Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Eurovisiesongfestival

Muziek, Radio en Televisie Posted on za, mei 11, 2024 12:29:10

Oudere jongeren (*) hebben zelden gelijk, maar als u hen hoort aanvoeren dat het Eurovisiesongfestival vroeger kwalitatief beter was, moet u gewoon ja-knikken. Dat klopt namelijk helemaal. Tot een eind in de jaren 90 werd er nog écht gezongen op dat liedjesgebeuren. Er was zelfs een levend orkest met een heuse dirigent. Livemuziek op een avond die als propaganda voor de Europese muziek zou moeten dienen, stel u dat even voor! L’histoire ne se répète pas.

Oudere jongeren hebben zelden gelijk, maar als zij weer eens zeuren dat het Eurovisiesongfestival een bijna uitsluitend gay festival is geworden, kunt u daar weinig tegen inbrengen. Het is juist. (Niet dat daar op zich iets op tegen is, want slechte smaak is slechte smaak, of dat nu om hetero-, homo- of iets-daar-tussenin-deelnemers gaat. Maar het is deze eeuw een wel zéér eenzijdige bedoening geworden. Wat ooit divers moet geleken hebben, is nu bijna een feestje voor leden van een privéclub geworden.)

Oudere jongeren hebben zelden gelijk, maar als zij riposteren dat Australië en Israël niet thuishoren op een Europees zangfeest, is dat honderd procent correct. Australië ligt aan de andere kant van de wereld en Israël behoort tot het Aziatische continent. Australië doet sinds 2015 mee, dit jaar al voor de tiende keer, ook al was het de bedoeling dat het bij één keer zou blijven, ter gelegenheid van de feestelijke zestigste editie. Sindsdien is ook het muziekniveau down under ‘down under’ gegaan.

Israël doet al mee sinds 1973, vanavond komt de teller op zesenveertig deelnames te staan. Destijds had dat te maken met de (toen al) precaire toestand in het Midden-Oosten, toen Israël nog tegenover een handvol agressieve vijandige buren stond. Later datzelfde jaar werd het trouwens bestookt tijdens het Jom Kippoerfeest. Israël speelt ook mee in de Europese voorrondes van internationale voetbaltoernooien en Israëlische clubs zijn erbij in de verschillende Europabekers. Een anomalie uit geopolitieke overwegingen.

Vier keer al schoot Israël de hoofdvogel af: 1978 (A-ba-ni-bi van Izhar Cohen & The Alphabeta), 1979 (Hallelujah van Gali Atari & Milk and Honey), 1998 (Diva van Dana International) en 2018 (Toy van Netta Barzilai). Toonbeelden van goede smaak waren dat nooit, zegt deze oudere jongere, die in zijn vrije tijd in goede smaak handelt. Best mogelijk dat de onderdanen van Netanyahu straks de ‘sympathy vote’ krijgen.

Natuurlijk had een boycot van de oorlogszuchtige natie gepast geweest, zoals de uitsluiting van Rusland de voorbije drie edities toe te juichen valt. Waar de inval van de Russen in Oekraïne nog door de meeste leden van de organiserende European Broadcasting Union (EBU) veroordeeld werd en wordt, ligt dat gevoeliger wat Israël betreft. Een bondgenoot in de Arabische wereld, heet dat dan. Dat de Palestijnen niet als Europeanen worden beschouwd maakt zo’n (niet-)beslissing nog net iets makkelijker. Voegen we er nog even aan toe dat een hoofdsponsor van het songfestival, Moroccanoil, een… Israëlisch bedrijf is. Follow the money!

Lafheid en commercieel opportunisme zijn onmisbare eigenschappen in de bestuurskamers van internationale organisaties.

(Ik kijk overigens niet naar dat drukke gedoe. Een paar jaar na elkaar heb ik dat wel gedaan en dan dacht ik mezelf interessant te maken met ironische, sarcastische of cynische opmerkingen op Twitter over de parade van exuberante gedrochten in een schier eindeloze freakshow, maar ik ben daarmee gestopt omdat er mensen zijn die dat veel spitanter en grappiger deden dan ik: Nico Dijkshoorn en Katrijn Van Bauwel, om maar die twee te noemen. Ik leg vanavond wel iets van Van Morrison op, ter compensatie van de wansmaak.)

***

Het begon nochtans allemaal vredig en goedbedoeld in 1956. De Tweede Wereldoorlog lag nog vers in het geheugen, televisie was een nieuw (en luxueus) verschijnsel, mensen gingen gezellig bij de buren kijken (die wél zo’n peperduur zwart-wittoestel hadden) en er werd op het podium gepoogd om te zingen. Zwitserland organiseerde én won die eerste editie, met Refrain van zangeres Lys Assia, van wie we in maart de honderdste geboortedag herdachten (enfin, sommige oudere Zwitsers deden dat). Verder namen die eerste keer de Benelux en Frankrijk deel, en zowaar onze oorlogsvijanden Italië en (Bondsrepubliek) Duitsland. U hebt goed geteld: zeven deelnemende landen. Behapbaar, op een uurtje was het voorbij, de jury koos de winnaar, op het eind wisten we niet eens hoeveel punten Lys Assia had geoogst. Het geheim van de stemming, nietwaar.

De daaropvolgende jaren waren er al twaalf deelnemers: daarbij onder meer Monaco, nog zo’n anomalie, want geen land (het prinsdom behoort tot Frankrijk). Groot-Brittannië was ook nieuw in 1957. In de jaren 60 kwamen de toenmalige dictaturen Spanje en Portugal erbij, plus Joegoslavië, en enkele Scandinavische landen. In 1969 waren er vier winnaars die — geloof het of niet — elk 18 punten telden. Zelfs de memorabele editie van 1974, met als winnaar Waterloo van ABBA, telde amper zeventien deelnemende landen en de winnende song kreeg nauwelijks 24 punten, zes meer dan de tweede. Het was de eerste Zweedse zege, maar niet de laatste, want vijftig jaar na Waterloo hebben Zweden en Ierland de meeste zeges behaald, elk zeven stuks in totaal, twee meer dan Frankrijk, Luxemburg, Nederland en het Verenigd Koninkrijk, zes meer dan België.

Zeven deelnemende landen in 1956, zeventien in 1974, zevenendertig in 2024. Eenendertig daarvan moeten halve finales overleven, Zweden is als winnaar van de vorige editie rechtstreeks geplaatst voor de finale en de vijf grootste EBU-landen (Duitsland, Frankrijk, Italië, Spanje en Verenigd Koninkrijk) hebben bedongen dat ze altijd mogen deelnemen aan die finale. Het lijkt wel de Champions League voetbal, met bevoordeelde landen, toppers die eisen dat ze erbij móéten zijn en dus de voorronde mogen overschakelen (want stel je maar eens voor dat ze die niet overleven!). Alleen slagen die Grote Vijf er nog zelden in om te winnen omdat het Eurovisiesongfestival een geopolitiek spelletje is geworden, waarbij buurlanden gretig op elkaar stemmen. Dat heeft ervoor gezorgd dat na de implosie van de Sovjet-Unie en Joegoslavië al die vroegere deelstaten op elkaar blijven stemmen. Nog niet zo lang geleden kreeg Rusland vrolijk ‘twelve points’ van Oekraïne en omgekeerd.

Italië won nog wel in 2021 (Måneskin), Duitsland in 2010 (Lena), het Verenigd Koninkrijk in 1997 (Katrina & the Waves), voor Frankrijk is eindwinst al geleden van 1977 (Marie Myriam) en voor een laatste Spaanse zege moeten we terug naar 1969 (Salomé, die keer dat er dus vier landen op het hoogste podium stonden).

En België? Een zinloze deelnemer, quantité négligeable, met nul komma nul kans op winst, omdat net in de West-Europese landen dat geopolitieke stemmen veel minder speelt. Voor ons land is het Eurovisiesongfestival enkel een dure uitstap, afwisselend te betalen door de Vlaamse en de Waalse publieke omroep. Ook in deze editie is de Belgische vlag al opgeborgen nog voor het om de knikkers gaat, Mustii sneuvelde in de halve finales. Eén winnaar telt ons land in de Eurosonggeschiedenis: Sandra Kim in 1986.

Eigenlijk zou het veel eervoller zijn om níet meer deel te nemen. Met dat vrijgekomen geld kunnen dan interessantere tv-programma’s gemaakt worden, documentaires over genocidaire regimes in het Midden-Oosten en zo.

(*) ‘Oudere jongere’ is een benaming die bedacht werd door Kees van Kooten en Wim de Bie voor het eind 1984 geïntroduceere typetje ‘Koos Koets’ (gespeeld door Van Kooten): iemand die niet meer jong is maar zich wel zo voelt (of zich althans zo wil voordoen). In mijn voorbeeld is een ‘oudere jongere’ nog net iets ouder dan in de versie van Koot & Bie, maar ik ben het beu om de verschrikkelijke term ‘boomer’ te hanteren, en ‘jongere oudere’ klinkt dan weer zo meelijwekkend, alsof je geen vrede hebt met oud(er) worden. Tot daar deze voetnoot.



Cul-de-sac

Muziek, Theater Posted on za, mei 08, 2021 11:28:47

‘Woke up this morning…’ Mia Doornaert luistert niet meer naar bluesmuziek omdat al die liedjes beginnen met ‘Woke’. Zo, een flauw grapje bij wijze van entree, weest welgekomen op deze zonovergoten zaterdag.

*kijkt buiten*

Excuus, verkeerde alliteratie: op deze zuipende zaterdag. Ja, straks zijn de terrassen weer open. Dat zullen we met z’n allen — behalve één, ik — vieren met z’n vieren, hopelijk onder een paraplu geworden parasol. De horeca mag een beetje herademen. Wekenlang wordt er al over gepraat en geschreven. Bier en vertier aan een tafel van vier, deze woordspelerige bedenking krijgt Horeca Vlaanderen gratis en voor niets bij deze blogpost.

***

‘Woke up this morning, my baby was gone’, zong B.B. King in 1953, nadat zijn Martha hem voorgoed had verlaten. Gelukkig had ie Lucille nog, zijn gitaar, om hem te begeleiden en verleiden in die duistere dagen. ‘Woke up this morning, our culture was gone’, huilen mensen die van cultuur houden in dit land nu al meer dan een jaar, op een zeldzame heropflakkering vorige zomer na. De pauzeknop werd radicaal ingedrukt, cultuur werd gedwarsboomd door dat andere ding waarvan de naam met een c begint. Ik zou het duizend keer kunnen zeggen. Verdomme.

