Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Een moment voor MoMeNT

Journalistiek Posted on za, juni 26, 2021 12:01:36

Terwijl u, hopelijk, van een beetje vakantie kunt genieten de komende dagen en weken, zit ik in volle voorbereiding van een reeks gesprekken met interessante gasten. Van 9 tot en met 14 augustus ben ik opnieuw ‘Tijdgeest’ op MoMeNT in Tongeren, een evenement dat volledig draait rond Tijd. Zes middagen mag ik van 12 tot 14 uur telkens drie gasten ontvangen en praten/filosoferen over Leven, Werk en hun verhouding tot Tijd. Ik vraag hen ook wie hun (onzichtbare) mentor is geweest en in welk tijdperk ze liefst hadden geleefd. Na de jammerlijke onderbreking vorige zomer verhuist de locatie van het gezellige Huis Theelen, waar de aanwezigen soms bijna letterlijk tot op de schoot van de gasten zaten, naar het ruimere en in de huidige omstandigheden veiligere auditorium van het Gallo-Romeins museum. U komt toch ook?

***

MAANDAG 9 AUGUSTUS

• Laura Janssens: Illustratrice en cartooniste die de jongste jaren een hoge vlucht heeft genomen onder de roepnaam ‘Niet nu Laura’. Het begon voor haar allemaal met illustraties in publicaties voor de Vlaamse overheid. Haar ‘graphic novels’ Niet nu Laura en Niet nog eens Laura oogstten veel bijval. Voor het Crazy Cat Lady-boek van Elke Van Huffel leverde ze de soms hilarische illustraties. Als ‘webcomic artist’ is ze heel actief en zichtbaar op sociale media.

Dahlia Pessemiers-Benamar: Actrice met Marokkaanse roots, die gastrollen speelde in tv-series als Thuis, Wittekerke, Witse en De Ridder. In 2011 trok ze het Vlaamse land rond met Draait den draad en zie ze zei…’, een reeks Berberse sprookjesvertellingen in een Nederlandse vertaling. Voor MoMeNT creëert ze de theatervoorstelling De eerste keer, waarvoor ze een korte tijd in Tongeren verbleef om in individuele en groepsgesprekken te polsen naar ‘de eerste keer’ van Tongenaren.

• Jean Paul Van Bendegem: Wiskundige, wetenschapsfilosoof, hoogleraar logica, die in zijn werk voortdurend op zoek gaat naar de grondslagen en filosofie van wiskunde en logica. In zijn opvatting van wiskunde is geen plaats voor het oneindige. Noemt zichzelf een ‘spiritueel atheïst’. Stichtend lid en erevoorzitter van SKEPP, de vereniging die pseudowetenschap probeert te ontmaskeren. Gefascineerd door de (fictieve) figuur van Sherlock Holmes. Maar bovenal een amusante en inspirerende causeur.

***

DINSDAG 10 AUGUSTUS

• Peter Adriaenssens: Als kinder- en jeugdpsychiater hield hij zich zijn hele leven bezig met de meest kwetsbaren in onze samenleving. Was docent aan de KU Leuven en is directeur van het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling van Vlaams-Brabant. Tijdens de coronacrisis liet hij zich een aantal keren horen om te wijzen op de problematiek van toenemend huiselijk geweld, achterstelling en psychisch lijden van jongeren bij gebrek aan sociaal contact.

• Stefan Everts: Beste motorcrosser aller tijden. Zijn vader, Harry, werd vier keer wereldkampioen, Stefan behaalde maar liefst tien wereldtitels in de drie categorieën (125cc, 250cc, 500cc). Werd vijf keer verkozen tot Sportman van het Jaar, in 2003 was hij winnaar van de Nationale Trofee voor Sportverdienste, een eenmalige en ultieme bekroning voor een topatleet in ons land. Begeleidt nu zijn zoon Liam in het crosscircuit. Eind 2018 overleefde hij ternauwernood malaria.

• Sofie Peeters: Documentairemaakster en journaliste, die in 2012 als studente de spraakmakende documentaire Femme de la rue draaide, over seksuele intimidatie op straat. Na haar studies ging ze aan de slag in de mediawereld, waar ze schrijft, filmt en regisseert over uiteenlopende onderwerpen: van kinderrechten tot ecologie. Voor MoMeNT draait ze de filosofische docu Alles gaat voorbij, maar niets gaat over, waarvoor ze in gesprek gaat met verschillende Tongenaren over hun eerste herinnering, hun grote voorbeeld, hun veilige thuis. Première dinsdag 10 augustus, daarna doorlopend te bekijken in Huis Theelen.

***

WOENSDAG 11 AUGUSTUS

• Hans Geybels: Theoloog die in 2004 doctor in de godgeleerdheid werd met een dissertatie over de geschiedenis van de religieuze ervaring. Tussen 2005 en 2010 was hij woordvoerder van kardinaal Godfried Danneels. Daarna lanceerde hij de christelijk geïnspireerde denktank Logia. Hij geeft les aan de KU Leuven en SYNTRA Hasselt. Zijn onderzoek spitst zich toe op de religieuze volkscultuur. Hij publiceert over de relatie tussen kerk en media, en is een specialist in rituelen.

• Roger Lybaert: 89-jarige bewoner van woonzorgcentrum De Vaeren in Reet, die tijdens de coronacrisis ongewild woordvoerder werd van zijn generatie. Getuigde in De zevende dag en De afspraak over wat het betekent om geïsoleerd te worden van de rest van de samenleving en over hoe de maatschappij omgaat met senioren. Verloor begin dit jaar zijn echtgenote Vera, maar ziet voor zichzelf nog een rol weggelegd als steun en toeverlaat van lotgenoten. Voor Canvas maakte zijn dochter Leentje over hem de beklijvende documentaire Roger. Een boek is in de maak.

• Caroline Vermeir: Visueel artieste en 3D-illustratrice die elke zaterdag in De Morgen een levensecht portret mag schetsen van de man/vrouw die in de wekelijkse brief van journalist Joël De Ceulaer figureert. Haar Studio Caro levert niet alleen werk voor Vlaamse tv-zenders als VRT en VTM, ze is ook internationaal actief met het ontwerpen van affiches voor theatershows en tv-uitzendingen. Haar creaties vallen op door hun levendig kleurgebruik.

***

DONDERDAG 12 AUGUSTUS

• Jerry Aerts: We hadden hem graag vorig jaar kort na zijn pensionering uitgenodigd, maar door de corona-omstandigheden werd dat uitgesteld. Uitstel is echter geen afstel. Achtentwintig jaar lang, van 1992 tot 2020, was hij artistiek directeur van de internationale kunstencampus deSingel in Antwerpen, als opvolger van Frie Leysen. DeSingel geniet internationale renommée op het vlak van theater, muziek, dans en architectuur. In 2005 werd hij uitgeroepen tot Cultuurmanager van het Jaar, in 2019 ontving hij de Klara Carrièreprijs.

• Esmé Bos: Zangeres die al sinds ze afstudeerde in 1994 op alle vlakken samenwerkt met muzikant Bart Voet. Zong mee op platen van dEUS, Gabriel Rios en Kapitein Winokio. Samen met Bart maakte ze furore met Duveltjeskermis, een programma met muziek uit de jaren 30 en 40. Ze toeren zowel met slaapliedjesconcerten voor de allerkleinsten als met ‘grote-mensen’-muziek. Op uitnodiging van MoMeNT creëerden ze samen het liedjesproject Ella, een ode aan de legendarische jazzzangeres Ella Fitzgerald. Esmé en Bart vernoemden zelfs hun dochter naar haar. Ella gaat op vrijdag 13 augustus in première in het Casino.

• Koen Vanmechelen: Hedendaagse conceptuele kunstenaar die in zijn werk de bioculturele diversiteit centraal stelt. Hij werkt hiervoor vaak samen met wetenschappers uit verschillende disciplines. Grote bekendheid verwierf hij sinds 1999 met zijn The Cosmopolitan Chicken Project, een wereldwijd kruisingsprogramma met nationale en regionale kippenrassen. Zijn werk was te zien op Documenta (Kassel) en de Biënnale van Venetië. In 2018 was hij onder meer op MoMeNT aanwezig met Coming World Remember Me, een kunstproject rond de Eerste Wereldoorlog met 600.000 kleine sculpturen in klei.

***

VRIJDAG 13 AUGUSTUS

• Bert Anciaux: Vandaag is hij senator voor Vooruit, in het verleden leidde hij onder meer de partijen Volksunie en Spirit. Als zoon van Vic, een van de boegbeelden van de VU in de jaren 70 en 80, werd hij in de jaren 90 de populairste politicus van Vlaanderen dankzij zijn jongensachtige flair en spontaniteit. Later werd hij onder meer Vlaams minister van Sport, Cultuur en Jeugd, en federaal minister van Mobiliteit. Binnenkort verschijnt Over generaties, een boek waarin hij samen met vader Vic en dochter Britt terug- en vooruitblikt op leven en carrière.

• Anneliese Billen: Studeerde aan de Toneelacademie Maastricht en werd vervolgens docente Nederlands. Als freelance theatermaakster was ze actief in Vlaanderen en Nederland. In haar producties wordt voortdurend de grens met de werkelijkheid opgezocht, waarbij er ruimte moet blijven voor chaos. Ze begeleidt in de zomer van 2021 voor MoMeNT elke dinsdag een dagkamp met ouders en kinderen, workshops waarbij er telkens een ander thema aan bod komt.

• Bieke Purnelle: Journaliste voor onder meer MO* en De Standaard, blogster en bestuurder. Sinds 2016 directeur van de vzw RoSa, het Belgisch kenniscentrum voor gender en feminisme, waarbij de ‘Ro’ staat voor ‘rol’ en de ‘Sa’ voor ‘samenleving’. RoSa werd opgericht als documentatiecentrum in de nasleep van de Tweede Feministische Golf. Daarnaast is ze wielerfanate en dat zullen we geweten hebben. Voor De Standaard schrijft ze na elke belangrijke koers in binnen- en buitenland een lyrische column.

***

ZATERDAG 14 AUGUSTUS

• Elise Bundervoet: Actrice die voor het eerst opviel in de legendarische jeugdreeks Buiten de zone, halfweg de jaren 90. Later speelde ze zowel op de planken (onder meer bij NTGent) als op tv (onder meer Heterdaad, Recht op recht, Flikken, Urbain en De luizenmoeder). Naast haar liefde voor acteren is ze ook verpleegkundige. Na jaren gewerkt te hebben in de palliatieve zorg ontstond het plan om creaties te maken die zorg en cultuur met elkaar verbinden. Voor MoMeNT creëert ze dit jaar de theatermonoloog De dag die komt. Een heel persoonlijk verhaal, dat gaat over passionele liefde, over al dan niet toegelaten worden tot iemands leefwereld, over loslaten en afscheid nemen De dag die komt wordt zaterdag 14 augustus opgevoerd in De Velinx. Personeelsleden van de palliatieve eenheid De Schelp van het AZ Vesalius zijn de eerste genodigden.

• Judith Nab: Nederlandse theatermaakster die een ode brengt aan het onbekende en de verbeelding. Haar theatrale installaties creëren atmosferen waarin de toeschouwers — afwisselend kinderen en volwassenen — worden ondergedompeld. Haar werken werden op internationale festivals vertoond. Op MoMeNT stond eerder De grote reis. Dit jaar creëerde ze op uitnodiging van MoMeNT Op een kleine dag, een voorstelling over de eerste vier jaar van ons leven, waarin we nog geen herinneringen opslaan.

• Jan Peumans: Voormalige politicus, moeten we tegenwoordig zeggen, maar het zal de N-VA’er, voorheen Volksunie-man, niet beletten om vrijuit te praten, zoals hij dat al zijn hele leven gedaan heeft. Leidde tien jaar lang kordaat maar met heel veel zin voor humor het Vlaams Parlement. Was ook vijftien jaar Vlaams volksvertegenwoordiger. Is op z’n 70ste nog altijd gemeenteraadslid in Riemst — gemeente waarvan hij ook twaalf jaar burgemeester is geweest — en voorzitter van de Vlaamse Stichting Verkeerskunde. ‘Een zachte anarchist’, zo omschreef zoon Wim hem in zijn biografie.

***

Meer informatie vindt u op de website: moment.tongeren.be/tijdgeest-frank-van-laeken-geeft-tijd. De toegang is gratis, maar u moet wel vooraf reserveren (een coronamaatregel). Voor het hele programma van MoMeNT kunt u terecht op: moment.tongeren.be



Afscheid van een jeugdliefde

Journalistiek, Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 19, 2021 11:31:32

Ik besef heel goed dat dit een eerste wereldprobleem is, maar toch heeft het zich al verschillende weken in mijn hoofd genesteld, waar het in rechtstreeks duel ging met mijn hart: hernieuw ik mijn abonnement op mijn geliefde voetbalclubje, het alom gerespecteerde en uitermate sympathiek bevonden Beerschot, of doe ik dat niet? Ik heb net het beste seizoen van mijn club noodgedwongen voor tv moeten volgen — corona weet u wel — en keek er heel erg naar uit om me opnieuw onder te dompelen in dat veertiendaagse ritueel van veel te vettige frieten eten bij de mama, foeteren omdat de dichtstbijzijnde parkeerplaats weer een gemeente verderop te vinden is, mopperen over de ploegopstelling (de coach kent er, zoals algemeen bekend, niets van), applaudisserend rechtstaan om de gladiatoren welkom te heten op de groene rechthoek, klagen over gemiste kansen (of het gebrek daaraan), te vroeg juichen om een goal waarvan de maker volgens de VAR een okselhaar buitenspel stond, een buurman die alles beter denkt te weten (terwijl jij natuurlijk tactisch véél meer beslagen bent), lachend-boos-met een neutraal gezicht de lange tocht naar de auto (waar stond die ook alweer?) aanvatten, het begin van Match of the Day missen, enfin: heerlijk, toch?

