Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Verraad

Politiek Posted on za, mei 15, 2021 11:33:41

De reacties op het bedrog van Veerle Heeren, die zichzelf en haar dichte omgeving liet voorkruipen tijdens de vaccinatiecampagne, liepen uiteen van ‘Ach, zo erg is dat nu toch ook weer niet’ tot ‘Aan de schandpaal met dat wicht!’ Nuance, u moet er soms ver naar zoeken. Als het ene uiterste 0 is (het is niet zo erg) en het andere 10 (het is verschrikkelijk erg), neig ik toch eerder naar het laatste. Laten we zeggen, een zeven of een zeven en een half. De burgemeester van Sint-Truiden had geen tijdelijke maar een definitieve stap opzij moeten zetten na wat ze gedaan heeft.

Als je alles vergelijkt met een veel erger kwaad, kan je relativeren tot je een ons weegt. Natuurlijk heeft Heeren geen moord gepleegd. Ze is ook geen — overtreffende trap — seriemoordenares, of ze heeft geen miljarden verduisterd. En neen, vergeleken met het bedenken en uitvoeren van een genocide, was dit bijzonder klein bier. Maar als je alles gaat afmeten aan de Holocaust, kan zowat alles voortaan door de beugel. Je moet haar daden dus binnen de specifieke context bekijken.

Wat Veerle Heeren heeft gedaan, is zowat het ergste wat je in de politiek kunt doen. Ze heeft kiezersbedrog gepleegd. ‘Limburg, voorbeeld voor Vlaanderen’ stond er in mei 2019 onder haar foto te lezen op de CD&V-site voorbeeldvoorvlaanderen.be. Waarom ze aan politiek doet? Dit staat er: “Vanuit een christendemocratisch engagement zaken in beweging brengen, een steen verleggen, goed luisteren, keuzes durven maken en vooruitgaan voor de mensen om je heen, of het nu Vlaanderen, Limburg of Sint-Truiden is.” Wat deed ze in werkelijkheid: zaken voor zichzelf in beweging brengen, niet luisteren, kiezen voor haar persoonlijk kringetje. Egoïsme, opportunisme en nepotisme haalden het op ‘vooruitgaan voor de mensen om je heen’.

Verraad aan je kiezers en aan de basisprincipes van je partij is geen moord, wel een doodzonde. Dat verdient een rode kaart en een langdurige schorsing. Voorkruipen is sowieso al ergerlijk, je plaatst jezelf boven de anderen. Het mechanisme dat erachter zit, is hetzelfde als bij racisme en seksisme: jezelf en al diegenen die op je lijken, beter achten dan de anderen. Voorkruipen in deze tijden, waarin iedereen snakt naar meer bewegingsvrijheid en minder gevaar voor je eigen gezondheid en die van je dierbaren, is nog veel erger. Het getuigt van een verschrikkelijk dedain tegenover de mensen die je wordt geacht te leiden en aan wie je belooft hebt het beste van jezelf te geven voor hún, niet voor jezelf. ‘Vooruitgaan voor de mensen om je heen,’ ach wat. Als ‘het beste van jezelf’ is dat je je onderdanen achteruitsteekt, ben je niet waard om op die positie te zitten.

In de Truiense gemeenteraad werd Heerens gedrag door een oppositielid vergeleken met Francesco Schettino, de kapitein van de Costa Concordia die zijn schip na de ramp van 13 januari 2012 had verlaten op een moment dat er nog heel wat reddingsboten op en af voeren naar de kust. Een kapitein verlaat pas als laatste het zinkende schip, weet u wel. De man werd veroordeeld tot zestien jaar cel. Niet dat Veerle Heeren in de gevangenis hoort — of aan een virtuele schandpaal moet gebonden worden —, maar functioneren kan ze niet meer in de lokale of nationale politiek. Nooit meer. Zeker niet na de leugentjes die ze probeerde op te dissen toen haar vervroegde vaccinatie uitlekte. Ze had niet eens het inzicht om onmiddellijk toe te geven en zich te verontschuldigen. Probeer niet recht te praten wat krom is, het wordt er alleen maar krommer door. Wat ze deed — zowel de vroegtijdige vaccinatie, als de communicatie achteraf — was geen ‘inschattingsfout’, maar een bewuste actie om zichzelf boven de andere inwoners van Sint-Truiden te plaatsen. Gedrag dat je normaal linkt aan dictatoriale regimes. Heeren is geen dictator, vermoed ik toch, maar ze zou ook geen burgemeester meer mogen zijn. Noem me gerust naïef, een burgervader (of -moeder) moet het goede voorbeeld geven. Ze moet geen achterpoortjes gebruiken, ze moet ze juist sluiten.

Normaal zouden ze in Sint-Truiden toch best moeten weten hoe je met rotte appels omgaat. Ze moeten uit de mand. Punt. Zo niet dreigen ze een deel van de oogst om zeep te helpen. Dat doen de fruitboeren zichzelf nooit aan. Politici zijn echter geen zorgzame fruitboeren, die er alles aan doen om hun inkomsten te vrijwaren en al wat rot is te verwijderen. Politici laten uit eigenbelang nog liever de hele mand rotten dan de verziekende exemplaren te verwijderen. Politici liggen er alleen wanneer er polls worden gepubliceerd en op verkiezingsdag wakker van wat hun consumenten, de kiezers, denken, fruitboeren weten wel beter. Want volgende keer kiest een klant voor een andere soort appelen of een andere, in hun ogen betrouwbaardere, leverancier. Politici zouden wat meer gezond verstand moeten hebben, misschien moeten ze in Sint-Truiden in de leer bij bevriende fruitboeren. Met het ‘Heerenakkoord’ dat nu werd afgesloten, maak je de kloof tussen de burger en de politiek niet kleiner, integendeel. Je bevestigt gewoon dat het wantrouwen een reden heeft, maar dat de burger/kiezer je gestolen kan worden. Daarom vind ik dat je de daad van Veerle Heeren niet zomaar mag wegmoffelen als een ‘inschattingsfout’, en niet meer dan dat.



Cul-de-sac

Muziek, Theater Posted on za, mei 08, 2021 11:28:47

‘Woke up this morning…’ Mia Doornaert luistert niet meer naar bluesmuziek omdat al die liedjes beginnen met ‘Woke’. Zo, een flauw grapje bij wijze van entree, weest welgekomen op deze zonovergoten zaterdag.

*kijkt buiten*

Excuus, verkeerde alliteratie: op deze zuipende zaterdag. Ja, straks zijn de terrassen weer open. Dat zullen we met z’n allen — behalve één, ik — vieren met z’n vieren, hopelijk onder een paraplu geworden parasol. De horeca mag een beetje herademen. Wekenlang wordt er al over gepraat en geschreven. Bier en vertier aan een tafel van vier, deze woordspelerige bedenking krijgt Horeca Vlaanderen gratis en voor niets bij deze blogpost.

***

‘Woke up this morning, my baby was gone’, zong B.B. King in 1953, nadat zijn Martha hem voorgoed had verlaten. Gelukkig had ie Lucille nog, zijn gitaar, om hem te begeleiden en verleiden in die duistere dagen. ‘Woke up this morning, our culture was gone’, huilen mensen die van cultuur houden in dit land nu al meer dan een jaar, op een zeldzame heropflakkering vorige zomer na. De pauzeknop werd radicaal ingedrukt, cultuur werd gedwarsboomd door dat andere ding waarvan de naam met een c begint. Ik zou het duizend keer kunnen zeggen. Verdomme.

