes anders en de dag daarna zit er weer wat verschil op, waarop een wakkere verslaggever vraagt ‘Maar, euh, eergisteren zei u dat nog, hoe zit het nu eigenlijk?’ In de beslotenheid van het wetenschappelijk cocon valt het de buitenwereld niet op dat je weifelend en twijfelend tot een min of meer onwrikbaar besluit komt, dat algemeen aanvaard wordt tot er een nieuw min of meer onwrikbaar besluit is: als dat op het publieke forum gebeurt, lijken al die experts wel dommeriken die het zelf ook níet weten (wat dan nog gedeeltelijk zo is, trouwens). Twijfel is gezond. Als nu ook journalisten, die beroepstwijfelaars zouden moeten zijn, twijfel in twijfel trekken, krijg je een situatie zoals we die nu kennen. Een senior writer zal nu misschien opwerpen: we moeten kritisch blijven. Zeer zeker. De juiste vragen stellen. Natuurlijk. Onderzoeken wat er is fout gelopen. Vanzelfsprekend. Maar niet als je vooringenomen bent en uitgaat van absolutistische ‘waarheden’. Dan ben je een activist geworden.

De ongemakkelijke waarheid is dat er geen gemakkelijke waarheid bestaat. Dat is heel moeilijk om te aanvaarden, als je probeert te varen op het kompas van deskundigen, maar het is de enige juiste attitude, als ik mij deze absolutistische opmerking even mag permitteren.

(Was getekend: een wantrouwige twijfelaar.)



Bungalow

Memories & mijmeringen Posted on za, mei 23, 2020 13:36:20

Bungalow. De naam voert me terug naar de jaren 70 van de vorige eeuw, toen mijn ouders uit het niets een lapje grond hadden gekocht in Achterbroek, een onooglijk dorp dat zelfs nog vóór de fusie van gemeenten in 1976 geen eigen leven mocht leiden, want het was onderdeel van Kalmthout. (Mijn schoolkameraden: “Wáár, zeg je?” “In Achterbroek.” “Wablieft? In Onderbroek?” Onderbroekenlol deed het ook destijds al niet onaardig op de speelplaats.)

Met het anderhalve inkomen van mijn ouders — hij, voltijds met veel overuren, zij, halftijds — werd het opeens mogelijk goedkoop een tweede verblijf aan te schaffen. Ach, het was op landbouwgebied, maar daar stonden de boeren die hun overbodig geachte weilanden te gelde wilden maken niet bij stil en de stedelijke luitjes die zich zo hun eigen stekje weg van huis of appartement bemachtigden evenmin. Hé, het waren de jaren 70, het stak allemaal niet zo nauw. Het was de onzalige tijd dat Vlaanderen één lang lint werd en het aantal goedkope vakantiehuisjes op verboden terrein explodeerde, wie kon er hen wat maken? (Achteraf werden de meeste van die illegale verblijven gewoon gelegaliseerd, dus inderdaad: wie kon er óns wat maken?)

Wie zegt bungalow, denkt aan een gelijkvloerse kleine woning in hout. Zoals mijn oom en tante op het lapje grond naast dat van mijn ouders hadden gebouwd, met vereende familiale krachten. Mijn vader dacht om een of andere reden steviger. Hij trok in een recordtempo een bungalow op in ytongstenen, eigenhandig — dat mag u letterlijk nemen, want ik deugde niet als metsershulpje, gelukkig waren er nog oom-buurman en bompa om bij te springen. Ytong, dat waren grote en zeer betaalbare betonnen blokken die heel snel op elkaar gestapeld konden worden. Slim gezien. En zo hadden ook wij een buitenverblijf, de betaalbare luxe van vijftig jaar geleden.

Zodra het weer het toeliet en het voetbalseizoen voorbij was, trokken we elk weekend naar den bungalow. Tijdens de zomermaanden gingen we eerst drie weken met congé payé naar het buitenland — meestal Zwitserland, af en toe Frankrijk — om de rest van de vakantie in Achterbroek te resideren. Vader ging van daaruit werken naar Antwerpen, in de fileloze dagen van weleer een afstand van niets. Ik fietste heel veel, herinner ik me. Op mijn eentje, want er waren geen mannelijke leeftijdsgenoten in de buurt en die ene keer dat ik met een oudere buurjongen deed alsof we op de piste achter derny’s reden — hij op een goedkoop vespaatje, ik op de fiets erachteraan, het decor was een bochtig parcours in het bos —, liep faliekant af omdat hij op zeker moment remde en ik niet, waarna ik tegen hem aan botste en een soort salto maakte die in mijn herinnering de eerste tien in het olympisch turnen had moeten opleveren, nog vóór Nadia Comaneci, en tussen de dennenbomen vloog. In werkelijkheid zal het meer hebben weg gehad van een plompe tuimeling, met als gevolg groene naalden over heel mijn gekneusde jongenslijf en een boze moeder omdat mijn truitje vuil was en we geen wasmachine hadden in de bungalow.