Wie voor een club als Beerschot supportert, beseft al bij aanvang dat het vaker ‘niet’ of ‘net niet’ zal zijn, dan ‘ja, jàà, jààààààà!’ Maar dat neem je erbij, al sinds zondag 20 november 1966 toen mijn bompa, de vader van mijn moeder, mij meenam naar dat imposant Olympisch Stadion, alwaar dat in dat chique paarse tenue gestoken Beerschot met 3-6 verloor van Club Brugge — 1-5 bij de rust, een hattrick van de 22-jarige spits Raoul Lambert, maar dat heb ik moeten opzoeken. Het deerde niet: ik was plotsklaps opgenomen in de grotemensenwereld en dat voelde goed voor een jongen die nog acht moest worden. Het smaakte naar meer, véél meer. Eerst gebeurde dat nog spaarzaam, een paar jaar later kreeg ik ook zo’n kartonnen abonnement waar bij elke thuiswedstrijd een controleur een knip in gaf. Toen ik dacht de leeftijd der volwassenen bereikt te hebben, haakte ik af, om andere dingen te doen: dat bespaarde mij de miserie van de teloorgang van het oorspronkelijke Beerschot, maar het voelde toch ook een beetje als verraad aan. Veel later keerde ik terug, als werknemer zelfs, de club was ondertussen al een paar keer van naam veranderd. Lang duurde mijn aanwezigheid in de bureaus niet, een woordvoerder die intern kritische opmerkingen durft te maken tegen een eigenwijze voorzitter blijft niet lang het woord voeren.

Een jaar of vijf geleden, na een nieuw faillissement en een nieuwe naamswijziging, keerde ik terug op het Kiel, en omarmde ‘mijn’ club, koesterde wederom het ritueel van matchdagen en de wedstrijdbeleving zelf. Het echte Beerschot mocht dan wel al een poos niet meer bestaan, de identiteit Beerschot leefde nog wel, toch voor die zesduizend die er jaar na jaar een paar honderd euro voor overhadden. De club bleef maar promoveren, het aantal abonnees bleef stabiel. Vreemd fenomeen. De Antwerpenaar is altijd een successupporter geweest, dat weten ze op de Bosuil, op het Rooi en in het Olympisch Stadion maar al te goed. Maar ach, zolang je zelf maar deel van die wat aparte familie kon zijn, maakte het niet zoveel uit. Tot corona zich ermee kwam bemoeien.

***

Intermezzo.

Ik ben zelfstandig journalist. Als freelancer schrijf ik heel vaak over voetbal. Als auteur of coauteur van intussen dertien boeken, pende ik in 2015 £X€£$$ United. Het geld van het voetbal (Houtekiet) neer, een vlijmscherp traktaat over alles wat er misloopt in het topvoetbal, met de nadruk op de financiële excessen op hoog en laag niveau. Als voetbalromanticus pleitte ik tegen clubeigenaars à la Marc Coucke en Roman Abramovitsj, rijke tiepen die het alleen voor het zeggen hebben en ‘hun’ voetbalclub behandelen als privé-speelgoed, met de supporters als noodzakelijk kwaad. Die teneur trek ik door in al mijn werk: alert, kritisch, afstandelijk, wat een beetje haaks staat op dat opportunistisch wereldje vol scorebordjournalistiek, dienstbaarheid aan clubbestuurders en makelaars, en medeplichtigheid aan al wat er fout gaat in het voetbal. In De bankzitter, een wekelijkse rubriek in De Standaard, koppel ik pure bewondering aan kritische analyses en het signaleren van wanpraktijken en abject gedrag. Iemand moet het doen.

***

In januari 2018 nam bouwbedrijf DCA Beerschot Wilrijk over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen alleenheerschappij in de bestuurskamer, maar een Belgische eigenaar heeft tenminste nog voeling met club en achterban, pompte ik mezelf moed in.

In juli 2018 nam de Saudische prins Abdullah bin Mossaad bin Abdulaziz al Saud de helft van de aandelen over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen monopolies en oligopolies, maar er bleef die voeling met club en achterban, omdat de man die de zaken waarneemt voor de prins de club door en door kent.

In de zomer van 2019 werd KFCO Wilrijk, dat de naam van het failliete Beerschot zes jaar eerder had laten overleven in KFCO Beerschot Wilrijk, afgestoten, de naam nogmaals gewijzigd (in Beerschot VA) en het historische stamnummer 13 teruggekocht. Ik schreef daar enkele verontwaardigde tweets over, maar voor de rest zweeg ik en bleef ik supporteren.

Al een tijdje gonst het gerucht dat de prins hoofdaandeelhouder zal worden, iets wat ik betreurenswaardig vind, zoals ik in £X€£$$ United uitgebreid heb aangevoerd. Ik zweeg en bleef supporteren, de definitieve overname moest immers nog gebeuren, waar maakte ik me voorbarig druk over?

Op 20 mei 2021 maakte Beerschot bekend dat Peter Maes de nieuwe trainer van de club wordt. Hij werd weggeplukt bij STVV, tot daaraan toe, maar hij werd bijna drie jaar geleden ook nadrukkelijk genoemd in de marge van de ‘Propere Handen’-affaire. Jarenlang heeft Maes een deel van zijn loon in het zwart ontvangen, in envelopjes. Tot 2,5 miljoen euro zou hij zo aan het officiële circuit onttrokken hebben. Het onderzoek loopt nog, iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen wordt (zei Beerschot-ondervoorzitter Walter Damen afgelopen weekend nog in een krant), dat klopt allemaal, maar dat er onoirbare zaken zijn gebeurd, staat wel vast. En dan nog zou een club zolang er geen gerechtelijke uitspraak is, best wat terughoudend zijn met het in dienst nemen van een in opspraak gekomen figuur. Dat Lommel en STVV dat hadden gedaan, gaf mij de gelegenheid om daar iets kritisch over te zeggen of schrijven. Dat ‘mijn’ club dat nu doet, maakte het pijnlijker. Kon ik opnieuw blijven zwijgen en supporteren? Ik, die clubs als AA Gent en Standard door de mangel haalde omdat ze met Mogi Bayat bleven samenwerken? Ik, die Cercle Brugge een filiaal van AS Monaco blijft noemen? Ik, die de ‘Keuken is besteld’-affaire van KV Mechelen blijft oprakelen?

***

Ik moest voor mezelf een CD&V’tje doen, een enerzijds/anderzijds-afweging maken, maar dan liefst wel mét een bijbehorende conclusie. De afweging was tussen het plezier, de wedstrijdbeleving, het sociale gebeuren dat een sportwedstrijd is, de kameraadschappelijkheid en het veertiendaags ritueel dat ik hierboven al beschreven heb enerzijds, en ethische principes, beroepstrots, kritische zin en de rechtlijnigheid die ik zo gretig geëtaleerd heb in £X€£$$ United anderzijds. Kon ik dat wel maken, aan de ene kant hyperkritisch blijven over voetbal in het algemeen en aan de andere kant een oogje dichtknijpen voor mijn favoriete club? Het hart zei, och jongen, ze doen allemaal wel iets raars, het hoofd knetterde, man toch, hier hoef je niet eens over na te denken.

Eigenlijk was het een no-brainer en toch twijfelde ik. Nogmaals afscheid nemen van een jeugdliefde, het is niet makkelijk. Maar ik kan het voor mezelf niet maken de kritische journalist te zijn die ik wil zijn en blijven schrijven over alle aspecten, ook de negatieve, in het voetbal, en een club blijven steunen die zonder boe of ba een envelopjestrainer heeft aangesteld. Maar het doet verdorie wel pijn. Tegelijk geeft het me de geestelijke vrijheid om mijn beroep nog onpartijdiger en onafhankelijker uit te oefenen, en te zeggen en schrijven wat ik vind dat moet gezegd en geschreven worden.

***

Als u binnenkort op een zaterdag een hele luide kreet hoort op het ogenblik dat Rapha Holzhauser een vrije trap in de winkelhaak heeft geborsteld, vergeef het mij dan. Het zal sterker zijn dan mezelf. Je kan het mannetje dan wel weghouden van bij Beerschot, maar je kan Beerschot niet weghouden uit het mannetje. Jeugdliefdes zijn voor altijd, ook al zie je mekaar een poos niet.



Hommage aan een grote kleine dame

Journalistiek, Radio en Televisie Posted on wo, juni 09, 2021 12:52:27

Gisteren raakte bekend dat Paula Sémer op 1 juni overleden is. Vier jaar geleden mocht ik deze grote kleine dame interviewen voor het boek Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden? (Houtekiet), dat ik samen met Geert De Vriese schreef. Ik zie me nog zitten, aan die grote tafel in dat grote appartement, tegenover die frêle maar o zo kordate en toch ook o zo vriendelijke dame van, op dat ogenblik, 92. Een fluwelen feministe. Bij wijze van eerbetoon aan misschien wel de belangrijkste vrouw uit de geschiedenis van de openbare omroep leest u hieronder dat integrale interview, een van de interessantste en meest beklijvende gesprekken die ik heb mogen voeren.

***

‘Die studenten hadden weinig interesse voor de vrouw’

(Paula Sémer, 43, tv-producer-programmamaakster)

‘Vrouwen moesten wakker geschud worden.’ Paula Sémer – mét accent aigu, vanwege een Franstalige grootvader – mag met recht en reden een pionier inzake vrouwenemancipatie genoemd worden. Haar maatschappelijke tv-programma’s, die we vandaag braaf en gemoedelijk zouden noemen, zorgden destijds voor schokgolven in het medialandschap. Praten over homoseksualiteit, contraceptie en de werkende vrouw was in de jaren zestig taboe. Wat Sémer aan tegenkantingen meemaakte, binnen en buiten de Belgische Radio en Televisie, geeft een uitstekend beeld van hoe er naar vrouwen werd gekeken in die tijd. ‘Ik heb jarenlang strijd moeten voeren.’

‘Mijn zoon studeerde aan de VUB. Op zekere dag in mei 1968 kondigden ze bij de buren van de ULB een debatavond aan met Jean-Paul Sartre en Simone de Beauvoir. Ik daarnaartoe, want dat interesseerde mij mateloos. Maar wat ik een beetje gevreesd had, bleek te kloppen: ze waren er niet. De organisatoren hadden hun namen misbruikt om volk te lokken.’

Aan het woord: Paula Sémer, op dat ogenblik producer op de Vlaamse televisie. Een vrouw die taboedoorbrekende programma’s maakte en zeer geïnteresseerd was in maatschappelijke gebeurtenissen. ‘Ik heb Mei ’68 van zeer nabij gevolgd. Wat mij altijd heeft dwarsgezeten, is dat de studenten de arbeiders niet hebben meegekregen. Ik vond het goed dat er actie was, maar die studenten hadden te weinig interesse voor de man in de straat. Of voor de vrouw. De revolte is een elitaire zaak gebleven. Doodjammer. Er was ook te veel geweld bij. Ze hadden een vernieuwing in het hele systeem kunnen teweegbrengen, er was daarvoor een platform aanwezig. Met het feminisme is het wel gelukt om de platformen die er waren, te gebruiken.’

‘Goede ontvangst in het Vlaamse Land / Eerste tv-programma werd een sukses / Bevallige speakerin kondigde boeiend programma aan’ – Gazet van Antwerpen, 2 november 1953.

Wanneer op 31 oktober 1953 het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep, de voorloper van de BRT, de eerste tv-uitzending in de Vlaamse huiskamers toverde, was Paula Sémer, dan achtentwintig, te zien als hoofdrolspeelster in de komedie Drie dozijn rode rozen. De radiopresentatrice en actrice werd daarna omroepster en een vertrouwd gezicht in Vlaanderen. Hét gezicht van Vlaanderen, zou je gerust kunnen zeggen, dan nog in zwart-wit en met veel beeldstoringen.

Halfweg de jaren vijftig mocht ze naast haar omroepwerk het vrouwenmagazine Penelope presenteren. Ze zou dat tien jaar doen. Van een braaf en voorspelbaar programma over typisch vrouwelijke bezigheden, in de directe omgeving van de spreekwoordelijke haard, groeide Penelope uit tot een baanbrekende wekelijkse afspraak voor de vrouw. ‘In het begin was dat het klassieke vrouwenblad op televisie. Een soort Libelle uit vroegere jaren. Koken, naaien, knutselen, maar wél op niveau. Ik deed nog aan zelfcensuur. Niet alle onderwerpen kwamen aan bod. Privé ging ik me intussen wel voorbereiden op een andere job: ik wou die omroeperij niet, ik verveelde me daar steendood en deed dat niet graag.’