Dat er heel veel te doen is rond de gedeeltelijke heropening van de horeca en heel weinig rond de blijvende sluiting van cultuurhuizen heeft er niet alleen mee te maken dat de terrassen vandaag opengaan en de bioscopen en theater- en concertzalen nog niet, maar met de manier waarop de gemiddelde Vlaming naar cultuur kijkt: als het er is, mag het bestaan, als het er niet is, zullen we ’t niet missen. Het mag niet te veel kosten, je moet kunnen lachen met al die subsidieslurpers, die Vlaanderen hatende linkiewinkies en die elitairen die op het klootjesvolk neerkijken, steek ze vooral weg op plekken waar de hardwerkende Vlaming er geen last van heeft. De gemiddelde Vlaming denkt bij cultuur aan Thuis, Familie, The Voice van Vlaanderen en iets met Philippe Geubels. Meer en moeilijker moet het niet zijn. Dat er in de Vlaamse Regering geen aparte minister van Cultuur werd aangeduid, zegt in feite alles: cultuur is een nevenprojectje, iets dat de minister-president, naar verluidt een operaliefhebber in zijn schaarse vrije tijd, er wel even bij neemt, dan kunnen de Vlaams-nationalisten die culturo’s tenminste in hun greep houden. Een houdgreep waarop de judocoach in Jean-Marie Dedecker trots zou zijn. Geen ontkomen aan. De coronacrisis als bondgenoot van al wie al jaren op wraak zint voor dat neerbuigende gedrag binnen de cultuursector. In de ogen van onze politici zijn kunst en cultuur bijkomstigheden, geen fundamenten van onze samenleving.

***

De enige cancelcultuur die ik ken, is het algemene cancelen van cultuur in dit vlakke land. Weinigen die woke genoeg zijn om daartegen te blijven protesteren. Filip Peeters wordt taartenbakker, Bert Gabriëls advocaat. Mensen die in de brede evenementensector actief waren, zijn van alles en nog wat geworden. Er moet brood op de plank liggen en liefst ook nog een schelletje toespijs ertussen. Slachtoffers zijn het van een pandemie, maar ook van wanbeleid. Of beter: géén beleid, wat in se nog erger is dan wanbeleid. Soms is een knoeiboel beter dan de vergeetput.

Ja, natuurlijk begrijp ik dat je op dit ogenblik geen Sportpaleis kunt vullen, nog niet voor een kwart zelfs. En dat je best geen concerten organiseert van bands die zonder moshpit niet kunnen floreren. Rock Werchter en Pukkelpop komen ongetwijfeld nog wat vroeg om op halve- of kwartkracht te kunnen plaatsvinden deze zomer. Maar in gecontroleerde omgevingen zoals theaterzalen en cinema’s had er al veel gekund. Gemóeten. Toeschouwers blijven heus wel zitten op de hun toegewezen plek. Ze zullen met plezier hun mondmasker dragen als ze maar naar een scherm of een podium kunnen staren. Waar blijven de speelterrassen waar je tussen pot en pint kunt genieten van een akoestisch optreden, stand-upcomedy of een bevlogen monoloog? Bier hier, cultuur zuur.

***

Intermezzo: monoloog van de gemiddelde Vlaming (waarin ik me even verkleed in advocaat van de duivel).

Ach, we liggen er niet wakker van. Het is máár cultuur, nietwaar. Rolletje van buiten leren, beetje spelen, dat is toch niet het échte leven, hé? Liedjes zingen, och, dat kunt ge ook onder de douche doen, niet? Ze hadden maar een stiel moeten leren, maar ja, twee linkerhanden, hé… En dan dragen wij meer dan de helft van ons loon af en dan gaat een deel daarvan naar die idioten die ons daarna in ons gezicht uitlachen. Stank voor dank. Het zal ze leren. De subsidiekraan mag van ons helemaal toegedraaid worden. Wie goed is, zal wel zijn plan kunnen trekken. Enfin, als ge alleen maar kunt bestaan als ze u centen toestoppen, wat zijt ge dan waard? Iedereen krijgt hier verdomme subsidies. Allee, kijk nu naar die, hoe heet ze ook weer, El Kakawibbi of zo. Dat komt ervan, hé, met al die subsidies. Profitariaat! We hebben het onze Kevin nog zo dikwijls gezegd: ge moogt later doen wat ge wilt, jongen, maar ge moet uw plan leren trekken, leert dus maar een stiel, da’s nog het beste. Maria, twee pintjes, een Duvel en een waterke, alstublieft. En pakt zelf ook iets.’

Einde intermezzo.

***

Nu ik het al veertien maanden moet missen, besef ik meer dan ooit wat cultuur met mij doet. Het verrijkt mij, het ontroert mij, het dwingt mij tot nadenken, het irriteert mij bijwijlen, het doet de haren op mijn armen rechtstaan, afwisselend uit bewondering en uit woede, het doet me ongecontroleerd lachen en even ongecontroleerd huilen. Concerten, tentoonstellingen, festivals, films, theaterstukken, moderne dansvoorstellingen, etcetera: het laat me zelden onbewogen. Het doet iets met mij wat het gewone, alledaagse leven niet doet: het verheft mij, het maakt van mij een beter mens, het geeft mij inspiratie, het doet me beseffen dat ik een klein, nietig mannetje ben dat desondanks bevoorrecht is om op dat moment op die plek te mogen vertoeven, het zorgt ervoor dat ik de dag nadien eventjes op wolken loop.

Ik hou van het hele ritueel. Van de vervelende maar door hoge verwachtingen toch enigszins opgefleurde autorit langs grijze betonnen vlakten erheen, de snelle hap vooraf en het nerveus aftellen, tot de staande ovatie (of het boegeroep) en het nakaarten op de weg terug naar huis: een voorstelling sluit je niet af onmiddellijk nadat het doek is gevallen, niet zoals je wegzapt wanneer de eindgeneriek van een tv-programma begint te lopen. Cultuurbeleving is je onderdompelen, je overgeven, je lot tijdelijk in handen van bezielde en bezielende mensen leggen — van de jonge beginneling uit de streek tot de grote gevestigde waarde uit een ver buitenland. Cultuur kost iets, ja, maar de ervaring maakt je rijker. Wie niet van kunst en cultuur houdt, houdt niet van het leven, die schrijft cultuur nog altijd zoals in de tijd van de progressieve spelling, waarbij hij of zij de nadruk legt op de eerste lettergreep: kul. Flauwekul, met name.

Zelf zag ik twee lezingen afgelast worden, een habbekrats in vergelijking met al die professionals, die werkloos moeten toekijken, gedreven en geïnspireerd maar aan handen en voeten gebonden, alsof ze gestraft zijn door een hogere instantie — ‘Enkelband, tot 31 augustus 2021!’ —, uitzichtloos wandelend in een doodlopend straatje. Cul-de-sac. Terwijl u misschien straks op een terrasje zit, kijk ik met de nervositeit van een kind dat net een cent heeft gekregen om op te doen in de snoepwinkel uit naar een onlineconcert van Van Morrison, straks om negen uur. Een 62-jarige die gaat kijken naar een 75-jarige wiens concert gestreamd wordt. Een autorit hoort er vandaag niet bij, de snelle hap vooraf en het nerveus aftellen wel. Ik ga me onderdompelen, me overgeven, ontroerd worden, elke noot opzuigen tot er geen leven meer in zit, mijn lot tijdelijk in handen van mijn favoriete artiest leggen. It’s a marvelous night for a moondance, with the stars up above in your eyes.

Morgenochtend volgt ongetwijfeld het harde besef dat het een korte opflakkering was, dat dit concert hetzelfde effect heeft als wat een puffer doet voor een astmapatiënt. Het gevoel dat je even normaal kunt ademen. Herademen. Cultuur in- en uitademen. Niet alleen leven, maar ook beleven.

Pas als de cultuursector opnieuw op gang mag komen, wil ik de term ‘Rijk der vrijheid’ in de mond nemen. Niet eerder, niet voor minder.

***

Oh I traveled far

To the nearest star

And met Palomar, mar, mar

And we don’t care just who you know

It’s who you are

And when they all go home

Down the cobblestones

You can double back (“This is it”)

To a cul de sac

(uit de song ‘Cul de sac’ van Van Morrison, van het album Veedon fleece uit 1974.)



Albums Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on za, augustus 22, 2020 11:46:52

Ik heb nu al zo vaak verwezen naar de 500 Greatest Albums of All Time van Rolling Stone dat het maar fair is om die top 20 hier even in telegramstijl te laten passeren: 20. Thriller/Michael Jackson, 19. Astral weeks/Van Morrison, 18. Born to run/Bruce Springsteen, 17. Nevermind/Nirvana, 16. Blood on the tracks/Bob Dylan, 15. Are you experienced/The Jimi Hendrix Experience, 14. Abbey Road/The Beatles, 13. The Velvet Underground/The Velvet Underground and Nico, 12. Kind of blue/Miles Davis, 11. The Sun Sessions/Elvis Presley, 10. The Beatles/The Beatles (de dubbele witte), 9. Blonde on blonde/Bob Dylan, 8. London calling/The Clash, 7. Exile on Main Street/The Rolling Stones, 6. What’s going on/Marvin Gaye, 5. Rubber soul/The Beatles, 4. Highway 61 revisited/Bob Dylan, 3. Revolver/The Beatles, 2. Pet sounds/The Beach Boys, 1. Sgt. Pepper’s lonely hearts club band/The Beatles.

En nu ik weer…

20. The Blue Nile — A walk across the rooftops

19. Van Morrison — Astral weeks

18. Bob Dylan — Highway 61 Revisited

17. The Clash — London calling

16. The Jimi Hendrix Experience — Are you experienced?

15. The Triffids — Born Sandy devotional

14. John Cale — Music for a new society

13. Van Morrison — Common one

12. Aretha Franklin — I never loved a man the way I love you

11. Antony and the Johnsons — I am a bird now

10. The Beatles — Revolver

9. Bruce Springsteen — Born to run

8. Joni Mitchell — Blue

7. Stevie Wonder — Songs in the key of life

6. Talking Heads — Remain in light

5. Bob Dylan — Blood on the tracks

4. The Beach Boys — Pet sounds

3. Marvin Gaye — What’s going on (1971). De coming-of-age van een soulzanger, die voor het eerst zelf producete en negen songs schreef die met hun twee voeten, wat zeg ik: met hun héle lijf, in de uitdagende samenleving van toen stond, waarin zwarten tweederangsburgers bleven, racisme welig tierde en de straten van de grootsteden geen veilige plekken waren (zijn die eerste twee aspecten ooit verdwenen?). Daarnaast had Gaye ook nog eens oog voor het milieuvraagstuk (Mercy mercy me) en bleef hij hopen op een interventie van boven (God is love). De nummers vloeien in elkaar over, als om te benadrukken dat dit een conceptplaat is, geen verzameling losse songs. Hoe scherp de maatschappijkritiek ook klonk, er blijft altijd die fantastische, warme stem. De verkoop viel geweldig mee, met twee miljoen exemplaren alleen al in de States. Zie je wel dat mensen, soms, goeie smaak hebben. (Zoals u hierboven al kon aflezen, staat What’s going on op 6 op de min of meer eeuwige lijst van Rolling Stone.)