Van dan af reed ik veiligheidshalve opnieuw alleen, langs een steeds terugkerend traject op een ondergrond die bezaaid lag met stukjes steen, in een poging om tussen de zompige velden een verharde weg te creëren, symbool van beschaving. Ik waande me de jongen die niet zo lang daarna, als man, de alleenheerschappij van Eddy Merckx zou weten te trotseren, al viel het in werkelijkheid flink tegen met dat koerstalent. Ik reed eens een wedstrijdje tegen die oudere buurjongen en deed dubbel zo lang over de afstand, om maar te zeggen. Als ik door een mulle zandstrook van nog geen tien meter ploeterde, was dat voor mij een beklimming van de Tourmalet waard. Ik deed er ook ongeveer even lang over als de echte renners bergop. Af en toe, wanneer ik wist dat er niemand aan het kijken was, bootste ik een aankomst solo op een col buiten categorie na, al is het me nooit gelukt om rechtop te blijven met mijn twee armen in de lucht. In mijn privé-Tour won ik alle ritten, behalve die ene onbeduidende overgangsetappe die ik aan een ploegmaat gunde. Het heeft niet mogen zijn. We wachten nog altijd op de nieuwe Merckx.

Dat tweedeverblijfstoerisme beviel ons wel. Vader draaide geen ontelbare overuren in de warme maanden van het jaar, moeder zat overdag bij haar zus, mijn tante, niets te doen, een beetje te babbelen en sloten koffie te drinken, ik droomde een heel eind weg zoals tieners uit die tijd, de toekomstige sterren aan het firmament van het leven, dat nog ongestoord konden. ’s Avonds tuurden we naar een piepklein zwart-wit tv-toestelletje, dat aangesloten werd op de batterij van de auto — dus niet te lang kijken of vader kon ’s anderendaags niet naar het werk! — en waarvan de antenne voortdurend gedraaid moest worden om ietwat scherp en helder beeld te hebben op Brussel Vlaams. Of we speelden Mens erger je niet! of Monopoly. Pappen deden we ook veel, een kaartspel dat officieel Rami bridge of Rummy heet. Verveling was normaal. Verveling hoorde bij het leven. Vervelen en vervellen, in die volgorde. De zomervakantie duurde een eeuwigheid, niet de lichtflits die het tegenwoordig is, tenminste: tot vorige zomer wás. Misschien komt die verveling deze coronazomer een beetje terug, wie weet. Al hebben we heel veel virtuele ontsnappingsroutes intussen.

***

Ik heb dus niets tegen mensen die een tweede verblijf hebben. Soms wou ik dat ik er zelf nog een had, for old times’ sake, een plek waar je in het weekend naartoe kunt trekken, waardoor je toch even het gevoel hebt dat je de ratrace hebt verlaten, ook al ligt die slechts op een korte autorit van je vandaan. Een tweede verblijf, dat is de luxe om eventjes letterlijk afstand te kunnen nemen. Moet u vooral doen. Het is u gegund. U draagt al genoeg belastingen af, net wat u zegt. Maar nu even niet, dacht ik, toen eigenaars van een tweede verblijf boos waren omdat ze door de lockdownmaatregelen niet naar hun stekje konden. Vlaams minister Demir zwaaide zelfs met een cheque van tweehonderd euro, ter compensatie voor die tijdelijke onbereikbaarheid. Dat doen ministers zelden als het over mensen gaat die zich nauwelijks een éérste verblijf kunnen veroorloven, laat staan een tweede.

Sinds donderdag mogen de eigenaars van een tweede verblijf weer naar hun rechtmatige eigendom. Sommige experts hadden die versoepeling al eerder bepleit, met het argument dat die mensen van de ene bubbel (hun eerste verblijf) met de bubbel genaamd auto naar hun tweede bubbel (hun tweede verblijf) zouden rijden. Daar viel wat voor te zeggen, al is de vraag of die mensen in hun tweede bubbel zouden blijven zitten of ginds ook naar de stad, het dorp of het strand zouden trekken. Ik heb er an sich dus niets op tegen dat tweedeverblijvers hun kot mogen verlaten, maar op de prioriteitenlijst van onze politici hadden ze niet op de eerste pagina mogen staan. Zelfs niet op de tweede en de derde. Schoolvoorbeeld van een first world problem. Opportunisme is niet ver weg, natuurlijk. If you bungalow, we go lower! U hoeft daarvoor maar een politiek rekensommetje te maken. Wie zit er nu in de federale en de Vlaamse regering en uit wie bestaat hun kiespubliek voornamelijk? Of nog anders: vind je meer tweedeverblijvers bij de kiezers van de huidige regeringspartijen of bij die van de oppositiepartijen? Juist, ja.

