Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

“Waarom bestaat die rassenhaat nu nog?”

Geschiedenis Posted on vr, mei 23, 2014 07:00:12

Eén overlevende is er nog van de gruwelijke
experimenten die de nazi’s tijdens de Tweede Wereldoorlog uitvoerden op
zigeunerbaby’s. Rita Winterstein-Prigmore heet ze. Haar verhaal werd door de
Oost-Vlaamse auteur Koenraad De Wolf opgetekend in het boek ‘Blauwe ogen’. Ze
ziet het op haar 71ste als haar missie om overal te gaan vertellen waartoe
rassenhaat kan leiden. “Hoe is het toch mogelijk dat een intelligent volk
dat Bach, Händel en Beethoven heeft voortgebracht, kon luisteren naar een
idioot als Hitler?”

De experimenten van
Mengele

Dat er zes miljoen joden gestorven zijn in de
uitroeiingskampen van de nazi’s is alom bekend. Dat er ook een half miljoen
zigeuners werden gedood op plekken als Auschwitz is dat veel minder. Zigeuners
werden door het Hitlerregime als Untermenschen behandeld en wie ongezond of te
mager was of andere afwijkingen vertoonde ten opzichte van wat de nazi’s als de
norm beschouwden, moest het doorgaans met zijn leven bekopen.

In 1942 vaardigden de nazi’s een maatregel uit waardoor
zigeuners verplicht werden om zich te laten steriliseren. De 21-jarige Theresia
Winterstein, half Sinti-zigeunerin, half Duits, had net onder dwang het
document ondertekend waarin ze zich inschreef voor die ingreep, toen ze zwanger
raakte van een tweeling. Normaal zouden de nazi’s haar tot abortus hebben
gedwongen, maar een tweeling was voor hen interessant om onder het mom van de
wetenschap experimenten op uit te voeren.

Professor Werner Heyde voerde die plichtsgetrouw uit in het
ziekenhuis van Würzburg, in Beieren, de woonplaats van de Wintersteins. Heyde
stond onder direct bevel van de beruchte Josef Mengele, die van Hitler de vrije
hand had gekregen om te experimenteren op kinderen en patiënten en daardoor de
bijnaam ‘Engel des Doods’ toebedeeld kreeg. ‘Studie van de erfelijkheidsleer’
heette dat programma omfloerst. Het was de bedoeling om van in de ogen van de
Duitsers ondergeschikte rassen perfecte Ariërs te maken: blond en met blauwe
ogen. Zij moesten daarnaast het sterftecijfer op het front compenseren.

Hoewel alle officiële documenten aan het eind van de oorlog
werden vernietigd, wordt verondersteld dat er in heel Duitsland op drieduizend
zigeunertweelingen experimenten werden uitgevoerd. Als er dan al een kind bij
hoge uitzondering deze waanzin overleefde, stierf het niet zo lang na de oorlog
aan de gevolgen van deze praktijken. Op één na.

Rita en Rolanda

Op 3 maart 1943 beviel Theresia Winterstein van twee
meisjes: Rita en Rolanda. Vier weken later werden haar haar kinderen afgenomen.
Rolanda stierf kort daarna, als gevolg van het inspuiten van methyleenblauw om
haar ogen Arisch blauw proberen te maken. Rita overleefde die ingreep
ternauwernood. Op een dag kon Theresia Rita even onder het waakzaam oog van de
dokters buitensmokkelen om haar snel te laten dopen in een nabij gelegen kapel
die ironisch genoeg Sint-Ritakapel heette.

Boven het linkeroog van Rita werd om een nu nog altijd
onverklaarde reden een gat geboord, waardoor ze haar hele leven lang last heeft
gehad van haar gezondheid. Migraine, hoofdpijn, astma, bronchitis. Ze kon pas
op haar achtste naar school gaan en moest al op haar veertiende weer stoppen.

“Van mijn eerste levensjaren herinner ik me helemaal
niets meer”, zegt Rita Winterstein 71 jaar later in de Antwerpse gebouwen
van de Sint-Egidiusgemeenschap, waarvoor ze vrijwilligerswerk doet. “Mijn
vroegste herinnering is dat ik op mijn vijfde altijd ziek was. Ik viel de hele
tijd flauw. Als mijn grootouders en mijn moeder aan het praten waren, klonk dat
altijd heel ver weg. Pas toen ik tien was ontdekte een dokter dat ik een
litteken achter mijn oog had, maar hij wist niet van waar dat kwam. Mijn moeder
wilde er niet op ingaan en ik stelde me verder geen vragen. Iedereen in mijn
familie ging ervan uit dat ik niet ouder dan zestien of zo zou worden.”

Geweldige schok

Rita probeerde een zo normaal mogelijk leven op te bouwen en
trouwde al op jonge leeftijd met een Amerikaanse militair, George II Prigmore.
Ze kreeg kort na elkaar twee kinderen: een zoon, George III, en een dochter,
Sherry. In de Verenigde Staten bouwde ze in de jaren zestig en zeventig een
nieuw leven op en ook haar gezondheid leek lange tijd stabiel te zijn.

Tot ze in 1973 tegen een boom reed, nadat ze achter het
stuur was flauwgevallen. Haar moeder kwam overgevlogen uit Duitsland, en kon
niet anders meer dan huilend opbiechten wat er met haar gebeurd was tijdens de
oorlog, ook al kende ze zelf de details niet van wat de nazi’s hadden
aangericht.

“Dat was een geweldige schok. Ik was teleurgesteld en
boos. Maar ik begreep mijn moeder wel: ze dacht dat ik niet lang zou leven en
wilde me die ellende besparen. Sinds dat moment ben ik de Duitsers beginnen
haten. Niet daarvoor, neen. Ik had met hen gespeeld op school, ik had Duitse
vriendjes, ik vond dat normaal. Van het ene op het andere moment waren ze de
slechteriken voor mij.”

Rita kon het haar moeder vergeven dat ze zo lang had
gezwegen. Haar man, een Amerikaanse militair, wilde dat niet. Het was het begin
van het einde van hun huwelijk.

Herrenras in stand
houden

Het zou nog tot 1988 duren, 43 jaar na het einde van de
Tweede Wereldoorlog, alvorens Rita en haar moeder tegemoetkomingen kregen van
de Duitse staat. “Duitsland wilde niet erkennen dat zoveel zigeuners
slachtoffer waren van de nazi’s”, vertelt ze. “En de rechtspraak was
in handen van rechters die nog onder de nazi’s hadden gediend. Dat verklaart
alles. Veel hooggeplaatste functionarissen uit het nazitijdperk bleven gewoon
zitten op hun hoge posten. Ook dokters die experimenten op kinderen hadden
gedaan, ja.”

Ze weet nu ook waartoe die experimenten van toen dienden.
Die pasten in wat de nazi’s een ‘studie van de erfelijkheidsleer’ noemden.
Onder leiding van dokter Josef Mengele moesten er kinderen worden geproduceerd
die eruit zagen als model-Ariërs: blond met blauwe ogen. “Het Herrenras moest in stand gehouden
worden. Dus werd er methyleenblauw ingespoten.”

“Als ik vandaag Duitse jongeren in de trein bezig hoor
met hun racistische opmerkingen over Turken, Arabieren, joden en zigeuners, dan
krimp ik in elkaar. Hoe is het toch mogelijk dat een intelligent volk dat Bach,
Händel en Beethoven heeft voortgebracht, kon luisteren naar een idioot als
Hitler, die er met zijn onnozele snor zelf een beetje uitzag als een zigeuner,
en hem zodanig blind volgen in zijn rassenhaat dat ze zelf hun medemensen
vermoordden of verraadden? En waarom bestaat die haat ook nu nog? Ik begrijp
dat niet. Daar kan ik me zo kwaad om maken: waarom laat Merkel toe dat er
neonazi’s actief zijn in Duitsland?”

“Ik ben er trots op Sinti te zijn”, zegt ze. “Weet
je, een zebra geeft ook zijn strepen niet af. Ik ben wie ik ben, zelfs al zou
dat betekenen dat ik ooit in een concentratiekamp zou belanden. Ze hebben ons
gepest, opgejaagd en weggevoerd, maar ze hebben ons niet kunnen uitroeien.”

Op bezoek in
Auschwitz

Haar moeder Theresia stierf in 2007, ze werd 85. Twee jaar
geleden bezocht Rita Winterstein voor het eerst Auschwitz. Met tegenzin. In dat
kamp stierven vele familieleden van haar. “Ik wou liever niet gaan, maar
er was een tachtigjarige doodzieke man uit Würzburg die geen familie meer had
om mee te gaan naar die verdoemde plek. Dan ben ik maar meegegaan. Een
verschrikkelijke ervaring! Toen ik al die namen van de slachtoffers las op de
muur en er Winterstein zag tussen staan, stortte ik in. Achteraf ben ik nog
twee keer teruggekeerd. Nu zie ik het als iets dat ik moest doen, een soort
genezingsproces.”