Luister vooral naar: What’s going on, Save the children, Mercy mercy me (The ecology) en Inner City Blues (Make me wanna holler).

2. Stevie Wonder — Innervisions (1973). Drie jaar vóór Songs in the key of life had Stevie Wonder al uitgepakt met deze lp, die ik, na lang wikken en wegen, nog net iets hoger inschat. Net als What’s going on is Innervisions een conceptalbum, waarin een blinde man beschrijft wat er fout loopt in de Amerikaanse samenleving. Drugs, racisme, onvermogen om samen te leven in de prille jaren 70. Kans is groot dat Marvin Gaye hem hierbij geïnspireerd heeft. Uiteindelijk zaten ze bij hetzelfde platenlabel, Motown. Om Innervisions voor te stellen, werd een speciaal evenement georganiseerd. Recensenten, vrienden en kennissen werden met een busje naar Times Square gebracht en daar geblinddoekt, waarna ze het album te horen kregen. Dave Marsh van Rolling Stone omschreef dit vreemde gebeuren als volgt: “Toen de plaat begon te spelen, was ik compleet gedesoriënteerd. De muziek was zo helder, zo lucide, en had een geweldige kracht die alleen maar versterkt werd omdat ik niets kon zien. Geen afleiding, of noem het volledige afleiding: wat een manier om voor het eerst naar Living for the city te luisteren.” Ach, zelfs met je ogen wijd open is dit fantastisch. Zou Richard Nixon echt Misstra know-it-all zijn geweest? (Op 24 bij Rolling Stone.)

Luister vooral naar: Visions, Higher ground, Don’t you worry ‘bout a thing en He’s misstra know-it-all.

1. Van Morrison — Veedon fleece (1974). Sta me toe wat ik vijf jaar geleden, bij de zeventigste verjaardag van mijn favoriete zanger, schreef over mijn favoriete plaat gewoon te copy-pasten, u bent dat toch allang vergeten. Gaan we!

Het jaar is 1974. In toonaangevende muziekbladen als Rolling Stone en Melody Maker wordt Veedon Fleece neergesabeld als zijnde ‘pompeus’ en ‘zelfingenomen’. Pas jaren later zullen diezelfde bladen en vele andere muziekliefhebbers het album alsnog catalogeren onder ‘Vergeten Meesterwerken’. Op de hoes kijkt de gehurkte zanger je met halflang ros haar schuchter en ietwat argwanend aan. Aan zijn voeten twee gehoorzame Ierse wolfshonden. Op de achtergrond een kasteel, Sutton House Hotel, waar hij logeerde in die dagen. De dominante kleur is groen, we bevinden ons onmiskenbaar in Ierland. Volgens de legende werd de lp in vier weken tijd opgenomen tijdens zijn vakantie, die hij nodig had om te bekomen van de slopende wereldtournee van 1973 (die resulteerde in de dubbellp It’s too late to stop now). Zelf praat Morrison er niet graag over, maar medemuzikanten vertelden vele jaren later over ontspannen opnamesessies, met veel improvisaties en invallen van het laatste ogenblik. Toch klinkt het geheel bijna wiskundig precies, alsof er maandenlang aan geschaafd werd, tot elke noot juist zat.

Veedon Fleece opent met een van de mooiste nummers die ik ken: Fair play. Een zachte gitaar en een voorzichtig aangeslagen piano zetten de toon. Bij mij zorgt het begin van dat nummer telkens weer, na elvendertig beluisteringen, voor een pavloviaanse reactie: gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen. Gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen. Gitaar, piano, kippenvel, tranen in de ogen.

Waarover Fair play gaat? Het meer van Killarney, Edgar Allan Poe, Oscar Wilde, Henry David Thoreau en Geronimo. Een indianenleider in Ierland? ‘And there’s only one meadow’s way to go / And you say “Geronimo”‘. Komt daar de perfecte liefde voorbijgeslopen (‘Forever fair / And I’m touching your hair / I wish we could be dreamers / In this dream, ohhh / Let it dream’)? Zou zomaar kunnen. Al kan het net zogoed een gevolg zijn van de stream of consciousness van die opnamedag. Eigenlijk hoef ik het helemaal niet te weten. Ik luister, onderga en geniet. (En voel iets vochtigs over mijn wang biggelen.)

In Linden Arden stole the highlights laat de bard zijn stem de hoogte ingaan, om in het daaropvolgende nummer, Who was that masked man, helemaal over te gaan tot falsetto. Beide songs gaan over een Ierse inwijkeling die probeert te overleven in San Francisco, ten prooi valt aan paranoia en dan maar zijn heil zoekt in geweld, ‘living with a gun’. ‘Oh, ain’t it lonely / When you’re living with a gun / When you can’t slow down and you can’t turn ‘round / And you can’t trust anyone’. Velen vinden die falsettozang belachelijk, voor mij komt Morrison er prima mee weg. Het doet een beetje denken aan Pete Wingfields Eighteen with a bullet (ja, zoek dat maar even op!), al was Morrison in dit geval mogelijk de inspiratiebron, want het nummer van Wingfield werd pas in 1975 uitgebracht, een jaar na Veedon fleece dus.

Van het onveilige San Francisco dribbelen we vervolgens weg naar de Streets of Arklow in het veilige, groene Ierland, ‘God’s green land’. Meer dan een vrolijk kringelende fluit en een subtiel strijkarrangement (bedacht door Jeff Labes, die een niet te onderschatten rol speelde in de sfeerschepping op Veedon fleece) is er niet nodig om weg te dromen. ‘And our heads were filled with poetry / And the morning a-comin’ on to dawn’. In Wicklow, zoals Arklow in werkelijkheid heet, is het goed vertoeven. God, natuur en poëzie lopen er hand in hand. ‘And our souls were clean and the grass did grow’. Zalig. Zelfs de malse regen die je erbij fantaseert kan het idyllische gevoel niet verstoren.

Het 8 minuten en 48 seconden durende You don’t pull no punches, but you don’t push the river wordt opnieuw aangedreven door gitaar, piano en fluit. Van Morrison laat zijn zoektocht naar Ziel & Zin van Het Leven meanderen langs het pad van een mythologische schrijver (‘William Blake and the Eternals’), de zusters van barmhartigheid (‘Sisters of mercy’) en grootse kathedralen, waar Gods liefde wordt bezongen, op zoek naar de ‘veedon fleece’, een onvertaalbare term die zelfs de Ieren niet blijken te kennen. Bedoelt hij het ‘gulden vlies’, heeft hij het over ‘maagdenvlies’, of gaat het — zoals hij ooit in een zeldzaam openhartig interview liet uitschijnen — over de ‘Ierse ziel’? Morrison was in die periode nogal sterk geïnteresseerd in Gestalttherapie, dat verklaart wellicht deels de op een aantal losse gedachten hinkende inhoud van You don’t pull no punches…. En dan heb ik het niet eens over die mysterieuze titel gehad. Wat het ook is, laat deze track als een warme deken over je heen rollen. Dit is balsem voor de ziel, onwezenlijke schoonheid, de overtreffende trap van subliem, meditatie voor gevorderden. Niet alles in het leven moet verklaarbaar zijn, toch?

Het voordeel van een ouderwetse lp is dat de stilte aan het einde van een plaatkant eventjes kan intreden. Neem uw tijd om naar de platendraaier te schrijden, draai voorzichtig om en ontdek aan het begin van kant twee Bulbs, dat zowaar op single werd uitgebracht. Dit is de Van Morrison van Brown eyed girl en Domino: achteloos ladiedadieda’end in het refrein, soul en gospel in harmonie samenbrengend, vrolijker klinkend dan het thema waarover hij zingt. ‘We’re just screaming through the alley way / I hear her lonely cry, ah why can’t you? / And she’s standing in the shadows / Canal street lights all turn blue’.

Als ik Wikipedia mag geloven gaan Bulbs en de daaropvolgende track, Cul de sac, over de problemen die een migrant ondervindt wanneer hij zijn vertrouwde thuis verlaat om elders zijn geluk te beproeven. Dit zou dus over Morrison zelf kunnen gaan, ook al is het hoofdpersonage van Bulbs een vrouw. Alleen al in de titel Cul de sac, Engels voor ‘doodlopende straat’, zit veel symboliek verborgen. ‘It’s not very far away / It’s not as far as a country mile / (You got it) / It’s just a Cul De Sac’ zingt hij delicaat.

Van delicaat naar delicatesse is een luttele afstand van niet meer dan één flauwe woordspeling en kijk, daar is Comfort you al. Neem dat warme deken van daarnet, leg het over uw rillende botten en laat Van Morrison u troosten. Hij ziet u graag. Al zal het nummer in eerste instantie toch voor zijn nieuwe lief bedoeld zijn geweest, niet voor u.

Comfort you is het begin van een drieluik dat steeds diepzinniger, intenser en schoner wordt. Een paar minuten later komt Come here my love zachtjes op de deur tikken. ‘Come here my love / And I will lift my spirits high for you / I’d like to fly away / And spend a day or two’. De zanger is ‘mystified’, wordt overmand door een gevoel van melancholie, maar laat zich meedrijven op de golven van het sentiment met als ultieme doel ‘become enraptured by the sights and sounds, in intrigue of nature’s beauty’. Zinnen die je zelf zou willen kunnen verzinnen om er je eigen geliefde aangenaam mee te verrassen.

Denk tegelijkertijd aan verliefd zijn, het Ierse platteland en een zeldzaam zonnige dag en je komt uit bij Country fair. ‘We counted pebbles in the sand / Sand like time slippin’ through our hand / In the country fair’. Geen mystiek hier, geen namedropping, geen hermetisch gedoe: een rechttoe rechtaan song over twee geliefden die in het gras gaan liggen en naar een vredig stromende rivier kijken. Country fair is het slotnummer op Veedon fleece. Als de laatste klanken zijn uitgestorven, passen maar twee dingen: oneindig veel respect voor iemand die dit op zijn negenentwintigste uit zijn hart, hersenen en pen kon schudden, en stilte, diepe stilte. Even minutenlang niets doen en nagenieten. Moet kunnen, het hoeft niet altijd even druk-druk-druk te zijn. (De driehonderd ‘kenners’ die Rolling Stone vroeg om input te geven voor hun 500 Greatest Albums of All Time hebben blijkbaar nooit van Veedon fleece gehoord, want de plaat staat er niet in. Of ze hebben geen smaak, kan ook natuurlijk…)

Als ik ooit verbannen word naar een verlaten eiland en ik mag niet meer dan tien platen meenemen, dan wordt dat een hartverscheurende keuze tussen al dat prachtigs van Van Morrison, Bob Dylan, Neil Young, Bruce Springsteen en honderden anderen, zowel one hit wonders als artiesten met een omvangrijke collectie.

