Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Art for Art’s Sake (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen Posted on do, juli 23, 2020 12:06:33

Kunst. Laten we ’t daar eens over hebben. Ook daar heb ik een lijstje van gemaakt, volgend jaar bezondig ik me misschien wel aan een persoonlijke ‘hitparade’ van musea, wat eigenlijk veel nuttiger is: u wilt die kunst natuurlijk ook zien in een liefhebbende context. Maar goed, dankzij het internet is topkunst veel toegankelijker geworden. En voor de liefhebbers zijn er nog de ontelbare uitmuntende kunstboeken.

Uiteraard is dit een bijzonder subjectieve lijst: u zult merken dat ik vooral van modernere kunst houd, grosso modo tussen 1850 en 1970, met een paar uitschieters in beide historische richtingen. Traditioneel dalen we af naar de top — klinkt vreemd, ik weet het: vandaag van 20 tot en met 11, morgen van 10 tot en met 4, zaterdag de hoogste drie.

20. MARC LAMBRECHTS (°1955). Ik begin met de enige kunstenaar die ik persoonlijk heb leren kennen tijdens een reportage in New York, waar hij in 1995 vanuit Heist-op-den-Berg naartoe is getrokken. Grafisch kunstenaar en schilder. Sommige werken doen denken aan Mondriaan, maar hij heeft zich vooral een eigen universum gecreëerd. Werkt vaak op overbodige materialen, zoals oude deuren. Hele fijne, warme man die we een (verre) vriend mogen noemen en van wie er twee werken in huis hangen. Ooit zijn die miljoenen waard… (Als ik voor een Lambrechts sta, zwijg ik heel eerbiedig; ik zou dat ook willen kunnen, maar helaas kan ik enkel een beetje met woorden spelen.)

19. FRIDA KAHLO (1907-1954). Mexicaanse schilderes, levenspartner van muurschilder (en communistisch leider) Diego Rivera. Kahlo is vooral bekend van haar intrigerende zelfportretten, waarvan ze er maar liefst 55 maakte. Haar leven werd gestuurd door twee zware tegenslagen: op haar zesde werd ze getroffen door kinderverlamming in haar rechterbeen, wat haar opzadelde met complexen. En op haar achttiende werd de bus waarin ze zat aangereden door een tram. Tijdens het herstel van de vele breuken begon ze te schilderen. André Breton, de stichter van de surrealistische beweging, klasseerde haar bij de surrealisten, een etiket waartegen ze zich altijd verzet heeft. Ze stond lang in de schaduw van haar echtgenoot: seksisme is ook de kunstwereld niet vreemd. (Als ik voor een Kahlo sta, ben ik onder de indruk van de tegelijk krachtige en onzekere vrouw die mij aanstaart.)

18. PIETER BRUEGEL DE OUDE (ergens tussen 1525 en 1530-1569). De oudste in de lijst. Bijgenaamd ‘Boeren-Bruegel’ vanwege de vele massataferelen in feestende dorpen, waarvoor je uren nodig hebt om ze volledig te kunnen doorgronden. Schilderde veel allegorieën, maar baseerde zich ook vaak op de klassieke oudheid en Bijbelse taferelen. Hoef ik meer te zeggen? U kent ‘m vast wel. (Als ik voor een Bruegel sta, wordt het leven buiten het schilderij ook heel even een feest.)

17. EDVARD MUNCH (1863-1944). Zoveel meer dan De schreeuw, zijn beroemdste werk. “Ik schilder niet wat ik zie, maar wat ik zag!”, zei de Noorse kunstschilder ooit. De innerlijke belevenis is belangrijker dan de oppervlakkige schijn. Menselijke emoties, angsten en onzekerheden staan centraal, waarbij zijn eigen zware zenuwinzinking toen hij in de veertig was wellicht tot inspiratie gediend heeft. Munch wordt beschouwd als boegbeeld van het expressionisme. Liet zijn hele oeuvre (meer dan 1000 schilderijen, meer dan 15.000 grafische werken en op de kop 4443 aquarellen) over aan de stad Oslo, dat ze onderbracht in het Munchmuseum. (Als ik voor een Munch sta, voel ik vertwijfeling en spelen mijn eigen onzekerheden eventjes op.)

16. HENRI MATISSE (1869-1954). Franse kunstschilder en beeldhouwer, die tot het fauvisme wordt gerekend. Tijdens zijn schildersloopbaan is hij verschillende keren van stijl veranderd: eerst viel hij op door de poëtische sfeer in zijn werk, daarna schakelde hij over op pointillisme, om vanaf 1905 fel contrasterende kleuren te gaan gebruiken. Vervolgens werd zijn werk oriëntaals, wat te maken had met de inspirerende reizen die hij had gemaakt. Op het eind van zijn leven maakte hij voornamelijk papiers gouaches et découpés, geverfd papier, wat hem de gelegenheid bood om actief te blijven in zijn rolstoel. (Als ik voor een Matisse sta, heb ik zin om te dansen — en ik ben geen danser.)

15. GUSTAV KLIMT (1862-1918). Ha, de romantiek van De kus. De Oostenrijkse symbolistische schilder maakte deel uit van de Wiener Secession, een groep Weense kunstenaars die actief waren in de bloeiende periode van de belle époque en de jugendstil net voor de Eerste Wereldoorlog. Wordt ook wel een ornamentalist genoemd, vanwege het bladgoud dat in vele werken opduikt en dat het centrale tafereel omkadert, als een kader binnen de kader. Zijn vrouwenportretten zijn vaak uitgesproken erotisch. “Ik ben ervan overtuigd dat ik geen bijzonder interessant persoon ben”, zei hij over zichzelf. “Ik heb niets speciaals. Ik ben gewoon een schilder die dag in dag uit en van vroeg tot laat werkt.” Waarvoor dank, herr Klimt. (Als ik voor een Klimt sta, heb ik zin om mijn geliefde te omhelzen.)

14. ALBERTO GIACOMETTI (1901-1966). Zwitserse beeldhouwer en schilder, die vooral in die eerste hoedanigheid uitblinkt. Aanvankelijk kopieerde hij Matisse. Pas tijdens de jaren 30, na ontmoetingen met surrealisten als Aragon, Breton en Dalí, ontwikkelde hij een eigen stijl. Hij is gekend voor zijn buitenproportionele, magere beeldhouwwerken: lange, anorectische lijven, lange nekken, smalle hoofden. (Als ik voor een Giacometti sta, voel ik me plots iets te dik — maar dat gevoel verdwijnt gelukkig snel.)

13. RICHARD SERRA (°1938). Amerikaanse beeldhouwer en videokunstenaar. Serra maakt monumentale sculpturen uit plaat- en cortenstaal. Je moet hem leren appreciëren. De eerste keer dat ik een werk van hem zag, in het Guggenheim van Bilbao, dacht ik nog: is dit kunst? Een paar gigantische stalen platen waar je kunt tussen wandelen, so what? Nu weet ik: dit is in alle opzichten monumentaal. (Als ik voor een Serra sta, voel ik me nietig en bescheiden.)

12. SALVADOR DALÍ (1904-1989). De Catalaan die zijn eigen mythe nog versterkte door zijn exuberant gedrag. U moet maar eens in de Dalí-driehoek Figueres-Cadaqués-Port Lligat reizen en je laten opzuigen in het universum van de surrealist. Politiek leunde Dalí verdacht dicht aan tegen het franquisme, terwijl hij na de dood van Franco een aanhanger van de monarchie werd. Beweerde dat de inspiratie via zijn snorharen uit de kosmos tot hem doordrong. Ook belangrijk: zijn muze Elena Djakonova, zeg maar: Gala. (Als ik voor een Dalí sta, moet ik altijd hard inwendig lachen. Deze man was in alle opzichten té gek.)

11. PABLO PICASSO (1881-1973). Waarom zo laag genoteerd, zult u misschien denken? Picasso wordt tot de invloedrijkste en meest geliefde kunstenaars ter wereld gerekend. Schilder, tekenaar, beeldhouwer, graficus, keramist, vrouwenzot. Doorliep zeer uiteenlopende periodes. Het begon nog figuratief in zijn ‘Blauwe periode’ en ‘Roze periode’. Daarna volgde een kubistisch momentum. Maar bovenal wordt Picasso gefêteerd als misschien wel de belangrijkste surrealist ooit (al spreek ik dat later in de lijst wel tegen voor mezelf). Zijn vrouwenfiguren zijn op het randje van lelijk, ik kan me voorstellen dat ze niet altijd even opgezet waren met hoe ze er in zijn ogen uitzagen. (Als ik voor een Picasso sta, denk ik soms: dat kan ik ook; dat moment van grootheidswaanzin is gelukkig snel voorbij, en wat hij deed was wel degelijk uniek.)