***

Ik zie mijn vader daar nog zweten, ytongsteen voor ytongsteen aanbrengend op een laagje zelfgemaakte cement, binnensmonds vloekend op mij, zijn zoon met de twee linkerhanden, die zich onzichtbaar probeerde te maken. Hij had vandaag vierentachtig moeten worden. Vier jaar geleden ging hij veel te vroeg naar zijn derde verblijf, waar dat ook moge zijn. Dat gevoel van gemis is míjn first world problem van de dag.

Veel belangrijker dan mijn persoonlijk gevoel is dat onze beleidsmakers eindelijk eens aandacht zouden beginnen te besteden aan de mensen die het extra moeilijk hebben in deze barre tijden, maar die, helaas voor hen, niet interessant genoeg zijn als kiesvee. Kijk op uw virtuele prioriteitenlijst, dames en heren van de Nationale Veiligheidsraad, ze staan op pagina één. Denk ook eens aan hen, nu en in de toekomst. Ze zijn met velen en hun aantal groeit alleen maar. Kom uit uw ivoren bungalow!



De toestand is hopeloos maar niet ernstig

Sport Posted on zo, mei 17, 2020 12:39:06

Ooit was De toestand is hopeloos maar niet ernstig een gesmaakt humoristisch magazine op Radio 1, waarin vijf wisselende columnisten lachten met de actualiteit die was geweest. In volle coronacrisis bestelde Radio 1 zelfs nieuwe afleveringen, die tijdelijk op sportarme zondagen van 17 tot 18 uur op de luisteraar worden losgelaten in de plaats van Sporza Radio.

De titel van het radioprogramma kan ik met een gerust geweten lenen om het over de recente bewegingen van de Pro League te hebben. Vrijdagavond besliste die, na lang soebatten, dat het stopgezette voetbalseizoen 2019-2020 eindelijk een winnaar en een verliezer kent. Club Brugge is kampioen. Logisch, want in de elf wedstrijden die nog hadden moeten volgen – één in de reguliere competitie, tien in de play-offs -, zou het nooit die voorsprong van 15 punten (7 of 8 na de halvering van de punten na 30 speeldagen) hebben prijsgegeven. Dat Waasland-Beveren moet degraderen valt om sportieve redenen te verantwoorden, ook al had die club zich op de ultieme speeldag nog kunnen redden. Daar was wel een klein mirakel voor nodig: thuis winnen van AA Gent, de tweede in de stand, en hopen op verlies van KV Oostende tegen het al geredde Cercle Brugge.

Wie er promoveert uit 1B is niet duidelijk: ofwel de winnaar van het duel OH Leuven-Beerschot, ofwel Westerlo. Pardon?

Voetballen op de Noordpool

Beerschot had op zondag 8 maart die heenwedstrijd van het promotieduel met 1-0 gewonnen, in wat de voorlopig laatste voetbalwedstrijd op Belgische bodem is geweest, mét publiek nog wel. De terugwedstrijd van zaterdag 14 maart zou eerst om volksgezondheidsredenen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden, waarna de Leuvense burgemeester Mohamed Ridouani besliste ze om veiligheidsredenen uit te stellen: er werd gevreesd voor een samenscholing van concurrerende fans buiten het stadion. De aankondiging van de lockdownmaatregelen van de Nationale Veiligheidsraad op 12 maart zorgde ervoor dat de match tot nader order gewoon werd uitgesteld. Dat uitstel werd daarna een soort afstel door het verbod op massa-evenementen tot eind augustus.

Een ruime meerderheid (84,07 procent) binnen de Pro League stemde vrijdag in met een scenario waarbij OH Leuven en Beerschot verplicht worden om dat beslissende duel te spelen. Nochtans zijn voetbalwedstrijden, ook achter gesloten deuren, tot en met 31 juli verboden door de Veiligheidsraad. Het zal dus moeten gebeuren in het weekend van 1 en 2 augustus, want een week later zou het seizoen 2020-2021 al moeten beginnen. Zelfs Marc Van Ranst kan niet voorspellen of voetballen tegen dan al zal kunnen. Van OH Leuven en Beerschot wordt wel verwacht dat ze ten laatste op 31 mei laten weten of ze tegen elkaar kunnen voetballen en waar.