Als ik maar één plaat mag meenemen, is de keuze veel simpeler: Veedon fleece!

Luister vooral naar: Fair play, You don’t pull no punches, but you don’t push the river, Come here my love en Country fair.



Albums Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on vr, augustus 21, 2020 10:34:23

U mag het gerust een eigenaardigheid noemen, maar dit is weer een zeer Angelsaksische lijst geworden, besef ik plots, en ook nogal mannelijk, sorry, en opvallend genoeg staan de topnamen uit mijn vorige lijstjes (zangeressen, zangers, bands) er nauwelijks tussen. Het ging me bij Nina Simone, Billie Holiday, Scott Walker, Roy Orbison, Wannes Van de Velde, Jacques Brel, The Velvet Underground, The Doors en Creedence Clearwater Revival meer op het totaalpakket dan om uitschieters. En in een top 528 zouden ze ongetwijfeld veelvuldig opduiken, vanaf plaats 21. Maar niet hier, want…

20. The Blue Nile — A walk across the rooftops

19. Van Morrison — Astral weeks

18. Bob Dylan — Highway 61 Revisited

17. The Clash — London calling

16. The Jimi Hendrix Experience — Are you experienced?

15. The Triffids — Born Sandy devotional

14. John Cale — Music for a new society

13. Van Morrison — Common one

12. Aretha Franklin — I never loved a man the way I love you

11. Antony and the Johnsons — I am a bird now

10. The Beatles — Revolver (1966). Experimenteren en toch toegankelijk blijven, dat was de opdracht en daarin slaagde de Fab Four wonderwel op een plaat die alle kanten op stuitert en toch netjes binnen de kwalitatieve lijnen blijft kleuren. Het frisse van de eerste zes platen en de talloze nummer 1-singles blijft absoluut behouden, terwijl ze toch andere wegen inslaan, met oosterse invloeden, en meer dan ooit gestuurd en gestuwd door de briljante producer die George Martin was. Strijkers op Eleanor Rigby? Neen, het stoort allerminst. Blazers op Got to get you into my life? Laat maar komen! Voor de meesten is het kiezen tussen Revolver, Rubber soul, Sgt. Pepper’s lonely hearts club band en The Beatles (ook wel The White Album genoemd), bij mij durft het ook weleens wisselen. L’Osservatore Romano, de officiële krant van het Vaticaan, publiceerde tien jaar geleden zowaar een lijst met de tien beste rockplaten en Revolver stond, godbetert, op 1. In de 500 Greatest Albums of All Time van het toonaangevende blad Rolling Stone staan The Beatles vier keer in de top 10: de ‘dubbele witte’ op 10, Rubber soul op 5, Revolver op 3 en Sgt. Pepper’s op 1. Ik houd het op Revolver. De paus knikt goedkeurend.

Luister vooral naar: Eleanor Rigby, And your bird can sing en Got to get you into my life.

9. Bruce Springsteen — Born to run (1975). Commercieel succes koppelen aan kwaliteit, het kan hoor. The Boss bewees het met zijn derde lp, die hem op de wereldkaart zette. Als je het resultaat beluistert, zou je denken dat het een ‘piece of cake’ was om de plaat te maken, maar niets was minder waar. Alleen al op het titelnummer werd een half jaar gezwoegd, de auteur bleef storende geluiden horen “die anderen in de studio niet hoorden”. Typisch Springsteen, nooit tevreden met zichzelf. Uiteindelijk liet hij zich overhalen om er een producer bij te halen, dat werd zijn ontdekker en manager Jon Landau, een vertrouwenspersoon. Voor de hele lp werden veertien maanden uitgetrokken. Voor het eerst is er sprake van drummer Max Weinberg — uitgegroeid tot de motor van de The E Street Band — en pianist Roy Bittan, twee onmisbare leden van dit unieke gezelschap. Rolling Stone zette deze plaat op 18.

Luister vooral naar: Thunder road, Tenth Avenue freeze-out en Born to run.

8. Joni Mitchell — Blue (1971). Deze plaat gaat over relaties. Alle platen van Joni Mitchell gaan over relaties. Niemand schrijft beter over relaties dan Joni Mitchell. Relaties zijn verdomd moeilijk om te onderhouden, als we Joni Mitchell mogen geloven (en wie zijn wij om haar níet te geloven?). Op Blue komen haar liefdesbesognes met Graham Nash, Cary Raditz en James Taylor uitgebreid aan bod, een deel van de songs werd geschreven op de eilanden Kreta en Formentera tijdens een uitgebreide Europese vakantie. Geen singles en toch was de plaat een commercieel succes: Blue klom op tot nummer 3 in de Amerikaanse charts. In Canada, waar Joni Mitchell vandaan komt, werd de plaat uitgeroepen tot de beste Canadese lp van de vorige eeuw (hoger genoteerd dan eender wat van Neil Young, bijvoorbeeld). Rolling Stone zette deze plaat pas op nummer 30, de sukkels.

Luister vooral naar: Carey, California en River.

7. Stevie Wonder — Songs in the key of life (1976). Zesentwintig was de blinde zanger nog maar toen deze lp uitkwam en toch was het al zijn achttiende (!) bijdrage tot de muziekindustrie. Werktitel was overigens Let’s see life the way it is, soms moet je gewoon blij zijn dat werktitels geen definitieve titels worden. De opnamen gebeurden in Los Angeles, Sausalito en New York, waar het de eerste plaat was die werd opgenomen in The Hit Factory. Het aantal uren dat Wonder sleutelde aan de plaat was ontelbaar, honderddertig (!) mensen werkten eraan mee. Normaal zijn dubbellp’s vervelend en bevatten ze een resem overbodige tracks. Niet zo in dit geval: vier geweldige plaatkanten en daarbovenop nog een aardig bonussingletje met vier songs. Uiterst dansbaar materiaal afgewisseld met esoterische songs, Stevie Wonder liet zich niet afremmen. Alleen Rumours van Fleetwood Mac werd in 1977 meer verkocht dan Songs in the key of life. (Wat kent Rolling Stone overigens van muziek: deze staat niet hoger dan 57.)

Luister vooral naar: I wish, If it’s magic en As.

6. Talking Heads — Remain in light (1980). Het predikaat ‘postpunk’ dat Talking Heads werd toebedeeld, had allicht meer te maken met die ene avond in CBGB’s, in het voorprogramma van de Ramones, dan met de werkelijkheid. Van bij het begin klonken zij eclectischer dan hun generatiegenoten: funk en Afrika vloeiden in elkaar over, rock was altijd in de buurt, en met een producer als Brian Eno wist je dat er geëxperimenteerd zou worden. Hypnotiserend is een goede omschrijving. Stilzitten kan niet, zeker niet op de eerste plaatkant, zeventien minuten hoekige ritmes die je van de ene naar de andere kant van de kamer doen stuiteren (dans hier dus best in openlucht op). Ik vervloek mezelf nog af en toe dat ik de groep in die periode nooit live heb gezien. Een optreden vele jaren later van David Byrne, hoe goed ook en hoe geniaal de man ook altijd is gebleven, kon dat niet compenseren. Want die andere drie (Chris Frantz, Jerry Harrison en Tina Weymouth) waren even onmisbaar als hij om die verwoestende sound te creëren. (129 bij Rolling Stone, de losers!)

Luister vooral naar: Crosseyed and painless, The great curve en Once in a lifetime.

5. Bob Dylan — Blood on the tracks (1975). Liefdesbreuken zijn pijnlijk, maar ze leveren soms briljante kunstwerken op. Jammer voor de betrokkene(n), het zal óns niet beletten om er intens van te genieten. Zo wreed gaat het soms. Op Blood on the tracks probeert Dylan de demonen te bedwingen die opdoken tijdens de scheiding van zijn geliefde Sara, zo dachten we lang. In deel één van zijn memoires, Chronicles Vol. 1, schreef hij in 2004 dat de plaat niets te maken had met zijn persoonlijke leven en dat de nummers gebaseerd zijn op kortverhalen van Anton Tsjechov. Gelove wie kan. Zoon Jakob Dylan zag het anders: “Ik hoor mijn ouders praten”, getuigde hij. ‘You’re an idiot, babe / It’s a wonder that you still know how to breath’ klinkt in elk geval niet al te vriendelijk. De lp werd in verschillende periodes opgenomen, onder meer omdat de bard zelf vond dat ze op een bepaald moment te monotoon klonk, waarna hij er andere arrangementen op schreef en instrumenten toevoegde. Blood on the tracks staat slechts op 16 in Rolling Stones beste albums ooit. Te laag, vind ik.

Luister vooral naar: Tangled up in blue, If you see her, say hello en Shelter from the storm.

4. The Beach Boys — Pet sounds (1966). Ook wel gekend als de laatste plaat van Brian Wilson alvorens hij écht gek werd. Verdwenen zijn de aanstekelijke surfhits uit de beginjaren, dit is dé plaat van songwriter en producer Brian Wilson, met slechts een bijrol voor zijn kompanen die live bleven toeren, terwijl de mensenschuwe Wilson in de studio aan de songs bleef sleutelen. Een mens zou van minder kierewiet worden. Ook al omdat er een soort wedstrijdje-om-ter-briljantst liep tussen The Beatles en The Beach Boys. Concurrenten die elkaar respecteerden. Paul McCartney noemde God only knows de beste song ooit. Misschien is dat dankzij de Franse hoorn, de sleebellen, de imitatie van een wandelend paard, klavecimbel, fluiten, basklarinet, accordeon en strijkers die Wilson gebruikte om de sound te verrijken. Ik bezit een vierdelige box, waarin naast een mono- en stereo-versie van de plaat, ook de muziek zit zonder stemmen en de stemmen zonder instrumentale begeleiding. Laten we ’t omschrijven als: hemels. Bij Rolling Stone strandde Pet sounds op nummer 2, achter die vermaledijde Beatles met hun Sgt. Pepper’s.

Luister vooral naar: Sloop John B, God only knows en I just wasn’t made for these times.

Morgen: 3-2-1.



Albums Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on do, augustus 20, 2020 11:13:28

Rustige zomer, dacht hij. Veel te weinig werk, dacht hij. Waarom niet een aantal persoonlijke lijstjes opstellen, dacht hij. Fun, voor mezelf, en hopelijk ook voor de sociale media-volgers, dacht hij.