‘Er was één vrouwelijke producer eind jaren vijftig, Annie Declerck, de dochter van de Antwerpse gouverneur. Vrouwenthema’s interesseerden haar niet, ze was heel blij dat ze naar de dienst Drama mocht vertrekken. Toen hebben ze mij een plaats aangeboden, al mocht dat vooral niet “producer” heten. Mijn toekomstige baas belde niet naar mij, maar naar mijn man: “Ze zal dan wel naar bureau moeten komen, Herman!” Kon hij dat niet tegen mij zeggen? De eerste dag op kantoor zei hij: “Ge hebt mooie benen, ge moet hoge hakken en een rok dragen!” Ik was zo verontwaardigd, dat ik de daaropvolgende maanden iedere dag mijn lelijkste sportschoenen heb aangetrokken. Zo lang je als vrouw in de glitter en glamour zat, werd je aanvaard. Half Vlaanderen mocht verliefd op mij worden, maar daarnaast moest ik zwijgen. Als ik een keer een moeilijk onderwerp behandelde, zeiden ze dat ik mijn populariteit misbruikte.’

‘Ik deed de job van producer, maar mocht mij zo niet noemen. Ik kreeg een nieuw nepstatuut. Ik was al jaren “Actrice tweede categorie”, ook al speelde ik alle hoofdrollen, en nu werd ik “Actrice tweede categorie – Leading lady”. Professioneel betekende dat zero. Ze behandelden mij als een omroepster die gedelegeerd was naar een andere dienst. In mijn eerste dienstnota meldde ik dat we geen verkleinwoorden meer zouden gebruiken. Vrouwtje. Dametje. Slaapliedje bij het wiegje van het baby’tje. De groetjes. “Dames bestaan niet voor mij,” schreef ik. Ik wilde dat niet meer horen bij de begroeting. “Goedenavond” volstond. En ik wilde ook niet meer dat de cameraman tijdens een reportage bij de mensen thuis altijd eerst het kruisbeeld aan de muur liet zien.’

‘Het is een kwestie van de huishouding te organiseren zoals men een bedrijf organiseert.’ – buitenshuis werkende vrouw Johanna De Schampheleire, moeder van zes kinderen, bij Paula Sémer in Penelope, 1964.

‘Ik was zeker niet populair bij de vrouwen: die moesten nog wakker geschud worden. Ik had met mijn man (hoorspelregisseur Herman Cornelis; gdv&fvl) heel Vlaanderen rondgereisd met een lezing. Als de vrouwen achteraf wat gedronken hadden, kwamen de tongen los en werd er over seksualiteit gesproken. Maar anders nooit. Het moest op tv over de kindjes en het huishouden blijven gaan.’

‘Ook intellectuelen keken in het begin neer op televisie. Ik moest professoren werkelijk overtuigen om mee te werken aan mijn programma’s. Maar als ze dan toch kwamen, wilden ze niet eens een honorarium. Ze zagen dat als een van hun basistaken: opleiden, informeren, research en maatschappelijk bezig zijn. Jan Matterne, de scenarioschrijver van Beschuldigde, sta op gaf me de tip om Willy Ballet te contacteren, een seksuoloog. Eigenlijk was dat een conservatieve burger, een brave katholiek, ik was daar een progressieve madam naast. Maar die man heeft voor het eerst het woord “homoseksualiteit” op tv gebruikt. Hij catalogeerde dat zelfs nog bij de perversiteiten, als een ziekte die in de psychiatrie behandeld kon worden. Je houdt het niet voor mogelijk hoeveel reacties over dat ene woord binnenkwamen. Vanuit katholieke hoek werden petities georganiseerd. Mensen schreven dat ze mijn ogen zouden komen uitbranden met vitriool. Mannen schreven: “Mijn vrouw vindt…” Verschrikkelijk. Ik kwam uit een onderwijzersfamilie, ik vond het zo vanzelfsprekend dat je daarover kon praten. Mijn bureau lag vol brieven. Ik zei: “Dokter Ballet, wat moet ik daarmee doen?” Hij schoof die brieven naar de rand van de tafel, pakte een papiermand en liet ze daarin vallen. “Luister nu eens goed,” zei hij. “Dit zijn brieven van zieke mensen.” “Maar dan is héél Vlaanderen ziek,” antwoordde ik. Wat mij het meest opviel, was de creativiteit van die vrouwen in hun beschuldigingen. Ofwel was ik de onnozele trien die zich had laten vangen, ofwel was ik de maîtresse van mijn bazen. En dan moest de grote baas nog komen (Paul Vandenbussche, administrateur-generaal; gdv&fvl): dat dit niet kon en dat ik een moralist naast die dokter moest zetten. “In geen geval,” zei Willy Ballet en hij stopte ermee. Hij is nooit nog op tv geweest!’

En dan moest die beruchte uitzending van 9 december 1964 nog komen, waarin voor het eerst op tv een bevalling werd getoond. ‘Ik wist dat Monique Delvaux, mijn collega-omroepster en een goede vriendin, zwanger was en ik vroeg haar of we haar zwangerschap mochten volgen tot aan de bevalling. Zij zag dat zitten. De directie niet. Ik ontving een brief: “Een vrouw die gehuwd is met een gescheiden man mag de zwangere Vlaamse vrouw niet vertegenwoordigen. Huwelijkstrouw is het hoogste goed van de Vlaamse vrouw.” Ik naar mijn baas: “Zijt ge zot geworden?” “Ja, Paula,” antwoordde hij, “het is de zuster van kardinaal Cardijn die overal is gaan lobbyen.” Uitzending opgeschort. Dan zijn we op zoek gegaan naar een andere vrouw die net bevallen was. Zo zijn we terechtgekomen bij iemand in de buurt van Kortrijk. De bevalling was écht, maar het hele gebeuren errond hebben we geënsceneerd, maar de papa was wel de echte en die hadden we een witte jas laten aantrekken om de boodschap te brengen dat de vaders bij de bevalling moeten aanwezig zijn. Weer herrie. De vader van de papa was een bekend iemand in de streek, bovendien was hij bibliothecaris. Vanwege de negatieve reacties die hij had gekregen op de uitzending zag hij zich verplicht met zijn gezin te verhuizen, zo beweerde hij tenminste in de pers. Waarom ik dat allemaal deed? Ik vond het vanzelfsprekend, veronderstel ik. In ieder geval was ik steeds weer verbaasd over al die negatieve reacties.’

‘Ik vroeg aan mijn adviseurs: “Wat kan ik nog doen dat taboedoorbrekend is?” Toen zijn we op het idee gekomen om “roze uitzendingen” te gaan maken, om te tonen wat er allemaal kon in de samenleving. Over gehandicapten die wilden werken, bijvoorbeeld. Of, in plaats van heel nadrukkelijk “Wij, homoseksuelen” te roepen, toonden we twee discrete portretten, van een jongenskoppel en een meisjeskoppel. Onder de door mij bedachte titel “Gewoon hetzelfde”. Die kuisten hun auto op zaterdagochtend, zoals iedereen, de meisjes gingen tennissen, en wij toonden dat. Geen negatieve reacties. Dat was tactisch, zo konden we toch een beetje taboes doorbreken. In 1966 kreeg ik dan weer de nieuwsdienst op mijn dak, omdat ik aandacht had besteed aan de stakende vrouwen bij FN in Herstal, die gelijk loon voor gelijk werk wilden. Wat wil je, zij besteedden daar geen aandacht aan, ik wel.’

‘Wanneer aan het streven naar openhartigheid een prijs wordt toegekend, dan moet openhartigheid in ons huidig bestel wel een biezonder verschijnsel zijn’ – uit een kritische toespraak van Maurice De Wilde nadat hij op 23 februari 1966 de Bert Leysenprijs had ontvangen voor een reportage over een staking van de Antwerpse havenkapiteinsdienst.

Terug naar 1964, het jaar dat de BRT het allereerste openbare examen organiseerde, dé kans voor Sémer om officieel het producersstatuut te bemachtigen. ‘De hiërarchie had liever gezien dat ik niet deelnam. Ze zagen in mij nog altijd die brave omroepster. Zo werd ik ook behandeld. Ik deed mij in vergaderingen soms dommer voor dan ik was. De mening van een vrouw werd nooit gevraagd en als je dan eens iets zei, viel dat in zeer slechte aarde.’

‘Ik had mij drie jaar voorbereid op dat examen en ik ben daar briljant voor geslaagd. Een van de opdrachten was om een verhandeling te schrijven over de vrije tijd van de huisvrouw. Ik was voordien al met delicate onderwerpen bezig geweest, maar na mijn benoeming dacht ik: “Nu drijf ik door!” Maria Rosseels van De Standaard had mij op een vergadering meegemaakt, ze vond mij een fenomeen: zó vurig was ik aan het praten over feminisme en emancipatie (Maria Rosseels, 1916-2005, had van 1947 af dertig jaar lang een film- en vrouwenrubriek in De Standaard. Daarnaast schreef ze veertien boeken, waaronder het verfilmde Dood van een non; gdv&fvl). Ik verweet haar soms dat ze te braaf was. Zij had mij Simone de Beauvoir leren kennen, maar ze schreef daar niet over in de krant, omdat ze vond dat de vrouwen daar nog niet rijp voor waren. Daardoor is ze nooit erkend als de feministe die ze wel was.’

‘Wanneer we producersvergadering hadden, zat ik daar als enige vrouw tussen al die mannen. Als het tijd was voor een koffiepauze was, keken ze allemaal in mijn richting. En dan keek ik om naar de deur. Slechts één man voelde aan dat ik het erg vond om koffiemadam te spelen. De anderen vonden dat doodnormaal. Ik heb jarenlang strijd moeten voeren. Ik kon over niet anders praten dan over mijn uitzendingen, ik moet een vervelend mens geweest zijn!’

‘Wanneer wij bedenken dat het Vlaamse landsgedeelte toch bestaat uit een meerderheid kristenen die jaarlijks radio en T.V. taksen moeten betalen om de BRT in leven te houden en dat diezelfde BRT het instrument is waarmede men jeugd en volk moreel kapot maakt!’ – uit een lezersbrief van ene A.V. uit Antwerpen in Gazet van Antwerpen, 11 oktober 1967.

Negen oktober negentienhonderd zevenenzestig. Die avond ging de eerste uitzending van een nieuw programma op antenne: Het gelukkige gezin. ‘Uitgeverij Lannoo had mij vooraf al gecontacteerd. “Wil je een boek schrijven? Het woord “geluk” doet verkopen.” Het moest een boek worden dat je op de salontafel kon leggen.’

‘Ik+jij=wij’ was de titel van de aflevering, waarin Guido Roscam (Katholieke Jeugdraad), Thérèse De Geest-Materne (Kultuurleven), kanunnik De Haene (Gezinspastorale) en moraalfilosoof Jaap Kruithof (Rijksuniversiteit Gent) aan een veel te klein tafeltje plaatsnamen naast Sémer. Er werd nog stevig gerookt, live op de Vlaamse televisie, maar dat stoorde niemand. Wat de goegemeente wel stoorde was Kruithofs uitspraak dat de jeugd vanaf een bepaalde leeftijd het recht had om voorbehoedsmiddelen te kopen of te krijgen.

‘Kruithof deed dat dan nog heel omfloerst, dat waren we niet van hem gewoon. Maar dat kon dus niet. In die tijd kon een vrouw het woord “condoom” niet eens over haar lippen krijgen. Terwijl Kruithof dat aan het zeggen was, werden de anderen in beeld gebracht en die zaten alle drie te knikken. De kanunnik is daar nog voor gestraft. Ik keek op mijn horloge, het was tijd om af te ronden en ik zei: “Dan moet het debat hierover nog beginnen, maar dat zal voor een volgende uitzending zijn.”‘

‘Dat heeft me bijna mijn job gekost. Brieven, brieven, brieven. Twee jaar heeft dat geduurd, die smerige commentaren op één tv-uitzending. Ik had dat incident met die “homoseksualiteit” al gehad en had daarna geweigerd om een moralist naast de seksuoloog te zetten. En nu dit. Ik riskeerde ontslag, maar ik had mijn verdedigers in het bestuurscollege. Het bleef bij een blaam, ik mocht producer blijven. Ineens was er geen belangstelling meer van Lannoo om een boek uit te geven voor op de salontafel. Maar ik dacht: foert, ik doe voort. Ik contacteerde professor Michel Thiery en die sprong een gat in de lucht toen ik hem zei dat ik een hele uitzending over contraceptie wilde maken. De hiërarchie had dat vernomen en de grote baas ingelicht, en ik kreeg het bevel dat ik dat niet mocht maken, want dat werd zogezegd verboden door de wetgeving. Wat niet bleek te kloppen: wat niet mocht, was publiciteit maken voor contraceptie, maar dat waren we dus niet van plan. Toch gaf ik toe. We zouden een uitzending maken waarin professor Thiery met tekeningen zou aangeven wat de barrières waren om contraceptie toe te passen. Dat was nóg niet genoeg: er moest een moralist naast hem staan. Ik moest monseigneur De Smedt uit Brugge bellen. Ik zei: “Dat is goed, maar dan vraag ik er ook nog een humanist bij.” Dat mocht wel. En ik wilde er ook nog een jong, kritisch koppel bij, dat net terug was van een workshop over familieplanning in Rome. We kregen er achteraf een prijs voor van de Bond van Grote en Jonge Gezinnen. Maar op de redactie zeiden we: “Wat was me dat? Wat een rotuitzending!” Maar het voordeel was dat professor Thiery aanvaard was en ik ook.’