Vindt OH Leuven-Beerschot niet plaats, dan stijgt Westerlo naar 1A, omdat die club eerste was geëindigd in de reguliere competitie, vóór OH Leuven (3) en Beerschot (5), vooral ook omdat Virton in principe nog een wedstrijd tegen Beerschot moet (her)spelen. De kans dat die match nog gespeeld wordt vóór sint-juttemis is echter erg klein en bovendien maakt het niet veel uit: Virton kon toch geen licentie bemachtigen voor profvoetbal. Maar er zit een juridische angel aan de beslissing van de Pro League. Artikel P1544 van het bondsreglement stipuleert namelijk dat de promovendus uit het duel met de winnaars van de periodetitels moet komen, tenzij die geen licentie zou hebben, een transferverbod kreeg opgelegd of niet in orde zou zijn met de infrastructuur, wat noch voor OH Leuven, noch voor Beerschot het geval is. Juristen zullen hier een kluif aan hebben.

Naar verluidt zou burgemeester Ridouani intussen iets inschikkelijker zijn geworden, maar wat als er van de Veiligheidsraad niet mag gevoetbald worden in België? Dan zou uitwijken naar het buitenland een mogelijkheid bieden. ‘Desnoods spelen we op de Noordpool’, riep ondervoorzitter Walter Damen van Beerschot spontaan. Waarom niet in Duitsland, fluisterde bondsvoorzitter Mehdi Bayat in. Maar wat dan met de veiligheidsmaatregelen? Wie zal dat coördineren? En wie zal dat betalen? Plus: wat met het thuisvoordeel van OH Leuven?

Bovendien stipuleert artikel B1402: ‘Het voetbalseizoen begint op 1 juli en eindigt op 30 juni.’ Wie met die informatie naar het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS) trekt, wint geheid.

Ieder voor zich

Een rechtvaardiger en eenvoudiger scenario was in deze ongeziene omstandigheden denkbaar en lag zelfs op tafel. Club Brugge had het vorig weekend gelanceerd: 1A met 18 clubs, Waasland-Beveren degradeert niet, OH Leuven en Beerschot stijgen allebei. Dat druiste in tegen de wens om play-offs te organiseren van de meeste topclubs én van de nieuwe rechtenhouder, Eleven Sports, voor wie die opeenvolging van topwedstrijden als apotheose van een seizoen een extra verkoopargument is. Men had dat kunnen oplossen door de titelstrijd te beperken tot play-offs met vier in plaats van zes clubs, wat overigens in het nu aanvaarde voorstel óók het geval is.

Club heeft haar hand zwaar overspeeld. Niet alleen doorkruiste het discreet overleg binnen een speciaal opgerichte werkgroep – dat voorstellen moest formuleren om de knoop te ontwarren -, het zette ook nog eens kwaad bloed bij andere leden van de G5 en riskeerde zo het annuleren van het voorbije seizoen. Geen zestiende landstitel, dat zou pas een pijnlijke afgang geweest zijn. Dus liet Club zich gewillig de arm omwringen en aanvaardde het een compromisvoorstel: Club kampioen, 1A met 16 clubs, Waasland-Beveren degradeert, één club promoveert uit 1B, en daarbovenop staat Club nog eens een solidariteitsbijdrage van zo’n twee miljoen euro uit de inkomsten van de Champions League af, die dan verdeeld wordt onder de clubs die voor dit voorstel hebben gestemd. Stel je ook maar eens voor dat het seizoen zou geannuleerd zijn, zoals in Nederland is gebeurd. Geen kampioen, geen daler, geen stijger, maar dat doe je dan met de Europese tickets? Opnieuw KRC Genk – zevende na 29 speeldagen – naar de Champions League? KV Mechelen na dat jaartje schorsing alsnog naar de Europa League? Erg realistisch klinkt dat allemaal niet.

Voor de andere leden van de G5 betekende dit compromis het behoud van de lucratieve play-offs, voor de K11 werd de vrees op drie dalers volgend seizoen afgewend en blijft de financiële kloof met 1B gehandhaafd. Als puntje bij paaltje komt, is het ieder voor zich in die gelederen. Voor een paar euro’s meer plegen ze al eens een sportieve moord.

Dit alles betekent ook dat OH Leuven en Beerschot geen kern kunnen samenstellen voor volgend seizoen, want ze weten nog niet in welke reeks ze zullen uitkomen. Ze hebben de keuze: ofwel waag je je aan financiële avonturen en leg je nu al spelers vast met een 1A-salaris, terwijl de realiteit één kans op twee 1B wordt, ofwel riskeer je niet competitief te zijn omdat je geen spelers meer vindt om mee te kunnen in 1A. Een groter dedain tegenover 1B kon de Pro League moeilijk etaleren.

Tel de economische gevolgen van de coronacrisis en de financiële problemen waarmee een resem clubs nu al worstelen samen, en je weet dat er volgend jaar rond deze tijd weer enkele faillissementen zullen worden aangekondigd. Maar dat zijn zorgen voor later, zullen ze bij de Pro League denken. Áls ze daar al denken.



« VorigeVolgende »