Dat er heel veel te doen is rond de gedeeltelijke heropening van de horeca en heel weinig rond de blijvende sluiting van cultuurhuizen heeft er niet alleen mee te maken dat de terrassen vandaag opengaan en de bioscopen en theater- en concertzalen nog niet, maar met de manier waarop de gemiddelde Vlaming naar cultuur kijkt: als het er is, mag het bestaan, als het er niet is, zullen we ’t niet missen. Het mag niet te veel kosten, je moet kunnen lachen met al die subsidieslurpers, die Vlaanderen hatende linkiewinkies en die elitairen die op het klootjesvolk neerkijken, steek ze vooral weg op plekken waar de hardwerkende Vlaming er geen last van heeft. De gemiddelde Vlaming denkt bij cultuur aan Thuis, Familie, The Voice van Vlaanderen en iets met Philippe Geubels. Meer en moeilijker moet het niet zijn. Dat er in de Vlaamse Regering geen aparte minister van Cultuur werd aangeduid, zegt in feite alles: cultuur is een nevenprojectje, iets dat de minister-president, naar verluidt een operaliefhebber in zijn schaarse vrije tijd, er wel even bij neemt, dan kunnen de Vlaams-nationalisten die culturo’s tenminste in hun greep houden. Een houdgreep waarop de judocoach in Jean-Marie Dedecker trots zou zijn. Geen ontkomen aan. De coronacrisis als bondgenoot van al wie al jaren op wraak zint voor dat neerbuigende gedrag binnen de cultuursector. In de ogen van onze politici zijn kunst en cultuur bijkomstigheden, geen fundamenten van onze samenleving.

***

De enige cancelcultuur die ik ken, is het algemene cancelen van cultuur in dit vlakke land. Weinigen die woke genoeg zijn om daartegen te blijven protesteren. Filip Peeters wordt taartenbakker, Bert Gabriëls advocaat. Mensen die in de brede evenementensector actief waren, zijn van alles en nog wat geworden. Er moet brood op de plank liggen en liefst ook nog een schelletje toespijs ertussen. Slachtoffers zijn het van een pandemie, maar ook van wanbeleid. Of beter: géén beleid, wat in se nog erger is dan wanbeleid. Soms is een knoeiboel beter dan de vergeetput.

Ja, natuurlijk begrijp ik dat je op dit ogenblik geen Sportpaleis kunt vullen, nog niet voor een kwart zelfs. En dat je best geen concerten organiseert van bands die zonder moshpit niet kunnen floreren. Rock Werchter en Pukkelpop komen ongetwijfeld nog wat vroeg om op halve- of kwartkracht te kunnen plaatsvinden deze zomer. Maar in gecontroleerde omgevingen zoals theaterzalen en cinema’s had er al veel gekund. Gemóeten. Toeschouwers blijven heus wel zitten op de hun toegewezen plek. Ze zullen met plezier hun mondmasker dragen als ze maar naar een scherm of een podium kunnen staren. Waar blijven de speelterrassen waar je tussen pot en pint kunt genieten van een akoestisch optreden, stand-upcomedy of een bevlogen monoloog? Bier hier, cultuur zuur.

***

Intermezzo: monoloog van de gemiddelde Vlaming (waarin ik me even verkleed in advocaat van de duivel).

Ach, we liggen er niet wakker van. Het is máár cultuur, nietwaar. Rolletje van buiten leren, beetje spelen, dat is toch niet het échte leven, hé? Liedjes zingen, och, dat kunt ge ook onder de douche doen, niet? Ze hadden maar een stiel moeten leren, maar ja, twee linkerhanden, hé… En dan dragen wij meer dan de helft van ons loon af en dan gaat een deel daarvan naar die idioten die ons daarna in ons gezicht uitlachen. Stank voor dank. Het zal ze leren. De subsidiekraan mag van ons helemaal toegedraaid worden. Wie goed is, zal wel zijn plan kunnen trekken. Enfin, als ge alleen maar kunt bestaan als ze u centen toestoppen, wat zijt ge dan waard? Iedereen krijgt hier verdomme subsidies. Allee, kijk nu naar die, hoe heet ze ook weer, El Kakawibbi of zo. Dat komt ervan, hé, met al die subsidies. Profitariaat! We hebben het onze Kevin nog zo dikwijls gezegd: ge moogt later doen wat ge wilt, jongen, maar ge moet uw plan leren trekken, leert dus maar een stiel, da’s nog het beste. Maria, twee pintjes, een Duvel en een waterke, alstublieft. En pakt zelf ook iets.’

Einde intermezzo.

***

Nu ik het al veertien maanden moet missen, besef ik meer dan ooit wat cultuur met mij doet. Het verrijkt mij, het ontroert mij, het dwingt mij tot nadenken, het irriteert mij bijwijlen, het doet de haren op mijn armen rechtstaan, afwisselend uit bewondering en uit woede, het doet me ongecontroleerd lachen en even ongecontroleerd huilen. Concerten, tentoonstellingen, festivals, films, theaterstukken, moderne dansvoorstellingen, etcetera: het laat me zelden onbewogen. Het doet iets met mij wat het gewone, alledaagse leven niet doet: het verheft mij, het maakt van mij een beter mens, het geeft mij inspiratie, het doet me beseffen dat ik een klein, nietig mannetje ben dat desondanks bevoorrecht is om op dat moment op die plek te mogen vertoeven, het zorgt ervoor dat ik de dag nadien eventjes op wolken loop.

Ik hou van het hele ritueel. Van de vervelende maar door hoge verwachtingen toch enigszins opgefleurde autorit langs grijze betonnen vlakten erheen, de snelle hap vooraf en het nerveus aftellen, tot de staande ovatie (of het boegeroep) en het nakaarten op de weg terug naar huis: een voorstelling sluit je niet af onmiddellijk nadat het doek is gevallen, niet zoals je wegzapt wanneer de eindgeneriek van een tv-programma begint te lopen. Cultuurbeleving is je onderdompelen, je overgeven, je lot tijdelijk in handen van bezielde en bezielende mensen leggen — van de jonge beginneling uit de streek tot de grote gevestigde waarde uit een ver buitenland. Cultuur kost iets, ja, maar de ervaring maakt je rijker. Wie niet van kunst en cultuur houdt, houdt niet van het leven, die schrijft cultuur nog altijd zoals in de tijd van de progressieve spelling, waarbij hij of zij de nadruk legt op de eerste lettergreep: kul. Flauwekul, met name.

Zelf zag ik twee lezingen afgelast worden, een habbekrats in vergelijking met al die professionals, die werkloos moeten toekijken, gedreven en geïnspireerd maar aan handen en voeten gebonden, alsof ze gestraft zijn door een hogere instantie — ‘Enkelband, tot 31 augustus 2021!’ —, uitzichtloos wandelend in een doodlopend straatje. Cul-de-sac. Terwijl u misschien straks op een terrasje zit, kijk ik met de nervositeit van een kind dat net een cent heeft gekregen om op te doen in de snoepwinkel uit naar een onlineconcert van Van Morrison, straks om negen uur. Een 62-jarige die gaat kijken naar een 75-jarige wiens concert gestreamd wordt. Een autorit hoort er vandaag niet bij, de snelle hap vooraf en het nerveus aftellen wel. Ik ga me onderdompelen, me overgeven, ontroerd worden, elke noot opzuigen tot er geen leven meer in zit, mijn lot tijdelijk in handen van mijn favoriete artiest leggen. It’s a marvelous night for a moondance, with the stars up above in your eyes.

Morgenochtend volgt ongetwijfeld het harde besef dat het een korte opflakkering was, dat dit concert hetzelfde effect heeft als wat een puffer doet voor een astmapatiënt. Het gevoel dat je even normaal kunt ademen. Herademen. Cultuur in- en uitademen. Niet alleen leven, maar ook beleven.

Pas als de cultuursector opnieuw op gang mag komen, wil ik de term ‘Rijk der vrijheid’ in de mond nemen. Niet eerder, niet voor minder.

***

Oh I traveled far

To the nearest star

And met Palomar, mar, mar

And we don’t care just who you know

It’s who you are

And when they all go home

Down the cobblestones

You can double back (“This is it”)

To a cul de sac

(uit de song ‘Cul de sac’ van Van Morrison, van het album Veedon fleece uit 1974.)