Morgen: 10 tot en met 4.



Cinema Top 20 (3 t/m 1)

Film, Memories & mijmeringen Posted on za, juli 18, 2020 12:53:57

Net nu u, als échte cinefiel, dacht: goed zo, die Van Laeken is helemaal thuis in de wereldcinema, krijgt u een top 3 voorgeschoteld die volledig Amerikaans is. Dat heeft er natuurlijk mee te maken dat we in onze westerse cultuur gedomineerd worden door Angelsaksische producties. De wereldcinema zag je in de jaren 70 en 80 in gespecialiseerde filmhuizen, die in de loop van de jaren een voor een verdwenen, op enkele schaarse uitzonderingen na. Maar tussen alle rommel die de Grote Plas oversteekt, zitten natuurlijk ook onvervalste meesterwerken. Zoals de eerste drie in mijn persoonlijk filmhuisje.

20. All the President’s men — Alan J. Pakula

19. 37°2 le matin — Jean-Jacques Beineix

18. North by Northwest — Alfred Hitchcock

17. Dr. Strangelove or: how I learned to stop worrying and love the bomb — Stanley Kubrick

16. The Godfather — Francis Ford Coppola

15. Pulp fiction — Quentin Tarantino

14. Singin’ in the rain — Stanley Donen

13. Blue velvet — David Lynch

12. Some like it hot — Billy Wilder

11. Koyaanisqatsi — Godfrey Reggio

10. Modern times — Charles Chaplin

9. La strada — Federico Fellini

8. Apocalypse now — Francis Ford Coppola

7. Ko-ge — Keisuke Kinoshita

6. Les enfants du paradis — Marcel Carné

5. Akahige — Akira Kurosawa

4. Ladri di biciclette — Vittoria de Sica

3. 2001: A SPACE ODYSSEY (USA, Stanley Kubrick, 1968). Naar het boek van Arthur C. Clarke, maar zodanig overweldigend verfilmd dat je vergeet dat dit op een boek gebaseerd is. Clarke en Kubrick werkten trouwens samen aan het scenario terwijl het boek er nog niet lag. De film was visueel verbluffend, het samenspel van soms bombastische muziek en beklijvende beelden werkt uitstekend. Van het ontstaan van de mensheid (Also sprach Zarathustra!)naar een ruimtemissie in Jupiter (zich afspelend in 1999), het zit er allemaal in. De astronauten worden aan boord van het ruimteschip Discovery One gedomineerd door de boordcomputer, HAL 9000, die intelligenter is dan de slimste mens, maar ook: onbetrouwbaarder, valser, berekenender. Het wonderbaarlijke is dat boek en film van 1968 dateren, een jaar vóór de eerste maanlanding, ver verwijderd van nog ambitieuzere ruimtereizen. Én dat er wordt gewaarschuwd voor artificiële intelligentie, met een computer die het overneemt van de mens. Stanley Kubrick was zijn tijd alweer vér vooruit. (En voor wie zich afvraagt waarvoor het acroniem ‘HAL’ staat: vervang de letters gewoon door de volgende in het alfabet en je komt uit bij een informaticagigant.)

2. THE GOLD RUSH (USA, Charles Chaplin, 1925). Een lach en een traan in een stille film die zich afspeelt tijdens de goudkoorts in het stadje Klondike aan het eind van de negentiende eeuw. Centraal staat ‘the tramp’, het figuurtje dat Chaplin had gecreëerd en gepopulariseerd in het tijdperk van de stille film: hij trekt naar Klondike om er goud te vinden en ontzettend rijk te worden, zoals alle goudzoekers dat hoopten te doen. De scènes in de kleine hut, waar de tramp tijdens een sneeuwstorm verzeild geraakt samen met een zware crimineel en een vriendelijke man, behoren tot de canon van de filmgeschiedenis. Als Chaplin uit honger zijn eigen schoen probeert op te eten, moet je onbedaarlijk lachen en tegelijk ook huilen, vanwege de diepgaande tragiek van de scène. (Hij at ook echt van die schoen tijdens de opnamen, want hij moest na afloop naar een ziekenhuis worden overgebracht…) De condition humaine wordt hier op onnavolgbare wijze uitgebeeld door een meesterlijke mensenkenner (die helaas zelf niet eens een fijne mens bleek te zijn). De film duurt 96 minuten — wat uitzonderlijk lang was voor een stille film —, waarvoor hij putte uit meer dan… 2500 minuten opgenomen beeldmateriaal.

1. CITIZEN KANE (USA, Orson Welles, 1941). In heel wat Aller Tijden-lijstjes, onder meer aan het eind van de vorige eeuw, prijkt Citizen Kane op één, het kan dus een beetje aanmatigend lijken dat hij ook mijn lievelingsfilm is (“Zie hem eens deugpronken met een film die door échte kenners wordt aangeprezen!”). Alleen… deze film is werkelijk zo onwaarschijnlijk goed, en dan te bedenken dat het de eerste film was van Orson Welles, die hij draaide op zijn vijfentwintigste. Het is net zo goed de film van co-scenarioschrijver Herman J. Mankiewicz en monteur Robert Wise (de latere regisseur van West Side Story, die deze lijst net niet haalde). Het zal wellicht niet verwonderen (zie ook nummer 20) dat hij zich afspeelt in de mediawereld, vandaar dat hij mij extra fascineert. Citizen Kane vertelt het levensverhaal van Charles Foster Kane, een rijke krantenmagnaat die de verkoop laat stimuleren door ronkende, sensationele koppen op de voorpagina te laten zetten. Een bruut die niets en niemand ontziet, machtswellusteling, zwaar geïnspireerd door het echte leven van mediamogol William Randolph Hearst (de Rupert Murdoch van eind negentiende, begin twintigste eeuw, zeg maar). Zwart-wit, dat spreekt bijna voor zich, sublieme fotografie, knap geacteerd (Welles speelt ook nog eens de hoofdrol), en bovenal: een wervelende, voor die tijd — met vooral rechtlijnige verhaaltjes — revolutionaire montage. In tegenstelling tot All the President’s men is dit een film die toont hoe het níet moet in de mediawereld. Rosebud!



Cinema Top 20 (10 t/m 4)

Film, Memories & mijmeringen Posted on vr, juli 17, 2020 11:58:18

Té Amerikaans vindt u, tot nog toe? Dan zult u bij het tweede deel van mijn top 20 veel beter aan uw trekken komen, als liefhebber van de wereldcinema.

20. All the president’s men — Alan J. Pakula

19. 37°2 le matin — Jean-Jacques Beineix

18. North by Northwest — Alfred Hitchcock

17. Dr. Strangelove or: how I learned to stop worrying and love the bomb — Stanley Kubrick

16. The Godfather — Francis Ford Coppola

15. Pulp fiction — Quentin Tarantino

14. Singin’ in the rain — Stanley Donen

13. Blue velvet — David Lynch

12. Some like it hot — Billy Wilder

11. Koyaanisqatsi — Godfrey Reggio

10. MODERN TIMES (USA, Charles Chaplin, 1936). Sluit perfect aan bij Koyaanisqatsi, ook al is ie nog zesenveertig jaar ouder. Behoorlijk riskant en gedurfd dat Chaplin een stille film maakte op een moment dat de geluidsfilm de normaliteit was geworden. Net dat gebrek aan dialogen maakt Modern Times des te intrigerender. De zwerver Charlie wordt meegevoerd door een groep arbeiders die de fabriek binnenstroomt, waar hij aan de lopende band terechtkomt. Tot zijn stoppen doorslaan (die scène waarin Chaplin door de machines wordt meegevoerd!) en hij de fabriek uitrent. Een onweerstaanbare komedie die tegelijk een bittere (maatschappij)kritiek is op de industrialisatie (wat zich in Amerika vertaalde in het ‘fordisme’, medewerkers die geanonimiseerd werden en afstotend werk moesten verrichten voor veel te lage lonen om de begoede burger te bedienen). De humanist Charles Chaplin ten voeten uit.

9. LA STRADA (Italië, Federico Fellini, 1954). Over humanisme gesproken. Het verhaal van Gelsomina (Giuliette Masina), een meisje van eenvoudige komaf dat door haar moeder wordt verkocht aan een niets en niemand ontziende krachtpatser (Anthony Quinn). Ze wordt verliefd op een vrolijke koorddanser, wat haar meester tot een dodelijk duel verleidt. Won — met drie jaar tijdsverschil! — het Festival van Venetië (1954) en de Oscar voor Beste Buitenlandse Film (1957). Houd een zakdoek bij de hand.