In juli vorig jaar ontving Winterstein de Vredesprijs van de
stad Würzburg, haar geboorteplaats. Eindelijk erkenning, al krijgt ze er haar
leven niet door terug en sukkelt ze ook nu nog constant met haar gezondheid. “Ach,
dat is al zo lang geleden, hoor ik mensen af en toe zeggen. Onbegrijpelijk! Dat
klinkt als al die nazi’s die na de oorlog het verleden probeerden te begraven
en er nog mee weg kwamen ook.”

Een definitieve terugkeer naar de Verenigde Staten, waar
haar kinderen en kleinkinderen wonen, is het laatste grote doel van haar leven.
Maar eerst wil ze overal ter wereld getuigen en jongeren duidelijk maken tot
wat de nazi’s in staat waren. “Ik zie dit als een missie om vrede te
bewerkstelligen. Soms hoor ik racisten roepen: ‘We hebben een nieuwe Hitler
nodig om onze straten op te kuisen!’. Hoe wreed kan een mens zijn? Dat doet
pijn. Zo lang God me de kracht geeft, wil ik overal gaan vertellen wie ik ben
en wat ik heb meegemaakt.”

Rita
Winterstein-Prigmore en Koenraad De Wolf, Blauwe ogen. De laatste overlevende
van de nazi-experimenten getuigt, Uitgeverij Lannoo, 232 blz., 17,99 euro.

***

Auteur Koenraad De Wolf:

“Democratie moet
tegen zichzelf beschermd worden”

Koenraad De Wolf maakte de oorlog niet zelf mee. Hij werd
geboren in 1956, schreef ondertussen al 35 boeken, maar ‘Blauwe ogen’ is pas zijn
eerste roman. “Het is de Sint-Egidiusgemeenschap die me heeft gevraagd om
het levensverhaal van Rita Winterstein te schrijven. Ik ben haar dan gaan
opzoeken in haar armoedig appartementje in Würzburg, dat volstond met
archiefdozen met foto’s van haar familie. Door haar slechte gezondheid kan ze
niet meer in een woonwagen leven, hoewel ze dat eigenlijk liever zou willen. Ik
ben daarna lessen creatief schrijven gaan volgen, omdat ik wist dat een zuiver
historisch werk onvoldoende aandacht zou krijgen. Daarom heb ik me omgeschoold
tot romanschrijver.”

De ondertitel van zijn boek luidt ‘De laatste overlevende
van de nazi-experimenten getuigt’. Hoe zeker is hij dat er geen andere Rita
Wintersteins meer rondlopen? “99,99%. Ik heb uitgebreid opzoekwerk gedaan
en ben nergens op andere Sinti gestuit die als jong kind tijdens de oorlog misbruikt
werden voor nazi-experimenten en die nu nog leven.”

Met zijn website www.holocaustrevisited.com wil De Wolf ook
waarschuwen voor een nieuwe opmars van extreem-rechts. “We moeten met
harde hand respect afdwingen voor de Universele Verklaring voor de Rechten van
de Mens. Als je ziet hoe die zwarte ministers in Frankrijk en Italië recent
werden beledigd, dat is je reinste racisme. En daar wordt dan ook nog eens
vrolijk over gedaan. Dat is de totale apathie: iedereen laat maar betijen. Hallucinant!
De democratie moet tegen zichzelf beschermd worden.”



Rwanda

Geschiedenis Posted on di, april 08, 2014 13:39:14

‘De mens, ge kunt gij daar niet aan uit’. De slotzin uit Gerard
Walschaps roman Tor spookt dezer
dagen door mijn hoofd, als ik opnieuw de gruwelijke beelden uit Rwanda zie.
Twintig jaar geleden en nog zo vers in het geheugen. De Rwandese president
Kagame beschuldigt België en Frankrijk ervan dat ze met hun koloniale denken en
hun strikte opdeling in Hutu’s en Tutsi’s uit de jaren dertig van de vorige
eeuw mee aan de basis liggen van de genocide die ruim een halve eeuw later achthonderdduizend
mensen wegmaaide. Letterlijk: wegmaaide.
Met machetes, de Kalasjnikovs van de arme Afrikanen.

Kagame zou wel eens gelijk kunnen hebben, al is hij niet de
aangewezen persoon om anderen met de vinger te wijzen, wegens zelf allicht mee
verantwoordelijk voor de dood van Hutu-president Habyarimana en diens Burundese
collega op 6 april 1994, daarna een dubieuze rol spelend in de dodelijke dagen
die volgden.

Maar het gaat nu even niet over Paul Kagame, de man krijgt
al genoeg aandacht op dit moment. Het gaat over de mens, of die nu Rwandees,
Chinees, Mongools, Venezolaans of Belgisch is. Vlaams mag ook, ja. De mens: de
enige diersoort met een hogere vorm van intelligentie, zin voor humor, relativeringsvermogen,
mededogen. Waar was de intelligentie in die tweede week van april in 1994? Waar
kon er gelachen worden? Wie durfde relativeren? Mededogen, iemand?

Ach, de mens, die sukkel, die loser, die nietsnut. Zoveel heldendichten je kan maken over individuele mensen,
zoveel schotschriften er eveneens denkbaar zijn over anderen. Mooie levensverhalen staan
tegenover droevige persoonlijke geschiedenissen, drama’s, intens verdriet,
waanzin. Kolonel Kurtz’ ‘The horror, the horror’ is nooit veraf. We helpen de
planeet met zijn allen naar de kloten. We kunnen het niet velen dat onze buren
het beter hebben dan wij en als ze het slechter hebben kijken we er niet naar
om. We zien die splinter in andermans oog, maar vergeten die balk, als u me toestaat heel even bijbels te worden.

We worden allemaal onschuldig geboren. Naakt. Met heel
weinig bagage, behalve dan dat genetisch materiaal dat vader en moeder hebben
doorgegeven en waar we tijdens ons korte of lange leven maar niet van af
geraken, hoe graag we dat soms ook zouden willen. We zijn niet goed of niet
slecht. We zijn, gewoon. Tot we goed
of slecht worden, omdat we leren keuzes te maken. Goede keuzes, foute keuzes, whatever, keuzes…

We aanbidden onze eigen god, we volgen blindelings onze
eigen profeet (al begrijpen we zijn woorden niet altijd), we lopen achter onze
vlag aan, we zijn links, rechts, onverschillig, averechts, of wat dan ook, we
dwepen met onze leiders en we kijken neer op al wie dat niet doet. Niets
menselijks is ons vreemd. Niets onmenselijks ook. We zijn het enige dier dat
doodt voor zijn plezier of omdat iemand ons dat heeft ingefluisterd, tenminste:
dat denken we toch.

We roepen ‘Nooit meer oorlog!’ en sturen vervolgens onze
troepen naar alle uithoeken van de wereld. We schreeuwen ‘Nooit meer Rwanda!’
en kijken intussen met even veel afschuw als racistisch dédain naar beelden uit
de Centraal-Afrikaanse Republiek, anno Nu. Domme negers! Waarop één of ander
leeghoofdig blank joch in een levensmoeë bui zwaarbewapend een klaslokaal
binnenstapt en er leerkracht en klasgenoten wegmaait. Figuurlijk: wegmaait. Met een geweer. Want wij zijn
beschaafd, meneer, wij zijn blank. Geen machete in onze hand, maar modern
wapentuig. Sneller, efficiënter, aanvaardbaarder, want goed voor de business.
De ene zijn dood…, u kent dat spreekwoord wel.

Rwanda herinnert ons aan het ergste dat de mens zijn
medemens kan aandoen. Leren we uit die geschiedenis? Het antwoord is: neen.
Kijk, opnieuw, naar de Centraal-Afrikaanse Republiek. Kijk naar Oekraïne. Kijk
naar Syrië. Wreedheid is verschrikkelijk, behalve wanneer het in ons kraam
past. Omdat dat denkbeeldig opperwezen, of die dubbelzinnige profeet, of die
spuuglelijke vlag, of die charismatische Grote Leider ons hebben geleerd wat
Goed en Kwaad is, en dat er geen gulden middenweg bestaat. Al wie niet met ons
is, is tegen ons. Weg ermee!