‘Ik ben niet bang. Ik ben geboren om dit te doen’ – Jeanne d’Arc.

In de jaren zeventig ging Paula Sémer bij de dienst Wetenschappen werken. ‘Eén voorwaarde had ik gesteld: het mochten geen vrouwenprogramma’s genoemd worden. Al mag je gerust zeggen dat de rode draad doorheen mijn carrière de emancipatie van de Vlaamse vrouw was. Jean-Luc Dehaene, die mijn uitzendingen met klem verdedigde, heeft ooit eens een verklaring gegeven voor de massale ongemotiveerde en emotionele kritiek. “Zij maakte uitzendingen voor geëmancipeerde stedelingen en er was in die tijd een reuzenafstand tussen de stad en het platteland,” zei hij. Toen ik dat hoorde had ik het door: de meeste negatieve reacties kwamen uit boerengaten, van mensen die opeens de hele wereld via hun scherm binnen kregen. Die konden dat niet aan. Ik had tactischer moeten zijn, heb te vaak tegen zere schenen geschopt. Anderzijds heeft mijn methode het proces wel versneld.’

‘Ik heb nooit op de barricaden gestaan. Toch was ik onder meer actief in het Vrouwen Overleg Komitee en was ik een van de zeven meters van mevrouw Herman-Michielsen bij het opstellen van de abortuswet. Kris Smet heeft me ooit gezegd: “Paula, jij hebt altijd vooropgelopen en de klappen geïncasseerd.” Maar zo zag ik dat niet. Oudere vrouwen vertellen me soms dat ze naar mijn programma’s keken en dat ik op mijn tijd vooruit was. Ik vind van niet. Dat waren maatschappelijke trends. Televisie is nooit een voorpost, televisie vólgt de trends, maar maakt ze niet. Ik stak mijn natte vinger in de lucht en probeerde te weten te komen wat er leefde. Daarvoor ben ik blij: dat ik niet de tradities ben blijven volgen, dat ik ze zelfs doorbroken heb. Het lag in mijn karakter om dwars te liggen, maar nooit met grote ruzies. Ik was eerder een slachtoffer. Ik heb ooit een baas gehad die mij psychisch mishandelde. Ik ging daarvan stotteren. Die zei: “Ik moet met vrouwen werken en die menstrueren.” Of: “Goh, speakerin, dat zijt ge geweest, ja, maar hoe!” “Die andere vrouwen kunnen iets, gij kunt niets!” Dan komt de vechter in mij naar boven.’

‘Ik heb altijd sympathie gehad voor de underdog, die studenten van Mei ’68 niet. Als ik nog maar denk aan die dopen: die kerels in hun witte jas, die dronken zijn en komen bedelen. “Ge moest u schamen!” zeg ik dan. “Als een fabrieksjongen dat zou doen, zou het een groot schandaal zijn.” Ik denk dan: dit is de toekomstige elite, zie hen bezig! Tja, dat zal mijn Jeanne d’Arc-complex zijn: ik heb me altijd solidair gevoeld met de zwakkeren en de bedreigden.’



Dolgedraaid

Journalistiek Posted on za, mei 22, 2021 11:28:42

Als we iets wat moeilijk te vatten is, willen begrijpen, helpt een oorzaak/gevolg-analyse doorgaans. Neem nu het ‘eeuwigdurend’ conflict in het Midden-Oosten. Wat er vandaag gebeurt, heeft alles te maken met het verleden. De Balfourverklaring van 1917, waarin de Britse minister van Buitenlandse Zaken Arthur James Balfour via een brief aan de rijke joodse bankier Lionel Walter Rothschild de Zionistische Beweging voorspiegelde dat het joodse volk een eigen staat verdiende in het toenmalige Palestina, bijvoorbeeld. Gevolgd door de (begrijpelijke) sympathie voor de Joden na de Holocaust en de (onbegrijpelijke) effectieve oprichting van de staat Israël in 1948.

Terug naar Balfour. Die schreef: “His Majesty’s Government view with favour the establishment in Palestine of a national home for the Jewish people, and will use their best endeavours to facilitate the achievement of this object, it being clearly understood that nothing shall be done which may prejudice the civil and religious rights of existing non-Jewish communities in Palestine, or the rights and political status enjoyed by Jews any other country.” Versta: het land is nu dan wel van de Palestijnen, maar wordt het thuisland van het joodse volk, én de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina behouden hun rechten.

Drie oorzaken voor wat volgde: opgejaagde en verbannen Palestijnen, vijandigheid bij de nieuwe buren van Israël, oorlogsdreiging en -geweld, uitbreiding van het oorspronkelijke grondgebied door de Israëliërs (1967), een laffe aanval op de joodse feestdag Jom Kippoer (1973), onvoorwaardelijke steun van het Westen voor de Israëlische politiek, verschillende (pogingen tot) vredesakkoorden, nederzettingenpolitiek ten voordele van joodse kolonisten en ten nadele van het in een open concentratiekamp opgesloten Palestijnse volk, Intifada’s, verzetsterrorisme versus staatsterrorisme, kinderen die het slachtoffer worden van geweld zonder einde. Bekijk de oorzaken en de gevolgen, en je vindt een, weliswaar perverse, logica, eentje die geen uitgewegen biedt.

***

Enkele nieuwsfeiten van deze week. Een dolgedraaide beroepsmilitair (‘met een peperkoeken hart’, ‘een knuffelbeer’, aldus zijn dierbaren) dreigde ermee aanslagen te plegen, een van zijn doelwitten was viroloog Marc Van Ranst. Een tienerjongen werd vanwege zijn geaardheid in elkaar geklopt door andere jongeren, nota bene een dag na IDAHOT, de internationale dag tegen homo- en transfobie, van timing gesproken. Een homokoppel krijgt blikjes naar het hoofd geslingerd. Tiener dreigt met schietpartij op middelbare school. Bootvluchtelingen moeten gered worden op de Noordzee. Oorzaken, op het eerste gezicht: extreemrechts militarisme en fanatisme, homohaat en geweld dat gezinnen doet vluchten naar een, hopelijk, betere wereld en een veiliger leven.

Maar voor dat eerste wil ik nog een extra oorzaak opwerpen: de lankmoedigheid van de media op het vlak van extremistische uitingen. Zo’n Jürgen C. kan van zijn ‘peperkoeken hart’ alleen maar een steen maken omdat zijn haatgevoelens worden wakker geschud en aangemoedigd. De sociale media zijn een cruciale bron hiervoor, maar helaas ook de reguliere media. Ongefilterde lezersfora zorgen voor het versterken van woede: hoe meer onzinnige dingen er geroepen worden, hoe meer die onzinnige dingen zich in hoofden planten als zijnde definitieve waarheden. Zo werkt complotdenken, dat weten we, zo werkt ook haatzaaien. Het zou al te makkelijk zijn om de Jürgen C’s van deze wereld gekken te noemen: hun aberrante gedrag wordt mede uitgelokt door wat ze zien, horen en, vooral, lezen. Zo lang lezersfora niet opgekuist worden (noem het wat mij betreft gerust censureren, al is het dat niet, want media moeten baas zijn in eigen huis), zal dit blijven gebeuren. En dan moet er maar één gek opstaan om ons zogezegd te doen opschrikken. Die gek kan van links komen — denk aan de moord op Pim Fortuyn —, maar de kans is nog veel reëler dat hij van (extreem)rechts komt.

Je kan Facebook, Twitter en co verwijten dat ze niet of te traag ingrijpen wanneer er extreme meningen, meestal gebaseerd op leugens en vervalste informatie, worden verspreid, maar het blijven vooralsnog publieke fora. Traditionele media kunnen zelf hun deel van het werk doen door onzinverspreiders geen vrij podium meer aan te bieden. Ja, ik denk opnieuw aan het interview met Dries Van Langenhove in De Morgen. En aan die antivaxer in De zevende dag en andere viruswaanzinnigen die een microfoon voor de neus geduwd kregen. Laat die luitjes hun mening maar uiten in besloten kring, binnenkort kunnen ze daarvoor weer terecht aan de toog van hun stamcafé, waar gelijkgezinden dingen roepen die qua intelligentieniveau recht onevenredig zijn met hun alcoholverbruik.

***

Media bieden zich gretig aan als speelveld, noem het gerust: slagveld, voor extremisten. Die mogen zelfs hun wapens meebrengen, verbale of andere. Een beetje sensatie is meegenomen, dan halen we de andere media, denken hoofd- en eindredacteuren. Op de ochtendvergadering verwachten ze een schouderklopje van de directie omdat het aantal clicks weer een hoogtepunt heeft bereikt. De Franckens, Brackes en Van Langenhoves leveren vervolgens even gretig de munitie. Dat samenspel vormt de ideale voedingsbodem voor ‘dolgedraaide’ figuren om hun daden te rechtvaardigen. Oorzaak, gevolg. Het gedrag van extremisten wordt dus mede veroorzaakt en aangemoedigd door de media, waarbij ik even in het algemeen spreek, want uiteraard zijn niet alle media (in dezelfde mate) medeplichtig.

Ik ken het mediacocon intussen een beetje. Er is (te) weinig zelfonderzoek, er is (te) weinig kritische zin wat het eigen functioneren betreft, er wordt (te) weinig stil gestaan bij de gevolgen van wat er gezegd of gepubliceerd wordt. Als die zelfreflectie en dat maatschappelijke verantwoordelijkheidsgevoel er wél zouden zijn, zou er minder (extreem)rechts tuig aan bod komen, minder viruswaanzinnigen, minder oproerkraaiers, al dan niet met het petje van politicus op, die brandstof leveren aan gevaarlijke types.

Minder, minder, minder, jawel.



Voor wie haar soms geweld aandoet

Communicatie, Journalistiek, Samenleving Posted on za, april 24, 2021 11:43:16

Elke ochtend klokvast om halfacht gaf doctor Marc Galle ons, zinneloze zondaars, taalwenken op de BRT-radio. Op vijf minuten tijd kreeg de luisteraar te horen hoe het wel en niet moest, met die geliefde taal van ons. De nadruk lag toch eerder op wat er fout liep, herinner ik me vaag. De rubriek heette niet voor niets Voor wie haar soms geweld aandoet. Het waren de jaren zestig, het mocht nog allemaal een beetje bevoogdend en paternalistisch klinken, maar, geef ik grif toe, het was wel nuttig om te vernemen wat ik verkeerd had gedaan in de conversaties die ik zelf als keurig Nederlands had aangevoeld. Galle sprak traag en plechtig. Ook de ministers van die dagen declameerden rijke volzinnen, de spitse oneliners werden pas in een later stadium opgedist. Gaston Eyskens praatte meer uit de hoogte dan Alexander De Croo, maar het klonk wel keuriger, voornamer, meer getuigend van staatsmanschap en… met meer liefde voor de Nederlandse taal.

Van de jaren zeventig af deed de gevreesde taalraadsman Eugene Berode elke ochtend zijn ronde door de gangen van de openbare omroep. Geen taalfout ontsnapte hem. Hij schreef dan op een briefje wat hij gehoord had, stak dat in een blauwe enveloppe en legde die op het bureau van de schuldige, die vervolgens de hele dag met het schaamrood op de wangen rondliep in het Huis van Vertrouwen. Berode moet zowat de eerste ambtenaar geweest zijn die dagelijks aan meer dan tienduizend stappen geraakte. Volledige marathons heeft de man maandelijks gelopen in zijn hoogdagen. Het hielp af en toe, soms ook helemaal niet. Menige presentator of journalist kreeg meerdere blauwe briefjes met dezelfde opmerkingen te lezen. Mensen zijn hardnekkig in het herhalen van steeds weer dezelfde fouten, wij leren weinig uit de geschiedenis, óók niet wat taalfouten betreft. Tot 1996 bleef de heer Berode als taaladviseur in dienst van wat inmiddels BRTN was gaan heten, met de N van Nederlands prominent in de afkorting.

Toen ik halfweg de jaren negentig op de sportredactie van de televisie begon te werken, stuurde eminente collega Ivan Sonck wekelijks taalwenken rond in wat een primitieve vorm van e-mail was. ‘Andermaal’ was het woord dat het vaakst voorkwam in zijn circulaire, als in: beste medewerker, u heeft opnieuw dezelfde fout gemaakt. Sommige collega’s wilden maar niet begrijpen dat ‘Anderlecht komt met 1-0 op voorsprong’ geen correct Nederlands is. Dat moest, weten u en ik uiteraard, zijn: ‘Anderlecht komt 1-0 voor’ of ‘Anderlecht komt op voorsprong’. Sportjournalisten zijn de ongekroonde koningen van de contaminatie.

***

Voor wie haar soms geweld aandoet waren mijn ochtendvitaminen. Na mijn ouders was Marc Galle de eerste die mij toesprak bij het ontbijt. Ik luisterde aandachtig, knoopte dingen in mijn oren, vergat er ongeveer evenveel, maar ik probeerde er wel op te letten dat ik de fouten die professor Galle had beklemtoond zelf niet meer, of toch minder, maakte. Ik wilde toen al, op mijn achtste of zo, journalist worden, dat scheelt natuurlijk. Ik hamerde het er bij mezelf in dat mijn gereedschapskist in de toekomst uit taalelementen zou bestaan, niet uit hamers, beitels en schroevendraaiers. Vroeg begonnen is half gewonnen, of zoiets.