8. APOCALYPSE NOW (USA, Francis Ford Coppola, 1979). The horror… The horror… De ultieme antioorlogsfilm, gebaseerd op het dunne boek Heart of Darkness van Joseph Conrad, dat zich in Centraal-Afrika, onder meer Congo, afspeelt, maar door Coppola verplaatst wordt naar Vietnam en Cambodja. De opnamen namen drie jaar in beslag, waarin de productieploeg zowat met elke tegenslag die je je kunt inbeelden, te maken kreeg, tot en met een hartaanval voor hoofdrolspeler Martin Sheen. De plot: kapitein Willard (Sheen) krijgt de opdracht om de gedeserteerde kolonel Kurtz (Marlon Brando) te vermoorden, nadat die een eigen legertje heeft opgericht en een privéoorlog is beginnen uit te vechten. De waanzin van oorlog wordt hier op briljante wijze getoond. I love the smell of napalm in the morning!

7. KO-GE (Japan, Keisuke Kinoshita, 1965, Nederlandse titel: De geur van wierook). De onvindbare film. Ik heb hem tijdens een Japanse retrospectieve twee keer in minder dan een week tijd gezien in het Antwerpse Filmhuis, waarna hij op een vertoning op de VPRO-televisie na uit onze contreien verdween. Een arm echtpaar verkoopt dochter Tomoko als geisha. Terwijl je haar levensverhaal krijgt, zie je ook de Japanse geschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw passeren. VPRO omschreef het als ‘te lang, saai en huilerig melodrama’. Ik vond het destijds een vier uur durend meesterwerk. Misschien moet ik hem mij zo blijven herinneren. En iemand die de film recent heeft gezien, moet er maar eens een Wikipedia-pagina over schrijven.

6. LES ENFANTS DU PARADIS (Frankrijk, Marcel Carné, 1945). Nog zo’n lange film (190 minuten) waarin het melodrama nooit ver uit de buurt is, voortdurend balancerend op het slappe koord tussen kitsch en kunst. Speelt zich af in 1844 in Parijs, waarbij een mimespeler verliefd wordt op een mysterieuze vrouw, die ook nog eens het hof wordt gemaakt door een revolutionaire schrijver. Naar een scenario van Jacques Prévert.

5. AKAHIGE (Japan, Akira Kurosawa, 1965, Nederlandse titel: Roodbaard). In het 19de-eeuwse Japan wordt een ambitieuze jonge dokter op een afdeling gezet waar hij arme patiënten moet verzorgen. Een realitycheck van jewelste, want zijn wereldbeeld had hem niet voorbereid op de schrijnende situaties die hij voorgeschoteld krijgt. Kurosawa was in cinefiele kringen al bekend van zijn meesterlijke epossen Rashomon, Ikiru en De zeven samoerai, en ook Akahige kreeg gunstige kritieken, maar de voorzichtige commerciële doorbraak kwam er pas in de jaren 70 en 80 met Dodes’kaden, Kagemusha en Ran. Maar nooit was de humanist Kurosawa gevoeliger en tegelijk maatschappijkritischer dan in deze wonderbaarlijke film. Opnieuw: blijkbaar geen Nederlandstalige Wikipedia-pagina waard…

4. LADRI DI BICICLETTE (Italië, Vittorio de Sica, 1948, Nederlandse titel: Fietsendieven). Weer zo’n film die je niet kunt uitzien zonder geregeld een beetje oogvocht te verwijderen. De Tweede Wereldoorlog werpt zijn schaduw over Rome, waar armoede en ontbering het gevolg zijn van de foute keuzes van de Italiaanse leiders voor en tijdens de oorlog. Een arme man, Antonio (gespeeld door Lamberto Maggiorani), vindt werk als plakker van affiches, maar daarvoor heeft hij een fiets nodig en die heeft hij net verkocht om eten te kunnen kopen. Hij weet met de hulp van zijn vrouw — die haar lakens verpandt — zijn fiets terug te halen uit de lommerd, maar bij zijn eerste tocht wordt die gestolen. Wat volgt is wanhoop en diepe tragedie. De jonge Enzo Staiola, die zoon Bruno speelt, geeft de film nog meer naturel mee.

Morgen: 3-2-1.



Cinema Top 20 (20 t/m 11)

Film, Memories & mijmeringen Posted on do, juli 16, 2020 11:55:21

Waar is de tijd dat ik het Filmfestival van Antwerpen volgde in (wijlen) Het Filmhuis aan de Lange Brilstraat? Zeventig films op iets meer dan twee weken tijd. Zalig: dan ging je van een obscure Zuid-Koreaanse film via de bar naar een nooit eerder vertoonde en later ook nooit meer vertoonde prent uit Mongolië via de bar naar het minimeesterwerk The Draughtsman’s Contract van Peter Greenaway. Vaak wist je aan het eind van de dag niet meer wat je nu weer precies gezien had — en dat had niets met die bar te maken, want de consumptie bleef daar doorgaans beperkt tot koffie en frisdrank —, maar de positieve uitschieters onthield je wel.

Ik ben geen cinefiel, ik was het zelfs in die hoogdagen begin jaren 80 nooit: echte cinefielen spraken een taaltje dat hooguit in de verte een beetje op Nederlands leek, maar wat ze zeiden klonk allemaal zo intellectueel juist dat je het voor waar aannam. Niet zelden begreep je een onbegrijpelijke film door zo’n eenzijdig gesprek, wat meegenomen was. Door te beginnen werken, verliefd te worden, andere prioriteiten te krijgen, is het bioscoopbezoek flink gereduceerd, wat heel jammer is. Want er worden nog altijd prachtfilms gemaakt, al zou u uit mijn top 20 misschien kunnen afleiden dat de tijd is blijven stilstaan in pakweg 1994: dat is namelijk het jaar van de meest recente film in de lijst. Ik weet heus wel dat er daarna nog meesterwerken zijn geproduceerd, de meeste heb ik zelfs gezien. Maar voor deze ultieme lijst val ik toch weer terug op het verdere verleden.

Het weze me vergeven. En het weze een opstapje om voor u tot nu toe onbekende titels op te zoeken. Doe het licht uit, vergeet die popcorn en die chips (dat maakt een ellendig lawaai!), geniet van wat u ziet.

20. ALL THE PRESIDENT’S MEN (USA, Alan J. Pakula, 1976). De film over het Watergateschandaal, met Dustin Hoffman en Robert Redford in de rollen van de Washington Post-reporters Carl Bernstein en Bob Woodward. Twee journalisten met weinig ervaring, heel veel lef en omring door een fantastische redactionele entourage, hoofdredacteur Ben Bradlee (gespeeld door Jason Robards) op kop. Deze film is voor mij het perfecte antigif als er in de actuele journalistiek kemels worden geschoten; All the President’s men moet mij dan opnieuw verzoenen met dat mooie vak, dat vaak zo lelijk wordt beoefend.

19. 37°2 LE MATIN (Frankrijk, Jean-Jacques Beineix, 1986, Engelse titel: Betty Blue). Een intense, maar onmogelijke liefde brengt de hoofdpersonages (gespeeld door Béatrice Dalle en Jean-Hugues Anglade) afwisselend in extase en in een diep emotioneel dal. Betty gaat ten onder aan haar eigen onstuimigheid, Zorg is tien jaar ouder, een schrijver die geen letter op papier krijgt. Twee getormenteerde zielen in een, zie de titel, koortsig drama. De seksscènes zijn behoorlijk expliciet. Onmogelijke liefde in beeld gebracht.

18. NORTH BY NORTHWEST (USA, Alfred Hitchcock, 1959). De beste Hitchcock, met de bekende ingrediënten: een rijzige, aantrekkelijke gentleman (Cary Grant) en een wulpse, aantrekkelijke blondine (Eva Marie Saint). Voorspelbaar, maar de plot maakt alles goed: spionage, dubbelspionage, grimmige personages, goed versus kwaad. En suspense, natuurlijk, véél suspense. Met een legendarische slotscène op Mount Rushmore. Niet bij nadenken, u gewoon laten onderdompelen in de wereld van de Master of Suspense.

17. DR. STRANGELOVE OR: HOW I LEARNED TO STOP WORRYING AND LOVE THE BOMB (USA/UK, Stanley Kubrick, 1964). Donkerder worden donkere komedies niet. In volle Koude Oorlog — niet zo lang na het waargebeurde incident in de Bay of Pigs — dreigt een kernoorlog tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. Zeker nadat een kierewiete Amerikaanse generaal (met de toepasselijke naam Jack D. Ripper), die ervan overtuigd is dat de Sovjets de levenssappen van de Amerikanen zullen komen ontvreemden, een onomkeerbare stap zet om atoombommen te droppen. Hij alleen kan ze terugroepen, maar hij pleegt zelfmoord. Peter Sellers speelt op verrukkelijke wijze drie rollen (de Amerikaanse president, een Britse kapitein en de tijdens de oorlog naar de States overgelopen wetenschapper Dr. Strangelove, in nazi-Duitsland nog bekend als Doktor Merkwürdigeliebe). Cynischer dan de We’ll meet again op het eind wordt het niet.