Eigen arm eerst

Politiek, Samenleving Posted on za, mei 01, 2021 12:00:37

Het is erg. Het is héél erg. Erger is het nooit geweest. We weten het, Het Virus hakt stevig in op onze gezondheid, fysiek en psychisch. Zelfs de luitjes die al eens een ‘Oké, boomer!’ naar hun hoofd geslingerd krijgen, hebben zoiets nog nooit meegemaakt in hun lange leven. Zelfbeklag is voor één keer toegestaan, mits niet te luid en niet constant, want dan wordt het vervelend. Er zit nog bijna elke avond een -oloog in een tv-studio, of de minister van Volksgezondheid, of een minister die alleen maar werd uitgenodigd om over de gevolgen van Het Virus te komen praten, of een motivatiecoach, of… Het houdt niet op, maar het kan niet anders.

Wat wel anders kan — anders móet zelfs — is het navelstaren. Ja, het is héél erg, maar niet alleen hier. En hier hebben we tenminste het vooruitzicht dat we allemaal gevaccineerd zullen geraken, als we dat tenminste willen, is het niet in juni dan toch tegen het eind van de zomer. Dat heet perspectief. Dat is: een horizon die dichterbij komt. Als we nu heel even onze ogen weg richten van de eigen navel, zouden we andere dingen kunnen zien. Zoals: elders is het nog véél erger dan bij ons. En: dat heeft ook een invloed op ons.

De Indiase ontwikkelingseconome Jayati Ghosh zei het deze week nog in De Standaard: ‘De pandemie kan niet overwonnen worden, zolang niet de hele wereld gevaccineerd is.’ Een eenvoudig gegeven dat maar niet wil doordringen. Niet bij de gewone bevolking, maar tot daaraan toe: wat niet weet, niet deert. Veel erger is het dat politieke leiders ook alleen maar bezig zijn met zichzelf, hun eigen toekomst, zeg maar: de volgende verkiezingen. Populisme als leidraad, navelstaren als eerste programmapunt.

Ghosh hekelt het westerse imperialisme, dat volgens haar ‘alive-and-kicking’ is. De lobby van de farmabedrijven weegt zwaarder door dan morele overwegingen en de volksgezondheid. De Pfizers van deze wereld hebben in recordtempo vaccins ontwikkeld, proficiat daarvoor, maar we vergeten dat ze daarvoor uitgebreid beroep konden doen op de research van universiteiten die door de overheden, door ons allemaal dus, gefinancierd worden. Het geld waarmee Pfizer & co experimenteren, komt van ons. Dus zijn die vaccins — hoe simpel kan het soms zijn — toch van ons, neen? En toch geven ze de patenten niet vrij, waardoor bijvoorbeeld Indiase bedrijven niet in staat zijn zelf vaccins te produceren. In het aandeelhouderskapitalisme telt een mensenleven niet, zelfs miljoenen mensenlevens niet. Winst is belangrijker dan het redden van levens. Cynischer wordt het niet. Die patenten zouden vrij moeten worden gegeven. Móeten! Daar hebben we allemaal baat bij, zo onderstreept Jayati Ghosh nog. ‘Want als de vaccins vrijgesteld worden van patentbescherming, wint iedereen. Ook in het Westen kan dan sneller worden gevaccineerd.’

De wereld staat in brand, maar in het Westen beslissen ze (we) om alleen in de eigen omgeving te blussen. De rest kan, letterlijk, stikken. ‘Eigen arm eerst’, noemde De Standaard-editorialist Bart Sturtewagen dat donderdag. Ik neem die bijzonder accurate omschrijving graag over, ook als kop boven dit stuk, omdat het perfect zegt waar het om draait: vaccinnationalisme. Eerst ónze mensen vaccineren en dan zien we wel. Eigenbelang, en toch ook weer niet, want het is net in ons eigen belang om zoveel mogelijk mensen in zoveel mogelijk landen in zo kort mogelijke tijd te vaccineren. Doen we dat niet, dan laten we miljoenen Afrikanen en Aziaten creperen. Ach, zal de cynicus opwerpen, ze moeten toch aan iets sterven. Maar de virusmutanten die ginds rondwaren, komen onvermijdelijk ook naar hier. Vijftig jaar geleden had de cynicus gelijk kunnen krijgen: de wereld was nog geen dorp, iedereen bleef op zijn eigen continent hangen, virussen hielden vooral lokaal lelijk huis. Vandaag reizen virussen vrolijk mee met hun dragers.

Wie de vaccinatiecampagne niet op gang helpt brengen in de zogeheten Derde Wereld, is niet alleen een egoïstische onmens, hij heeft de virale logica ook niet begrepen, want daar zit het eigenbelang: de virusverspreiding indammen. ‘Eigen arm eerst’ is even nefast en verwerpelijk als ‘Eigen volk eerst’. Het is kortzichtig, laf, onmenselijk, achterhaald, racistisch, paternalistisch, imperialistisch, en bedenk zelf nog maar wat adjectieven. En het tekent ook hoe wij, westerlingen, neerkijken op de havenots van deze wereld. En dan schrikken we straks als er weer een stroom vluchtelingen onze kant op komt. Deze week kapseisde weer een boot, het haalt niet eens onze headlines.

Hoe hoogstaand Pfizer, Moderna, AstraZeneca, Johnson & Johnson & co ook gewerkt hebben het voorbije jaar, het zijn geen helden. Business as usual is het niet, wat ze hebben gedaan, maar wel in de eerste plaats business. ‘As usual’ wordt daarbij zelden rekening gehouden met morele bedenkingen. Die moeten politici nu maar eens beginnen te maken, en ernaar handelen. En wij? ‘Ik denk dat een golf van politieke verontwaardiging de enige manier is om de zaken in beweging te krijgen,’ meent Jayati Ghosh. ‘Nu wordt de kwestie alleen aangekaart door ngo’s en hier en daar wat media. (…) Als er genoeg druk wordt uitgeoefend, zal snel genoeg duidelijk worden dat de huidige standpunten niet verdedigbaar zijn.’

Zolang de patenten niet worden vrijgegeven, krijgt Het Virus vrij spel. Eigen arm eerst is een zeer dom uitgangspunt. Als mensen al de coronamaatregelen moedwillig negeren om elkaar op te zoeken, zouden ze dit beter doen om massaal te protesteren tegen de kortzichtigheid van diegenen die ons naar betere tijden zouden moeten begeleiden, en niet om in een of ander bos de pseudoanarchist uit te hangen.



Voor wie haar soms geweld aandoet

Communicatie, Journalistiek, Samenleving Posted on za, april 24, 2021 11:43:16

Elke ochtend klokvast om halfacht gaf doctor Marc Galle ons, zinneloze zondaars, taalwenken op de BRT-radio. Op vijf minuten tijd kreeg de luisteraar te horen hoe het wel en niet moest, met die geliefde taal van ons. De nadruk lag toch eerder op wat er fout liep, herinner ik me vaag. De rubriek heette niet voor niets Voor wie haar soms geweld aandoet. Het waren de jaren zestig, het mocht nog allemaal een beetje bevoogdend en paternalistisch klinken, maar, geef ik grif toe, het was wel nuttig om te vernemen wat ik verkeerd had gedaan in de conversaties die ik zelf als keurig Nederlands had aangevoeld. Galle sprak traag en plechtig. Ook de ministers van die dagen declameerden rijke volzinnen, de spitse oneliners werden pas in een later stadium opgedist. Gaston Eyskens praatte meer uit de hoogte dan Alexander De Croo, maar het klonk wel keuriger, voornamer, meer getuigend van staatsmanschap en… met meer liefde voor de Nederlandse taal.

Van de jaren zeventig af deed de gevreesde taalraadsman Eugene Berode elke ochtend zijn ronde door de gangen van de openbare omroep. Geen taalfout ontsnapte hem. Hij schreef dan op een briefje wat hij gehoord had, stak dat in een blauwe enveloppe en legde die op het bureau van de schuldige, die vervolgens de hele dag met het schaamrood op de wangen rondliep in het Huis van Vertrouwen. Berode moet zowat de eerste ambtenaar geweest zijn die dagelijks aan meer dan tienduizend stappen geraakte. Volledige marathons heeft de man maandelijks gelopen in zijn hoogdagen. Het hielp af en toe, soms ook helemaal niet. Menige presentator of journalist kreeg meerdere blauwe briefjes met dezelfde opmerkingen te lezen. Mensen zijn hardnekkig in het herhalen van steeds weer dezelfde fouten, wij leren weinig uit de geschiedenis, óók niet wat taalfouten betreft. Tot 1996 bleef de heer Berode als taaladviseur in dienst van wat inmiddels BRTN was gaan heten, met de N van Nederlands prominent in de afkorting.