Daarom zal die genocide van twintig jaar geleden niet de
laatste zijn, zoals het toen ook al niet de eerste was. We hebben weinig of niets
geleerd uit Rwanda. We doen gewoon voort. Morgen zijn we die gruwelijke
beelden, die ons begin van de paasvakantie danig hebben verstoord (we konden
niet snel genoeg naar de afstandsbediening grijpen om een andere reality show op te zetten!), alweer
vergeten.

Mens, hoe stom kunt gij zijn, als ge kúnt denken en het niet
doet. Kieken!

***

Stel dat er zoiets als een alwetend opperwezen zou bestaan,
wat voor verschrikkelijke kl***zak, ach, laat maar…

***

Terug naar Afrika. Je kan veel kritiek hebben op de
chaotische manier waarop Bob Geldof bijna dertig jaar geleden poogde om de
honger in het oosten van dat continent aan te pakken, hij heeft het tenminste
geprobeerd, terwijl anderen in hun luie zetel moreel superieur zaten te wezen.
‘Saint Bob’ is een overdreven predikaat om hem toe te bedelen, maar deze man
verdiende het niet om zoveel persoonlijke miserie te moeten meemaken. Een
ex-vrouw die zichzelf de dood in spoot, veertien jaar geleden, nu een dochter
van 25 die er van de ene op de andere dag niet meer is.

Op het gevaar af dat u mij bij de Serge Simonarts van deze
wereld onderverdeelt: ik heb Bob Geldof één keer in levende lijve mogen
ontmoeten. Samen met een ex-lief wilde ik in 1986 een bescheiden versie van
Live Aid organiseren, specifiek gericht op kinderen. Child Aid. Geldof was in
Gent waar hem een eredoctoraat werd uitgereikt door de faculteit Letteren en
Wijsbegeerte en we kregen een kwartier toegemeten. Hij zag er hondsmoe uit, nogal verfrommeld,
mompelde stilletjes wat gemeenplaatsen. Maar je kon niet anders dan hulde
brengen aan zijn gedrevenheid en zijn menslievendheid, die je tevoren nooit had
kunnen afleiden uit de sarcastische en soms morbide teksten van The Boomtown
Rats, zijn postpunkband. Bob Geldof was op dat moment een hoopgevend icoon in
een wereld die overliep van het cynisme, de wereld van Reagan en Thatcher, van een
volmachtenregering bij ons, van armoede en honger, van 1984 in de dagelijks praktijk. Toen verdiende hij respect, vandaag
sympathie. En mededogen.

En dan zie je reacties verschijnen als ‘En dan nog op een
maandag ook’ (I Don’t Like Mondays,
voor de slechte verstaanders, de bekendste hit van The Boomtown Rats). Het is
ver genoeg van ons af om er grapjes over te maken. Letterlijk en figuurlijk
‘afstandelijk’. Dan durven we wel. We doen dat vanuit een morele superioriteit
die je niet voor mogelijk acht van een wezen dat de gave van het mededogen
bezit. Morele superioriteit: het ‘Ik heb gelijk!’ van den Aldi. Goedkoop, dus.
En waardeloos.

De mens, ge wilt gij daar niet aan uit kunnen!



Koude Oorlog

Geschiedenis Posted on za, maart 01, 2014 17:32:52

Woensdag zat ik bij Q-music voor een interview met Sven
Ornelis. Uiteraard kwam de anecdote uit 1988 opnieuw ter sprake, toen de
vijftienjarige Sven een briefje had gestuurd naar Sovjetleider Gorbatsjov om
hem aan te moedigen met zijn glasnost en perestrojka. De jonge Ornelis wilde
niet liever dan dat de Koude Oorlog zo snel mogelijk gedaan zou zijn. Een jaar
later mocht hij Gorbatsjov persoonlijk de hand schudden, nog wat later
implodeerde de Sovjet-Unie, werd de Muur in Berlijn gesloopt en schreven
voorbarige historici vuistdikke boeken onder ronkende titels als ‘Het einde van de
geschiedenis’. Fuck you, Yama,
schreef ik toen al over de blaaskaak Francis Fukuyama, maar dit geheel terzijde.

En kijk eens aan, de geschiedenis is helemaal niet
geëindigd, het kapitalisme heeft het niet gehaald (geen enkele ideologie,
trouwens) en de Koude Oorlog is weer helemaal terug. Met dank aan Vladimir
Poetin, de president-dictator van Rusland, die nog altijd droomt van een
hereniging van het machtige Sovjetrijk van weleer. De man dribbelt van het ene
prestigeproject naar het andere: de straten zuiveren van homo’s, de Olympische
Winterspelen van Sotsji en nu het herstellen van het regime van de behoorlijk Ruslandvriendelijke president Janoekovitsj in Oekraïne.

De dreiging van een burgeroorlog leek vorige week afgewend in Oekraïne,
onder meer na actieve tussenkomsten van Europese parlementariërs als Guy
Verhofstadt en dank zij de sterke interne oppositie binnen het land, maar Kiev herleefde
maar tijdelijk. Janoekovitsj werd met de nodige égards onthaald in Rostov en misschien binnenkort in Moskou (‘Hallo, ik ben
Viktor Janoekovitsj. Hallo, ik ben Edward Snowden.’, ik verzin maar even een
denkbeeldig gesprek in de coulissen van het Kremlin). Het was in Rostov dat hij gisteren een
persconferentie gaf om ‘zijn’ land opnieuw op te eisen. Zijn tijdelijke, objectieve bondgenoot Poetin knikte goedkeurend buiten beeld, al heeft die allicht persoonlijk grootsere plannen met Oekraïne.

Zoals al voorspeld was in de laatste week van de Spelen,
heeft Poetin gewacht tot na afloop van de peperdure winterparty in Sotsji om in
te grijpen in zijn buurland. Een indrukwekkende troepenmacht verzamelde aan de
Krim, een Oekraïens schiereiland in de Zwarte Zee en de Zee van Azov. Vandaag
kreeg Poetin van het Russische parlement de toestemming om effectief soldaten
op Oekraïense bodem in te zetten. Een formaliteit, want Poetin heeft dat
parlement in zijn binnenzak. Iedereen in Rusland is schatplichtig aan deze
dictator en wie dat niet is of wil zijn, wordt vervolgd en opgejaagd of
opgesloten (politieke tegenstanders, Pussy Riot, homo’s en lesbiennes).

De huidige toestand, voorlopig een patstelling en stevig spierballengerol,
wellicht heel binnenkort daadwerkelijk gevolgd door een militaire interventie, doet
heel sterk denken aan de ontvlambare situatie in de Bay of Pigs, ondertussen
bijna drieëneenvijftig jaar geleden. Toen vochten Kennedy en Chroestsjov een
gevaarlijk spelletje armworstelen uit, waarbij het risico op een Derde
Wereldoorlog heel even acuut leek. Vele jaren later heetten de protagonisten
Reagan en Brezjnev/Andropov/Tsjernenko (de Sovjetleiders stierven bij bosjes in
de eerste helft van de jaren tachtig). Pas met de komst van verlichte geest
Michail Gorbatsjov werd de lont uit het kruitvat gehaald.

Er passeerden heel wat hele en halve gekken aan beide kanten
van het Koude Oorlogsspectrum. Het verschil met vandaag is echter dat Poetin
een ronduit gevaarlijke gek is. Geen ideoloog, maar een ziekelijke combinatie
van een platte opportunist en een machtsgeile sociopaat. In het Witte Huis zit tegenwoordig
de eerder weifelende Obama, die gisteravond wel harde taal sprak, maar allicht
toch terughoudend zal zijn, mochten de Russische troepen straks Oekraïne binnenvallen en bezetten. De wereld mag opgelucht ademhalen dat de tandem Bush-Cheney
niet meer de baas is in Washington, D.C., anders zat je nu met een bijzonder
explosieve toestand. Ook de Europese Unie heeft te weinig tanden om terug te
bijten en houdt het bij wat amechtig geblaf.

Vladimir Poetin is momenteel veruit de gevaarlijkste
wereldleider. Er zijn misschien wel wredere potentaten terug te vinden in hun
luxueuze paleizen, maar die zijn vooral gericht op hun eigen land en hun eigen
bevolking. Poetin denkt ruimer, heeft heimwee naar de macht en pseudoglorie van
het oude Sovjetrijk. Daar word ik niet vrolijker van, zelfs een tikkeltje
ongerust, want zijn er wel mensen met gezond verstand in de entourage van de
Russische president, die hem ook durven afremmen wanneer dat nodig blijkt?

Koude Oorlog… Ook op dat vlak begint dit tijdsgewricht
steeds meer op die verfoeide jaren tachtig van de vorige eeuw te gelijken. Geen
prettig vooruitzicht.