In het middelbaar was er meester De Pooter van Nederlands. Ik schrijf ‘meester’ omdat ik de voornaam van meneer De Pooter nooit onthouden heb. Paul was het, denk ik, het kan ook Piet geweest zijn. De man stak vol goede bedoelingen en had ongetwijfeld het beste met ons voor. Omgekeerd gold dat veel minder, weerbarstige jongens en meisjes staken de draak met dat pietje-precies vooraan in de klas. Wisten wij veel dat wij hem meer nodig hadden dan hij ons.

Daarna kwam meester De Wilde, Maurice met de voornaam, een man die weinig ‘blauwe brieven’ van Berode op zijn bureau zal teruggevonden hebben, omdat hij zelf behept was met de wil om taalkundig te excelleren. Ik zat alleen in mijn afdeling, Sociale Communicatie, op het RITCS en kreeg dus privéles van de grand reporter, die een voorbeeld was en een mentor werd. Af en toe moest ik iets schrijven en dan bromde De Wilde dat het goed was, waarna ik met afschuw naar de gecorrigeerde versie keek. Op elke lijn stond er wel een bedenking in een zeer klein en tegelijk zeer mooi en zeer leesbaar handschrift. Links zette hij dan een streepje, zodat ik zeker niet over de aanmerking heen zou kijken. Hij leerde me dan bijvoorbeeld dat ‘meer en meer’ een anglicisme was, dat het ‘hoe langer hoe meer’ moest zijn. Of dat ik niet ‘vanaf de jaren zeventig’ moest schrijven, maar ‘van de jaren zeventig af’. Als ik dat nu doe, zoals in de eerste zin van de tweede paragraaf, geeft mijn automatische spellingchecker aan dat ik een fout heb begaan. Tijden veranderen. Dankzij De Wilde werd mijn taal correcter en tegelijk ook stroever. Taal moet soepel gehanteerd worden, besefte ik. Regels en richtlijnen zijn noodzakelijk, maar er moet creatieve speelruimte blijven.

***

De samenleving evolueert, mensen evolueren, taal evolueert, en maar goed ook. Eerst hadden we maar te accepteren dat we accepteren met dubbele c moesten schrijven, tot men ons verzekerde dat het ‘aksepteren’ moest zijn, en ook dat hadden we maar te accepteren. Terloops, De Wilde hanteerde zelf ook de zogeheten ‘progressieve spelling’, voor hem was het dus ‘kollaboratie’, niet ‘collaboratie’. Later haalde de c van conservatief het op de progressieven en, heel eerlijk, dat vond ik prima. Accepteren oogt gewoon beter dan aksepteren.

Mijn eerste Van Dale was veel dunner dan het driedelig exemplaar uit 1992, dat nog altijd ongebruikt in een boekenkast achter mij staat te pronken. Recentere versies zullen nog dikker zijn geworden. Bastaardwoorden werden aangenomen zonen en dochters, leenwoorden bleven in huis wonen, de internationalisering van landstalen viel niet tegen te houden. Geen denken aan dat Marc Galle of Eugene Berode ‘burn-out’ zonder slag of stoot zouden geaccepteerd hebben. Wij zijn Vlamingen, nietwaar, we hebben al genoeg overheersers gekend in ons verleden.

De verengelsing van onze taal viel echter niet tegen te houden. Dammen werden opgeworpen, maar bleken niet stevig genoeg. Switchen, chillen, content, shoppen, deleten, coach, enfin, de voorbeelden zijn legio. We zoeken niet eens meer naar een bestaand alternatief in het Nederlands. Jammer, maar de realiteit valt soms niet tegen te houden. Dat is niet erg, op voorwaarde dat we de basis blijven respecteren. Toen ik van de week las dat de dames en heren van de Algemene Nederlandse Spraakkunst nog sneller willen versoepelen dan de amateurvirologen onder ons, ging mijn weinige resterende haar rechtop staan. Achteraf bleek het een misverstand, F.C. De Kampioenen is nooit ver weg in dit land van ‘gewassen maandverbanden’ (copyright: Jean Pierre Van Rossem). ANS wilde gewoon aangeven dat er verschillende toepassingen zijn van de taalregels en dat de op papier foute veelvuldig circuleren. Niet meer, maar ook niet minder. Een Engelse universiteit besliste dan weer dat spelfouten in een thesis niet meer zo erg zijn. De dt-regel mag op de schop, vindt Kristien Hemmerechts, of moet dat ‘vind’ of ‘vint’ zijn? Te moeilijk, dus laten we die inspanning niet meer doen. Echt?

Als taalfouten worden getolereerd omdat ze in de praktijk vaak voorkomen, zullen we dan ook de meest voorkomende verkeersovertredingen voortaan door de vingers zien? Ik vroeg me dat in die bewoordingen eergisteren af op Twitter. Sommigen vonden dat ik niet met het verkeer mag vergelijken, omdat er in de taal geen doden vallen. Klopt, maar daar ging het niet om. Anderen vonden dat je iets wat juridisch afdwingbaar is (het verkeersreglement) niet in dezelfde context mag brengen als iets wat louter een conventie is (taalregels). Ook dat is juist. Mijn punt is dat we ons aan afspraken moeten houden (niet door het rood rijden, niet over een volle witte lijn rijden, richtingaanwijzers gebruiken bij een maneuver, ‘hij wordt’ met dt schrijven en ‘word je’ enkel met een d) en dat we die afspraken niet moeten aanpassen omdat er veel overtreders zijn, wel eventueel omdat de afspraken op zich niet deugen. Wie bedacht heeft dat ‘pannenkoek’ correcter is dan ‘pannekoek’ verdient billenkoek. Zo maak je taal onnodig moeilijk.

Wanneer ik zelf een dt-fout maak in een stuk — wat weleens gebeurt, geef ik ongaarne toe —, krijg ik meestal een discrete opmerking van iemand die ze opgemerkt heeft. Daar ben ik dankbaar voor, zowel vanwege de discretie, als vanwege de welwillende aandacht die iemand heeft besteed aan iets wat ik geschreven heb. Al vind ik het vanzelfsprekend ook vervelend: help, ik heb de taal, mijn werkinstrument, geweld aangedaan. Mijn oprechte excuses, doctor Marc Galle. Ik maak me sterk dat ik minder dt-fouten maak dan de gemiddelde Vlaming. Niet dat ik daar uitzonderlijk trots op ben, het hoort gewoon bij mijn vak, journalist. Als een student een dt-fout maakt in een verslag of een recensie, zal ik daar in gedachten een kwartpunt voor aftrekken, omdat die student nu eenmaal journalistiek studeert. Als iemand die geen neerlandicus is of die niet voor zijn dagelijkse werk een gereedschapskist vol Nederlandse woorden meezeult een fout of foutje maakt, vind ik dat minder erg. Ik ben niet de taalnazi die anderen berispt en er een plezier in schept om mensen te kleineren omdat ze even uit de bocht zijn gegaan. Dus, ja, taal mag, moét zelfs evolueren, pietluttige regeltjes mogen, neen: moéten, op de schop en wel zo vlug mogelijk. Maar gemakzucht, onwetendheid en intellectuele luiheid zijn niet de juiste middelen op weg naar een betere en modernere taal.

‘Groter als’ of ‘beter als’ niet nadrukkelijk blijven afkeuren, vind ik afkeurenswaardig, beste ANS-vertegenwoordigers. Jan is groter dan Piet, niet groter als Piet en, voor de West-Vlamingen onder u, evenmin groter of Piet. Het is van de pot gerukt om daar soepel mee om te gaan. Alles versimpelen is voor simplisten, niets vereenvoudigen is voor hartvreters. Ook de taalkerk moet in het midden gehouden worden. U wilt lezen wat u hoort? Nogtans is het zowiezo kwazi onmogelek om foneties konsekwent en korrekt te sgrijven. Niet aan beginnen, liefst.

Dat gemakzuchtig omgaan met wat er is, geldt trouwens ook bij het gebruik van andere talen. Jongeren haspelen in turbotaal het Engels bezittelijk voornaamwoord ‘your’ vaak door elkaar met ‘you’re’ (van ‘you are’). Moeten we dat zomaar accepteren? Maak er dan meteen ook fonetisch ‘joor’ van, als we dan toch bezig zijn met het verminken van een taal. Zullen we ‘knowhow’ dan voortaan spellen als ‘noowhouw’? Wie foltert, kan maar beter scrupuleloos te werk gaan. (Kijk, die ’te werk gaan’ heb ik net even moeten nakijken, ik twijfelde of het niet ’tewerk gaan’ moest zijn. Dat is een nadeel van een complex gegeven als taal: je twijfelt voortdurend en je moet dingen opzoeken. Ik doe dat gaarne, opzoeken, het maakt me elke dag een heel klein beetje minder onwetend. Als je de hele tijd googelt, kan je net zo goed ook even taalbanken raadplegen of woordenlijst.org gebruiken. Die ‘googelt’ heb ik trouwens ook even moeten checken. Kleine moeite.) ‘Ça va’ is bij de meeste jongeren ‘cava’ geworden, al kan dat ook te maken hebben met het ontbreken van de ç op het miniklavier van een smartphone. (Zo smart is die foon dan ook weer niet…)

Wat is de volgende stap: veelgemaakte taalovertredingen als ‘stadia’ (het foutieve meervoud van stadion) of ‘fysisch’ (als het over de menselijke fysiek gaat) accepteren, omdat ze nu eenmaal heel veel voorkomen? Dan kan je inderdaad, om opnieuw naar de analogie met verkeersovertredingen te gaan, middenvakrijders, chauffeurs die nooit hun richtingaanwijzers gebruiken of lieden die nog snel even over het zebrapad snorren terwijl u er al over wandelt, tolereren. De macht van het getal mag niet de norm zijn. Hoe meer overtreders, hoe minder aandacht voor de overtreding, is een bijzonder slecht uitgangspunt. Zo beloon je de overtreders.

Als we de lat zodanig laag leggen dat iedereen er zonder moeite overheen kan springen, wat winnen we dan?



Zever, gezever!

Communicatie, Journalistiek Posted on za, maart 06, 2021 11:27:34

Erika Vlieghe had vorige zondag natuurlijk gewoon gelijk: er wordt te veel gezeurd. Niet door mij, uiteraard, en wellicht ook niet door u, uitermate welgekomen aanwezige op deze blog, maar wel door al die anderen. De infectiologe wilde dat op een T-shirt laten drukken en werd prompt op haar wenken bediend: aan de ene kant maakten verschillende mensen een truitje met de opdruk dat we moeten stoppen met zeuren, aan de andere kant begonnen nog veel meer mensen te zeuren dat ze nu ook al niet meer mochten zeuren, en wie dacht die Vlieghe wel dat ze was, een expert in zeuren misschien? Zelfs de heer Bolzeurnaro, prezeurdent van Brazeurië, zei het nog deze week: ‘Stop met zeuren!’

Enfin, het zeuren ging nog een tijdje door, want de media deden wat ze altijd doen als ze op maandagochtend een leeg blad voor zich hebben liggen: ze vragen zich af wat er in het weekend is gebeurd. Is er een topic waar iederéén over praat? Is Twitter niet per toeval ontploft of zo? Tweewerf ja, en wel over hetzelfde: de uitspraak van Vlieghe in De zevende dag. En dus werd er gezocht naar allerlei Ologen die een mening hadden over zeuren. (Is het goed of slecht? Helpt het ons, of juist niet? Wanneer is het gepast, wanneer niet?) Waarop weer andere I-aters en Osofen werden uitgenodigd daarop commentaar te geven. Writer’s block kennen ze niet in de schrijvende pers, behalve dan de aarzeling om beleefd te reageren op een suggestie om een bijdrage voor hen te schrijven, maar dat is dan weer een geheel andere kwestie.

De wittebroodsweken liggen al bijna een jaar achter ons. Herinner u nog die zalige tijden: iedereen in zijn kot, maar om acht uur des avonds stonden we wel op de dorpel te applaudisseren of hingen we een wit laken uit het slaapkamerraam. België deed het goed, was een van de beste leerlingen van de Europese klas in de aanpak van de coronacrisis, dat virus zou ons niet klein krijgen, o nee, olé. O, wat waren we zelfingenomen en o, wat duurde dat niet lang. Tweede golf, tweede lockdown, en het zeuren nam — na een fikse aanloop in de lente en de zomer — een nieuwe aanvang en hield niet meer op.

Soms begrijp ik het wel dat mensen niet zo verheugd zijn als ze weer eens een Oloog op hun scherm zien verschijnen om ons allerlei leuke dingen af te raden, terwijl een andere Oloog in de krant waarschuwt voor wat er ons boven het hoofd hangt als we ons niet opnieuw gaan gedragen. En weet u hoe dat komt? Omdat die Ologen deskundig zijn op hun terrein, maar ook vragen krijgen voorgeschoteld over andere domeinen, waar ze in wezen, wetenschapper zijnde, ver vanaf blijven, maar nu ook iets over moeten vertellen. Gedwongen door de omstandigheden, de ongeduldige moderator en het felle studiolicht. Als je elke dag in drie verschillende programma’s een Oloog ziet passeren, wordt dat van het goede te veel. Punt aan de lijn.