Toen ik halfweg de jaren negentig op de sportredactie van de televisie begon te werken, stuurde eminente collega Ivan Sonck wekelijks taalwenken rond in wat een primitieve vorm van e-mail was. ‘Andermaal’ was het woord dat het vaakst voorkwam in zijn circulaire, als in: beste medewerker, u heeft opnieuw dezelfde fout gemaakt. Sommige collega’s wilden maar niet begrijpen dat ‘Anderlecht komt met 1-0 op voorsprong’ geen correct Nederlands is. Dat moest, weten u en ik uiteraard, zijn: ‘Anderlecht komt 1-0 voor’ of ‘Anderlecht komt op voorsprong’. Sportjournalisten zijn de ongekroonde koningen van de contaminatie.

***

Voor wie haar soms geweld aandoet waren mijn ochtendvitaminen. Na mijn ouders was Marc Galle de eerste die mij toesprak bij het ontbijt. Ik luisterde aandachtig, knoopte dingen in mijn oren, vergat er ongeveer evenveel, maar ik probeerde er wel op te letten dat ik de fouten die professor Galle had beklemtoond zelf niet meer, of toch minder, maakte. Ik wilde toen al, op mijn achtste of zo, journalist worden, dat scheelt natuurlijk. Ik hamerde het er bij mezelf in dat mijn gereedschapskist in de toekomst uit taalelementen zou bestaan, niet uit hamers, beitels en schroevendraaiers. Vroeg begonnen is half gewonnen, of zoiets.

In het middelbaar was er meester De Pooter van Nederlands. Ik schrijf ‘meester’ omdat ik de voornaam van meneer De Pooter nooit onthouden heb. Paul was het, denk ik, het kan ook Piet geweest zijn. De man stak vol goede bedoelingen en had ongetwijfeld het beste met ons voor. Omgekeerd gold dat veel minder, weerbarstige jongens en meisjes staken de draak met dat pietje-precies vooraan in de klas. Wisten wij veel dat wij hem meer nodig hadden dan hij ons.

Daarna kwam meester De Wilde, Maurice met de voornaam, een man die weinig ‘blauwe brieven’ van Berode op zijn bureau zal teruggevonden hebben, omdat hij zelf behept was met de wil om taalkundig te excelleren. Ik zat alleen in mijn afdeling, Sociale Communicatie, op het RITCS en kreeg dus privéles van de grand reporter, die een voorbeeld was en een mentor werd. Af en toe moest ik iets schrijven en dan bromde De Wilde dat het goed was, waarna ik met afschuw naar de gecorrigeerde versie keek. Op elke lijn stond er wel een bedenking in een zeer klein en tegelijk zeer mooi en zeer leesbaar handschrift. Links zette hij dan een streepje, zodat ik zeker niet over de aanmerking heen zou kijken. Hij leerde me dan bijvoorbeeld dat ‘meer en meer’ een anglicisme was, dat het ‘hoe langer hoe meer’ moest zijn. Of dat ik niet ‘vanaf de jaren zeventig’ moest schrijven, maar ‘van de jaren zeventig af’. Als ik dat nu doe, zoals in de eerste zin van de tweede paragraaf, geeft mijn automatische spellingchecker aan dat ik een fout heb begaan. Tijden veranderen. Dankzij De Wilde werd mijn taal correcter en tegelijk ook stroever. Taal moet soepel gehanteerd worden, besefte ik. Regels en richtlijnen zijn noodzakelijk, maar er moet creatieve speelruimte blijven.

***

De samenleving evolueert, mensen evolueren, taal evolueert, en maar goed ook. Eerst hadden we maar te accepteren dat we accepteren met dubbele c moesten schrijven, tot men ons verzekerde dat het ‘aksepteren’ moest zijn, en ook dat hadden we maar te accepteren. Terloops, De Wilde hanteerde zelf ook de zogeheten ‘progressieve spelling’, voor hem was het dus ‘kollaboratie’, niet ‘collaboratie’. Later haalde de c van conservatief het op de progressieven en, heel eerlijk, dat vond ik prima. Accepteren oogt gewoon beter dan aksepteren.

Mijn eerste Van Dale was veel dunner dan het driedelig exemplaar uit 1992, dat nog altijd ongebruikt in een boekenkast achter mij staat te pronken. Recentere versies zullen nog dikker zijn geworden. Bastaardwoorden werden aangenomen zonen en dochters, leenwoorden bleven in huis wonen, de internationalisering van landstalen viel niet tegen te houden. Geen denken aan dat Marc Galle of Eugene Berode ‘burn-out’ zonder slag of stoot zouden geaccepteerd hebben. Wij zijn Vlamingen, nietwaar, we hebben al genoeg overheersers gekend in ons verleden.

De verengelsing van onze taal viel echter niet tegen te houden. Dammen werden opgeworpen, maar bleken niet stevig genoeg. Switchen, chillen, content, shoppen, deleten, coach, enfin, de voorbeelden zijn legio. We zoeken niet eens meer naar een bestaand alternatief in het Nederlands. Jammer, maar de realiteit valt soms niet tegen te houden. Dat is niet erg, op voorwaarde dat we de basis blijven respecteren. Toen ik van de week las dat de dames en heren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst nog sneller willen versoepelen dan de amateurvirologen onder ons, ging mijn weinige resterende haar rechtop staan. Achteraf bleek het een misverstand, F.C. De Kampioenen is nooit ver weg in dit land van ‘gewassen maandverbanden’ (copyright: Jean Pierre Van Rossem). ANS wilde gewoon aangeven dat er verschillende toepassingen zijn van de taalregels en dat de op papier foute veelvuldig circuleren. Niet meer, maar ook niet minder. Een Engelse universiteit besliste dan weer dat spelfouten in een thesis niet meer zo erg zijn. De dt-regel mag op de schop, vindt Kristien Hemmerechts, of moet dat ‘vind’ of ‘vint’ zijn? Te moeilijk, dus laten we die inspanning niet meer doen. Echt?

Als taalfouten worden getolereerd omdat ze in de praktijk vaak voorkomen, zullen we dan ook de meest voorkomende verkeersovertredingen voortaan door de vingers zien? Ik vroeg me dat in die bewoordingen eergisteren af op Twitter. Sommigen vonden dat ik niet met het verkeer mag vergelijken, omdat er in de taal geen doden vallen. Klopt, maar daar ging het niet om. Anderen vonden dat je iets wat juridisch afdwingbaar is (het verkeersreglement) niet in dezelfde context mag brengen als iets wat louter een conventie is (taalregels). Ook dat is juist. Mijn punt is dat we ons aan afspraken moeten houden (niet door het rood rijden, niet over een volle witte lijn rijden, richtingaanwijzers gebruiken bij een maneuver, ‘hij wordt’ met dt schrijven en ‘word je’ enkel met een d) en dat we die afspraken niet moeten aanpassen omdat er veel overtreders zijn, wel eventueel omdat de afspraken op zich niet deugen. Wie bedacht heeft dat ‘pannenkoek’ correcter is dan ‘pannekoek’ verdient billenkoek. Zo maak je taal onnodig moeilijk.