16. THE GODFATHER (USA, Francis Ford Coppola, 1972). Van de briljante trilogie is de eerste nog altijd mijn favoriet. Naar het boek en een scenario van Mario Puzo geeft dit een wellicht niet eens zo onrealistische inkijk in het maffialeven, dat hier draait rond de familie Corleone. Een paardenhoofd in bed, afrekeningen, verraad, eremoorden, het zit er allemaal in onder de tagline ‘I’m gonna make him an offer he can’t refuse’. Marlon Brando schittert als Don Vito Corleone, James Caan en Robert Duvall staan het dichtst bij hem, terwijl Al Pacino komt piepen als de toekomstige capo.

15. PULP FICTION (USA, Quentin Tarantino, 1994). Wat een feest! Na de lekkere lowbudgetfilm Reservoir Dogs mocht Tarantino met behoorlijk meer middelen deze misdaadfilm draaien, waarin vijf verhaallijnen door elkaar lopen en uiteindelijk samenvloeien. Alle ingrediënten van een typische Tarantinofilm zitten er al in: zwarte humor, absurde situaties, ongeloofwaardige plottwists en, uiteraard, een boel over the top geweld. Meer hoeft u niet te weten: (her)bekijk hem!

14. SINGIN’ IN THE RAIN (USA, Stanley Donen, Gene Kelly, 1952). De ultieme feelgoodfilm, met als onderwerp de overgang van de stille naar de geluidsfilm. De choreografie is onovertroffen, de muziek schitterend en de overgangen van praten naar zingen voelen veel natuurlijker aan dan bij doorsnee musicals. Alles culmineert in die ene dansscène in de (nagebootste) regen. Make ‘em laugh!

13. BLUE VELVET (USA, David Lynch, 1986). Heel wat puriteinen ergerden zich aan het masochisme en de brutale seksscènes, inclusief een verkrachting. Het begint onwezenlijk lief, met wiebelende rozen, de man van de brandweer die naar de buurtbewoners zwaait, schoolkinderen die braafjes de straat oversteken, een man die zijn tuin sproeit, dat alles op de romantische tonen van Blue Velvet van crooner Bobby Vinton. Al na een minuutje treedt de duisternis in. De krankzinnige boef (Dennis Hopper) die telkens weer In dreams van Roy Orbison wil horen: wie verzint het? Euh, David Lynch, dus.

12. SOME LIKE IT HOT (USA, Billy Wilder, 1959). Soms speur ik het aanbod van betaalzenders af op zoek naar een komedie om mee te lachen, maar helaas is dat genre blijkbaar in onbruik geraakt, de occasionele uitzondering niet te na gesproken. Dan maar even terugspoelen naar 1959. Muzikanten Tony Curtis en Jack Lemmon ontsnappen maar nipt aan een afrekening onder gangsters, verkleden zich als vrouwen en worden simultaan verliefd op de zangeres van de band (Marilyn Monroe). Zou deze film ook vandaag nog passeren zonder allerlei actiegroepen in actie te doen schieten? Klungelige travesties, toespelingen op homoseksualiteit, seksuele toespelingen, dubbelzinnigheid troef. Onthoud ook dat Marilyn Monroe een schitterende actrice was, niet zomaar een dom blondje.

11. KOYAANISQATSI (USA, Godfrey Reggio, 1982). Documentaire die deel uitmaakt van de Qatsi-trilogie (met verder ook nog Powaqqatsi en Naqoyqatsi), met als ondertitel: ‘life out of balance’. Godfrey Reggio speelt met het vertragen en versnellen van beelden, waarop hij de minimalistische, maar bijzonder hypnotiserende muziek van Philip Glass zet. We zien de hele tijd beelden van te veel mensen op te weinig ruimte, explosies van gebouwen, onrust: een ecologische fabel op een moment dat ‘anders gaan leven’ nog niet hip was. Ik heb deze film drie keer gezien op drie weken tijd en daarna nog eens met live begeleiding van een orkest onder leiding van meneer Glass zelf. Letterlijk adembenemend. 1982 en 2020 lijken opeens buurjaren, we leven nog altijd in permanente overdrive.

Morgen: van 10 tot en met 4.



Belgische Politici Top 20 (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on za, juli 11, 2020 12:13:37

Waar waren we gebleven? O ja…

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. Hugo Schiltz

9. Guy Verhofstadt

8. Herman Van Rompuy

7. Gaston Eyskens

6. Wilfried Martens

5. Lucienne Herman-Michielsens

4. Karel Van Miert

3. PAUL-HENRI SPAAK (1899-1972). In de wieg gelegd voor de politiek. Zijn grootvader langs moederskant, Paul Janson, wordt als vader van het sociaalliberalisme beschouwd, zijn oom, Paul-Emile Janson, was korte tijd premier van België. Hoewel ze tot de liberale tak van de familie behoorde, was zijn moeder actief voor de Belgische Werkliedenpartij, de unitaire voorloper van de sp.a en de PS. En om het familieverhaal af te maken: de dochter van Paul-Henri, Antoinette, voerde lange tijd het communautaire FDF aan. Spaak zelf koos van jongs af aan, als hoofd van de Socialistische Jonge Wacht, voor de sociaaldemocratie, waarbij in de eerste plaats zijn pacifisme opviel. In de tweede helft van de jaren 30 werd hij achtereenvolgens minister van PTT en Transport, minister van Binnenlandse Zaken, premier (1938-1939) en minister van Buitenlandse Zaken, een functie die hij bleef bekleden in ballingschap in Londen. Op 31 maart 1946 werd hij gedurende net geen jaar voorzitter van de eerste Algemene Vergadering van de pas opgerichte Verenigde Naties. Kort voordien had hij opnieuw een Belgische regering geleid en dat zou hij opnieuw doen van maart 1947 tot augustus 1949. In de jaren 50 werd hij voorzitter van de gemeenschappelijke vergadering van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal, EGKS. In een rapport deed hij de aanbeveling om de Europese Economische Gemeenschap, EEG, op te richten, de voorloper van de Europese Unie: dat gebeurde in 1957. Dat jaar werd hij ook secretaris-generaal van de NAVO, wat hij bleef tot 1961. Op het eind van zijn politieke carrière werd hij voorstander van het federalisme en steunde hij de francofone partij FDF van zijn dochter Antoinette. Paul-Henri Spaak ontving eretekens in vierendertig landen. Zo iemand waarvoor de term ‘staatsman’ bedacht werd.

2. ACHIEL VAN ACKER (1898-1975). Eerstgeborene in mijn top 20 en een generatiegenoot van Spaak. Na de Eerste Wereldoorlog werd hij actief in de Brugse afdeling van de Belgische Werkliedenpartij. Hij kwam op voor de rechten van de arbeider, richtte daartoe mee enkele coöperatieven op en een socialistisch weekblad. Tijdens de Tweede Wereldoorlog hield hij zich bezig met het in standhouden van de socialistische beweging. Pas daarna kwam hij op het voorplan, eerst als minister van Arbeid en Sociale Voorzorg, daarna tot vier keer toe als premier tussen 1945 en 1958. Lag aan de basis van de Kolenslag, een beleid dat erop gericht was de steenkoolproductie op te drijven, een belangrijk onderdeel van de economische heropbouw na de oorlog. Het leverde hem de bijnaam ‘Achille Charbon’ op. Hij wordt ook gezien als de ‘vader van de sociale zekerheid’, omdat hij als minister van Sociale Voorzorg een besluitwet had opgesteld die de basis vormt van de sociale zekerheid zoals we die nu nog kennen. Van 1961 tot 1974 was hij Kamervoorzitter.