Nelson Mandela (1918-2013)

Geschiedenis Posted on vr, december 06, 2013 00:30:54

Een slanke, opgeschoten zwarte man met grijzend haar stapt
kaarsrecht, met zijn echtgenote aan zijn zijde, hand in hand, op de massa
zwarte toeschouwers af. Zij lacht, hij kijkt ernstig. Trots, sereen, statig, ja,
als een staatsman wandelt hij. En hij steekt zijn rechtervuist op. Af en toe
wijst hij naar iemand in het publiek en zwaait. Het is 11 februari 1990. De
beelden worden over de hele wereld rechtstreeks uitgezonden op televisie. De
man is Nelson Mandela en hij is na zevenentwintig jaar gevangenschap eindelijk
vrij. De tranen biggelen over mijn wangen.

Het is een historisch moment in een era dat bol staat van de
historische momenten. Drie maanden eerder is in Berlijn de muur gevallen. De
Sovjet-Unie begint te verbrokkelen. De hereniging tussen de Bondsrepubliek
Duitsland (West-Duitsland) en de Duitse Democratische Republiek
(Oost-Duitsland) is een kwestie van maanden. De Koude Oorlog is bijna ten
einde. Een spreekwoord met ‘sky’ en ‘limit’ brandt op vele lippen. Zoals
meestal bedriegt schijn, maar het is in dit geval wel schone schijn, iets waar
je je na de duistere jaren tachtig met zijn economische verval, werkloosheid,
verrechtsing van de samenleving en aids aan kunt optrekken.

Dat Mandela wordt vrijgelaten heeft hij te danken aan de
internationale druk, die het verderfelijke Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime in
de jaren tachtig waar mogelijk boycotte (zij het niet altijd even consequent en
van harte), en het aan de macht komen van de hervormingsgezinde president F.W.
de Klerk in september 1989. Maar allicht ook aan de vele veranderingen in dit
specifieke tijdsgewricht. De Klerk heeft dat goed gezien: deze geste is niet
alleen noodzakelijk om de explosieve toestand in Zuid-Afrika niet te laten
ontaarden in een bloederige burgeroorlog, het past ook bij de andere Grote
Gebaren die op datzelfde ogenblik worden gemaakt.

Rolihlahla

Rolihlahla is zijn eigenlijke voornaam, wanneer hij op 18
juli 1918 in Mvezo aan de Oost-Kaap, dan nog in de Unie van Zuid-Afrika,
geboren wordt. In de taal van zijn volk, de Xhosu, betekent Rolihlahla zoveel
als ‘aan de tak van een boom trekken’, maar ook: ‘lastpost’. Nomen est omen?

‘Hendry Mandela was een strenge vader, behept met een
koppigheid die zijn zoon van hem heeft geërfd, zo vermoedt hij zelf,’ schrijft
Anthony Sampson in de uit 1999 daterende en zeer lezenswaardige geautoriseerde
biografie Mandela. ‘Hendry was een
heiden, een analfabeet en had meerdere vrouwen – maar hij had een rijzige
gestalte, een waardig voorkomen en een donkerder huid dan zijn zoon en voelde
zich niet in het minst de mindere van de blanke.’

Dat hij voorbestemd lijkt voor grootsheid blijkt ook uit
zijn bijnaam: Madiba. Een naam die in die dagen wordt gegeven aan de leden van
de koninklijke familie Thembu, die aan de macht is in de regio Transkei. Al
behoren de Mandela’s dan wel maar tot een zijtak van de Thembu’s. Als hij op
zijn zevende voor het eerst naar school gaat, geeft zijn lerares hem een Engelse
roepnaam, Nelson, omdat dat volgens haar beter klinkt dan Rolihlahla. Zeven
jaar na Rolihlahla wordt Nelson Mandela geboren.

ANC

In 1944 engageert advocaat Nelson Rolihlahla Mandela zich
bij het African National Congress, ANC, dat de segregatiepolitiek van de blanke
minderheid in Zuid-Afrika bestrijdt. Mandela doet dat aanvankelijk geweldloos,
want hij gelooft heel sterk in de principes van Mohandas ‘Mahatma’ Gandhi, de
Indiase politicus die tussen 1894 en 1948 opkwam voor de onafhankelijkheid van
zijn land en die tussen zijn 24ste en zijn 44ste in Zuid-Afrika had verbleven
om er de Indiase minderheid te ondersteunen. Het is trouwens in Zuid-Afrika dat
Gandhi zijn doctrine satyagraha
(’trouw aan de waarheid’) ontwikkelde. Omwille van zijn huidskleur werd hij er
als uitschot behandeld.

Wat ons terug bij Mandela brengt. Omdat de geweldloze acties
van het ANC niet de verhoopte resultaten opleveren, kiest de organisatie begin
jaren zestig voor openlijk verzet en sabotagedaden tegen het Apartheidsregime
en zijn vertegenwoordigers. Het ANC wordt vervolgens buiten de wet gesteld en
Mandela zelf wordt in 1961 beschuldigd van hoogverraad. De rechter spreekt hem
vrij. Op clandestiene bijeenkomsten blijft Mandela pleiten voor nationale
eenheid. ‘Wij Afrikanen moeten als één man voelen, handelen en spreken,’ zegt
hij in maart 1961. ‘Wij moeten deze conferentie verlaten met een volledig
uitgewerkte voorbereiding voor een multiraciale nationale vergadering waarin
alle rassen volledig vertegenwoordigd zijn.’

Enkele maanden later zegt hij in een opgemerkt tv-interview
met de BBC dat het brute geweld van de overheid het ANC noodzaakt om over te
stappen op een andere tactiek die niet meer geweldloos zal zijn. Mandela is nu
helemaal verplicht om ondergedoken te leven, maar op 5 augustus 1962 wordt hij toch
gearresteerd en een jaar later op een marionettenproces veroordeeld wegens het
voorbereiden van een guerrilla-oorlog. De rechter is mild: het wordt
levenslang, niet de doodstraf.

Gevangene 46664

Tussen 1964 en 1982 verblijft Nelson Mandela in een cel van
2,4 bij 2,1 meter op Robbeneiland. Hij is de 466ste die er in het jaar 1964
wordt geregistreerd als gevangene: het nummer 46664 wordt op zijn arm
getatoëerd. Later zal hij worden overgebracht naar andere gevangenissen, in Tokai
en Paarl, waar de behandeling menswaardiger wordt en de cipiers hem respecteren.
Het regime voelt dan al aan dat Apartheid zijn beste tijd heeft gehad en knoopt
geheime besprekingen aan met Mandela, die na een kwarteeuw in de cel nog altijd
gezien wordt als de voornaamste leider van het ANC.

In het westen voert ook de artistieke wereld de druk op. De
gewelddadige dood van burgerrechtenactivist Stephen Bantu Biko in 1977
inspireert Peter Gabriel tot de song Biko,
die in 1980 vrij anoniem terecht komt op zijn derde elpee, maar die in de jaren
daarna uitgroeit tot een massaal meegezongen hymne op talloze muziekfestivals,
waarbij het publiek samen met de zanger de vuist balt tegen het onrecht dat de
zwarten in Zuid-Afrika te beurt valt.

Special AKA, een spin-off
van het Britse ska-gezelschap The Specials, verovert drie jaar later de
internationale hitparades met het aanstekelijke Free Nelson Mandela. En in 1988 zorgt de dan zeer populaire Eddy
Grant er met Gimme Hope Jo’anna voor
dat de aandacht van het westen niet verslapt. ‘Jo’anna’ slaat zowel op de stad
Johannesburg, als op de blanke minderheidsregering die er resideert. Het is
vrolijk huppelen op de dansbare muziek, maar de boodschap gaat ondanks alle
vrolijkheid niet verloren. Vooral omdat Zuid-Afrika totaal geïsoleerd staat en
er, op een enkeling als de blootsvoetse atlete Zola Budd na, geen
Zuid-Afrikanen te zien zijn op grote sporttoernooien en andere internationale
evenementen.

Wijze staatsman

De vrijlating van Nelson Mandela in 1990 is een kentering
ten goede, omdat de man, die zevenentwintig jaar was afgesneden van de wereld,
geen wrok koestert en drommels goed beseft dat één verkeerd begrepen woord van
hem onmiddellijk tot onlusten zou hebben geleid. Mandela dwingt De Klerk en
zijn blanke regering achter de schermen tot verregaande toegevingen, maar in
het openbaar spreekt hij verzoenende taal. In 1993 ontvangen Mandela en De
Klerk samen de Nobelprijs voor de Vrede.