Wanneer ik zelf een dt-fout maak in een stuk — wat weleens gebeurt, geef ik ongaarne toe —, krijg ik meestal een discrete opmerking van iemand die ze opgemerkt heeft. Daar ben ik dankbaar voor, zowel vanwege de discretie, als vanwege de welwillende aandacht die iemand heeft besteed aan iets wat ik geschreven heb. Al vind ik het vanzelfsprekend ook vervelend: help, ik heb de taal, mijn werkinstrument, geweld aangedaan. Mijn oprechte excuses, doctor Marc Galle. Ik maak me sterk dat ik minder dt-fouten maak dan de gemiddelde Vlaming. Niet dat ik daar uitzonderlijk trots op ben, het hoort gewoon bij mijn vak, journalist. Als een student een dt-fout maakt in een verslag of een recensie, zal ik daar in gedachten een kwartpunt voor aftrekken, omdat die student nu eenmaal journalistiek studeert. Als iemand die geen neerlandicus is of die niet voor zijn dagelijkse werk een gereedschapskist vol Nederlandse woorden meezeult een fout of foutje maakt, vind ik dat minder erg. Ik ben niet de taalnazi die anderen berispt en er een plezier in schept om mensen te kleineren omdat ze even uit de bocht zijn gegaan. Dus, ja, taal mag, moét zelfs evolueren, pietluttige regeltjes mogen, neen: moéten, op de schop en wel zo vlug mogelijk. Maar gemakzucht, onwetendheid en intellectuele luiheid zijn niet de juiste middelen op weg naar een betere en modernere taal.

‘Groter als’ of ‘beter als’ niet nadrukkelijk blijven afkeuren, vind ik afkeurenswaardig, beste ANS-vertegenwoordigers. Jan is groter dan Piet, niet groter als Piet en, voor de West-Vlamingen onder u, evenmin groter of Piet. Het is van de pot gerukt om daar soepel mee om te gaan. Alles versimpelen is voor simplisten, niets vereenvoudigen is voor hartvreters. Ook de taalkerk moet in het midden gehouden worden. U wilt lezen wat u hoort? Nogtans is het zowiezo kwazi onmogelek om foneties konsekwent en korrekt te sgrijven. Niet aan beginnen, liefst.

Dat gemakzuchtig omgaan met wat er is, geldt trouwens ook bij het gebruik van andere talen. Jongeren haspelen in turbotaal het Engels bezittelijk voornaamwoord ‘your’ vaak door elkaar met ‘you’re’ (van ‘you are’). Moeten we dat zomaar accepteren? Maak er dan meteen ook fonetisch ‘joor’ van, als we dan toch bezig zijn met het verminken van een taal. Zullen we ‘knowhow’ dan voortaan spellen als ‘noowhouw’? Wie foltert, kan maar beter scrupuleloos te werk gaan. (Kijk, die ‘te werk gaan’ heb ik net even moeten nakijken, ik twijfelde of het niet ‘tewerk gaan’ moest zijn. Dat is een nadeel van een complex gegeven als taal: je twijfelt voortdurend en je moet dingen opzoeken. Ik doe dat gaarne, opzoeken, het maakt me elke dag een heel klein beetje minder onwetend. Als je de hele tijd googelt, kan je net zo goed ook even taalbanken raadplegen of woordenlijst.org gebruiken. Die ‘googelt’ heb ik trouwens ook even moeten checken. Kleine moeite.) ‘Ça va’ is bij de meeste jongeren ‘cava’ geworden, al kan dat ook te maken hebben met het ontbreken van de ç op het miniklavier van een smartphone. (Zo smart is die foon dan ook weer niet…)

Wat is de volgende stap: veelgemaakte taalovertredingen als ‘stadia’ (het foutieve meervoud van stadion) of ‘fysisch’ (als het over de menselijke fysiek gaat) accepteren, omdat ze nu eenmaal heel veel voorkomen? Dan kan je inderdaad, om opnieuw naar de analogie met verkeersovertredingen te gaan, middenvakrijders, chauffeurs die nooit hun richtingaanwijzers gebruiken of lieden die nog snel even over het zebrapad snorren terwijl u er al over wandelt, tolereren. De macht van het getal mag niet de norm zijn. Hoe meer overtreders, hoe minder aandacht voor de overtreding, is een bijzonder slecht uitgangspunt. Zo beloon je de overtreders.

Als we de lat zodanig laag leggen dat iedereen er zonder moeite overheen kan springen, wat winnen we dan?



Super League

Sport Posted on di, april 20, 2021 11:52:10

Toen de UEFA toeliet dat de grotere voetballanden meerdere clubs konden afvaardigen naar de Champions League, zwegen de supporters. Ze waren immers ofwel zelf fan van een grote club, ofwel dachten ze dat hun eigen clubje ooit zou mogen pronken op het kampioenenbal, flink startgeld inbegrepen.

Toen er steeds meer rijke eigenaren uit Rusland, de Arabische staten of Amerika Europese clubs overnamen, zwegen de supporters. Hun club rekende immers ook al een tijdje op buitenlands geld, of ze wisten dat hun club ooit aan de bedelstaf zou geraken en dan kon je maar beter goed staan met zo’n potentiële verre mecenas.

Toen de FIFA het WK toewees aan Rusland en Qatar, na een corrupt verlopen procedure onder auspiciën van de top van de Wereldvoetbalbond, zwegen de supporters. Het kon hen immers niet schelen waar het wereldkampioenschap voetbal gespeeld wordt, als ze maar naar Messi, Ronaldo en De Bruyne kunnen kijken, krat pils en zak chips binnen handbereik. (Die doden in Qatar? Nevenschade!)

Toen Ronaldo, Bale en Neymar voor waanzinnige sommen getransfereerd werden, zwegen de supporters. Die avond was er immers voetbal op tv.

Toen Messi, Ronaldo en De Bruyne waanzinnige salarissen mochten opstrijken, waardoor hun clubs diep in het rood belandden, zwegen de supporters. Was het immers niet zo dat die sommen wel terugverdiend zouden worden en, ach, als je even de andere kant opkeek, kon je niet merken dat er in het land waar sommige van die heren voetbalden miljoenen werklozen waren.

Toen twaalf clubs de Super League aankondigden, was er niemand nog die het recht had om te protesteren. Supporters die jarenlang hadden gezwegen, zouden dat beter blijven doen, al leek het op het eerste gezicht best wel flink wat de trusts van fans van Manchester United, Liverpool en Chelsea deden gisteren. Krokodillentranen zijn het, van onwetende lafaards of laffe onwetenden, de lezer bepaalt zelf maar welke volgorde hij het ergst vindt. De lezer zal me ook vergeven dat ik hierboven leentjebuur heb gespeeld bij een beroemd gedicht van predikant Martin Niemöller (1892-1984), die tijdens de Tweede Wereldoorlog de gelatenheid van de Duitse intellectuelen hekelde.

***

Het voetbal is niet gestorven op 18 april 2021 bij de aankondiging van de oprichting van de Super League door twaalf stichtende leden. Poenscheppers, zeer zeker, moordenaars van het spel voetbal, absoluut, lieden die 24 uur op 24 te herkennen zijn aan de dollartekens in hun verblinde ogen, ook waar.

Een exacte sterfdatum van voetbal als sport valt moeilijk te bepalen, maar ik probeer er twee voor de geest te halen. 15 december 1995, om te beginnen. Het Bosman-arrest. De modale middenvelder Jean-Marc Bosman trok terecht naar de hoogste gerechtelijke instanties van Europa om de slavernij in het voetbal van de jaren negentig aan te klagen. In 1990 was hij einde contract bij FC Luik. Toch liet een clausule in het reglement van de voetbalbond toe dat een clubvoorzitter voor een bepaalde datum eenzijdig een contractvoorstel mocht doen, waardoor de voetballer gebonden bleef aan zijn club. De meeste profvoetballers waren lijfeigenen, uitzondering gemaakt voor de supersterren, die voor veel geld werden verpatst, dat was beter dan hen ontevreden bij hun club te houden. Door het Bosman-arrest ging het bestaande transferstelsel van de ene op de andere dag op de schop. Terecht. Alleen vergat het Europees Hof een overgangsprocedure vast te leggen en de achterpoortjes te sluiten. Stropers (makelaars) liepen sneller dan boswachters (bondsbonzen en clubvoorzitters). Het gevolg kennen we: het vrije verkeer van werknemers binnen de Europese Unie is vooral een vrij verkeer van centen geworden, en het is niet de supporter die daarvan profiteert, noch de clubs.