1. JEAN-LUC DEHAENE (1940-2014). Was ‘slechts’ iets meer dan zeven jaar premier van het land, goed voor twee regeringen die zijn naam droegen, maar slaagde er in die relatief korte periode in om het land door moeilijke situaties te loodsen. Met het Sint-Michielsakkoord realiseerde hij in 1993 de tot dan toe grootste staatshervorming in België, twee jaar later wist hij — nota bene in een coalitie met sociaaldemocraten — met een streng begrotingsbeleid het land in de eurozone te manoeuvreren. In de jaren 80 was Dehaene al opgevallen als matchmaker van zeer diverse regeringen en als minister van sociale Zaken. Legendarisch is zijn uitspraak van begin 1988 toen de koning hem vroeg om als informateur de weg naar een nieuwe regering te plaveien: “Sire, geef me honderd dagen.” Die onmogelijk ogende karweien leverden hem de ietwat denigrerende bijnaam ‘de loodgieter’ op. Door zijn nogal kortaffe communicatie kwam hij boertiger en minder empathisch over dan hij in werkelijkheid was. Vooral ten tijde van de affaire-Dutroux en de Witte Mars was dat een nadeel. Zijn adagium “Een probleem moet je pas oplossen als het zich stelt” versterkte het beeld van de loodgieter, terwijl hij echt wel visionaire capaciteiten bezat. Ik heb de man drie keer mogen interviewen bij hem thuis in Vilvoorde. Dat plompe was niet gespeeld, anderzijds was hij best wel open en hartelijk. Omschreef zichzelf een politicus van de vorige eeuw: een Dehaene zou niet renderen in deze tijden van sociale media en veelvuldige lekken. Iemand met zijn capaciteiten wordt node gemist in deze ontregelende tijden. In zijn gloriejaren was hij de juiste persoon op de juiste plaats. Hadden we die nu nog maar…



Belgische Politici Top 20 (10 t/m 4)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on vr, juli 10, 2020 11:56:12

Bent u al bekomen van de eerste helft van de lijst? Dan bent u klaar voor de nummers 10 tot en met 4. U zult hierin vergeefs zoeken naar de nochtans illustere namen van bijvoorbeeld Théo Lefèvre, Pierre Harmel, Paul Vanden Boeynants, Frans Grootjans of Willy De Clercq. Twintig is nu eenmaal een restrictief aantal. En ik beoordeelde hen, in alle onbescheidenheid, als net iets minder belangrijk dan de twintig namen die er nu in staan, waarbij ik toch vooral ook de internationale impact — zoals aanwezigheid binnen de Europese Unie — probeerde te vatten. Hoe dan ook is dit een subjectieve lijst, laten we ’t daarover eens zijn.

20. Jos Geysels

19. Elio Di Rupo

18. Willy Claes

17. Patrick Dewael

16. Louis Tobback

15. Frank Vandenbroucke

14. Karel De Gucht

13. Marianne Thyssen

12. Miet Smet

11. Leo Tindemans

10. HUGO SCHILTZ (1927-2006). Flirtte tijdens de Tweede Wereldoorlog als tiener met het nationaalsocialisme. Behield daarna wel zijn flamingantische overtuiging, maar wist dit in een democratische visie te integreren. Dat vloekte weleens met oudere partijgenoten binnen de Volksunie, waarin destijds nogal wat romantische flaminganten rondliepen, die de oorlog liever anders hadden zien eindigen. In 1965 werd Schiltz verkozen tot volksvertegenwoordiger. Tussen 1975 en 1979 was hij partijvoorzitter: het waren de woelige Tindemans-jaren, met onder meer het afgewezen Egmontpact. Daarna volgden ministeriële periodes: gemeenschapsminister van Financiën en Begroting (Vlaamse Executieve) en minister van begroting en wetenschapsbeleid en vicepremier (federaal). In 1991, op zijn vierenzestigste, werd hij senator, meestal het signaal van een fin-de-carrière. Schiltz was een groot voorstander van de Groot-Nederlandse gedachte, een samengaan van Vlaanderen en Nederland, maar wat hem een staatsman maakte, was dat hij altijd realistisch en compromisbereid is gebleven. Dat hij op het eind van zijn leven na de implosie van ‘zijn’ Volksunie overstapte naar Spirit in plaats van bij de N-VA te gaan, maakt duidelijk waar hij ideologisch voor stond. Zeker geen nationalistische hardliner. Wel een bevlogen, soms genadeloze debater.

9. GUY VERHOFSTADT (°1953). Voluntarist, zo wordt hij genoemd. Nochtans vond een flink deel van de Vlaamse bevolking dat hij als jonge politicus eerder een blaag was. Als jongerenvoorzitter stookte hij eind jaren 70, begin jaren 80 geregeld een neoliberaal brandje, als grote fan van Margaret Thatcher. Daarna werd hij de op dat moment jongste partijvoorzitter ooit, op zijn 28ste. Hij leidde de PVV met harde hand en luide mond tussen 1982 en 1985. De drie daaropvolgende jaren was hij minister van Begroting en Wetenschapsbeleid en vicepremier in de zesde regering onder Wilfried Martens. Vooral zijn genadeloos begrotingsbeleid, in een tijd van zware economische crisis, en zijn blijvende voorkeur voor neoliberale recepten leverden hem de bijnaam ‘da joenk’ op. Een snotneus met een grote mond, in de ogen van oudere heren van stand. Daardoor werd hij in 1988 buitenspel gezet door een entente van partij, vakbond en standenorganisaties binnen de christendemocratie. Hij werd opnieuw partijvoorzitter, ten koste van Annemie Neyts, en vormde de PVV om tot de VLD, waarbij politieke verruiming centraal stond. Opeenvolgende verkiezingszeges brachten hem geen stap dichter bij de regering, tot de dioxinecrisis in 1999 een uitweg bood. Heel snel werd een paars-groene coalitie gevormd, met Verhofstadt als bevlogen premier. De euthanasiewet en de wet op het homohuwelijk dateren uit die periode, maar ook de opnieuw ontspoorde begroting. In 2009 werd hij Europees parlementariër. Ook daar is hij, als overtuigd Europeaan, een opgemerkte verkozene.

8. HERMAN VAN ROMPUY (°1947). De studax die opklom in de partijgelederen. Als directeur van de studiedienst van de CVP, Cepess, lag hij mee aan de basis van verschillende regeringen en staatshervormingen. Dat hij partijvoorzitter zou worden, stond in de sterren geschreven (1988-1993). Geen dankbare taak, gezien de tegenstrijdige en elkaar bekampende standen binnen de partij. Van Rompuy zat op de lijn-Tindemans, bij wie hij nog adviseur geweest was, die lijnrecht tegenover de lijn-Martens stond. In de regering-Dehaene I werd hij minister van Begroting, wat hij zou blijven tot de verkiezingen van 1999. Na acht jaar in de luwte — het leverde talloze haiku’s op — werd Van Rompuy in 2007 Kamervoorzitter en tussen 30 december 2008 en 25 november 2009 zelfs premier, in woelige politieke tijden (kennen wij er andere?). Zijn kenmerk: rustige vastheid. Die leverde hem begin 2010 de titel van voorzitter van de Europese Raad op (verkeerdelijk vertaald tot ‘Europees president’), wat hij bijna vijf jaar zou blijven. Zijn terughoudendheid, niet-dogmatisch conservatisme en bemiddelingsbereidheid waren grote troeven in die functie. “Wij bezweren als politici voortdurend dat we alles onder controle hebben, maar eigenlijk zijn wij machtelozer dan ooit,” zei hij ooit. “De eenvoudige waarheid is dat het ons ontsnapt, dat we er zeer vaak gewoon als toeschouwer bij staan.”

7. GASTON EYSKENS (1905-1988). Geen discussie wie er het meeste impact had, vader of zoon. Zoon Mark mag dan een betere bedenker van spitante oneliners zijn, vader Gaston is de staatsman van de twee. Mocht in drie woelige periodes een regering leiden: kort na de oorlog (1949-1950, waarin een devaluatie van de frank gerealiseerd werd), in de jaren van de gecontesteerde Eenheidswet (1958-1961) en aan het eind van de woelige jaren 60 (1968-1973). Tussendoor was hij minister in verschillende regeringen. Onder zijn bewind werd in 1970 de Eerste Staatshervorming doorgevoerd. Vanaf dan is België een geregionaliseerde eenheidsstaat met cultuurgemeenschappen en gewesten. Een kwarteeuw lang was Gaston Eyskens een dominant figuur binnen zijn partij en binnen de Belgische politiek.