Een shitload aan opzoekwerk, stelt hij nu vast. Veel te veel tijd in gestoken, stelt hij nu vast. Maar, ach, de fun blijft wel, hopelijk ook aan die kant van het plexiglas, hoopt hij.

Noot vooraf: ik heb me beperkt tot pop, rock en soul. Zoek dus niet naar briljante platen als Kind of blue van Miles Davis of A love supreme van John Coltrane. Da’s misschien voor later, als ik weer te veel tijd denk te hebben.

Overigens was het sowieso al een hopeloze opgave om mij tot twintig te beperken. Een Top 197, 424 of 718 had mij veel meer voldoening bezorgd (en werk, inderdaad). En terwijl er die beperking van twintig is, heb ik er drie platen van Van Morrison in gezet (néh!) en twee van Bob Dylan en Stevie Wonder. Jammer voor, bijvoorbeeld, Cosmo’s factory van Creedence Clearwater Revival. And many others.

20. The Blue Nile — A walk across the rooftops (1984). Debuutplaat van The Blue Nile, een driekoppig Schots gezelschap dat in de studio werd aangevuld met een ingehuurde drummer. Aan de basis van de band liggen jeugdvrienden Paul Buchanan en Robert Bell, die samen studeerden aan de universiteit van Glasgow: Buchanan literatuur en middeleeuwse geschiedenis, Bell wiskunde. Niet de doorsnee outcasts die in de rock belanden, dus. Buchanans literaire interesse zorgt er mee voor dat zijn teksten diepzinnig klinken. In 1981 hadden ze al een single gemaakt, het vergeten I love this life, tussen 1982 en 1984 knutselden ze, wonend in een krap appartement in de dump die Glasgow toen nog was, A walk across the rooftops in elkaar. Verstilde, complexe songs, niet iets voor een vlotte luisterbeurt, wel afgewisseld met een paar songs die een zweem disco bevatten. The Blue Nile slorpt je aandacht op. Maar ze gunnen je de tijd, want nadien volgden nog slechts drie platen: Hats (1990), Peace at last (1996) en High (2004). Daarna bleef het stil. Volgens de geruchtenmolen is de band gesplit, al werd dat nooit bevestigd.

Luister vooral naar: de titelsong, Tinseltown in the rain (het had een Steely Dan-song kunnen zijn) en Easter parade.

19. Van Morrison — Astral weeks (1968). Tweede soloplaat van Van Morrison na zijn avontuur met Them. In zijn ogen zelfs z’n eerste volwaardige worp, want de productie van Blowin’ your mind vond hij maar niets. Onwaarschijnlijk maar waar: Morrison was op het moment van de opnames amper drieëntwintig jaar oud. Toch klinkt Astral weeks als iets wat een gelouterd artiest heeft gemaakt. Weg is de rhythm & blues van Gloria en Baby please don’t go, weg is de complexloze, huppelende vrolijkheid van Brown eyed girl. Van the Man brengt de genres folk, blues en jazz samen, dan weet je dat je niet alleen iets nieuws krijgt, maar vooral dat je er niet op moet rekenen dat je onwaarschijnlijk veel exemplaren zult verkopen. De eerste reacties waren dan ook op z’n best afwachtend. In de loop van de jaren kreeg Astral weeks echter een cultstatus en Rolling Stone zette het in haar in 2003 samengestelde en zes jaar later geüpdatete 500 Greatest Albums of All Time op nummer 19. Tiens, net als hier.

Luister vooral naar: Cyprus Avenue, Madame George en Ballerina.

18. Bob Dylan — Highway 61 revisited (1965). U mag mij gerust ‘Judas’ noemen, zoals ze Bawb zelf toeschreeuwden toen hij voor het eerst een elektrische gitaar omgordde op een podium. En dan nam hij ook nog een lp op met drums en elektrische gitaren, stel je voor, terwijl hij vijf platen lang de messias van de akoestische hippies was geweest. ‘Angry young man’ werd Dylan in deze periode genoemd. Zou er iemand hem gevraagd hebben how does it feel, zoals hij zelf zong in de openingstrack Like a rolling stone, ooit verkozen tot beste single ooit? Dat de bard scherpe, maatschappijkritische teksten pleegde te schrijven, wisten we op dat moment al een tijdje: de elektrische entourage gaf er nog een extra scherp randje aan. In het ruim elf minuten durende Desolation row is de poëet Bob Dylan op zijn best. In Rolling Stones lijst staat deze op 4.

Luister vooral naar: Like a rolling stone, Ballad of a thin man en Desolation row.

17. The Clash — London calling (1979). De plaat die de perfecte brug vormt tussen de vroege punk meets reggae-periode en de rijkere inspiratie van de volgende platen. Het begint met London calling, tegelijk een anthem en een boze reactie op het Londen van die tijd. De Beatles krijgen ervan langs (‘Phony Beatlemania has bitten the dust’) en ondanks het semi-militaristische ritme word je niet vrolijker van zinnen als ‘The ice age is coming, the sun’s zooming in / Meltdown expected, the wheat is growing thin’. Londen verdrinkt, maar, zingt Joe Strummer met de nodige zelfkritiek, ‘I live by the river’. Dat militante randje verdwijnt nooit helemaal op London calling. Op de hoes herken je dezelfde belettering en kleuren die Elvis ooit gebruikt had voor zijn titelloze debuut, maar in plaats van de enthousiast zingende jonge en nog onbezoedelde Presley zie je Paul Simonon die zijn basgitaar aan flarden slaat. Achteraf had ie daar overigens spijt van. Bij Rolling Stone prijkt London calling op 8.

Luister vooral naar: de titelsong, Jimmy Jazz en Spanish bombs.

16. The Jimi Hendrix Experience — Are you experienced? (1967). Ligt wat mij betreft in balans met Electric Ladyland, die amper een jaar later verscheen. Als u de kans heeft, ga dan voor de Amerikaanse persing, waar ook de singles Hey Joe, The wind cries Mary en Purple haze op terug te vinden zijn, al werden die uiteraard als bonustracks meegenomen op de cd’s die later verschenen zijn. Dit driekoppige gezelschap maakt goedklinkende herrie voor zes of desnoods zestien, de frontman vindt ter plekke gitaarvirtuositeit opnieuw uit. Nieuwe akkoorden, gebruik van feedback, gedurfde opnametechnieken, songs die afwijken van het klassieke strofe-refrein-strofe-refrein-ritme: vernieuwend is het minste wat je hierover kunt zeggen. Hun optreden op het Monterey Pop Festival in de zomer van ’67 gaf het trio een opstoot van jewelste. Maar u weet hoe het afgelopen is: eerst ging Jimi solo, dan ging Jimi dood. Zonde. (Op 15 bij Rolling Stone, overigens.)

Luister vooral naar: Foxey lady, Purple haze en The wind cries Mary.

15. The Triffids — Born Sandy devotional (1986). Een plaat die de naam kreeg van een track die uiteindelijk niet goed genoeg werd bevonden om tussen de tien pareltjes opgenomen te worden. Maar het klinkt uiteraard wel intrigerend, zoals zowat alles van deze Australische band. Alle songs zijn geschreven door de lichtjes geniale en helaas veel te jong gestorven David McComb. Beter dan de ook al veel te jong gestorven Humo-redacteur Marc Mijlemans, (mm), kan ik het niet verwoorden. “Als een trouwe hond vergezellen The Triffids mij op mijn schaarse reisjes en als de avond valt, zet ik de achterdeur open, hou mijn in een fles gereïncarneerde huisvriend Jim Bean in de buurt en dan zingen ze voor mij de tien prachtige liedjes die ze kennen. En dan nog ‘s. En dan nog ‘s. Elke dag. Anderhalve maand lang. Ik ken ze nu even goed als de kamers van het huis waarin ik woon. En ze zullen me nooit gaan vervelen.”

Luister vooral naar: Wide open road, Life of crime en Stolen property.

14. John Cale — Music for a new society (1982). Typisch Cale: dan had hij een beetje commerciële bijval met de lp Honi soit (waarop de aanstekelijke single Dead or alive staat) en wilde hij weer moeilijk gaan doen. Weg was de begeleidingsband, hij ging solo touren (wat hij héél lang heeft gedaan, helaas vaak met bijna exact dezelfde setlist als het jaar voordien) en maakte een naakte plaat, die zwart en deprimerend klonk. Alleen te beluisteren als u zelf niet in een gitzwarte bui bent. “Die plaat was afzien”, getuigde Cale erover in Melody Maker. “Krankzinnig. Ondraaglijk. Ik heb mezelf laten gaan, het werd een soort van therapie, persoonlijk exorcisme. En de liedjes gaan meestal over spijt en misplaatst vertrouwen.” Laat u dus niet misleiden door de vrolijke doedelzakken aan het eind van Thoughtless kind, de sardonische lach eroverheen zegt alles. Close watch was jarenlang het slotakkoord bij live-concerten van John Cale, tot hij Hallelujah van Leonard Cohen had ontdekt. De critici waren positief, de platenkopers keken in andere bakken: Music for a new society was een commerciële flop.

Luister vooral naar: Thoughtless kind, Close watch en Chinese envoy.

13. Van Morrison — Common one (1980). Twaalfde plaat van Van Morrison en na een aantal voor zijn doen toegankelijke lp’s, koos hij opnieuw voor ‘iets moeilijks’. Critici boorden Common one de grond in. En dan te zeggen dat meneer Morrison in een van zijn zeldzame interviews zei dat de oorspronkelijke bedoeling was om een nóg esoterischere plaat te maken dan het resultaat dat nu voorlag. De briljante saxofonist Pee Wee Ellis verlaat even de platgetreden paden die hij bij James Brown bewandelde en kiest, samen met trompettist Mark Isham, voor een sobere inkleuring van de soms naakte arrangementen. Om alle verwijzingen naar schilders en poëten door te hebben, moet je net een catalogus van álle Britse kunstenaars uit het hoofd hebben geleerd, maar dat maakt verder niet. Ga op in dat unieke universum, met twee songs die meer dan een kwartier duren. When heart is over is eerder een newage-achtige mijmering dan een lied en toch… het is bezwerend en verslavend om ernaar te luisteren. (Vind ik, niet die critici met hun slechte oren.)

Luister vooral naar: Haunts of ancient peace, Summertime in England en Satisfied.

12. Aretha Franklin — I never loved a man the way I love you (1967). Franklin was al een grote naam en toch is dit pas haar eerste plaat op het Atlantic-label van de broers Ertegün. Er staat stevige soul op deze plaat, naast gevoelige ballads. Voor het eerst valt ook de songschrijfster op die ze echt ook wel was. Een ‘natuurkracht’ noemde Q Aretha Franklin en zo is het maar net: een goedaardige wervelwind, die je even meevoert op de golven van briljante popmuziek. ‘R-E-S-P-E-C-T, find out what it means to me’. Rolling Stone had minder R-E-S-P-E-C-T voor de ‘Queen of Soul’, want I never loved a man… staat daar pas op 84 in de allertijdenlijst. Hún probleem.