Een tweede datum moet ergens in het voorjaar van 1997 te situeren zijn. Toen besliste de UEFA om de Champions League van het daaropvolgende seizoen, 1997-1998, twee clubs toe te laten uit de grote voetballanden. Voor Engeland mocht naast kampioen Manchester United ook runner-up Newcastle deelnemen. Spanje vaardigde kampioen Real Madrid en tweede in de stand FC Barcelona af. Italië werd vertegenwoordigd door Juventus en Parma. Monaco en PSG moesten de eer van Frankrijk proberen hoog te houden. Duitsland telde zelfs drie deelnemers. Kampioen Bayern, runner-up Bayer Leverkusen en Borussia Dortmund, de winnaar van de vorige editie van de Champions League.

Daar en dan is het fout beginnen te lopen. Binnen de tien jaar stond de UEFA toe dat de grotere voetballanden eerst drie en later vier clubs mochten sturen naar een competitie die ooit Europabeker voor Landskampioenen had geheten, en nu ‘kampioenenliga’, maar waar dus ook de vierde in de stand aan mocht meedoen, een anomalie, contradictio in terminis. Aardig dat de UEFA nu protesteert tegen de oprichting van de Super League, maar het heeft zelf boter op het hoofd, door systematisch toegevingen te doen, waardoor de rijken wel rijker werden maar in hun eigen ogen niet rijk genoeg, en de armen steeds behoeftiger. Idem wat de FIFA betreft, een tent waar het moreel gezag niet eens met een microscoop te ontwaren valt.

De Europese middenklasse, waaronder de Belgische competitie, zakte door de uitbreiding van de Champions League steeds verder weg in het moeras van de grote poen, hopend om het hoofd boven water te kunnen houden en toch nog iets te kunnen mee graaien uit de overborrelende geldpotten. Clubs en fans pleegden schuldig verzuim, tv-zenders betaalden veel geld om in het beste geval een glimp van teams uit hun eigen land te kunnen tonen, in het slechtste geval konden voetballiefhebbers zich vergapen aan de kunstjes van Bayern, Barça of Man. United. Het was zoals in dat gedicht van Niemöller: iedereen die iets had moeten zeggen, zweeg, en werd dus medeplichtig.

Ik schreef zelf in 2015 £X€£$$ United (Houtekiet) over de financiële wanpraktijken in het voetbal. Geloof maar niet dat het een bestseller was. Voetbalfans willen niet weten hoe het eraan toegaat achter de schermen. Ze willen hun illusie niet doorprikken. Ach, Financial Fair Play, het zal hen worst wezen, zolang ze maar hun portie brood en spelen voor de kiezen krijgen. Eerlijk: ik kijk niet meer naar Champions League-wedstrijden, tenzij er een Belgische club actief is, uit sympathie, meer niet. De dag dat de finale wordt gespeeld, ben ik meestal met vakantie in het buitenland en ik doe heus geen moeite om ergens een groot scherm te vinden om een duel te kunnen aanschouwen tussen twee volstrekt voorspelbare deelnemers. Het is genoeg geweest.

***

Ik zal wel een ouderwetse voetbalromanticus zijn, een bijna uitgestorven mensensoort, maar ik herinner me nog het seizoen 1987-1988 van de Europabeker voor Landskampioenen. Tweeëndertig teams uit evenveel landen, de Sovjet-Unie en Joegoslavië waren nog niet geïmplodeerd. Geen geleide loting met reekshoofden en dat soort dingen, gewoon rechttoe rechtaan. Zodat in de eerste ronde Real Madrid, de kampioen van Spanje, werd uitgeloot tegen Napoli, kampioen van Italië. Maradona & co konden na een 2-0 in Madrid en een 1-1 in Napels al meteen opkrassen. In de volgende rondes, telkens met rechtstreekse uitschakeling, kwam Real FC Porto, Bayern en PSV tegen, hun eindstation. Eric Gerets mocht de beker met de grote oren in de lucht steken na een oersaaie finale tegen het Portugese Benfica.

De topclubs van vandaag huiveren voor zulk scenario. De uitkomst moet zoveel mogelijk vastliggen, toch al zeker tot de kwartfinales. Stel je maar even voor: een eerlijke loting waarbij je er al na één ronde kunt uit liggen, o horror, o horror! Vandaar het idee van de Super League, een gesloten competitie waar vijftien clubs — de huidige twaalf aangevuld met, hopen De Twaalf tenminste, Bayern, Borussia Dortmund en PSG — elk jaar opnieuw aan mogen deelnemen, plus nog vijf wisselende teams die ook even mogen proeven van het manna dat uit de voetbalhemel komt neerdwarrelen. De eigen, protesterende fan heeft daarin slechts een marginaal belang. Het gaat hem om het uitbreiden van het wingewest tot het Amerikaanse, Zuid-Amerikaanse en, vooral, Aziatische continent. Daar valt nog geld te rapen, daar is de bron, in tegenstelling tot in Europa, nog niet opgedroogd. De supporters van De Twaalf moeten zwijgen en betalen — wat ze, wees gerust, ook zullen blijven doen na dit initiële luidruchtige protest. Met het geld dat binnenstroomt uit verre gebieden zullen de betere spelers bij de clubs die niet tot het selecte kringetje behoren, worden weggeplukt, om de fans te paaien, wat ook zal lukken, inconsequent als die zijn.

Onbegrijpelijk trouwens dat er sporteconomen en analisten zijn die hier het Amerikaanse model in zien. In de NBA, om het maar bij basketbal te houden, is er een ‘salary cap’ — een maximumbedrag dat mag worden gespendeerd aan salarissen — en kunnen de zwakkere teams uit de vorige competitie in de jaarlijkse ‘draft’ proberen hun kern te versterken met de betere jonge talenten. Zo krijg je, in theorie, een spannender, minder voorspelbaar verloop van de competitie.

De enige vergelijking die opgaat, is die van de gesloten competitie. Maar in de NBA is die wel gebaseerd op een uitgekiende geografische spreiding, zodat alle dertig teams een ruim economisch hinterland hebben. Als de Super League zich werkelijk zou baseren op de NBA, de NHL of de NFL, dan zouden er geen drie clubs uit Noord-Italië bij zitten, drie uit Londen, twee uit Manchester en één uit de vijftig kilometer daarvandaan gelegen stad Liverpool (naar Amerikaanse maatstaven een buurgemeente van Manchester), twee uit Madrid. Dan zou er voor de samenstelling van de Super League een team geselecteerd worden uit Scandinavië, wellicht ook eentje uit de Lage Landen, één voor Groot-Brittannië, één voor Frankrijk, één of twee voor Duitsland, één voor het Iberisch schiereiland en dan ook nog een vertegenwoordiger van Italië, Rusland, Midden-Europa en een paar uit het vroegere Oostblok.

Elke vergelijking met Amerikaanse topsporten is onzinnig, vals, kortzichtig. De NBA mikt in eerste instantie op de Verenigde Staten, daarna pas op de rest van de wereld. De Super League zou eerder mikken op verre gebieden. Eigen volk laatst. Het zou de ultieme ironie zijn: de fan van een Europese topclub, artificieel of niet, die in de loop van de jaren op Niemöller-achtige wijze zijn eigen overbodigheid heeft geënsceneerd.

***

De UEFA dreigt er nu mee de rebellerende poenscheppers te schorsen en hun spelers niet te laten deelnemen aan WK’s en EK’s. Dat zou mooi zijn, mocht het worden toegepast. In werkelijkheid is er een machtsspel aan de gang, een partijtje armworstelen tussen de UEFA — die de grote clubs écht niet kwijt wil — en de leden van de Super League. U kent dat spreekwoord over de temperatuur van de soep en wanneer die opgeslurpt wordt. Terwijl Europese voetbalfans morren, zal er stevig onderhandeld worden. Kans is groot dat er een compromis uit de bus komt, waarbij De Twaalf nóg rijker worden dankzij de Champions League, met als extra toegeving dat de Financial Fair Play begraven wordt. Iedereen gelukkig. Behalve wie echt van voetbal houdt.