In april 1994, meer dan vier jaar na zijn vrijlating, wint
Mandela de eerste vrije verkiezingen in Zuid-Afrika. Hij is dan al 74. Reeds
tijdens het ultieme verkiezingsdebat verrast Mandela blank Zuid-Afrika door
zijn concurrent, De Klerk, live op tv te omhelzen. ‘Het leek een spontaan
gebaar, maar in feite was het zorgvuldig geoefend,’ schrijft Sampson in Mandela. Na de overwinning benoemt hij
De Klerk tot vice-president, met als plaatsvervanger Thabo Mbeki, de man die
hem vijf jaar later moet opvolgen, want Mandela geeft aan dat het voor hem bij
één ambtstermijn zal blijven.

Het einde van de twintigste eeuw kijken we op naar die wijze
staatsman, daar helemaal in het zuiden van het Afrikaanse continent; een man
die spaarzaam spreekt, maar als hij het doet, krijgen zijn woorden veel gewicht
en wordt er naar hem geluisterd. Maar westerse politici maken ook misbruik van
dit zwarte icoon, schrijft biograaf Sampson. ‘Westerse regeringen maakten
dankbaar gebruik van Mandela’s aanwezigheid ter meerdere glorie van zichzelf of
om de rassenrelaties te verbeteren. Maar krenterige onderhandelaars voelden
zich weinig geroepen in ruil daarvoor tegemoetkomend te zijn jegens een
fragiele, prille democratie. Op de wereldmarkt was er geen ruimte voor
humanitaire kwesties. Zo bleef de kloof tussen de verheerlijking van Mandela
als icoon en de hulp aan het land dat hij vertegenwoordigde bestaan.’

En zo blijft Zuid-Afrika ook in 2013 balanceren op een
slappe koord. Na Mandela komt Mbeki en na Mbeki Zuma. Maar het raciale thema
speelt nog altijd op de achtergrond, en dit keer zijn het ook de blanken die
zich door hun huidskleur benadeeld voelen. Er hangt een troebele waas over de
erfenis van Mandela. De vrees bestaat dat het heengaan van Nelson Mandela – ook
al speelde die al meer dan tien jaar geen rol meer op het voorplan – de onrust weer
kan doen groeien. Het zegt veel over het belang van de leider/de politicus/de
staatsman/de verzoener Mandela, de Mahatma Gandhi van de Generatie X.

Het slotwoord is voor Anthony Sampson: ‘Het is (…) niet
realistisch om Mandela af te schilderen als een heilige. Zelf heeft hij nooit
de pretentie gehad er een te zijn. (…) Geen enkele heilige zou in de jungle
van de Zuid-Afrikaanse politiek een halve eeuw lang hebben kunnen overleven en
vervolgens zo’n opmerkelijke gedaanteverwisseling ondergaan. Mandela is niet
vrij van menselijke zwakheden als koppigheid, trots, naïviteit en
onstuimigheid. En onder al zijn morele autoriteit en leiderschap is hij altijd
op de eerste plaats politicus gebleven.’



Nachtmerrie in Elm Street

Geschiedenis Posted on vr, november 22, 2013 08:12:21

Waar was
u op vrijdag 22 november 1963? Elke Amerikaan ouder dan vijfenvijftig zal die vraag
onmiddellijk kunnen beantwoorden. Die datum staat voorgoed in het collectieve
geheugen van de Verenigde Staten geplant. Het was de dag dat de wereld werd
opgeschrikt door een brutale moordaanslag. Het was de dag die ook vandaag nog
leidt tot hevige discussies en polemieken. Het was de dag dat JFK vermoord
werd. (Dit artikel verscheen op zaterdag
21 november 1998 in De Financieel-Economische Tijd.)

Dallas, 22 november 1963.
De klok boven de Texas School Book Depository geeft 12.30u. aan. Een karavaan
luxewagens draait Elm Street op. Ze zijn op weg naar de Trade Mart. Eén van hen
zal er een toespraak houden. Zijn naam is John Fitzgerald Kennedy, hij is sinds
drie jaar de 35ste president van de Verenigde Staten. Naast hem in de
presidentiële limousine zit zijn echtgenote, Jackie, in een opvallende roze
outfit. Voor hen zit het echtpaar Connally: John Connally is de gouverneur van
de staat Texas, een staat die de president niet echt goed gezind is. In het
diepe zuiden wordt de liberaal denkende en rooms-katholiek opgevoede Kennedy
geminacht. Diezelfde ochtend verschijnt in de Dallas Morning News, de
spreekbuis van conservatief Dallas, een ‘Wanted’-advertentie, waarin het beleid
van de president wordt aangeklaagd. Op de voorpagina van diezelfde krant staat
het parcours dat JFK zal afleggen: via Main Street naar de Trade Mart.

Vreemd genoeg is dat niet
het parcours dat de karavaan volgt. Die draait namelijk af in Houston Street om
vervolgens een bocht van zo’n 120 graden te maken in Elm Street: Dealey Plaza
heet die plek. De limousine rijdt op dat ogenblik niet harder dan vijftien kilometer
per uur. JFK is een makkelijk, nauwelijks bewegend doelwit geworden. Er
weerklinken schoten. De verwarring is groot. In de limousine zijn zowel de
president als de gouverneur in de armen van hun vrouwen gevallen. Jackie
Kennedy klimt hysterisch op de kofferruimte. Achteraf blijkt dat ze een kwab
hersenen van haar man in de hand houdt. Een veiligheidsagent probeert zich aan
de plots versnellende wagen vast te klampen. De chauffeur is op weg naar
Parkland Hospital.

12.40u. arriveert JFK in
het ziekenhuis. Elke andere patiënt zou allang opgegeven zijn, maar omdat hij
nu eenmaal de president is, probeert een medisch team in Trauma Room 1 het
onmogelijke te verwezenlijken. Maar een kwartiertje later geven ze het op. JFK
is dood. Om toe te laten dat een priester hem ‘bij leven’ de laatste
sacramenten toedient, wordt het officiële tijdstip van zijn dood bepaald op
13.00u. Nog eens tien minuten later tekent een dokter de officiële
overlijdensakte.

Een wet in de staat Texas
bepaalt dat het lijk van iemand die vermoord werd, een autopsie moet ondergaan.
Zover komt het echter niet. De begeleidende dokter van de president, een
admiraal, en agressieve veiligheidsagenten verplichten de lokale dokters manu
militari om het lijk aan hen toe te vertrouwen; zij willen zelf de autopsie
doen in Bethesda, Maryland. Zo geschiedt het ook. De kist met de president
wordt naar Air Force One, het presidentiële vliegtuig, gevoerd op Love Field,
de luchthaven van Dallas, waar om precies 14.38u., nauwelijks twee uur na de
schietpartij, vice-president Lyndon Baines Johnson de eed aflegt als 36ste
president van de Verenigde Staten.

‘Patsy’

Om 13.50u. valt de politie
binnen in het Texas Theatre, een bioscoop in de Oak Cliff Section van Dallas.
Ze arresteert ene Lee Harvey Oswald op verdenking van de moord op agent J.D.
Tippit. Tippit werd omgebracht rond kwart over één, drie kwartier na de moord
op president Kennedy.

Ruim vijf uur later wordt
Oswald ook officieel in staat van beschuldiging gesteld voor de moord op
Tippit. Er is nog altijd geen sprake van JFK. Op een persconferentie rond
twintig over elf reageert Oswald verbaasd wanneer journalisten hem vragen of
hij de president heeft vermoord. ‘I’m a patsy’, roept hij, ‘ik ben een
zondebok’. De openbare aanklager zegt dat Oswald een Castro-sympathisant is,
die heel actief is in het Free Cuba Committee. ‘Klopt niet,’ roept iemand
achteraan in het perszaaltje. ‘Het gaat om het Fair Play for Cuba Committee’.
Die iemand is nachtclubeigenaar Jack Ruby. Twee uur later zal Oswald reporters
nog altijd toeroepen dat hij officieel van niks weet.

De politie van Dallas,
onder leiding van commissaris Fritz, ondervraagt Lee Harvey Oswald langdurig.
Die weet intussen dat hij inderdaad als moordenaar van JFK wordt beschouwd. Op
zondag 24 november moet hij worden overgebracht van het politiehoofdkwartier
naar de gevangenis. Het tijdstip wordt telkens opnieuw uitgesteld. Een anonieme
tipgever verwittigt de politie dat Oswald zal worden vermoord. De politie legt
die informatie naast zich neer. Ook de vraag om Oswald uit
veiligheidsoverwegingen niet via de garage, maar via een andere uitweg naar
buiten te brengen, wordt genegeerd. De pers moet er getuige van zijn dat Oswald
niet mishandeld werd, klinkt het. Om 11.17u. dagen Oswald en zijn bewakers op
in de garage, die vol politie-agenten staat. Toch slaagt iemand erin tot vlak
voor Oswald te springen en hem neer te knallen. Die iemand is opnieuw Jack
Ruby. Oswald wordt naar het Parkland Hospital gevoerd, waar de dokters
besluiten hem te opereren in Trauma Room 2 (ze vinden het ongepast de vermeende
moordenaar van de president te opereren in dezelfde kamer waar JFK werd
geopereerd). Rond kwart voor twaalf wordt zijn dood vastgesteld, Oswald heeft
JFK geen volle twee dagen overleefd.