Luister vooral naar: Respect, de titelsong en Do right woman, do right man.

11. Antony and the Johnsons — I am a bird now (2005). Een persoonlijke anekdote: toen ik deze cd voor het eerst oplegde, kwam mijn vrouw na het uitsterven van de laatste tonen naast mij in de zetel zitten en keken we elkaar woordenloos aan, maar we wisten perfect wat we zouden gezegd hebben, mochten we die gewijde stilte hebben willen doorbreken: “Wat was dat?” Zo mooi, zo sereen, die androgyne figuur die we voordien niet kenden — ik had Antony Hegarty (tegenwoordig: Anohni) al horen zingen tijdens een live-concert van zijn New Yorkse maatje Lou Reed — die het woord ‘gevoelig’ een nieuwe dimensie gaf. Moge deze plaat bij beluistering hetzelfde effect op u hebben.

Luister vooral naar: Hope there’s someone, You are my sister en Bird gehrl.

Morgen: 10 tot en met 4.



Bands Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on za, augustus 15, 2020 11:18:59

Wie hebben we dan nog niet gehad, zult u zich misschien (hopelijk) afgevraagd hebben? The Beatles, uiteraard, en die zal hij wel op één gezet hebben, zeker? Euh, toch niet. Nét niet. Iets Belgisch, eindelijk? dEUS? Noordkaap? De Strangers? Mmm…

20. The Band

19. The Kinks

18. Booker T. & the MGs

17. Pearl Jam

16. The Clash

15. Tindersticks

14. R.E.M.

13. Simon & Garfunkel

12. The Rolling Stones

11. Eagles

10. The Jimi Hendrix Experience

9. The Triffids

8. Led Zeppelin

7. The Beach Boys

6. The Who

5. The Velvet Underground

4. The Doors

3. TALKING HEADS. Er zijn veel te veel talking heads op tv. Er is te weinig Talking Heads op radio en tv. Reeds in de tweede helft van de jaren 70 vernoemd naar al die te pas en te onpas het scherm vervuilende praatgrage luitjes, viel al bij de eerste noot die deze vierkoppige band produceerde op dat dit geen gewoon rockgroepje was. Niet rechttoe rechtaan. Compleet onvoorspelbaar. Artyfarty bij momenten. Een sound waarin je elementen van pop, rock en soul hoorde, en jazz en blues, maar ook wereldmuziek. Het is niet toevallig dat David Byrne (zanger/gitarist), Jerry Harrison (keyboardsspeler/gitarist), Tina Weymouth (bassiste) en Chris Frantz (drummer) elkaar ontmoet hebben op de Rhode Island School of Design. Ze mochten in het voorprogramma van Ramones optreden in de iconische New Yorkse punktempel CBGB en kregen al snel een platencontract bij Sire. De debuutplaat, 77, verscheen in, hoe kan het anders, 1977. Psycho killer werd een bescheiden wereldhit en zette hen definitief op de kaart. De abstracte teksten van Byrne gingen wonderwel samen met de op dat ogenblik nog vrij strakke punkrock. Vanaf de tweede plaat, More songs about buildings and food, werd het muzikale spectrum ferm verbreed en dat zou alleen maar blijven duren. Het meesterwerk Remain in light was de vierde plaat, de laatste die door Brian Eno zou worden geproduceerd. Funk en afro gaan hand in hand met geslaagde en gewaagde experimentele uitstapjes. Born under punches (The heat goes on) en Crosseyed and painless zetten je voortdurend (letterlijk) op het verkeerde been, terwijl de singles Once in a lifetime en Houses in motion al evenmin rechtlijnig klinken. Ook op latere platen werden huizen verbrand: in de tekst (Burning down the house), maar ook muzikaal. De live-reputatie bracht de band enkele keren op de weides van Torhout en Werchter. In Stop making sense — misschien wel de beste concertfilm aller tijden, geregisseerd door Jonathan Demme — zie je tot wat de groep op een podium in staat is. Bezwerend. Eclectisch. Ontzettend dansbaar. Ik vervloek mezelf dat ik Talking Heads nooit live heb gezien.

2. THE BEATLES. Ik vervloek mezelf minder omdat ik de volgens velen beste groep aller tijden nooit live heb gezien, omdat ik ten tijde van hun laatste échte live-concert amper zes was. Hoe meer ik naar hun platen luister — of dat nu de eenvoudige popsongs uit de beginjaren zijn, of de psychedelische zijwegen van de laatste jaren —, hoe briljanter ik hen vind. Met uitzondering misschien van het hooguit halfgeslaagde Let it be, een samenraapsel van wat ze nog liggen hadden, uitgebracht op een moment dat ze al wisten dat de split er onvermijdelijk zat aan te komen. Je kunt van de simpelheid van een drieminutensong genieten en tegelijkertijd van A day in the life. Kent er iemand een beter songschrijversduo dan Lennon en McCartney? George Harrison, als gitarist, als stem, als songsmid, was ook niet mis. En Ringo Starr als, zoals het hoort, gekke drummer, is een beter muzikant dan de critici ervan gemaakt hebben (en een terecht laag ingeschatte zanger). Zelfs hun films vind ik, met een licht nostalgische, vergoelijkende blik, prettig gestoord en de moeite waard. Ja, ik vind Sgt. Pepper’s lonely hearts club band een fantastische plaat, neen, ik vind het niet hun beste. Dan acht ik Rubber soul en Revolver nog net iets beter, platen die de overgang vormen van hun frivole beginperiode naar hun complexere Tweede Leven. U moet eens de volgende test doen: u verzamelt álle Beatlessongs in een hele lange Spotify-lijst en u duwt vervolgens op ‘random’ afspelen. Wedden dat u blijft luisteren en hooguit af en toe Number 9-gewijs op ‘next track’ duwt? Wat zit ik hier nog te schrijven: luister vooral! (En toch staan ze dus niet op 1…)

1. CREEDENCE CLEARWATER REVIVAL. Ha, twee broers die elkaar de haren uitrukten (zie ook Oasis, zie ook The Kinks): John en Tom Fogerty waren niet onmiddellijk geneigd om elkaar uit te nodigen op gezellige familiefeestjes. Maar in die vijf jaar dat ze samen muziek maakten deden ze andere dingen kletteren: gitaren en stemmen, bijvoorbeeld. Hun creatieve bedenksels werden gecatalogeerd onder swamprock, maar ook rootsrock, southern rock en, wie bedenkt het, countryrock. Die ‘swamp’ typeert nog het beste die typische sound, een song als Born on the bayou is daar een exponent van. Je ziet het verraderlijke moeras zo voor je. Creedence — ik mag Creedence zeggen, of CCR — combineerde een flinke kennis van de muziekgeschiedenis (op de eerste plaat stonden de succesvolle covers I put a spell on you en Susie Q), een goed gevoel voor hedendaagse interpretaties, uitstekende songsmeden, een subtiele mix van invloeden en een eigenwijze sound. Creedence is onmiddellijk herkenbaar (die stem!), weet je in een semi-trance te vatten (het is nog net geen illegaal druggebruik), laat je niet meer los. Creedence is nooit braaf en toch bijzonder toegankelijk. Bij wijze van kennismaking is de verzamelplaat Chronicle een prima introductie: allemaal herkenbare hits. Maar op hun lp’s staan ook verborgen schatten. Na de pijnlijke split van de band in 1972 gingen de vier leden (naast de Fogerty’s ook nog Stu Cook en Doug Clifford) solo; alleen John Fogerty deed dat met commerciële bijval (Rockin’ all over the world!). Een reünie is er nooit meer van gekomen. Het water was veel te diep en bovendien overleed Tom Fogerty in 1990 op zijn achtenveertigste aan de gevolgen van aids, na een fout gelopen bloedtransfusie. Met Cook en Clifford vocht John Fogerty een juridisch dispuut uit, omdat zij op tournee gingen met een tribute-band. Hij verloor dat proces, maar kon de voorbije decennia zelf wel met een soort ‘Greatest Hits’ op tour gaan. Het materiaal blijft onverslijtbaar. Dju toch, ik was er niet bij op hun concert in het Antwerpse Sportpaleis in 1971. Ik was twaalf, waarom ben ik nog zo verdomd jong?



Bands Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on vr, augustus 14, 2020 11:57:01

Halfweg mijn persoonlijke top 20 van bands nog even een overzicht van wie het, tussen N en Z, niet gehaald heeft. Daar zitten fijne namen tussen, zoals… The National, Nirvana, Pet Shop Boys, Pink Floyd, The Pogues, The Police, The Posies, Pretenders, The Robins, The Ronettes, Roxy Music, Simply Red, Sly & the Family Stone, The Staple Singers, The Temptations, Them, Thin Lizzy, Ike & Tina Turner, U2, The Walkabouts, The Waterboys, en Wilco.

Dat speelde in het voordeel van…

20. The Band

19. The Kinks

18. Booker T. & the MGs

17. Pearl Jam

16. The Clash

15. Tindersticks

14. R.E.M.

13. Simon & Garfunkel

12. The Rolling Stones

11. Eagles

10. THE JIMI HENDRIX EXPERIENCE. Neen, Jimi deed het niet alleen, al was hij natuurlijk wel de ster van dit driekoppige ensemble dat verheven lawaai maakte als was het een volledig symfonieorkest met rockinstrumenten. Zonder bassist Noel Redding en drummer Mitch Mitchell zou Jimi Hendrix het waarschijnlijk ook wel gemaakt hebben, maar hun verdienste op die eerste prachtplaten mag niet onderschat worden. Het trio liet zich inspireren door soul, blues, rock en hardrock, wat tot een compleet nieuw geluid leidde. Uiteindelijk bestond de ‘Experience’ niet eens drie volle jaren, wel goed voor de uitmuntende lp’s Are you experienced (1967), Axis: bold as love (ook 1967) en Electric Ladyland (1968). Van Are you experienced bestaan een Europese en een Amerikaanse versie. Op de Europese staan Purple haze, Hey Joe en The wind cries Mary niet op, koop dus best de Amerikaanse (al werden die singles later op de cd wel toegevoegd als extraatjes). Little wing, Voodoo chile (Slight return), Crosstown traffic,de cover van All along the watchtower, het staat allemaal op die drie openers. Al is het wel zo dat Jimi Hendrix door de platenfirma nadrukkelijk naar voren werd geschoven als het gezicht en dat hij op Electric Ladyland een beroep deed op gastmuzikanten, onder meer om Mitch Mitchell te vervangen. Op Woodstock werd zijn optreden aangekondigd als ‘The Jimi Hendrix Experience’, terwijl hij zijn band dan al Gypsy Sun and Rainbows had gedoopt. Wat een sound!