Andere Ologen en ook Osofen suggereerden eerder al om het nieuws over covid-19 meer te bundelen op een vaste dag van de week en de andere uitzendingen coronavrij te houden, maar zo werkt dat natuurlijk niet. Stel u voor.

‘Ha, kijk er is een Zuid-Afrikaanse variant op gang!’

‘Ja, jong, maar je weet dat het nog maar dinsdag is, coronanieuws brengen we pas op vrijdag.’

‘Oké, ik zal het op de stapel liggen.’

Nieuws is nieuws: wat nu moet, moet nu. De vraag is echter: moet het wel allemaal nu? Of moet er gesnoeid worden in het aanbod? Het coronakaf van het coronakoren scheiden, bijvoorbeeld.

Daarom heeft de christendemocraat in mij — sympathieke vent, maar ik hou ‘m toch maar diep verborgen — een concreet voorstel.

Enerzijds zouden de media minder Ologen kunnen uitnodigen, en als ze er dan toch zijn, hen enkel vragen stellen over hun vakgebied en hun expertise, niet over welke maatregelen zich opdringen.

Anderzijds zouden de Ologen dan best, als ze nog eens welkom worden geheten, vragen die niet tot hun vakgebied en hun expertise behoren, kunnen pareren door te zeggen dat ze daar niet op antwoorden, want dat ze daar niet voor bevoegd zijn.

Zou dat geen — hoe heet dat ook weer, o ja — win-win kunnen zijn?

Misschien houdt het zeuren dan een heel klein beetje op. Indien niet, zullen er wel weer andere Ologen en Osofen klaarstaan om te zeggen waarom dát nu weer komt. Of schrijven een senior writer en een Osoof nog eens een betweterig boekje over hoe we (moeten) omgaan met pandemiezeuren.



Waar kan de arme zijn mening uiten?

Journalistiek, Samenleving Posted on za, februari 20, 2021 11:37:26

Covid-19 is geen gelijkmaker, zoals weleens verkeerdelijk werd gedacht tijdens de eerste lockdown. We zijn niet allemaal gelijk voor het virus. Voor wie het al lastig was, is het nu nog lastiger geworden. Wie het voordien goed ging, heeft het nu eventjes moeilijk. Het is wel die laatste categorie die uitgebreid zeurt, waardoor het soms lijkt alsof de leden van die groep het in deze periode het zwaarst afzien. De eerste groep hoor je namelijk niet, net zoals dat vóór maart 2020 al het geval was. Zij behoren niet tot de ‘Ons kent ons’-kliekjes in de bevriende media. Zij hebben andere prioriteiten dan actief te zijn op de sociale media — of ze hebben nauwelijks volgers en ‘vrienden’, en worden daardoor niet gehoord. Zij proberen de eindjes aan elkaar te knopen, net zoals voorheen, maar dan in nóg moeilijkere omstandigheden.

Terwijl sommige opiniemakers en columnisten klagen over de cancel culture en de teloorgang van de vrije meningsuiting — wat ze breeduit mogen doen in media die honderdduizenden lezers, luisteraars of kijkers bereiken, o ironie! —, zien vele anderen écht af, maar zij blijven onzichtbaar onder de waterspiegel. De Voedselbank heeft vorig jaar een kwart meer maaltijden uitgedeeld. (“Maar de economie! Maar de staatsschuld! Maar we mogen niets meer zeggen!”) Studenten leven geïsoleerd, niet op zonovergoten eilandjes, maar in kille, eenzame koten. (“Maar wij willen met vijf wandelen! Maar wij willen op café! Maar wij willen op restaurant!”) De Derde Wereld — laten we dat vervelende begrip toch maar even vanonder het stof halen — blijft prikloos achter, wij klagen steen en been over de onduidelijke timing van de vaccinaties. (“Maar wij willen naar een festival! Maar wij zijn niet gemaakt om thuis te blijven! Maar, maar, maar!”)

Iederéén krijgt te maken met covid-19 en toch zou je uit de onophoudelijke stroom mediaberichten kunnen afleiden dat het coronavirus een vloek is die alleen over de westerse bevolkingen is uitgesproken. Ware er geen Zuid-Afrikaanse en Braziliaanse varianten, we zouden in coronatijden niet eens weten wat er zich op andere continenten afspeelt. Het westerse egoïsme is groter dan ooit, het egoïsme van de westerling die het goed heeft, is haast onmetelijk geworden. Dat is al sinds mensenheugenis zo, het viel extra op tijdens de vluchtelingencrisis, en je kunt er tijdens de grootste gezondheidscrisis van de laatste honderd jaar niet meer naast kijken, als je tenminste met je ogen open leeft.

Spoiler alert: vrije meningsuiting is het recht om te zeggen wat je wilt, binnen een afgebakend wettelijk kader, maar het is niet de plicht van de media om álle meningen aan bod te laten komen. Een antivaxer uitnodigen in een tv-studio is altijd een slecht idee, vanwege het nonsensgehalte in zijn of haar betoog en de dodelijke desinformatie die op tien minuten verspreid kan worden; dat wil daarom niet zeggen dat zo’n kwibus die nonsens niet meer kan uitkramen. In het slechtste geval is er nog een zeepkist op de hoek van de straat, meestal dient Facebook of Twitter als zeepkist. Wie in onze westerse context klaagt over vrijheid van meningsuiting zegt eigenlijk: alleen mijn mening telt, en bij uitbreiding ook die van degenen die het met mij eens zijn. Ik heb nog nooit zoveel meningen gezien, gehoord of gelezen als het voorbije jaar, en dan heb ik mij nog af en toe proberen af te sluiten van die meningenwaterval. Te veel eerstewereldgeklaag is op den duur niet meer te harden. Het heeft iets pathetisch.

Ik vermoed dat de arme mensen die woensdag aan het woord kwamen in de Pano over het probleem om een betaalbare huurwoning te vinden, anders nooit aan bod komen. Je ziet hen niet aan tafel zitten in De afspraak. Je leest geen opiniestuk van hen in de krant. Je ziet hen niet, punt. En als je hen ziet, kijk je doorgaans de andere kant op. Je zult, bij wijze van spreken, eerder een mening lezen van een huisjesmelker dan van een van zijn slachtoffers. En het beleid heeft oog- en oorkleppen op, dan hoeven ze geen rekening te houden met de miserie. Ik herinner me een Vlaamse minister die wilde afgerekend worden op de halvering van de kinderarmoede. Ze faalde en mag zich vandaag als parlementsvoorzitter ‘eerste burger van de regio’ noemen. In de politiek heeft een beloning zelden te maken met uitzonderlijk goede prestaties. Ofwel word je weggepromoveerd en word je er financieel beter van, ofwel mag je ondanks persoonlijk falen gewoon aanblijven.

(Waarschuwing: de volgende paragraaf kan sporen van sarcasme bevatten.)

Arme herauten van de vrije mening, zij zijn natuurlijk veel meer te beklagen dan de mensen die nauwelijks een dak boven hun hoofd hebben, uitkijken op beschimmelde muren en geen nagel hebben om aan hun kont te krabben. Arme sukkels met een lade vol ongepubliceerde opiniebijdragen, zij zien vanzelfsprekend veel meer af dan een Afrikaan die zijn eerste vaccinatie zo rond sint-juttemis zal krijgen. Arme betweterige medeburgers, wat ben je met je betweterigheid wanneer die niet elke dag in elke krant op elke pagina gepubliceerd wordt, zij verdienen uiteraard meer onze aandacht dan de armoedige luizen die zich niet eens een tweedehands computer kunnen permitteren. Maar hé, de zeurpieten kunnen toch al terug naar de kapper, die heeft onze meningen al een tijdje niet meer mogen aanhoren.

Arm Vlaanderen.



Wat journalistiek zou moeten zijn

Journalistiek Posted on za, februari 13, 2021 11:26:31

(Acht opeenvolgende maandagen mag ik het college Cultuurjournalistiek geven aan masterstudenten Journalistiek op de Antwerpse campus Sint-Andries van de KU Leuven. Deze visietekst heb ik recent ook aan de studenten bezorgd: een persoonlijke reflectie op wat (cultuur)journalistiek zou moeten zijn. De tekst is samengesteld uit eerdere opiniestukken en blogposts, en aangevulde inzichten. Veel leesplezier!)

“Journalistiek,” zo definieert Wikipedia, “is het verslag doen van nieuws. Een journalist verzamelt en verwerkt het nieuws voor de lezer, kijker of luisteraar. Journalistiek is de discipline van het verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren van het nieuws. Een journalistiek bericht dient in eerste instantie antwoord te geven op de vragen wie, wat, waar, wanneer, waarom en hoe. (…) Er bestaan twee belangrijke vormen van journalistiek: de feiten zo neutraal en objectief mogelijk doorgeven, of ze juist duidelijk voorzien van commentaar.”

Dat zijn meteen een aantal aspecten door elkaar: verslag doen, verzamelen, controleren, rapporteren, analyseren. De 5 W’s (wie, wat, waar, wanneer, waarom) zijn al gepasseerd. Je kunt niet anders dan besluiten dat journalist een veelomvattend beroep is. En dat je op twee gedachten blijft hinken: ofwel ben je de neutrale waarnemer die zo objectief mogelijk verslag uitbrengt, ofwel neem je een duidelijk standpunt in en verlaat je even dat strikte streven naar objectiviteit. Journalisten moeten hun hele professionele leven met die spagaat leren om te gaan. Dat is niet makkelijk. Je moet afstandelijk en onpartijdig zijn, maar tegelijkertijd wordt er engagement en maatschappelijke betrokkenheid van je verwacht.

***

Afstand bewaren

Waarschuwing: het zal in deze tekst nauwelijks over cultuurjournalistiek gaan. Ik geloof namelijk niet in hokjes. Of je nu over kunst en cultuur schrijft of praat, of over sport, politiek of faits divers maakt in wezen geen verschil, hoe paradoxaal dit ook mag klinken, omdat een cantate van Bach bespreken toch niet te vergelijken lijkt met het verslag van een verkeersongeval. En toch gaat het om dezelfde stiel: verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren. Helaas wordt dat vaak vergeten. Sportjournalisten identificeren zich zodanig met hun onderwerpen dat ze geen afstand meer kunnen bewaren. Probeer dan maar eens kritisch te berichten over gevallen van doping of omkoping. Cultuurjournalisten hebben ook zo hun favorietjes: je zal maar een goeie band hebben opgebouwd met Jan Fabre en dan geconfronteerd worden met verhalen van seksueel misbruik door de man.  Of je bent mediajournalist en je vond die Bart De Pauw tot november 2017 toch zo’n geweldige gozer. Amerikaanse filmjournalisten die Harvey Weinstein ‘a jolly good fellow’ vonden, zullen daar allicht een heel klein beetje spijt van hebben sinds #metoo. (En toch moet je ook dan nog ruimte laten voor twijfel en de heren Fabre, De Pauw en Weinstein niet onmiddellijk op de figuurlijke brandstapel zetten. In die zin is er een overlapping tussen wetenschap en journalistiek: twijfel is in beide domeinen een fundamenteel uitgangsprincipe. Al moet je niet twijfelen over de goede bedoelingen van redacties die eenzijdig berichten over, bijvoorbeeld, de zaak-De Pauw. Die zijn er namelijk niet. Het gaat om de sensatie, de clickbait, de dagverkoop en, best mogelijk, hogere zakelijke belangen, zoals het samenwerken met controversiële, in opspraak gekomen figuren. Rechtspraak dient in een serene sfeer te kunnen verlopen, beïnvloeding is niet de taak van journalisten.)

Meestal wordt het probleem uit de vorige paragraaf subtiel opgelost: de verslaggeving wordt toevertrouwd aan iemand buiten de sector of met een andere specialiteit. Wat in mijn ogen neerkomt op een abdicatie. Het doet een beetje denken aan wijlen koning Boudewijn, de Belgische koning die in 1990 weigerde om de abortuswet te ondertekenen, omdat die indruiste tegen zijn (katholieke) geweten, waarop grondwetspecialisten het slimmigheidje bedachten om hem een dag regeeronbekwaam te noemen. De wet werd bekrachtigd, de koning kon zijn geweten sussen. Die hypocrisie kom je in de journalistieke wereld ook vaak tegen: collega’s die zich even onbekwaam achten om te schrijven over wanpraktijken in de branche waarin ze zich hebben gespecialiseerd. Meestal komt dat neer op: te laf om bewezen geachte wanpraktijken aan het licht te brengen, te bang om niet meer welkom te zijn in de in opspraak gekomen middens, te weinig onafhankelijk en onpartijdig om volwaardige journalistiek te bedrijven.

Als je in de stiel stapt om te bewonderen, zit je in de verkeerde stiel.

Als je in de stiel stapt om te bedonderen, eveneens.