6. WILFRIED MARTENS (1936-2013). Negen regeringen leidde de Oost-Vlaming tussen 3 april 1979 en 7 maart 1992, met een onderbreking van een half jaar waarin Mark Eyskens iets mocht proberen. Een paar van die regeringen bleven de hele rit overeind, de meeste struikelden onderweg. Het communautair kruitvat Voeren was niet zelden een aanleiding daartoe. Voorafgaand was er nog een periode van twaalf jaar waarin de unionistische federalist opviel als jongerenvoorzitter én voorzitter van de CVP. Hij was een voorstander van artikel 35 van de Grondwet, waarbij alleen afgesproken bevoegdheden op het federale niveau zouden blijven. Toch kantte hij zich tegen confederalisme en separatisme. Dat ik Martens niet hoger rangschik, mag u eerder subjectief noemen. Dat hij de Amerikaanse kruisraketten tegen de wil van het volk en het parlement liet installeren, vond ik een democratie onwaardig. Hij vond dat ‘evident’, zijn stopwoordje. Zeker in de ‘liberale’ periode (1982-1988) was zijn beleid vaak hardvochtig. Hij vond geen adequaat antwoord op maatschappelijke uitwassen als het Heizeldrama (waarbij minister van Binnenlandse Zaken Nothomb weigerde zijn verantwoordelijkheid te nemen) en de aanslagen van de Bende van Nijvel. Weifelde toen de koning weigerde de abortuswet te ondertekenen (terwijl de boodschap simpel had moeten zijn: sire, u heeft geen keuze, u móet tekenen!). Bovendien was de rol van Jean-Luc Dehaene bij regeringsvormingen belangrijker dan die van de toekomstige premier zelf. In 1992 nam hij een leidende rol op bij de EVP, de Europese christendemocraten. Op het eind van zijn leven kon hij nog genieten van mooie liefdesjaren met Miet Smet.

5. LUCIENNE HERMAN-MICHIELSENS (1926-1995). De hoogst geklasseerde vrouw — vrouwen worden pas sinds kort, en dan nog veel te weinig, naar waarde geschat in de Belgische politiek — zal bij u misschien een ‘Wie?’ oproepen. Bijna dertig jaar lang maakte ze deel uit van het partijbureau van de liberalen. Ze was ook een tijdje ondervoorzitter en, van 1984 tot 1991, fractieleider in de Senaat voor de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang. De domeinen waarop ze zich specialiseerde waren gezinsbeleid en gezondheidszorg. Dankzij haar inspanningen achter de schermen werd de vrijzinnigheid grondwettelijk erkend, naast de bestaande erediensten. Maar we moeten haar vooral onthouden als de stuwende kracht achter nieuwe wetgeving rond huwelijksrecht, evenwaardigheid van man en vrouw binnen het huwelijk, en de vrije verkoop van anticonceptiva, wat in het katholieke Vlaanderen niet voor de hand lag. En als u slechts bereid bent één ding te onthouden: ze lag mee aan de basis van de abortuswet van 1990, het resultaat van meer dan twintig jaar parlementair werk. De wet draagt ook de naam van de Waalse sociaaldemocraat Roger Lallemand. Minder dan vijf jaar na haar politieke triomf, die haar razend populair maakte in feministische en vrijzinnige middens, overleed ze aan de gevolgen van diabetes. Deze hoge plek voor Herman-Michielsens is tegelijk ook een hulde aan parlementariërs die zich, soms wars van de partijlijn en maatschappelijke tendensen, vol overgave van hun taak kwijten.

4. KAREL VAN MIERT (1942-2009). Reeds in zijn eindverhandeling toonde hij grote belangstelling voor de Europese Commissie. Begin jaren 70 werd hij medewerker van de Nederlander Sicco Mansholt, toenmalig Europees Commissaris voor Landbouwbeleid. Maar hij was ook actief in eigen land, bij de Rode Leeuwen en de Jongsocialisten, als kabinetsmedewerker van Henri Simonet en als kabinetschef van Willy Claes, minister van Economische Zaken. In 1978 werd hij covoorzitter van de nog unitaire BSP/PSB, die als gevolg van de discussies rond het Egmontpact een paar maanden later al opgesplitst werd in een Vlaamse en een Waalse vleugel. Zo werd Van Miert alleen partijvoorzitter, wat hij tot 1989 zou blijven. In die periode zou hij de slabakkende partij, mede dankzij een opvallende volksvertegenwoordiger als Louis Tobback, weer opkrikken. Bij de socialistische standen maakte hij zich minder populair door de partij te ontkoppelen van de vakbonden. Halfweg de jaren 80 werd hij ook ondervoorzitter van de Socialistische Internationale. In 1989 werd Van Miert benoemd tot Eurocommissaris voor Transport, Consumentenbeleid, Kredieten en Investeringen. Vier jaar later mocht hij daar de posten Personeel, Algemeen Beheer en Mededingingsbeleid aan toevoegen. Vooral op dat laatste vlak viel Van Miert op. Hij ging regelrecht in tegen multinationals en politieke lobbygroepen die zich tot dan toe almachtig hadden geacht. Het leverde hem de bijnaam ‘machtigste man van Europa’ op. Dat hij zijn in de Agusta-affaire in opspraak gekomen levenspartner Carla Galle onvoorwaardelijk is blijven steunen, zal wel een rol gespeeld hebben in het feit dat hij na zijn aftreden als Europees commissaris in 1999 geen rol van betekenis meer zou spelen. De nieuwe lichting keerde zich af van het verleden, ondanks de niet geringe verdiensten van Karel Van Miert voor partij, sociaaldemocratie in het algemeen, land en Europa.

Morgen: 3-2-1.



Belgische Politici Top 20 (20 t/m 11)

Memories & mijmeringen, Politiek Posted on do, juli 09, 2020 11:46:07

Om maar meteen met de deur in huis te vallen: neen, Bart De Wever staat er niet tussen. Dat heeft niet te maken met een speciale aversie voor de man of zijn partij, noch met zijn politiek gewicht. De Wever is momenteel zonder meer de beste van de klas. Probleem: het is een bijzonder zwakke lichting, nu al een hele tijd. De Wever is een intellectueel, stuurt het maatschappelijke debat — mede dankzij goed gekozen ‘handlangers’ in de Vlaamse media — in een richting die hij wil, werd niet voor niets ‘schaduwpremier’ genoemd ten tijde van de regering-Michel I, heeft de rol van Philippe Dewinter overgenomen als invloedrijkste politicus zonder zelf (officieel) aan de knoppen te hoeven zitten. Máár: wat heeft hij, lokaal, Vlaams en federaal, gedaan met de macht die de kiezer hem heeft toegeworpen? Is Antwerpen een nieuwe stad na acht jaar burgemeester De Wever? Is Vlaanderen een andere regio sinds de verkiezingen van 2014? En wat heeft De Wever, in de schaduw, weten te realiseren op federaal niveau, als leider van de grootste partij in de coalitie, met een Franstalige minderheid, met drie andere partijen die het dichtst bij zijn programma aanleunden? Bitter weinig, is het antwoord. Dus, daarom, geen De Wever. Laat hem eerst maar eens écht iets betekenen voor het Vlaamse volk.

Ook geen andere politici van nu. Maggie De Block en Theo Francken stonden jaren bovenaan in de polls als populairste politicus, maar dat was niet echt een gevolg van hun uitzonderlijke, politieke talent. Hun populariteit had álles te maken met het departement Asiel en Migratie, en met hun onverzettelijke houding ten aanzien van asielzoekers. Dat zag de Vlaming graag, iemand die de ‘vreemdelingen’ buiten hield. De Block heeft gefaald op een departement dat haar op het lijf geschreven leek (no pun intended), Volksgezondheid. Francken heeft veel geroepen — hoe ranziger, hoe meer de rechtse achterban dat apprecieerde —, maar was als staatssecretaris gewoon een uitvoerder, zoals het hoort. Een passant met een grote mond, quoi.

Beke, Rutten, Crombez, Rousseau, Almaci, Mertens, Reynders, vader en zoon Michel, Calvo, Van Grieken, Bourgeois, Leterme, Somers, Crevits, Milquet, Onkelinx, Magnette, Nollet, Spitaels, Busquin, Gol, Stevaert, zelfs de invloedrijke Dewinter, etcetera: neen, ze scoren meestal een onvoldoende, heel af en toe kan er van een zesjescultuur gesproken worden, of van een (te) korte periode van succes (Stevaert). Sommigen kunnen pas over een paar decennia objectief beoordeeld worden: misschien vinden we Alexander De Croo of Koen Geens over twintig jaar wel absolute toppers, het zou zomaar kunnen.

Mijn intentie was om een top 20 op te stellen voor de periode 1920-2020, sinds de Eerste Wereldoorlog zeg maar. Ik heb die uiteindelijk gereduceerd tot de periode 1945-2020, vanaf de Tweede Wereldoorlog dus. Hoe kan ik met de ogen van vandaag Edward Anseele, Camille Huysmans of Hubert Pierlot beoordelen? Het zou van iets te veel pretentie getuigen: de samenstelling van deze lijst is op zich al pretentieus genoeg.

U mag zich verwachten aan 7 christendemocraten, 7 sociaaldemocraten, 4 liberalen, 1 Vlaams-nationalist en 1 groene politicus. Twee Franstaligen en achttien Nederlandstaligen: dat zegt meer over mijn eerder gebrekkige kennis van politiek in Wallonië in combinatie met het gegeven dat onze federale regeringen en de cruciale departementen doorgaans geleid werden door een Vlaming. Zo konden die meer in beeld komen.