Ruby beweert dat hij
Oswald heeft doodgeschoten om de presidentsweduwe een pijnlijk assisenproces te
besparen. Meer zegt hij niet, jarenlang, ook niet wanneer hij ter dood wordt
veroordeeld. Ruby tekent beroep aan tegen de uitspraak. Met succes, het Hof van
Beroep van Texas vindt in oktober 1966 dat hij, wegens de hoog oplaaiende
emoties in Dallas, geen eerlijk proces heeft gekregen. Maar het proces komt er
niet. Ruby sterft op 3 januari 1967 aan de gevolgen van kanker. Net voordien
heeft hij laten verstaan dat ‘men’ hem kankercellen heeft ingespoten en dat er
sprake is van een samenzwering tegen Kennedy.

Onderzoekscommissies

Binnen de week na de moord
op JFK beslist de nieuwe president, Lyndon B. Johnson, dat er een onderzoek
moet komen. Via uitvoeringsbesluit 11130 wordt een onderzoekscommissie
opgericht, bestaande uit zeven door Johnson aangeduide leden: vijf
republikeinen en twee, zuiderse, democraten. Bekende namen:
volksvertegenwoordiger Gerald Ford (de latere vice-president onder Nixon en
president na het Watergateschandaal), gewezen CIA-baas Allen Dulles (die twee
jaar voordien nog ontslagen was door Kennedy) en Earl Warren, Chief Justice
(opperrechter), de hoogste magistraat van het land en voorzitter van de
commissie die naar hem genoemd zal worden.

De Warrencommissie wordt
meteen onder tijdsdruk gezet. President Johnson wil dat de zeven in juni 1964,
ruim vier maanden voor de presidentsverkiezingen van dat jaar, met hun rapport
voor de dag komen. Uiteindelijk zal het eind september worden, toch nog juist
op tijd om de president positieve punten te bezorgen met het oog op de
verkiezingen (die hij zal winnen).

De conclusie van de
Warrencommissie is dat er geen sprake is van een samenzwering. Kennedy werd
vermoord door Oswald. Punt uit. Dat de vele getuigenissen zich ofwel tegenspreken,
ofwel tot een andere conclusie nopen, deert Warren & co niet. Volgens de
commissie heeft Oswald drie schoten afgevuurd. Het eerste mist doel, het derde
raakt de president in het hoofd en is fataal. Het merkwaardigst is het tweede
schot. Omdat er bij president Kennedy nog twee andere wonden werden
vastgesteld, onder het schouderblad en in de keel, en gouverneur Connally op
vijf plaatsen schotwonden vertoonde, ontwikkelt de commissie de theorie dat één
kogel die zeven wonden heeft veroorzaakt. Ze gewaagt van de ‘magic
bullet’-theorie. Die fameuze kogel wordt achteraf bijna onbeschadigd
teruggevonden op een draagberrie in het Parkland Hospital.

Het Warren-rapport lekt
langs alle kanten, maar geniet aanvankelijk het voordeel van de twijfel, ook al
omdat de pers de geloofwaardigheid van de zeven gerespecteerde commissieleden
weigert in vraag te stellen. Tot een handvol critici opstaat en zijn
bevindingen op papier zet. Terzelfdertijd begint een onderzoeksrechter in New
Orleans, Jim Garrison, een onderzoek naar de mogelijke betrokkenheid van enkele
inwoners van die stad bij de moord in Dallas. Garrison vervolgt Clay Shaw, de
voorzitter van de International Trade Mart van New Orleans, op beschuldiging
van samenzwering. Garrison ontdekt een link tussen Shaw en de ‘huurling’ David
Ferrie, die nauw betrokken is bij de anti-Castro-acties van een stel Cubaanse
ballingen. Shaw en Ferrie kennen elkaar vanuit het homomilieu, concludeert
Garrison nog. En: zowel Ferrie als Shaw kenden ook Lee Harvey Oswald. Ferrie
overlijdt echter in verdachte omstandigheden, nog vóór het proces van start
gaat. Garrison zet toch door en brengt Shaw voor de rechter. Hij verliest het
proces bij gebrek aan bewijzen, maar vestigt de aandacht van het Amerikaanse
publiek wel op de mogelijkheid van een complot.

In 1968 verliezen Martin
Luther King en Robert Kennedy, jongere broer van de vermoorde president,
eveneens het leven bij een aanslag. Ook nu duiken complottheorieën op. Die zijn
zo hardnekkig dat het Amerikaanse Congres uiteindelijk in september 1976 een
voorstel van volksvertegenwoordiger Downing goedkeurt ter oprichting van een
nieuwe onderzoekscommissie. Dat wordt de House Select Committee on the
Assassinations. De commissie kent een moeilijke start: binnen het jaar trekt
voorzitter Downing zich terug, wordt de commissie opgedoekt en heropgestart, en
stappen twee directeuren en twee voorzitters op.

Het eindrapport van 17
juli 1979 vermeldt: ‘De commissie gelooft, op basis van de beschikbare
bewijzen, dat president John F. Kennedy vermoedelijk vermoord werd als gevolg
van een samenzwering. De commissie is niet in staat de andere schutter of de
draagwijdte van de samenzwering te identificeren.’ Het gevolg is dat er geen
echt nieuw onderzoek komt.

Na de film JFK van regisseur Oliver Stone, die eind
1991 in circulatie komt, ontstaat er opnieuw heisa. Stone heeft zijn scenario
gebaseerd op de boeken On The Trail Of
The Assassins
van onderzoeksrechter Jim Garrison en Crossfire: The Plot That Killed President Kennedy van Jim Marrs, en
laat zich adviseren door een gewezen Pentagon-vertrouweling, kolonel Leroy F.
Prouty, die zich liever L. Fletcher Prouty laat noemen. Die drie bronnen hebben
elk een uiteenlopende visie op de samenzwering, maar van één ding zijn ze
zeker: het wás een samenzwering. De film lokt verdeeldheid uit. Onder impuls
van verontwaardigde burgers en politici richt president Clinton eind 1993, twee
jaar na de release van JFK, de
National Assassinations Records Review Board op, die alle beschikbare
documenten (opnieuw) moet doornemen. Het rapport wordt eerstdaags verwacht. De
vraag is of dit nieuwe, officiële orgaan tot andere conclusies zal (durven)
komen dan de Warrencommissie en de House Select Committee on the
Assassinations.

‘Magic bullet’

De bewijskracht van het
Warren-rapport berust uitsluitend op de fel bekritiseerde ‘magic
bullet’-theorie. Er zijn niet meer dan drie kogels afgevuurd in een tijdspanne
van minder dan acht seconden, luidt de these. Wapenexperten hebben uitgedokterd
dat het vermeende moordwapen, een 6.5 Mannlicher-Carcano die Oswald via
postorder bestelde, maximaal drie schoten kan afvuren in iets minder dan zes
seconden. Voorwaarde is dan wel dat de schutter ervaren is en dat hij in staat
is heel snel te mikken, aangezien de presidentiële limousine, hoe traag die ook
reed, in beweging bleef. Zijn laatste testen wezen echter uit dat Oswald een
matig schutter was (al zouden eerdere legertesten, eind jaren vijftig, dan weer
hebben aangetoond dat Oswald een scherpschutter was).

Dat het eerste schot geen
doel trof, had volgens de commissie te maken met takken die het zicht vanuit
het raam op de zesde verdieping van het Texas School Book Depository (van waar
Oswald zou geschoten hebben) belemmerden en die de kogel wellicht deden
afwijken. De kogel ketste af op het wegdek en fragmenten ervan (of van dat
wegdek) verwondden James Teague, die tientallen meter verderop de presidentiële
karavaan wilde begroeten.

De tweede kogel, de
zogeheten ‘magic bullet’, zou het lichaam van de president zijn binnengetreden
net onder het schouderblad om er langs de keel weer uit te schieten. Vervolgens
maakte de kogel in de lucht een draaibeweging waarna hij zich in de
rechterschouder van gouverneur Connally plantte, alweer een bocht maakte en hem
dan verwondde aan de vijfde rib, de linkerlong en de linkerpols om tenslotte in
diens linkerdij zijn merkwaardige vlucht af te ronden. De ‘magic bullet’,
what’s in a name!, bleef zo goed als onbeschadigd na die escapade en vertoonde
ook geen sporen van menselijk weefsel.