Afstand bewaren is een conditio sine qua non in het beroep van journalist. Anderhalve meter is een goed begin, ‘social distancing’ is ook in de journalistiek een waardevol principe. Daarom is het niet goed dat je als politiek journalist bevriend raakt met een politicus, dat je als sportjournalist vrolijk whatsappt met je favoriete sportman of dat je als cultuurjournalist amicaal omgaat met een regisseur of actrice. Ooit bezorgt je dat gewetensproblemen.

Vergeet dus de term ‘cultuurjournalist’. Je bent in de eerste plaats journalist: cultuur is je speelveld. Niet onbelangrijk, maar je moet vooral verzamelen, controleren, rapporteren en analyseren. In diezelfde zin vind ik ook de term ‘onderzoeksjournalist’ niet zo gepast. Elke journalist moet onderzoeken. En uiteraard is er een verschil tussen een dagelijkse human interestreportage maken en maandenlang op zoek gaan naar verborgen informatie in de hoop dat je een ‘smoking gun’ vindt. Maar in wezen word je geacht dezelfde hoogstaande kwaliteit af te leveren.

***

Vrijemarktdenken

Vrijdag 3 mei 2013 zal menige Vlaamse hoofd- en eindredacteur zich in zijn of haar koffie verslikt hebben. Een honderdtal vermetele penvrienden van PEN, de Vlaamse afdeling van de internationale auteursvereniging waarvan de afkorting staat voor ‘Poets, Essayists & Novelists’, gaven die dag in De Morgen uiting aan hun bezorgdheid over de toestand van de media in onze contreien. De vrije meningsuiting is in het gedrang, schreven ze, de persvrijheid wordt uitgehold door, ik citeer, ‘een losgeslagen vrijemarktdenken’. Boven het stuk stond de ronkende titel ‘De vrije markt versmoort het vrije woord’.

De mannen en vrouwen van PEN eisten meer onderzoeks- en minder steekvlamjournalistiek, meer duiding en minder opiniëring, meer buitenland- en Europaberichtgeving, meer zelfregulering en meer inzicht in reële conflicten. Eisen die, als je ze even in hun context bekijkt, niet meer dan logisch en redelijk klonken. En toch was de reactie uit de sector hevig. Grosso modo waren er twee kampen: ‘Vroeger was het beter’ en ‘Vandaag is het beter’. Alsof het om een of/of-verhaal ging. Dus ga ik nu een poging wagen om op twee cruciale vragen een antwoord te geven. Was het vroeger beter? Is het nu goed?

Was het vroeger beter?

Neen, dus. Er werd inderdaad minder aandacht besteed aan futiliteiten, steekvlamjournalistiek bestond nog niet — eenvoudigweg omdat er veel minder media waren en er minder haast was bij het uitbrengen van nieuws — en het beroep van journalist genoot meer maatschappelijk aanzien, maar de politisering, verzuiling en autocensuur sloegen ongenadig toe.

Anderzijds hebben de mannen en vrouwen van PEN zelfs bijna een decennium na hun open brief gewoon gelijk, wanneer ze stellen dat er vandaag te weinig onderzoeksjournalistiek is, te weinig duiding en te veel opiniëring, te weinig buitenland- en Europaberichtgeving, te weinig zelfregulering en onvoldoende inzicht in reële conflicten.

Gaat het vandaag goed met de journalistiek?

Eind jaren zeventig van de vorige eeuw waren de media hopeloos gepolitiseerd, verankerd en opgesloten in de verzuiling die de hele Belgische samenleving toen gijzelde. Een katholieke krant liet zich de les spellen door de katholieke partij, de katholieke vakbond en de katholieke mutualiteit. Idem dito bij de liberalen en de socialisten. Begin jaren tachtig kwam de kentering. De Standaard nam iets meer afstand van de CVP (de voorloper van CD&V), Het Laatste Nieuws groeide uit tot een populaire en soms ietwat populistische krant nadat het de banden met de liberale partij had doorgeknipt, en De Morgen, als opvolger van de teloorgegane Volksgazet, ruziede openlijk met de socialistische familie. Onafhankelijkheid werd het nieuwe adagium. De politiek en het sociale middenveld reageerden onwennig.

Die anti-verzuilingsbeweging nam almaar meer toe in de jaren tachtig en negentig. Ook bij de openbare omroep, waar ‘kleurloze’ managers de plaats innamen van partijvazallen, die alleen maar een hoge positie mochten bekleden omdat ze de juiste partijkaart hadden, versta: ze waren aanhankelijk aan een partij die op dat ogenblik in de regering zat. Niet dat er vanaf dan geen onrechtstreekse beïnvloeding meer was — de BRTN was maar één boos telefoontje van het partijhoofdkwartier verwijderd — maar al te gekleurde berichtgeving werd niet meer geaccepteerd, door de journalisten én door het publiek.

De grote omslag kwam er in 1996. Je mag gerust stellen dat de zaak-Dutroux op vele vlakken onze samenleving heeft veranderd. De man in de straat had plots veel minder vertrouwen in officiële communicatie, nam de overheid openlijk op de korrel en gedroeg zich balorig in het stemlokaal. Gevolg: het politieke landschap raakte hopeloos versnipperd. De traditionele politieke families bleven zich lang gedragen als struisvogels, in de waan dat die rare verkiezingsuitslagen een tijdelijk fenomeen waren. En de uitdagers grepen hun kans.

Zoals dat wel vaker gaat is de slinger nu de andere kant op geslagen. Waar de media dertig jaar geleden nog ‘uitblonken’ in brave, saaie, gecontroleerde berichtgeving, kiezen ze nu voor een overdreven populistische aanpak. Faits divers zijn de norm geworden, het buitenland is een ver-van-ons-bedshow, de waan van de dag regeert. Het goede van de politieke ongebondenheid en het einde van de verzuiling hebben plaatsgemaakt voor het slechte van de louter commerciële aanpak en de clickbait. Drie decennia geleden keken politici en journalisten neer op de burger, vandaag laten ze zich de wet dicteren door diezelfde burger. Het ene kwaad is vervangen door het andere.

Het omslagpunt ‘1996’ viel ook ongeveer samen met de intrede van de marketeers op de redactievloeren. Marketing was geen nuttig, ondersteunend departement meer, neen, radio- en tv-programma’s en de hele schrijvende pers werden plots gedomineerd door vlotte boys & girls die het allemaal beter wisten en dat probeerden te staven aan de hand van grafiekjes en allerhande studietjes. Alles werd gecensydiamiseerd — met alle respect trouwens voor een bureau als Censydiam, maar je mag de rol van onderzoeksbureaus nooit overschatten, net zoals je marketeers moet duidelijk maken dat hun rol ondersteunend is en niet leidinggevend.

Marketeers hebben de marktratio opgedrongen en tegelijkertijd het buikgevoel weggenomen. Alles is nu geformatteerd. Het gevolg is, merkwaardig genoeg, dat de media vandaag opnieuw braaf, saai en gecontroleerd bezig zijn, net als in de ‘goede oude tijd’ van de politisering en verzuiling. Alleen zijn ze nu niet meer afhankelijk van partijbonzen, vakbonden en andere gezagsdragers, maar gaan ze plat op de buik voor wat het publiek wil. Althans: voor wat marketingstudies hebben uitgewezen dat het publiek zou willen. Belangrijke nuance!

Of dat een gevolg is van een ‘losgeslagen vrijemarktdenken’, zoals de ondertekenaars van de PEN-petitie beweren, laat ik even in het midden. Hun stelling dat de vrije markt het vrije woord versmoort verdient aandacht, maar ook kritische reflectie. Het zou al te makkelijk zijn om iets ontastbaars (de vrije markt) de schuld te geven van iets aards (populistische media).

Een kwarteeuw geleden zat de wereld van de journalistiek veel eenvoudiger in elkaar. Geen internet, geen sociale media, de koek werd netjes verdeeld: het snelle nieuws zat — in die volgorde — op radio en televisie, werd dan uitgediept en aangevuld in de kranten en vervolgens geanalyseerd in de weekbladen. Dagbladen brachten nog echt nieuws: dingen die je nog niet wist de dag voordien. Weekbladen pakten geregeld uit met een primeur. Dat is verleden tijd, want vandaag wordt alles onmiddellijk op het internet gepleurd. Je kan een hoge boom opzetten over de mate van betrouwbaarheid van de meeste van die berichten, maar je kan niet ontkennen dat de vele duizenden nieuwssites het DNA van de schrijvende pers grondig hebben verstoord.

Alleen… zien hoofdredacties dat nog veel te weinig in. Net als politici van de traditionele partijen jarenlang hun kop in het zand hebben gestoken, blijven redacties geloven dat deze informatiehype van voorbijgaande aard is. Kranten en weekbladen zouden vandaag de dag meer dan ooit moeten investeren in onderzoeksjournalistiek, duiding en inzicht in reële conflicten. Daar ligt hun kans om relevant te blijven, hun mogelijkheid om te overleven, hun inhoudelijke én commerciële uitdaging om het verschil te kunnen maken. Meer nog: daar ligt hun taak. Slechts mondjesmaat beginnen redacties dat te beseffen.

***

Worden journalisten ernstig genomen?

In de zomer van 2015 deden ze bij gentenaar.be een oproep: ze zochten een liefhebber van dancemuziek die voor de site verslag zou uitbrengen van Klankfest, een dancefestival dat zou plaatsvinden in het Gentse cultuurcentrum Vooruit. De gelegenheidsjournalist zou twee tickets ontvangen voor tien dagen (ter waarde van 328 euro) en moest dan elke dag een stukje schrijven. Gratis. Een op het eerste gezicht aantrekkelijk maar ook bijzonder giftig cadeau, want je geeft minstens 32,8 euro per dag uit aan drank en eten, dus eigenlijk moest je betalen om je gedurende anderhalve week verslaggever te mogen noemen.

328 euro, dat was een bescheiden kost voor gentenaar.be. Die tickets hadden ze wellicht gratis gekregen van de organisator (‘accreditatie’, heet dat), kostprijs dus in realiteit nul euro. Die verslagjes — hoe krakkemikkig geschreven ook — kostten eveneens nul euro. Occasionele dt-fout, ach, wie maalde erom, het ging om dance, niet om een essay over een heel moeilijk onderwerp. En het was, laten we wel wezen, máár een website, met excuses voor mijn cynisme. Een freelancer ernaartoe sturen kostte zelfs in crisistijden waarin alles en iedereen als een citroen wordt uitgeknepen — freelancejournalisten op kop — meer dan 328 euro voor tien dagen. Tel uit je winst!

Ik heb me toen heel boos gemaakt. Journalistiek wordt in dit fijne land bij de Noordzee hoe langer hoe meer als een uit de hand gelopen hobby beschouwd en wie betaalt er nu voor een vrijetijdsbesteding? Journalistiek is in Vlaanderen onderdeel geworden van een bucket list: wat heb je vandaag gedaan, o, ik heb een stukje laten publiceren in de krant, tof, ik wil dat ook doen! Journalistiek kampt met een negatief imago: is het dan wel een goed idee om het toe te vertrouwen aan amateurs? Ik dacht het niet.

Journalistiek is een vak, dat traditioneel bedreven werd en — gelukkig nog in de meeste gevallen — wórdt door professionals. Ze lopen soms wat nukkig rond, zijn een tikkeltje arroganter dan de doorsnee burger, hebben een air van hier tot in Tokio, zijn uiteindelijk niet altijd even bekwaam, kortom: niets menselijks is journalisten vreemd. Het zijn mensen die iets kunnen — analyseren, synthetiseren, de juiste vragen stellen, een verstaanbaar stukje schrijven in een heldere taal — dat andere mensen niet kunnen, maar dat is niet erg, want die andere mensen kunnen dan weer dingen die die journalist niet kan. Laat mij niet behangen of een waterleiding herstellen, bijvoorbeeld, maar ik kan er wel iets over schrijven. Ieder zijn métier.

Ik heb op zich niets tegen burgerjournalistiek. Ik vind het goed dat individuele burgers problemen of bijzondere voorvallen signaleren aan de pers, al heb ik wel geregeld bedenkingen bij de manier waarop. Vaak is het niet veel meer dan buurtje-pesten. Als die burger zijn semi-journalistieke bijdragen tot de mensheid dan ook nog eens onverkort kan laten opnemen in een medium, zitten we helemaal verkeerd. Een vak is een vak, een vakman is een vakman. Vraag me niet als behanger, zelfs niet wanneer ik mij gratis aanbied. Uw behang zal schots en scheef hangen, en na er twee weken goedwillend naar gekeken te hebben, zult u alsnog een specialist inhuren, tégen betaling, met nieuw behangpapier, waardoor u meer zult betalen dan oorspronkelijk de bedoeling was. Bij elke bijdrage van een niet-geaccrediteerde burgerjournalistiek hoort dan ook een redactionele controle (is dit, voor zover we dat kunnen inschatten, waarheidsgetrouw?) en een waarschuwing aan het publiek: ‘Dit stuk werd ons aangeleverd’.

Maar goed, of je nu voor of tegen amateuristische nieuwssites, burgerjournalistiek of nieuwsverspreiding via sociale media bent: ze zijn er, en ze zijn niet van plan snel te verdwijnen. Dus heeft het ook geen zin om te doen alsof ze er niet zijn, te hopen dat de bui zal overwaaien of — veel erger nog — te mijmeren over hoe het vroeger was.