Vandaag belicht ik de nummers 20 tot en met 11, morgen 10 tot en met 4, zaterdag 3 tot en met 1. Het boos reageren mag een aanvang nemen.

20. JOS GEYSELS (°1952). Loodste als politiek secretaris van Agalev (1997-2003) de groenen voor het eerst in regeringen, federaal en Vlaams, en wist daarbij als kleinste coalitiepartij heel wat ecologische programmapunten af te dwingen. Lag mee aan de basis van het ‘cordon sanitaire’ tegen het Vlaams Blok. Heldere communicator, die ver van het wollige discours van andere generatiegenoten bleef. Rekende zichzelf de ontluisterende nederlaag van Agalev bij de federale verkiezingen van 2003 zwaar aan. Trad onmiddellijk af als politiek secretaris, wat meteen ook zijn afscheid van de actieve politiek was. Zonde, voor iemand met zijn politiek talent en op die prille leeftijd (nog geen 53). Werd daardoor ook een pijnlijk voorbeeld van de manier waarop politici in dit land veel te vroeg opgebrand worden. Zie ook nummers 18, 15 en 14.

19. ELIO DI RUPO (°1951). Al twee decennia de machtige man van het Waalse socialisme en zo de natuurlijke opvolger van André Cools, Guy Spitaels en, in mindere mate, Philippe Busquin, al begon hij onder die toenmalige PS-minister wel zijn politieke carrière. Was tussen 1994 en 1999 federaal vicepremier onder Jean-Luc Dehaene en tevens minister van Economische Zaken. In de nasleep van de affaire-Dutroux werd hij door een fantast valselijk beschuldigd van pedofilie, wat zijn carrière bijna abrupt tot een einde bracht. Sinds 1999 was Di Rupo, met een paar onderbrekingen, partijvoorzitter van de PS, een partij die door een diepe crisis ging, in de eerste plaats vanwege tal van corruptieschandalen waarbij hooggeplaatste en machtige functionarissen betrokken waren. Pas na twintig jaar, een eeuwigheid in onze politieke constellatie, gaf hij de fakkel door aan Paul Magnette. Eind 2011 werd Di Rupo, na de fameuze 541 dagen, premier van een klassieke tripartite, met een minderheid aan Vlaamse kant. Ondanks het feit dat de Vlaamse partijen er bij de verkiezingen van 2014 op vooruit gingen, bleef het bij een ambtstermijn van net geen drie jaar. Di Rupo is tegenwoordig al voor de derde keer minister-president van Wallonië. Het politieke succes van Di Rupo is om twee redenen merkwaardig en hoopgevend: hij is de zoon van Italiaanse immigranten, waardoor hij een voorbeeldfunctie heeft naar gemeenschappen met andere wortels. En hij is de eerste openlijk homoseksuele politicus die tot de hoogste echelons van het land weet door te dringen. Dat is geen verdienste — hij is wie hij is —, maar het is eveneens hoopgevend dat dit geen issue was.

18. WILLY CLAES (°1938). Politicus-pianist-dirigent. Een pijnlijk voorval in zijn jeugd — het gezin-Claes werd uit een huurhuis gezet omdat een familielid van de verhuurder erin wilde komen wonen, waarna zijn oude piano oneerbiedig op het trottoir werd neergeplaveid — verklaart zijn keuze voor de sociaaldemocratie. In de jaren 70 was hij achtereenvolgens minister van Onderwijs en Economische Zaken (in twee regeringen, de tweede keer als vicepremier). Van 1975 tot 1977 was hij co-voorzitter, naast André Cools, van de nog unitaire BSP/PSB. Op zijn 44ste werd hij al tot minister van Staat benoemd, wat uitzonderlijk jong is. Tussen 1988 en 1994 werd hij opnieuw vicepremier en bemande hij ook de ministerposten van Economische Zaken, Onderwijs en Buitenlandse Zaken. Zesentwintig jaar lang was hij ook volksvertegenwoordiger. Zijn grootste persoonlijke triomf, de benoeming tot secretaris-generaal van de NAVO in 1994, werd ook zijn grootste desillusie. Een jaar later moest hij aftreden vanwege zijn vermeende betrokkenheid bij de Agusta-affaire. Pas vele jaren later, toen hij de actieve politiek teleurgesteld verlaten had, werd hij vrijgepleit. Zo komt het dat ook Claes al op z’n 57ste uitgerangeerd werd. Gelukkig voor hem was er nog de muziek.

17. PATRICK DEWAEL (°1955). Volgens mensen die het kunnen weten de beste minister van Cultuur die Vlaanderen ooit heeft gekend. Nochtans is dat al een eeuwigheid geleden (1985-1992). Als rechterhand van Guy Verhofstadt zag hij de partij bij elke verkiezing groeien en toch aan de zijlijn blijven staan. De wraak was zoet, toen Verhofstadt in 1999 de sleutels van de Wetstraat 16 kreeg en Dewael, als minister-president, die van het Martelaarsplein 19. Hij bleef het vier jaar, waarna hij aan de zijde van Verhofstadt minister van Binnenlandse Zaken en vicepremier werd. Dat een eminente kenner van de juridische geplogenheden van deze ingewikkelde staat vervolgens Kamervoorzitter werd, hoeft niet te verbazen. Sinds 1994 is Dewael ook burgemeester van Tongeren, een stad die onder zijn impuls van een ingedommeld groot dorp uitgroeide tot een levendige stad.

16. LOUIS TOBBACK (°1938). Groeide in de jaren 80 als fractievoorzitter van de SP uit tot gesel van de opeenvolgende regeringen-Martens. Vergeleek de premier met Caligula, een uitspraak die lang bleef hangen. Toch mocht hij in 1988 bij Martens en Dehaene aanschuiven om een nieuwe regering te vormen, waardoor ‘da joenk’ (bijnaam van de toen nog thatcheriaanse Verhofstadt) opzij geduwd kon worden. Werd twee keer minister van Binnenlandse Zaken, nam de tweede keer ontslag na de dood van de uitgewezen asielzoekster Semira Adamu. Vooral in de tussenperiode (1994-1998) was zijn rol onmisbaar voor de Vlaamse sociaaldemocraten. Met de slogan ‘Uw sociale zekerheid’ behoedde hij hen als partijvoorzitter in 1995 voor een forse nederlaag, waardoor de terugkeer van de VLD en Verhofstadt kon afgewend worden, ook al omdat Dehaene en Tobback een tandem vormden, met veel wederzijds respect. Startte in die periode ook de noodzakelijke vernieuwing van zijn partij op, wat een nieuwkomer als Steve Stevaert de kans gaf zich te profileren. Was ook vierentwintig jaar lang burgemeester van Leuven. Tobback was een van de eerste politici die besefte dat spitse oneliners een pluspunt zijn om een boodschap over te brengen.

15. FRANK VANDENBROUCKE (°1955). De intelligentste van de klas van de afgelopen dertig jaar. Meer academicus dan politicus, maar net daardoor een frisse verschijning in de vermolmde politieke wereld in ons land. Begon als volksvertegenwoordiger, was heel kort fractieleider, om dan al, op zijn drieëndertigste, partijvoorzitter te worden. Een vergiftigd geschenk, met een aantal schandalen met partijmedewerkers in het verschiet. In 1994 werd hij voor eventjes minister van Buitenlandse Zaken en vicepremier, waarna hij in Oxford ging studeren (om nóg slimmer te worden). Hij keerde als een gelouterd man terug en werd minister van Sociale Zaken en Pensioenen, daarna Werk, om tenslotte op het Vlaamse niveau minister van Onderwijs en Vorming en viceminister-president te worden. Zijn partijprogramma’s overstijgende analyses op het vlak van pensioenen en onderwijs werden slechts matig geapprecieerd, vooral binnen de eigen partij. Hij werd dan ook met zachte dwang naar de uitgang begeleid. Zonde, voor een op dat moment nog maar 53-jarige politicus.

14. KAREL DE GUCHT (°1954). Zonde, deel vier, dat iemand als deze liberale topper ook al op vrij jonge leeftijd — in zijn geval zestig — uitgerangeerd werd. In de relatieve luwte van het Europees Parlement kon De Gucht, voormalig jongerenvoorzitter van de PVV, zich zachtjes aan profileren. Na het verkiezingsdebacle van 1994 moest hij zich terugwerpen op het Vlaamse niveau. In 1999 werd hij partijvoorzitter van een partij in bloei, met Verhofstadt en Dewael als premier en minister-president. In de discussie over het migrantenstemrecht — De Gucht was pro, maar voelde aan dat het momentum er niet was — demonstreerde hij zijn koppige rechtlijnigheid, niet altijd een bondgenoot. Als minister van Buitenlandse Zaken (2004-2009) vormde die rechtlijnigheid, gekoppeld aan vlijmscherpe communicatie, alweer een heikel punt, vooral in zijn relatie tot Congo. Tussen 2009 en 2014 was hij een opgemerkte Europees Commissaris voor Handel. Zijn mandaat eindigde niet vanwege onvoldoende prestaties, maar omdat in de traditionele koehandel die volgt op verkiezingen, Marianne Thyssen (CD&V) de voorkeur kreeg op hem.