9. THE TRIFFIDS. Heroïnegebruik en een zwak hart zorgden ervoor dat de Australische singer-songwriter David McComb net geen zevenendertig is geworden. Veel te jong, maar oud genoeg om ons, met de door hem opgerichte band The Triffids, te vergasten op prachtige platen, die de jaren 80 net iets mooier deden lijken dan ze in werkelijkheid waren. Ook deze groep — zie R.E.M. gisteren — heb ik in hun prille dagen zien optreden, in, godbetert, ’t Stuk in Leuven en op het alternatieve muziekfestival Futurama in de Brielpoort in Deinze. De groepsnaam was afgeleid van film en boek The day of the triffids, een post-apocalyptisch sciencefictionverhaal. Vrolijke lieden waren het dan ook niet en toch klonk hun muziek sfeervol, rijk en dromerig. Wijlen Marc Mijlemans had gelijk: Born Sandy Devotional is een van de mooiste platen ooit, met tijdloze, weids uitwaaierende songs als Wide open road en Stolen property.

8. LED ZEPPELIN. Vier titelloze albums, die — om het onderscheid te kunnen maken — een nummertje meekregen, hoe arrogant moet je daarvoor zijn? Deze heren (Jimmy Page, Robert Plant, John Paul Jones, John Bonham) presteerden dat. Het getuigde alleszins van bollocks, de muziekliefhebber moest het maar zelf ontdekken. Die eerste vier platen zijn dan ook nog eens het beste wat ze gemaakt hebben, ook al zit er in hun catalogus geen enkele echt zwakke lp. Als u zoekt naar Whole lotta love moet u op II zijn, wil u met uzelf dansen op een lege dansvloer op de tonen van Stairway to heaven, is III de plek om te zijn. Het zou veel te simpel zijn om hen in het vakje hardrock te klasseren: daarvoor zijn de bluesinvloeden te prominent aanwezig. Eerst speelden ze nog een tijdje als The Yardbirds, de groep van Jimmy Page die nog een aantal contractuele verplichtingen had: hij trommelde de drie anderen op. Keith Moon, de immer sympathieke drummer van The Who, voorspelde dat de groep zou neerstorten als een loden ballon (‘lead ballon’), wat de groepsleden inspireerde om zich Led Zeppelin te noemen. Als u voldoende spaarcenten heeft (of een welwillige suikernonkel), ga dan meteen voor The complete studio recordings, een box met de tien studio-cd’s. Muzikale pret voor úren.

7. THE BEACH BOYS. Ingrediënten: drie broers, een neef en een schoolvriend, vijf matchende stemmen, een briljante songschrijver (Brian Wilson), een producer met hele fijne oren (nogmaals Brian Wilson), zon, zee en zwoele temperaturen. Aanstekelijke surfmuziek die naadloos overging in pretpop en uitmondde in uitgekiende poparrangementen. Van heel simpel tot heel ingewikkeld in amper zes jaar tijd. De extreem mensenschuwe Brian had zich intussen laten vervangen bij liveoptredens en was daardoor in staat om in z’n eentje complexe songs te componeren. Pet sounds was het antwoord op Rubber soul van The Beatles, en werd prompt bestempeld als een van de beste albums ooit. De daaropvolgende single Good vibrations deed wat de titel beloofde te doen: mensen een goed gevoel geven. Maar dan belandde het genie Brian Wilson in een depressie, raakte hij verslaafd aan pillen en werd de opvolger van Pet sounds, Smile, ingehouden omdat The Beatles intussen Sgt. Pepper’s op de wereld hadden losgelaten. Faalangst met hoofdletter F resulteerde in een groep die nog wel bestond, maar niet meer toonaangevend was. Pas een kleine veertig jaar later werd Smile alsnog uitgebracht, maar dan onder de naam Brian Wilson: een schitterende maar onnavolgbare en voor de doorsnee oren té psychedelische plaat, met nummers over groenten en zo. Koop u dus maar een verzamelplaat van hen (alleen al de titels van de nummers op de hoes zullen u zachtjes doen neuriën en schuifelen). Denk er wel aan om de stoelen opzij te schuiven in de woonkamer, want er zal geheid vrolijk in het rond gedanst worden.

6. THE WHO. Hope I die before I get old is alleen gekke drummer Keith Moon en bassist John Entwistle gelukt, zanger Roger Daltrey en muzikaal brein, leadgitarist en gitaren-vertimmeraar Pete Townshend zijn nog wel degelijk alive and kicking. Het begon met knallende rock, als soundtrack voor Mod-rockers, het ging over in moeilijke rockopera’s over onder anderen een blind-doof-stomme flipperaar. Van eenvoudige korte songs als My generation, I can’t explain en Substitute tot lange minisymfonieën als See me, feel me, Won’t get fooled again en Baba O’Riley. Wat ze ook deden, De Wie bleef geloofwaardig, al boorden ze inmiddels wel een ander publiek aan dan de uitdagende, lichtjes gewelddadige Modgeneratie van de beginjaren. Daltrey is een geweldige zanger, Townshend een nog geweldigere gitarist: dat Townshend het muzikale genie was, bewees hij later op enkele uitmuntende solo-lp’s. Dat ze live geluidsmuren sloopten is op talloze concertregistraties te bewonderen. Tip: Thirty years of maximum R&B is een prachtige, vierdelige verzamelbox.

5. THE VELVET UNDERGROUND. In hun tijd: experimentele rockgroep die bedacht werd door popartkoning Andy Warhol en die hun platen aan de New Yorkse straatstenen niet kwijtraakten. Nu: een van de invloedrijkste bands ooit, commercieel succes, inspiratiebron voor veel beginnende groepjes. Maar vergis u niet, in de negen jaar dat de ‘Velvet’ bestond, was de cultstatus nog ver weg. Op de legendarische eerste plaat, die met de banaan, zong (nou, ja…) Nico nog mee, het lief van verschillende groepsleden, die er dan ook onderling ambras over kregen. Lou Reed en John Cale waren elkaars tegenpolen en nu ook elkaars rivalen, maar hun muzikale symbiose zorgde voor magische momenten. Vooral die eerste lp, The Velvet Underground & Nico (1967), is subliem in al zijn tegendraadsheid. Bedrieglijk lieflijke songs als Sunday morning, Femme fatale en I’ll be your mirror staan er zij aan zij met I’m waiting for the man (over het uitkijken naar de komst van de drugsleverancier), Venus in furs (SM in songverpakking), Heroin (bekeken vanuit het perspectief van een heroïnegebruiker) en All tomorrow’s parties (Nico kan absoluut niet zingen, maar ze doet dat wel uitstekend, dat niet kunnen zingen). Een jaar later was er White light/white heat: veel ontoegankelijker, nog experimenteler, een klets om de oren van de goedwillende luisteraar, afgerond door de 17 minuten en 27 seconden durende antisong Sister Ray. Het titelloze derde album is weer veel toegankelijker, met onder meer Candy says, Pale blue eyes en Beginning to see the light. John Cale was dan al boos opgestapt. Wilt u de live kracht van de groep exploreren, dan kan ik u 1969: The Velvet Underground live aanbevelen.

4. THE DOORS. Vierkoppige band, zonder bassist. Gitarist Robby Krieger en drummer John Densmore wisten samen het gebrek aan basklanken op te vangen, het orgel van Ray Manzarek zorgde voor de betoverende sound en dan was er nog die gekke poëet die alles deed wat verboden was, Jim Morrison. Even was er sprake van dat de vaste bassist van Elvis Presley in Las Vegas, Jerry Scheff, er een kwintet van zou komen maken, maar voor dat kon gebeuren was Morrison al toegetreden tot de ‘Club of 27’. Alle invloeden uit hun jonge jaren werden door elkaar gehaspeld: blues, rock, psychedelica, jazz, ja, zelfs klassieke muziek. En het werkte wonderwel. Als je op een debuutplaat én Break on through (to the other side) én The crystal ship én Light my fire én het bezwerende The end kunt zetten, dan weet je wat je als band in huis heeft. En dan vergeet ik nog de Brecht/Weill-hymne Alabama Song, waarvoor de diepe stem van Morrison zich perfect leende. Op de tweede plaat, Strange days, werd die variatie aangehouden: You’re lost little girl, Love me two times en People are strange, maar ook het uitgesponnen When the music’s over. En zo ging dat maar door, plaat na plaat, al waren de poëtische ontboezemingen van de frontman soms enerverend en langdradig, en stonden ze in de weg van de steengoede muziek. De dronken, alle beschikbare drugs uitproberende, exhibistionistische zanger werd enkele keren veroordeeld en veroordeelde zijn band uiteindelijk tot een curiosium, veel meer dan de topgroep die het nochtans altijd was gebleven. Ook na Jim Morrisons dood in een Parijs’ bad (3 juli 1971) gingen The Doors nog een tijdje door. Dat hadden ze beter niet gedaan, maar het is hen vergeven. De zeven studioplaten met Morrison blijven wonderbaarlijke documenten uit een bijzondere periode.

Morgen: 3 tot en met 1.



Bands Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Muziek Posted on do, augustus 13, 2020 11:11:56

Daar gaan we weer. Na zangeressen en zangers concentreer ik me nu op mijn favoriete bands aller tijden. Het begrip ‘bands’ hanteer ik soepel: als “een zanger een groep is” (dixit Wannes Van de Velde), dan is een duo een band, zoals u zo dadelijk al zult merken.

De virologen waren streng: niet meer dan twintig bands in uw bubbel, Van Laeken, dus heb ik knopen moeten doorhakken. Dat ging, als we alleen naar groepen waarvan de naam begint met A tot en met M onder ogen nemen, ten koste van onder meer… Buffalo Springfield, The Byrds, The Crystals, The Drifters, Earth, Wind & Fire, Elbow, Fleetwood Mac (de originele versie was de beste, de Amerikaanse was zeer oké), Foo Fighters, Gorky/i, The Jam, The Jayhawks, Joy Division, Kings of Leon, Kraftwerk, Lambchop, Los Lobos, G. Love & Special Sauce, Massive Attack, Mercury Rev en My Morning Jacket. Het spijt me, zoals alles tegenwoordig is ook dit de schuld van Marc Van Ranst. Beperken, zei die.