1 september

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on za, april 17, 2021 11:36:14

Wat zegt ge? Ha, ja, dat ge ’t beu zijt. Ik ook, jong, ik ook. Maar ge moet daarom nog niet doen alsof dat ding hier ribbedebie is, hé. Ja, man, ik weet het, ge wilt meer dan één dierbare knuffelen, ik begrijp het. Wat zegt ge? Da’ ge dat nu al doet? Maar allee, dat vindt Het Virus juist tof, hé, dat gij u niet gedraagt zoals het hoort. Allee, jong, da’s toch niet slim, enfin. Ja, ik weet het, we mogen niet veel, maar wat we mogen, mogen we mogen hé. Wat zegt ge? Da ’t niet genoeg is? Kijk, man, als gij er uw botten aan veegt, dan beperkt ge mijn vrijheid ook, hé, ik die er mijn botten niet aan veeg. Dat ik eens moet kijken naar de parken en de kust? Ja, jong, veel te veel volk, hé. Het Dedecker-effect, zeker? Dedecker, awel, dienen burgemeester van Middelkerke, ge weet wel, groot bakkes, populist tot in de kist, de meneer die van de week in Terzakes zat en die eigenhandig de horéca zal steunen. Haha, de hoREca. Allee, goREca, zoals Dedecker het uitspreekt hé. Wat zegt ge? Ja, da’s de verkeerde klemtoon, hé jong. ’t Moet hóreca zijn. HOreca. Wist ge dat niet? Wat zegt gij dan? Horecá? Allee vooruit, horeCA. Moet kunnen hé. Vrijheid, blij… nee nee, zeker geen vrijheid blijheid. Weet ge wat het is, vriend. Als ik mij gedraag en gij maar half en nog een ander helemaal zijn goesting doet, dan blijven we dienen Van Ranst elke avond op tv zien hé. Het ligt aan ons, hé, niet aan hem. Alleen dankzij ons kan dat virus nog circuleren. Wat zegt ge? Dat ge ’t kotsbeu zijt. Ja, dat hebt g’ al eens gezegd. Ik ook, en ja, dat heb ik ook al eens gezegd. Zo zijn we terug waar we begonnen zijn, kameraad, terug naar af. Weet ge wat het is? De polletiekers beloven te veel dingen die ze niet kunnen waarmaken. Dingen waarvan ze niet weten of het wel zal lukken. Allee nu: terrassen open in de paasvakantie, 19 april, 1 mei, 8 mei, half mei, half juni, 11 juli, het Rijk der Vrijheid in de zomer, wie kan er nog volgen? Wat zegt ge? W’ hebben toch perspectief nodig? Perspectief, mijn gat. Niemand kende dat virus, weinig mensen kunnen het nu al inschatten, wat zijt ge dan met beloftes? Weet ge wat ik vind, jong: dat we moeten mikken op 1 september. Al de rest is gespin en gegok, en daar zijn we geen kloten mee. Zorgt dat iedereen twee keer gevaccineerd is tegen 31 augustus en dan kan het leven hervatten. Wat zegt ge? Dat da’ nog lang is? ’t Zal wel zijn. Maar wa’ wilt ge, da’ we de datum altijd maar blijven opschuiven om toch op dienen eerste september uit te komen. Hebt ge dat liever? Zijt gij zo’ne ‘Liever één vogel in de hand dan tien in de lucht’-kerel, die uiteindelijk met lege handen achterblijft. Want, dat ben ik nu eens zo beu als kouw’ pap, zie, altijd maar weer iets voorspiegelen dat niet haalbaar is. Dan haken de mensen pas af. Dan zeggen ze: och, ’t zal mijnen tijd wel duren en dan beginnen ze te doen alsof dat klotevirus verdwenen is. Dan doen ze alsof ze zich aan de regeltjes houden en in ’t geniep doen z’ hun goesting. Is dat de oplossing, misschien? Wat zegt ge?



Goede huisvader

Politiek, Samenleving Posted on za, april 10, 2021 11:29:20

De goede huisvader is niet meer. Of bijna toch. Hij is op sterven na dood. Hij (m/v/x), moet dat zijn. Het in hele oude juridische teksten opgenomen begrip ‘goede huisvader’ dateert nog uit de tijd dat moeder aan de haard bleef en vader, na een lange en uitermate vermoeiende werkdag, in de comfortabelste zetel van het huis de krant las, met de pantoffels op het salontafeltje. Alleen als het eten op tafel werd gezet, mocht hij gestoord worden. Andere tijden. Zeker geen betere tijden. Goed dat oude teksten afgestoft en opgeblonken worden. Ik vroeg me al diep in de jaren zeventig af waarom er niet zoiets kon bestaan als een ‘goede huismoeder’ en waarom vader altijd moest optreden als het echt belangrijk werd. (Terloops, berg ook dat ‘Vadertje Staat’ maar definitief op in het museum van versleten clichés en oubollige uitdrukkingen.)

Zou Charles Michel een goede huisvader zijn? Ik lees de boekskes in geen van beide landstalen, dus ik weet het niet. Deze week gedroeg hij zich alleszins eerder als een neanderthaler. U kent de positioneringen op de staatsiefoto stilaan uit het hoofd. Charles Michel, de Europese ‘president’, en Recep Tayyip Erdogan, de Turkse president, broederlijk naast elkaar zittend, en Ursula von der Leyen, voorzitter van de Europese Commissie, die rechtop staat en een beetje schutterig met haar handen beweegt. Voor haar was er geen plaats naast de heren, ze moest een paar meter verder in een soort divan plaatsnemen. Ik beeld me dan in dat ze moest roepen om gehoord te worden, terwijl de heren bleven fluisteren, om haar uit het gesprek te kunnen houden. Dat is dan mijn slecht karakter, ik beperk me gelukkig tot verbeelding. Maar dat beeld was wel reëel. Twee mannen bedisselden de zaken, mevrouw mocht toekijken vanop een afstand. Seksisme vanwege de Turkse gastheer? Zou kunnen, al spraken sommige waarnemers dat tegen. Het maakte niet zozeer uit dat Von der Leyen een vrouw is, zo betoogden ze, Erdogan wilde vooral duidelijk maken wie de baas was én hij wou de vertegenwoordigers van de in zijn ogen al te kritische Europese Unie uit elkaar spelen. Twee keer bingo. #sofagate was een feit.

We kunnen niet in het hoofd van Erdogan kijken — daar heb je die verbeelding weer: ik beeld me hierbij een holle ruimte in —, wel kunnen we het gedrag van Michel beoordelen. Onze ex-premier had vier kunnen dingen doen om het predicaat ‘goede huisvader’ te verdienen: een extra stoel opeisen voor Von der Leyen, zijn plaats afstaan aan Von der Leyen, naast Von der Leyen plaatsnemen in de divan, of verontwaardigd de ruimte verlaten. Hij deed geen van de vier, begon diplomatisch te keuvelen met de Turkse president. Michel degradeerde Von der Leyen zo tot bijzitter, ‘vrouw aan de haard’ werd ‘vrouw in de divan’. Von der Leyen bleef ook braafjes zitten. Onze Europatjepeeërs wilden geen diplomatiek incident veroorzaken. Hoe naïef. And zie vinner is… Erdogan!

Charles Michel, de man die zich in hogere wereldkringen aldoor bedient van een Allo’ Allo’-achtig Engels, heeft door zijn gedrag — en vooral: door niet te doen wat hij had moeten doen — de Europese Unie en zichzelf een halve eeuw terug in de tijd gekatapulteerd. De tijd van “Die wijven moeten zoveel complimenten niet maken” (een uitspraak van de sociaaldemocraat Louis Major uit 1971, nadat Volksunie-verkozene Nelly Maes had geëist dat ze de eed zou afleggen na het afroepen van haar meisjesnaam, niet die van haar man) leek ver weg en is toch zo nabij. Emancipatie is een broos gegeven: ze komt er pas na een lange, intense strijd met vele verbale oorlogen en ze verdwijnt met een vingerknip. De man die eind 2018 nog bezwoer dat hij er een regeringscrisis voor overhad om toch maar aan de juiste kant van de geschiedenis te kunnen staan, staat nu aan de verkeerde kant, hoe ironisch toch. Een pedagogische tik, mag dat nog in 2021?