***

Dokters Frankenstein

Traditionele en nieuwe media staan onder druk. Bij het minste wordt er fake news geroepen. Sommige sites specialiseren zich zelfs in het verspreiden van halve waarheden of hele leugens, en dat straalt ook af op de koosjere medewerkers in de sector.

Als een onderbetaalde copy/paste-redacteur onder druk van een in zijn nek hijgende eindredacteur een artikel bijeen jat en het halsoverkop de wijde wereld instuurt om toch maar de eerste te zijn met een niet gecontroleerd bericht, dan komt dat de reputatie van de hele journalistieke wereld allesbehalve ten goede. Waarna collega’s van de copy/paste-jongen (m/v/x) vervolgens diens informatie recycleren voor een ‘eigen’ slordige bijdrage. Ad infinitum.

Dat is de hapsnapwereld waarin we beland zijn: de eerste zijn is belangrijker geworden dan correcte en de meest volledige informatie brengen, en als je niet de eerste bent, moet je de mediagebruiker wijsmaken dat dat wél zo is. Stilstaan bij wat we doen en hoe we dat doen zit er nauwelijks nog in. Nadenken evenmin. Dat gaat ten koste van de geloofwaardigheid van het beroep.

Een voorbeeld uit het dagelijkse persleven van begin 2018. Student richt een Vlaams-nationalistisch, extreemrechts actiegroepje op. Dat geniet alleen in beperkte kring enige bekendheid. De jongen spreekt zich via de sociale media uit over de geslachtsverandering van een journaliste bij de commerciële omroep; dat we dit allemaal niet zomaar normaal moeten vinden. Wordt plots opgevoerd in een duidingsmagazine als iemand met een uitgesproken mening over de transgenderproblematiek. Wakkere journalist op een andere redactie denkt: hé, wie is dat en wie is dat clubje dat hij vertegenwoordigt? Hij gaat op onderzoek. Andere journalist gaat de jongeman interviewen. Geeft hem verschillende pagina’s in een prestigieus weekendmagazine. Een forum, zeg maar. Een half jaar later heeft de wakkere journalist zijn reportage klaar. Spraakmakend, onthullend, verbijsterend. Journalistiek op topniveau. Relevant. Maar de student weet zijn aanhang nog uit te breiden. En krijgt nóg meer persaandacht. En wordt dan aangekondigd als lijsttrekker van een extreemrechtse partij. Krijgt vervolgens weer uitgebreide persaandacht en gebruikt die om in te hakken op de media die hem die aandacht hebben gegeven.

Als we over Dries Van Langenhove praten — want over hem gaat het in de vorige paragraaf — moeten we vaststellen dat sommige media zich gedroegen als Dokters Frankenstein en een eigen monstertje hebben gecreëerd. Goed dat het fascistoïde clubje ontmaskerd is — niet dat het helpt, de populariteit stijgt alleen maar, maar dat kan je de wakkere journalist niet euvel duiden: hij heeft zijn job gedaan (híj wel!). Maar waarom moest dat jonge heerschap worden opgevoerd omdat hij een mening had over transgenders? Wat is zijn expertise? Wat is zijn maatschappelijke visie hierop? Hij heeft er geen, hij uit gewoon een populistische mening, zoals honderden, misschien wel duizenden Vlamingen hebben gedaan nadat die journalist aankondigde dat hij een zij zou worden.

Zijn wij, de pers, de media, nu enkel nog dragers van de meest onzinnige boodschappen? Zijn we masochisten geworden? Zijn we onze eigen overbodigheid aan het ensceneren?

Neem nu de twee betogingen in december 2018: de Klimaatmars (65.000 deelnemers) en de Mars tegen Marrakesh (5.500). Ik heb zelf even de moeite gedaan om de media-aandacht van die twee manifestaties te vergelijken. Over de Klimaatmars werden op zondag 2 december 25 stukken gepubliceerd en op maandag 3 december 18, samen goed voor 15.838 woorden. Niet overal stond de Klimaatmars prominent op de voorpagina. Over de Mars tegen Marrakesh — tégen het pact van de Verenigde Naties om migratie beter te reguleren — werden op zondag 16 december 44 stukken gepubliceerd en op maandag 17 december 20, samen goed voor 26.919 woorden. Overal stond de mars prominent op de voorpagina.

Een paar conclusies hieruit.

1. De pers focust te veel op het negatieve. Mars ’tegen’. Gewelddadigheid. Hooligans.

2. De pers focust te veel op controverse. Die saaie pieten en mieten van #ClaimTheClimate, met hun eeuwige bakfietsen en hun aandacht voor de toekomst! Neen, dan liever die frisse jongens van Schild & Vrienden, die altijd weer iets zeggen dat lekkere koppen en luidruchtige toogdiscussies oplevert.

3. De pers focust te veel op makkelijk populisme en pompt dat vervolgens nog eens op. Die Mars tegen Marrakesh had perfect op pagina 7 gekund, 30 lijnen met daarnaast een foto van het geweld achteraf. Meer zijn 5.500 mensen niet waard. Dat is ongeveer 0,05 procent van de Belgische bevolking, terwijl de organisatoren beweren dat ze het hele volk vertegenwoordigen. Quod non.

4. De pers is dringend toe aan gewetensonderzoek. Ik wil hier niet pleiten voor ‘constructieve journalistiek’, vanwege de oubolligheid van die term, die bovendien lijkt te veronderstellen dat je alléén nog maar het positieve moet zien. Nogal naïef. Maar we stevenen af op destructieve journalistiek, berichtgeving die uitsluitend de waan van de dag volgt, herrie veroorzaakt of versterkt, bruggen helpt op te blazen, populisten populairder maakt, de samenleving in al zijn gewrichten doet kraken. Dat kan ook niet de bedoeling zijn. Waar is onze kritische zin naartoe?

Journalisten moeten weer meer onderzoeken en blootleggen, media moeten geen megafoons aanreiken aan de luidste roepers en de strafste tafelspringers, maar aan de interessantste stemmen in de samenleving, hoe zoetgevooisd en bedeesd die soms ook klinken. De coronacrisis maakt duidelijk dat er heel wat échte experten zijn. Hun stem zou vaker mogen weerklinken, ook buiten crisismomenten. Máár, voeg ik er meteen aan toe, alleen over hún vakgebied.

***

Wij zijn volksvertegenwoordigers

Noem me ouderwets, maar ik vind dat journalisten, eindredacteuren, hoofdredacteuren en uitgevers wat meer ballen moeten tonen. Wij — en in de toekomst hopelijk ook jullie, studenten van nu — zijn de professionals, wij moeten beoordelen of iets of iemand nieuwswaardig is, iets toevoegt aan een maatschappelijk debat, relevant is. Wij moeten naar eer en geweten, zo onpartijdig en onafhankelijk mogelijk, met de nodige afstand knopen doorhakken: waar besteden we onze nog altijd beperkte ruimte aan? Dat is onze verdomde job, daarvoor worden we betaald.

Aan een loodgieter wordt toch ook niet gevraagd om de klussende buurman inspraak te geven wanneer hij een lek komt dichten? De bakker laat toch niet toe dat de handige buur mee taartjes komt bakken, omdat die dat zo goed doet als er een familiefeestje is? Staat de notaris toe dat lieden die weleens een juridische tekst in de verte hebben bekeken, zelf een akte komen opstellen?

Blijkbaar zijn politici en journalisten tegenwoordig de enigen die hun taak uit handen hebben gegeven: ze laten zich voeden door populisme. De schreeuwende vox populi is meer de norm geworden dan de bedaarde stem van experten. Omdat we zo graag hebben dat het botst, dat er controverse van komt, dat we de dagen nadien nog iets hebben om over te schrijven en te praten. Het is zó makkelijk, in de meningenfabriek wordt elk uur van de dag wel iets geroepen. Uitzonderlijk is dat geniaal en bruikbaar voor de samenleving, soms nuttig, meestal overbodig en irrelevant.

***

Politici en journalisten moeten weer ergens voor staan: een visie, een voldragen mening, beroepsethiek, een zekere vorm van verhevenheid in het domein waarin ze gespecialiseerd zijn. Wij zijn volksvertegenwoordigers: de ene legitiem, want verkozen, de andere eveneens legitiem, want professioneel geschoold of door ervaring stielman geworden, en daardoor in staat geacht om het belangrijke te onderscheiden van het belangwekkende (en het futiele). Zijn we perfect? Verre van. Lopen er charlatans rond in de stiel? Wees gerust, knoeiers lopen overal rond, ook onder de loodgieters, bakkers en notarissen. Daarom moet je de stiel nog niet laten bederven of jezelf niet meer ernstig nemen.

We moeten, kortom, ons vak weer opeisen, en dat geldt zowel voor de ‘ouderwetse’ krant als voor de hipste nieuwe site.

De media laten zich te vaak ringeloren. Hoe harder extremisten brullen dat ook zij aan bod moeten komen, hoe groter de kans dat ze dat uiteindelijk ook zullen mogen. Ooit was er een cordon médiatique tegen vertegenwoordigers van het Vlaams Blok — de partij die sinds 2004 Vlaams Belang heet — in de Vlaamse pers: ze kwamen nauwelijks aan bod. Een kwarteeuw later gaat er geen dag voorbij, of er is een Vlaams Belang’er uitgebreid aan het woord gekomen. Geen van beide keuzes is verdedigbaar: de eerste omdat je zo ook een cordon sanitaire rond de kiezers van die partij legt, wat in een democratisch bestel ongezond is, de tweede omdat je extremisme salonfähig maakt. Gezond verstand is een kwestie van afwegen. En niet zomaar toegeven aan externe druk: noem het gerust pretentieus, maar die pretentie moeten hoofd- en eindredacteuren en journalisten durven te hebben. Al te extreme uitlatingen moeten we blijven beperken tot het kringetje waar ze ontstaan zijn.

De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994), die zichzelf een kritische rationalist noemde, ging daar in zijn beroemde boek The Open Society and its Enemies (1945) uitgebreid op in via zijn ‘paradox van tolerantie’. Een van de onverwachte vijanden van de open samenleving is een verdraagzame attitude tegenover onverdraagzaamheid, schreef hij. In Poppers definitie: ‘Onbeperkte tolerantie moet leiden tot het verdwijnen van tolerantie. Als we ongelimiteerd tolerant zijn, zelfs jegens hen die zelf intolerant zijn, als we niet bereid zijn een tolerante samenleving te verdedigen tegen de aanvallen van de intolerante medemens, dan zal de tolerante mens te gronde gaan, en met hem de tolerantie.’

***

Vervrouwelijking van het beroep

Via deze lange omweg kom ik opnieuw bij het vertrekpunt uit. Verzamelen, controleren, rapporteren, analyseren. Journalisten hebben een cruciale taak in de samenleving. Zoals in een gezondheidscrisis de zorgsector eindelijk ten volle gewaardeerd wordt, zo mag ook de journalistiek weleens een schouderklopje krijgen. Al moet de journalist dat dan wel verdienen.

Van een hoofdzakelijk mannelijk beroep is journalistiek geëvolueerd naar een betere maar nog niet voldoende representatieve weerspiegeling van de samenleving. De vervrouwelijking van het vak is een fantastische zaak, net zoals het geweldig zou zijn, mochten er meer mensen met een andere huidskleur en een andere culturele, religieuze en maatschappelijke achtergrond opduiken in het vak. Sinds een jaar of twintig hebben we vrouwelijke hoofd- en eindredacteuren, vrouwelijke politieke journalisten, hier en daar zie je een vrouwelijke sportjournalist opdoemen — daar moet de inhaalslag nog gebeuren. Ook cultuurjournalistiek is veel te lang een mannelijk bastion gebleven: pijp rokende, blanke mannen van middelbare leeftijd die alles beter wisten. Vroeger was het heus niet beter…

Toen ik zelf de studentenbanken net ontvlucht was, hanteerde ik voor mezelf een definitie van kunst die, achteraf bekeken, heel begrensd was. Ik zag kunst als iets dat ik zelf niet had kunnen maken. Dat was niet alleen bijzonder beperkend ten opzichte van mezelf — want ik zou wel nooit in staat zijn om ook maar iets te kunnen produceren dat binnen die definitie paste! —, maar ook ten opzichte van kunstenaars. De 25-jarige ik begreep niet dat een schilderij van Mark Rothko geestelijk genot kon bezorgen. Eén, hooguit twee kleuren of tinten, wat heb je daar nou aan? Vandaag kijk ik naar Rothko en sta ik in stille bewondering voor de kracht die uitgaat van zijn monochrome schilderijen. Ik word weleens emotioneel door ernaar te blijven kijken. Schoonheid heeft honderden definities, maar geen enkele komt in de buurt van je eigen beleving. Kunst kan op tientallen manieren gedefinieerd worden, de ene definitie al intelligenter dan de andere, en toch weegt dat niet op tegen het eenvoudige kijken en ondergaan.

Open staan voor het voorheen onbekende is een eigenschap die elke journalist zou moeten bezitten. Het is een vorm van beschaving. Journalisten oefenen het mooiste, het moeilijkste, het meest uitdagende, het felst bekritiseerde, het minst gewaardeerde, het grootste persoonlijk genot verschaffende, het frustrerendste, het nuttigste beroep uit. Net als alle anderen. We zijn ook maar mensen.



« VorigeVolgende »