Maar wie dan wel, zult u zich (hopelijk) afvragen? Welnu…

20. THE BAND. Beginnen met een band die The Band heet, het heeft iets kunstmatigs. Maar deze, euh, band was zoveel meer dan de tijdelijke begeleidingsgroep van ene Bob Dylan. Begonnen als The Hawks, de begeleidingsband van Ronnie Hawkins, daarna Levon and the Hawks (met zanger Levon Helm als duidelijk gepositioneerde frontman) en nog wat andere namen, om pas na de eerste periode mét Dylan te vervellen tot The Band. Het imago van begeleidingsgroep bleven ze de hele tijd meesleuren, zeker bij mensen die hun oeuvre onvoldoende of helemaal niet kennen. Wel, beste lezer, The Band was bij momenten pure magie. De acht platen die ze tussen 1968 en 1978 uitbrachten zijn op zijn minst goed, soms meesterlijk. Zeker de eerste vier (Music from Big Pink, The Band, Stage fright en Cahoots) bevatten tijdloze, zeer herkenbare rock, waarin elk groepslid (vier Canadezen en een Amerikaan) de kans kreeg te excelleren. Culminerend in dat ene afscheidsoptreden, dat zo knap werd verfilmd door Martin Scorsese: The last waltz.

19. THE KINKS. Chroniqueurs van het Britse leven in de jaren 60. Weinigen konden maatschappijkritiek scherper verwoorden dan Ray Davies (Dylan, wellicht, voor wat Amerika betreft). Ook zijn broer Dave zat in de band, hoewel ze elkaar niet konden luchten (waar hebben we dat nog gehoord?). Het begin was rudimentair en ruig, daarna werden de arrangementen weidser, speelser en gedurfder. Zo verpopten The Kinks van een garagerockband tot een groep die geworteld was in de Britse traditie, op die vlijmscherpe tekstuele observaties na dan, die soms haaks leken te staan op de orkestratie. De eerste zeven, acht jaar zijn fantastisch, met onder meer het conceptalbum The Kinks are the Village Green Preservation Society, daarna was er nog een uitstekende live-plaat, One for the Road, die hen overal tot top of the bill op de prille muziekfestivals bombardeerde. Als u de essentie wil vatten, koop dan The EP Collection, waarop alle ep’s (dus ook de singles) van de beginperiode staan.

18. BOOKER T. & THE MG’s. Nog zo’n begeleidingsband (the M.G.’s), die op zowat alle Staxsingles van de jaren 60 meespeelde: Steve Cropper op gitaar, Donald ‘Duck’ Dunn op bas, Al Jackson Jr. op drums. Voeg daar organist Booker T. Jones aan toe en je kreeg een zelfstandige groep die instrumentale soul maakte die tegelijk warm en swingend klonk. Een zanger of zangeres werd niet gemist. Green onions, Soul limbo, Time is tight, Melting pot: het klinkt steeds opnieuw heel hecht. Hier waren vier rasmuzikanten actief die elkaar aanvoelden en die binnen het genre soul het subgenre ‘instrumentale soul’ bedachten en perfectioneerden. Ook opvallend: Booker T. & the MG’s was een van de eerste bands waarin zwarte en witte artiesten zij aan zij optraden. Een paar jaar geleden zag ik een optreden van Booker T. Jones met een andere begeleidingsband in De Roma. Prima stuff, en de man bleek zelfs behoorlijk te kunnen zingen, maar stomend werd het pas tijdens het opvoeren van de instrumentale hits van weleer.

17. PEARL JAM. Wat mij betreft nog altijd het beste wat de stad Seattle in de staat Washington heeft voortgebracht. ‘Grunge’, weet u nog wel, jonge opa. Eddie Vedder als charismatische zanger, Stone Gossard die de gitaarriffs uit de mouwen van zijn houthakkershemd schudde: er gebeurde iets begin jaren 90. Het rook naar Teen Spirit, zeg maar. Debuutplaat Ten was van die aard dat je je gewillig liet wegblazen, opvolgers Vs. en Vitalogy behielden die spankracht en schonken ons onvergetelijke singles als Alive, Jeremy, Even flow, Black, Daughter, Better man en ga zo nog maar even door. Een band met een smoel en een uitgesproken mening, waardoor ze ingingen tegen de voorspelbare MTV-clipjescultuur en, als gevolg daarvan, prompt minder gedraaid werden en minder platen verkochten. Live werden ze nog wel gesmaakt, wat vertaald werd in tig live-platen die alleen diehardfans in hun bezit zullen hebben. Ondermaats was het nooit, live blijft de band naar het schijnt een belevenis (heb ze helaas nooit zelf mogen aanschouwen), maar die eerste jaren werden nooit meer overtroffen.

16. THE CLASH. Linkse punk die er niet alleen op gericht was onbeluisterbaar te klinken: muziek met een duidelijke boodschap. Strummer, Jones, Simonon en Headon mixten punk, rock, ska en reggae tot een aanstekelijk geheel dat uniek klonk in die dagen, tweede helft jaren 70. Was het titelloze debuut nog een rechttoe rechtaan plaat, dan was London calling, de derde lp, een gewaagde mengelmoes. Na Combat Rock, hun vijfde en commercieel meest geslaagde plaat, werden interne ruzies en drugs de groep fataal. Should I stay or should I go? Ze hadden van mij nog een poos langer mogen blijven. Begin deze eeuw was er even sprake van een reünie, plannen die op 23 december 2002 definitief werden begraven, samen met leadzanger Joe Strummer, wiens hart het op zijn vijftigste had begeven.

15. TINDERSTICKS. Mompelend zingen met een diepe basstem, dat is het kenmerk van Stuart Staples. Voeg er literaire teksten, uitgekiende instrumentatie en bijwijlen zeer aanwezige strijkers aan toe, denk aan een laag tempo, en je krijgt een geheel eigenwijs universum, waarin het als luisteraar heerlijk vertoeven is. Heel af en toe wordt dat verlaten voor een meer soulachtig geluid, met blazers in plaats van violen, maar enige consistentie kan Tindersticks niet ontzegd worden. Je houdt ervan of je vindt het een hoop vervelend geneuzel, een tussenweg is er niet. Ik heb ze drie keer live gezien, drie keer werden magische muziekgrenzen overschreden, vooral op de verstilde ogenblikken. Mooi mooi mooi.

14. R.E.M. Soms heb je als muziekliefhebber het geluk dat je een eindje mee kan opgroeien met een band. Mijn eerste concert van R.E.M. was op de wei van Werchter, toen ze amper twee ep’s en één volwaardige lp uit hadden. Ze mochten opdraven op het middaguur, vlak na de 1-2-3-4 Ramones. Een paar maanden later, op 5 oktober 1985, zag ik hen in een volgepakte Vooruit in Gent. In een snelle oogopslag — heeft u ‘m? — zag je al dat Michael Stipe in potentie charisma voor tien had, ook al oogde hij op dat ogenblik frêler dan ooit en zeer verlegen. Peter Buck toverde beklijvende klanken uit zijn gitaar, Mike Mills en Bill Berry vormden een hechte ritmesectie. Heel eerlijk: ik vond hen bijzonder goed, maar dacht dat het bij een bescheiden succes in alternatieve kringen zou blijven. Losing my religion veranderde alles, al bleef de groep trouw aan haar muzikale visie. Het commerciële succes was dan ook eerder ondanks en niet dankzij de unieke sound. En op een podium zorgden ze voor onvergetelijke concerten.

13. SIMON & GARFUNKEL. Sta me toe het goed te maken bij Paul Simon, die ik niet heb opgenomen in mijn top 20 van zangers, hoe geweldig ik ‘m ook vind, véél geweldiger alleszins dan zijn toenmalige maatje Art Garfunkel, die na de split vooral zeemzoete ballads is gaan maken. De twee samen — eerst als Tom & Jerry, later onder hun echte familienamen — klonken uniek. Dat hun grootste hits ook nog eens perfect meezingbaar waren (The sound of silence, Mrs. Robinson, The boxer, Bridge over troubled water), zorgde voor een wereldwijde populariteit. Maar na vijf succesvolle jaren, goed voor vijf prachtplaten, gingen ze solo, om op 19 september 1981 nog eens terug samen te komen voor een optreden in Central Park, New York. Een half miljoen mensen waren er getuige van, vele miljoenen koesteren de registratie van dat concert.

12. THE ROLLING STONES. Als zachtjes rebellerende tiener voelde je je verplicht om de standaardvraag “The Beatles of The Stones?” prompt te beantwoorden met “The Stones!”, omdat die ruiger klonken én leefden. Bovendien bestond die band nog in de jaren 70, terwijl The Beatles al waren vertrokken naar Splittegem. Zoveel jaren later weet je wel beter: The Rolling Stones waren goed, The Beatles waren beter. Op hen zult u dus nog even moeten wachten in deze lijst. Het knappe van de Stones was dat ze van het lichtjes afgeleefde genre rhythm and blues een aanstekelijke pop- en rockvariant wisten te maken. Keith Richards is zonder meer een fantastische gitarist, Mick Jagger is zonder meer een fantastische zanger, als schrijversduo zijn ze zonder meer fantastisch. Drank, drugs en de dood (Brian Jones) konden de groep niet afstoppen, en als corona geen spelbreker was, zouden ze ook nu nog, op hun ver gevorderde leeftijden, podiums onveilig maken, al heeft dat de jongste decennia iets pathetisch. Sinds de jaren 80 klinken de composities voorspelbaar en, ondanks de kwaliteit die er altijd wel is geweest, onderling inwisselbaar: wie hen wil leren kennen blijft dus best in die beginjaren hangen. It’s only rock ’n roll, but I like it!

11. EAGLES. Met of zonder lidwoord, op hun recentste verzamelbox staat er geen ‘The’ en op Wikipedia doen ze ’t ook zonder, dus… Van begeleidingsband van Linda Ronstadt uitgegroeid tot de hottest thing dat Los Angeles in de jaren 70 te bieden had. Men neme een handvol country, een flinke snuif bluegrass, men vergete niet te kruiden met rock en folk, en men vulle aan met stemmen die zodanig op elkaar afgestemd zijn, dat er wel een of andere goddelijke interventie moest gebeurd zijn. Het duurde zolang tot ze ruziënd andere oorden opzochten. Of ze ooit nog terug zouden samenkomen, werd aan Don Henley gevraagd. “When hell freezes over”, antwoordde die, wat zoveel betekende als: nooit. Achteraf bekeken een onwaarheid, maar het zegt veel over de gespannen verhoudingen tussen de ego’s die Eagles vormden. Niks te Take it easy, gedaan met Take it to the limit, vergeet die kamer in Hotel California, neen, ze gaven elkaar niet langer de Best of my love, de Peaceful easy feeling was foetsie, ze waren stuk voor stuk Desperado geworden, daar kon geen New kid in town iets aan veranderen. De eerste vier jaar, goed voor evenveel lp’s, werden gebundeld in Their greatest hits (1971-1975), dat tot aan de dood van Michael Jackson de best verkochte plaat ooit was, waarna Thriller het in 2009 overnam.

Morgen: 10 tot en met 4.



Volgende »