Ook de derde kogel zou van
achter de president zijn afgevuurd, aldus het Warrenrapport. De getuigenissen
van diverse omstaanders én van de medische staf van het Parkland Hospital
wijzen nochtans op het tegendeel. Verschillende getuigen zeggen dat de schoten
vanaf het talud, rechts van de limousine, werden afgevuurd. Volgens Sherry
Gutierrez, een specialist inzake misdaadanalyse, is president Kennedy zeker
twee keer vooraan in het hoofd geraakt. Hij leidt dat af aan de hand van de
bloedspatten. De bevindingen van de dokters zeggen dat ook: de uitgaande wonde,
die altijd groter is dan de ingaande wonde, zat achteraan het hoofd, dus moeten
de schoten frontaal zijn afgevuurd. In dat geval is de conclusie van de
onderzoekscommissies natuurlijk waardeloos.

Een bijzondere ooggetuige
was kleermaker Abraham Zapruder, die op het talud klaarstond met zijn 8
mm-camera om geen enkel beeld van de president te moeten missen. Onmiddellijk
na de moord werd zijn film gekocht door het weekblad Life, dat kort daarop
enkele beelden in verkeerde volgorde publiceerde, waardoor het leek dat de
president van achteren was aangeschoten. Life wou de Zapruderfilm pas vrijgeven
nadat onderzoeksrechter Garrison het blad daartoe verplichtte via een
gerechtelijke uitspraak. Beeld-per-beeldanalyse, in de juiste volgorde dan
wel!, toont aan dat het fatale hoofdschot bijna zeker van rechts kwam, niet van
achteren.

Fotograaf Robert J. Groden
leidt uit een grondige analyse van de Zapruderfilm en het andere beschikbare
foto- en filmmateriaal op zijn beurt af dat er die middag maar liefst zes
schoten werden afgevuurd op Dealey Plaza. Het eerste miste zijn doel volledig,
maar verwondde een toeschouwer, de reeds vermelde James Teague. Uit de
schiethoek (en het feit dat de schutter bekwaam werd geacht) kan worden
afgeleid dat dit schot niet werd afgevuurd vanaf de zesde verdieping van het
Texas School Book Depository maar vanuit het nabijgelegen, lagere
Dal-Texgebouw. Het tweede schot trof de president vooraan in de keel. Het derde
miste de president, maar raakte gouverneur Connally achteraan in de
rechterschouder. Schot nummer vier belandde net onder het schouderblad van JFK.
Het kwam van achter hem. Het vijfde, fatale, schot trof de president quasi
frontaal in het hoofd. Tenslotte was er, volgens Groden, een zesde schot dat
Connally in pols en dij raakte.

Waarom?

Stel dat er ondanks alles
géén sprake is van een samenzwering, wat gezien de bewijskracht
onwaarschijnlijk lijkt, dan blijft toch een groot aantal vragen onbeantwoord.
Een greep hieruit.

Waarom kon Lee Harvey
Oswald relatief makkelijk terugkeren naar de Verenigde Staten, nadat ie eerst
was ‘overgelopen’ naar de Sovjet-Unie (en rekening houdend met het feit dat de
USA toen net de communistenjacht van senator McCarthy had meegemaakt)? Waarom
kon Oswald in New Orleans ongestoord pro-Castropamfletten uitdelen in een
straat waar zowel de CIA als de FBI hun lokalen hadden? Waarom kocht Oswald het
vermeende moordwapen via de post, terwijl hij er mits gebruik van een valse identiteit
makkelijk een anoniem had kunnen kopen?

Waarom werd het parcours
van de presidentiële karavaan de ochtend van zijn bezoek aan Dallas nog
gewijzigd? Waarom werd de politie van Dallas niet gevraagd extra manschappen
voor ordehandhaving te voorzien? Waarom werd er getolereerd dat in Houston
Street en Elm Street deuren en vensters openstonden, terwijl een normale
procedure is dat die hermetisch worden afgesloten om mogelijke aanslagen te
voorkomen? Waarom volgde de wagen met vice-president Johnson op twee wagens
afstand van president Kennedy, terwijl een ongeschreven wet zegt dat de
president en de vice-president zich nóóit samen op dezelfde plek mogen
bevinden, om het risico van een dubbele moord te vermijden? Waarom reed de
limousine met de persfotografen en journalisten uitzonderlijk acht wagens
achter die van de president, terwijl die normaal voorop reed om makkelijker
foto’s te kunnen maken van het presidentiële gezelschap? Waarom kwam de
Warrencommissie tot de conclusie dat Oswald agent Tippit had vermoord, terwijl
Oswald om 13.04u. nog thuis werd gesignaleerd en de moord op Tippit nauwelijks
tien minuten later anderhalve kilometer verderop werd gepleegd? Waarom werd
geen rekening gehouden met de getuigenissen van collega’s van Oswald in de Texas
School Book Depository, die hem kort voor én kort na de moord rustig in de
kantine zagen eten of drinken (volgens Jim Garrison heeft Oswald zelfs
hoegenaamd niets met de moordaanslag te maken)?

Waarom werd het lijk van
de president vliegensvlug en gewapenderhand ‘ontvoerd’ uit het Parkland
Hospital nog vóór de wettelijk verplichte autopsie kon plaatsvinden? Waarom
verbrandde dokter J.J. Humes zijn autopsienotities van het Bethesda Hospital in
Maryland? Waarom mochten de hersenen van de vermoorde president nooit
onderzocht worden? Waarom kon Jack Ruby ongehinderd de garage binnenlopen op de
plek waar Lee Harvey Oswald enkele minuten later zou passeren?

Waarom liet president
Johnson kort na de moord alle officiële documenten voor 75 jaar achter slot en
grendel opbergen, zegge en schrijve tot het jaar 2038? Waarom mocht Allen
Dulles deel uitmaken van de Warrencommissie, hij die ontslagen was door Kennedy
en dus sowieso geen onafhankelijk onderzoek zou willen mocht de betrokkenheid
van de CIA aantoonbaar zijn? Waarom werd de eveneens door JFK ontslagen
CIA-overste generaal Charles Cabell, broer van de burgemeester van Dallas (!),
Earle Cabell, nooit ondervraagd door de Warrencommissie, terwijl hij toch een
motief had? Waarom verdwenen cruciale CIA- en FBI-documenten spoorloos en
duurde het ontzettend lang voor gevraagde rapporten van die overheidsdiensten
werden afgeleverd? Waarom werd nooit grondig onderzocht hoe tientallen getuigen
in verdachte omstandigheden om het leven kwamen?

Samenzwering

Dan toch maar een samenzwering?
Allicht wel. Het voornaamste pleidooi tégen de complottheorie en zijn
onvoorwaardelijke aanhangers is dat er in de loop van de jaren zoveel
deeltheorietjes zijn ontstaan. Heel wat semi-deskundigen hebben zich sinds 22
november 1963 opgeworpen als dé autoriteiten op het vlak van de JFK-moord. Door
de wirwar van hele, halve en vooral verzonnen bewijzen is ook de
geloofwaardigheid van het concept ‘samenzwering’ als dusdanig geërodeerd. Meer
dan tweeduizend boeken en honderdduizenden artikels in kranten en weekbladen is
echt wel van het goede teveel.

Probleem is dat Kennedy,
de populairste president sinds Franklin Delano Roosevelt, niet weinig vijanden
kende bij het establishment: de maffiabonzen (van peetvader Sam Giancana tot
Jimmy Hoffa, de corrupte leider van de Teamsters-vakbond) konden zijn bloed
drinken, de Cubaanse ballingen waren bijzonder boos omdat de invasie van hun
land in april 1961 (de Bay of Pigs) mislukt was en Castro aan de macht bleef,
de CIA was ongerust omdat de president aan vertrouwelingen had gezegd dat hij
de organisatie in duizend stukken zou versplinteren (vlak na het Bay of
Pigs-incident ontdekte JFK dat zijn bevel tot het liquideren van Castro’s T-33
gevechtsvliegtuigen door de CIA-top – bestaande uit Allen Dulles en Charles
Cabell – was tegengehouden, met als gevolg acute oorlogsdreiging en
gezichtsverlies voor de president; Kennedy ontsloeg kort daarop de volledige
CIA-top), de FBI vond dat Kennedy hen te weinig speelruimte voorbehield (J.
Edgar Hoover was gewend ‘cavalier seul’ te mogen spelen) en het Pentagon – en
met haar het hele militair-industrieel complex – reageerde kwaad omdat de
president niets zag in het sturen van troepen naar Indochina.