De democratie weent

Politiek Posted on za, april 03, 2021 11:29:39

‘Ik heb niet gelogen, dat gesprek zat verkeerd in mijn herinnering.’ De Smoes van de Week kan de uittredende en — zo is de algemene verwachting — toekomstige Nederlandse minister-president Mark Rutte niet meer ontgaan. Rutte gleed uit over een verbale bananenschil die kritische parlementsleden hem voor de voeten hadden geworpen. Vlaamse politieke waarnemers lachten in hun vuistje en wezen terzelfder tijd op het feest van de democratie dat zopas in de Nederlandse Tweede Kamer had plaatsgevonden. ‘In vergelijking met de noorderburen hebben we toch te vaak een playmobilparlement,’ tweette Steven Samyn, hoofdredacteur Duiding op de VRT, vrijdagnacht in volle enthousiasme.

Nederland Gidsland, dat is al een poos geleden. Decennialang waren we een beetje jaloers op de welbespraaktheid van onze noorderburen, op hun cultuur van debatteren, op hun zakelijkheid en openheid. Terwijl Vlaanderen rechtser werd en Wallonië linkser, leek Nederland de stabiliteit zelve. Dat veranderde met de komst van Pim Fortuyn. Geen extreemrechtse patjepeeër, zeker niet, maar hij wist verdomd goed welke snaar hij moest betokkelen om populair te worden. Tegen ‘linkse’ geldverkwistingen, tegen het middenveld, tegen de islam. Populist tot in de kist. Daarna kwamen Wilders en Baudet, qua extreemrechtse impulsen is Nederland (17 miljoen inwoners) Vlaanderen (6 miljoen) intussen voorbijgestoken. Het Gidsland is niet meer, de Grote Versnippering zorgt ten noorden van ons voor de quasi onbestuurbaarheid van het land. Behalve dan als het gaat over parlementaire debatten, zo bleek dus deze week.

In onze parlementen, op álle niveaus, is een debat compleet zinloos geworden. Dovemansgetier. Coalitie tegen oppositie, wie er ook in de regering moge zitten en wie op de oppositiebanken. Niet de middenstand regeert het land, beste Luc De Vos, maar de partijhoofdkwartieren. Particratie heeft democratie opzij geduwd, brutaalweg, en dan nog onder het mom van goed bestuur. Alsof dit de ware democratie zou zijn, een handvol partijlieden die zeggen wat goed is voor hun leden, hun mandatarissen en, uiteindelijk, ons. Pretentieuzer wordt het niet.

Op 6 februari 1968 interpelleerde CVP-volksvertegenwoordiger Jan Verroken de regering-Vanden Boeynants, waartoe zijn eigen partij behoorde, over de kwestie-Leuven. Het was de tijd van ‘Leuven Vlaams!’, Verroken was uitgesproken Vlaamsgezind, hij wilde dat zijn partij en bij uitbreiding de regering zich engageerden om het Vlaamse karakter van de KU Leuven te verzekeren. Een dag later viel de regering. De top van de CVP vervloekte Verroken, de basis juichte, het democratisch gehalte van zijn tussenkomst was heel hoog. Soms kwam die ideologische standvastigheid nog eens terug in de vijftig jaar daarna, bijvoorbeeld toen er een wisselmeerderheid werd gevormd rond de abortuswet. Ook dat is democratie: een wet stemmen tegen de regerende meerderheid in, omdat je het principieel eens bent met de inhoud ervan. Het is alleszins democratischer dan tegen je eigen principes ingaan om de goede vrede in je eigen huishouden te bewaren. Het ene verdient lof, het andere is gewoon laf. De voorlopig (?) laatste die nog enigszins enige tekenen van dissidentie vertoonde, was Sihame El Kaouakibi, als Vlaams parlementslid voor Open VLD. Zij zal het echter niet meer doen, zo is deze week wel duidelijk geworden, uitgerangeerd in een sfeer van scandalitis.

Stemmen volgens je geweten mag niet meer. Stemmen vanuit de ideologische basis van je politieke partij of beweging is ondergeschikt aan strikte loyauteit aan het regeerakkoord, ook al druist dit in tegen al waar jij of je partij voor staan (en natuurlijk moet je compromissen sluiten in een vertegenwoordigingsdemocratie, maar ze mogen niet compromitteren). Stemmen op basis van principes is iets van vroeger: nu telt opportunisme, macht om de macht. Aan de ene kant roepen vooraanstaande politici ‘Het is maar een peiling’, als ze weer eens verrast worden door de voor hen negatieve resultaten van een publieke rondvraag; aan de andere kant stemmen ze hun doen en laten vervolgens wel af op wat ze denken dat het volk (tijdelijk) wil. Populisme en respect voor de democratie staan meestal haaks op elkaar, om nog maar te zwijgen over respect voor je eigen beginselverklaring.

Onze volksvertegenwoordigers zijn geen mannen en vrouwen van stavast, het zijn louter uitvoerders geworden, vazallen, stromannen (m/v/x). Het is boeiender naar de sprekende klok te luisteren dan naar een debat ergens in de vele parlementen van dit land. De uitkomst staat toch telkens al vast, het is puur tijdverlies. Uitvoerende macht (regeringen) en wetgevende macht (parlementen) zijn ondergeschikt aan particratische macht (partijhoofdkwartieren), mensen die, nota bene, niet verkozen zijn door het volk, alleen door de leden van die partij. Er valt veel negatiefs te zeggen over een éénpartijstelsel zoals in de Verenigde Staten, maar niet dat de stemmingen vooraf vastliggen. Joe Biden zal moeten vechten om een meerderheid te scharen achter zijn American Jobs Plan, ‘zijn’ meerderheid nochtans. In België zou dat een piece of cake zijn, de uitslag ligt op voorhand al vast.

Als we dan toch de democratie laten verkommeren en verkrachten, kunnen we net zo goed de volgende stap zetten: schaf de parlementen af, kies alleen nog partijen en laat de voorzitters en hun entourage beslissen. Zeer ondemocratisch, maar het zou wel een flinke besparing opleveren. Dan hoeft die wekelijkse poppenkast niet meer. Dus: Bart De Wever mag op 25 stemknopjes drukken in de Kamer van Volksvertegenwoordigers (dan zien ze hem ook eens in Brussel), Paul Magnette op 20, Tom Van Grieken 18, Georges-Louis Bouchez 14, enzovoort. Zend dit rechtstreeks uit op tv met deskundig sportcommentaar, dan hebben de mensen thuis er ook nog iets aan. Of maak er een Spel zonder grenzen van, tussen alle landen waar de particratie heerst. Om ter snelst op alle knopjes duwen, spektakel gegarandeerd. Je kan de vloer met bruine zeep insmeren, of de voorzitters op een slappe koord over een plas water laten balanceren, of om de drie knopjes een electroshock toedienen, of vanuit het plafond pek en veren laten vallen, om er wat extra schwung aan te geven. Alles voor het entertainment, alles voor de show, alles om te doen alsof er moeite moet gedaan worden. Maar de uitkomst ligt vast: ‘Belgium, two points with the joker’, of de meerderheid beslist tegen de minderheid. De honderden parlementsleden en hun medewerkers komen dan wel op straat te staan, maar die vinden hun weg wel in de advocatuur of zo. Tel uit je winst.

‘Ik heb niet verkeerd gestemd, mijn overtuiging zit ver weg in mijn herinnering,’ zou een zinnetje kunnen zijn dat onze volksvertegenwoordigers probleemloos kunnen opdissen, wanneer ze weer eens hondstrouw de richtlijnen van bovenaf blindelings opvolgen. De democratie weent.



« VorigeVolgende »