13. MARIANNE THYSSEN (°1956). Als opvolgster van De Gucht kreeg ze in 2014 het departement Werk, Sociale Zaken, Vaardigheden en Arbeidsmobiliteit toegewezen. In tegenstelling tot haar Belgische voorganger deed ze dat eerder discreet, mét resultaten. Sociaal beleid werd een belangrijke pijler van de Europese Unie, sociale rechten werden goedgekeurd, sociale dumping aangepakt. Tussen 2008 en 2010 kreeg ze van haar partij een vergiftigd geschenk toegeschoven: het voorzitterschap in een periode dat Yves Leterme er niet in slaagde zijn verkiezingsoverwinning, in een kartel met N-VA, te verzilveren. Zij mocht de brokken lijmen. In tegenstelling tot de andere CVP- en CD&V-voorzitters viel Thyssen op door een duidelijkere, minder omfloerste communicatie. Aan het eind van een politieke carrière mag de conclusie zijn: verdienstelijk, maar plus était en elle. Dat ze dat niet gerealiseerd heeft, is echter niet haar fout.

12. MIET SMET (°1943). Opgegroeid in het zogeheten ‘wonderbureau’ van de CVP Jongeren, duurde het wel tot haar vijfendertigste tot ze volksvertegenwoordiger werd. Ze viel het grote publiek voor het eerst op als staatssecretaris voor Milieu en Sociale Emancipatie in de tweede helft van de jaren 80, maar haar glorieperiode beleefde ze als minister van Tewerkstelling en Arbeid (1992-1999). Voor het eerst werd er écht werk gemaakt van gelijke kansen voor mannen en vrouwen. Smet toonde zich een hardnekkige tegenstander van de oude politieke school, die nogal seksistisch en patriarchaal van aard was. In 1999 werd ze aangeduid als lijsttrekker van de Europese lijst van de CVP, wat ten koste ging van… Wilfried Martens, die weigerde op de lijst te staan. In 2008 trouwde ze met de voormalige premier. Smet blijft een scherpe waarnemer van het politieke bestel.

11. LEO TINDEMANS (1922-2014). De man van het hoogste aantal voorkeurstemmen ooit: bijna één miljoen bij de Europese verkiezingen van 1979. Dat was nadat hij twee regeringen had geleid in de periode 1974-1978. Die tweede beëindigde hij abrupt met de legendarische woorden in het parlement: “Voor mij is de grondwet geen vodje papier. (…) Ik ga van deze tribune weg, ik ga naar de koning en ik bied het ontslag van de regering aan.” Daarmee kwam er een einde aan een lange discussie rond het Egmontpact, een beoogde staatshervorming waarbij de taalgemeenschappen meer bevoegdheden moesten krijgen, maar die uiteindelijk op verzet stuitte bij CVP en Volksunie. Tindemans werd ‘beloond’ met het partijvoorzitterschap (1979-1981), gevolgd door acht jaar als minister van Buitenlandse Zaken. Al die tijd was de relatie met partijboegbeeld Wilfried Martens ijzig.

Morgen: 10 t/m 4.



G.O.A.T. (3 t/m 1)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juli 04, 2020 12:45:56

De laatste rechte lijn. Wie zijn in mijn ogen de Greatest Of All Time in de mannensport en wie is de absolute nummer één?

20. Ole Einar Bjørndalen

19. Joe Montana

18. Babe Ruth

17. Wayne Gretzky

16. Mark Spitz

15. Tiger Woods

14. Emil Zátopek

13. Joe Louis

12. Pelé

11. Bob Beamon

10. Eddy Merckx

9. Lionel Messi

8. Roger Federer

7. Michael Phelps

6. Jesse Owens

5. Usain Bolt

4. Paavo Nurmi

3. CARL LEWIS (°1961). Ik vind het een beetje vreemd van mezelf dat ik spurter Lewis plaats boven die andere spurter, Usain Bolt (op nummer 6), de huidige wereldrecordhouder. Ook Lewis was, net als Bolt, een showman die geweldig snel kon lopen. Hij had dan nog de pech dat de Verenigde Staten de Olympische Spelen van Moskou in 1980 boycotten, in volle Koude Oorlog en nadat Sovjettroepen acht maanden voordien Afghanistan waren binnengevallen. Lewis, dan negentien, stond op dat ogenblik al te popelen om naar olympisch succes te streven. Nu blijft het bij 9 gouden medailles (eentje meer dan Bolt) op vier Spelen en tien keer goud op WK’s (eentje minder dan Bolt). In het verspringen bleef hij tien jaar langer ongeslagen: 65 opeenvolgende overwinningen, een ongeziene prestatie op dat nummer. Het IOC verkoos hem tot Sportman van de Eeuw, het gerenommeerde blad Sports Illustrated riep hem uit tot Olympiër van de Eeuw, maar de zelfingenomen, hautaine, afstandelijke Lewis werd nooit echt een publiekslieveling. Jaren na zijn afscheid werd onthuld dat hij eigenlijk niet had mogen deelnemen aan de Spelen van Seoel vanwege een achtergehouden, positief dopingstaal, nota bene voor de Spelen waar Ben Johnson goud werd ontnomen vanwege… dopinggebruik.

2. MICHAEL JORDAN (°1963). Voor wie The Last Dance heeft gezien, heeft Michael Jordan geen geheimen meer. Egoïstisch, voortgestuwd door een niet te stillen ambitie, maar bovenal wel de beste in zijn vak. Zes NBA-titels met de Chicago Bulls, vijf keer uitgeroepen tot beste speler van de competitie, zes keer tot Most Valuable Player van de Finals, tien keer topscorer, veertien keer present in het NBA All-Star Game, de jaarlijkse parade van de toppers. Twee keer olympisch kampioen met het ongenaakbare Dream Team, in 1984 en 1992, op momenten dat de grens tussen professionele- en amateursport vervaagde op de Spelen. Stopte een eerste keer met basketten na de moord op zijn vader, keerde terug en maakte onder meer die fameuze korf in de zesde wedstrijd van de Finals van 1997, stopte weer en probeerde het nog één keer, al was dat laatste niet zo’n goed idee. Air Jordan. His Airness. De man die in de lucht kon blijven hangen om te scoren. Volgens velen de beste aller tijden. In mijn ogen de op één na beste. Want…

1. MUHAMMAD ALI (1942-2016). Er kan er maar een ‘the greatest’ zijn. Zijn andere bijnaam, ‘The Louisville Lip’, dankte hij aan een combinatie van zijn geboortestad in de staat Kentucky en zijn grote mond. Als Cassius Clay, zijn naam bij geboorte, won hij olympisch goud in Rome, 1960, dan nog in het halfzwaargewichten. Zijn grote triomfen boekte hij als zwaargewicht. Nog altijd onder de naam Clay versloeg hij regerend wereldkampioen Sonny Liston — sportief was hij uiteraard geweldig, maar vooral de hilarische persconferenties met de dichterlijke vrijheden van grote mond Clay zijn bijgebleven, “Float like a butterfly, sting like a bee” —, daarna werd hij lid van de Nation of Islam, veranderde hij van naam (Clay was zijn ‘slavennaam’), weigerde hij om zich klaar te maken om naar Vietnam te gaan (waardoor zijn bokslicentie en bijgevolg ook zijn wereldtitel werden afgenomen) en werd hij een mondige voorvechter van gelijke rechten, al was die Nation of Islam natuurlijk ook wel een gewelddadige organisatie. Pas in de jaren 70 kreeg zijn reputatie mythische proporties na kampen tegen Joe Frazier (2 keer) en George Foreman. Als tiener stond je ’s nachts op voor de ‘Fight of the Century’, ‘The Rumble in the Jungle’ en de ‘Thrilla in Manilla’. Van zijn 61 profkampen won Muhammad Ali er 56 (37 op K.O.), maar die laatsten waren er te veel aan en zullen niet vreemd zijn geweest aan de vroegtijdige ontwikkeling van de ziekte van Parkinson. Ik blijf me Ali herinneren als de sportman die deed dromen van een betere wereld en die tegelijkertijd ook nog eens een onweerstaanbare topatleet was. The greatest, inderdaad.



« VorigeVolgende »