Tot de ‘serieuzere’
complot-onderzoekers behoren Jim Garrison en L. Fletcher Prouty. Garrison
maakte brandhout van de ‘magic bullet’-theorie en, zo luidde zijn conclusie,
dan moeten er wel meer dan drie schoten zijn geweest en dus: een samenzwering.
Prouty is op zoek gegaan naar het waarom daarvan. Zelf werkte de kolonel van 1954
tot eind 1963 voor het Pentagon en maakte hij van zeer nabij kennis met de
werking van de Central Intelligence Agency, de CIA. De uitvoering van de moord
beschrijft volgens hem perfect de normale handelwijze van het leger en de CIA.
Scherpschutters stellen zich in een driehoek op, er wordt snel en doeltreffend
gehandeld, een zondenbok krijgt de schuld en de officiële instanties dekken
elkaar af.

Prouty verwijst naar
National Security Action Memorandum (NSAM) #263 van 11 oktober 1963, waarin
Kennedy het Amerikaanse leger opdraagt de Zuid-Vietnamese troepen zodanig te
trainen dat het Amerikaans (adviserend) militair personeel zich tegen eind 1965
uit Vietnam kan terugtrekken en waarin hij zegt dat het ministerie van Defensie
in de ‘nabije toekomst’ de terugkeer van duizend Amerikanen uit Vietnam moet
aankondigen. Bedoeling was dat ze kerstmis ’63 in de huiselijke kring zouden
kunnen vieren.

Dit zinde de militaire
wereld duidelijk niet. Die wilde immers investeren in oorlog. Amper vier dagen
na de dood van Kennedy, op 26 november ’63, besliste de kersverse president
Johnson via NSAM #273 net het tegenovergestelde van wat zijn onfortuinlijke
voorganger beoogd had: Johnson wilde méér Amerikaanse inmenging in Vietnam en
stuurde in 1964 troepen, waarna de oorlog pas goed kon losbarsten. De gevolgen
zijn bekend: meer dan een half miljoen Amerikanen werd naar Vietnam gestuurd,
58.000 van hen keerden in ‘body bags’ terug. De oorlog zou 570 miljard dollar
kosten. Vreemd genoeg dateert het ontwerp van NSAM #273 van 21 november, één
dag vóór de moord op Kennedy dus, een ogenblik waarop Johnson het nog niet voor
het zeggen had. Even vreemd is dat zowat de voltallige regeringsploeg – op de
president en de vice-president na – zich op dat moment in Honolulu bevond voor
een congres.

Voor de oorlogsindustrie
én voor de belangen van de CIA (die voor het eerst sinds haar ontstaan in 1947
werkelijk dreigde gecontroleerd te worden door de overheid) stond John
Fitzgerald Kennedy in de weg, aldus kolonel Prouty. Zij hebben het complot
uitgetekend. Wie uiteindelijk de trekkers hebben overgehaald, is slechts een
detail in de geschiedenis, maar niet de sleutel tot het mysterie.

Een plausibele redenering,
maar is het ook de waarheid en niets dan de waarheid? Dat zullen we allicht
nooit langs officiële weg te weten komen.



11 september

Geschiedenis Posted on wo, september 11, 2013 14:04:20

Nine/Eleven eist
weer alle aandacht op, twaalf jaar nadat Al Qaida het Amerikaanse
zelfvertrouwen op die bewuste datum een flinke deuk gaf, de Twin Towers live op
televisie als een mislukte soufflé in elkaar zakten en het oninneembare
Pentagon opeens niet zo’n oninneembare vesting bleek te zijn. 9-11 staat voor
een onverwachte thuisnederlaag van een zich onoverwinnelijke achtende,
betweterige, opdringerige natie, die zich achteraf afreageerde op de Taliban
(geen enkele Afghaan was nochtans bij de aanslagen betrokken) en Irak (een land
dat dan toch niet over een kernwapenarsenaal beschikte, zoals de Amerikanen bij
hoog en bij laag beweerden, valse bewijzen in de hand).

Amerikaanse regeringen zijn zelden kieskeurig in hun wraak.
‘Wanted: Dead Or Alive’ is een principe dat overwaaide uit de tijd van
schietgrage cowboys en sheriffs, diep in de negentiende eeuw, en dat door
president George W. Bush letterlijk werd geciteerd in de nasleep van 9/11.
Amerika is ook het land waar een cowboyacteur het eerst tot gouverneur en
daarna tot populaire president kon schoppen. Amerika is het Beloofde Land voor
wie gelooft in valse beloftes.
***

Ik neem u mee naar een andere 11de september die vandaag herdacht
wordt, zij het met minder bombarie dan 9/11. In 1973, precies veertig jaar
geleden, werd in het Zuid-Amerikaanse land Chili de democratie vermoord. De
verkozen socialistische president Salvador Allende, populair bij het volk,
vriend van de Sovjet-Unie omdat je in die tijd als staatsleider nu eenmaal moest kiezen tussen
het oost- of het westblok, was een doorn in het oog van de Verenigde Staten.
Hij moest zo snel mogelijk weg.

De CIA dokterde een plan uit en op 11 september 1973 werd
dat vlekkeloos uitgevoerd. Allende vluchtte en pleegde zelfmoord. De dichter
Pablo Neruda, winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 1971, overleed
twaalf dagen later; officieel aan een hartfalen, officieus nadat hem een
dodelijke injectie werd gegeven. Generaal Augusto Pinochet mocht met steun van
Nixon, de meest corrupte president uit de Amerikaanse geschiedenis, de macht
grijpen. De volgende zeventien jaar zou het leger op brutale wijze Chili in een
houdgreep nemen.

Democratie was even bijzaak voor het land dat zich graag als
de bakermat van die democratie ziet. Geopolitici en andere militaire strategen
waren immers tot de conclusie gekomen dat de domino-theorie zijn intrede
dreigde te doen in Zuid-Amerika, mocht Allende aan de macht blijven. De
domino-theorie, voor de jongere lezers, is voor de politiek wat de stepping stone-theorie is in de wereld
van drugs en andere roesmiddelen. Als één land communistische sympathieën
vertoonde, zou het zijn buurlanden kunnen aansteken en zou het communisme zich
als een rode inktvlek kunnen verspreiden over een heel continent. En dus drong
een stevig ‘Adios Allende!’ zich op.

***

Een veertienjarige jongen keek verwonderd naar de met
vertraging binnenlopende zwart/wit-beelden van de militaire coup. Hij zag tanks
en uniformen en angstige mensen en nam zich voor om nooit in het leger te gaan,
waar je blind bevelen moest uitvoeren, ook al druisten die in tegen je eigen
overtuiging. Zonder nadenken gehoorzamen, zo had de jongen voor zichzelf
uitgemaakt, is dom. Braafjes de Grote Leider volgen was niet aan hem besteed,
dat hadden enkele leraren al aan den lijve ondervonden.

Op televisie zag hij beelden van een geblokte reporter van
de BRT, die met zijn cameraploeg in een hoekje van het nationale voetbalstadion
in Santiago werd gedreven door militairen, maar die recalcitrant en dapper
genoeg was om sigaretten over het prikkeldraad te smijten naar de smekende,
hulpeloze massa. Chili was heel ver, zo goed beheerste de jongen zijn
aardrijkskunde wel, maar het was ook dichtbij, dank zij de wonderen van de
techniek, een paar camera’s en een antenne op het dak. En hij wist al wat
democratie was en vervloekte Richard Nixon, de onverlaat die alleen maar aan de
macht was gekomen omdat de Kennedy’s vermoord waren.

Die dag, 11 september 1973, werd de kiem gelegd van wat de
jongen later wilde worden: journalist. Hij wilde óók het nieuws brengen, de
wereld verklaren, proberen aan te tonen wat er écht gebeurd was. Wist hij veel dat hij zes
jaar later – geen jongen meer, maar ook nauwelijks een man – in die geblokte reporter
een leraar en mentor zou vinden, die de journalistieke vlam nog veel sterker
zou doen branden.

***

In de dagen na de machtsgreep van Pinochet kwamen er meer
dan drieduizend Chilenen om. In de jaren nadien waren dat er nog veel meer,
geliquideerd in naam van het leger en met stilzwijgende goedkeuring van de ware
machthebbers van Amerika: de CIA, de wapenfabrikanten en de zakenwereld.
Tijdens de moorddadige raids van 9/11 stierven er ook drieduizend mensen. Toch
ervaren de meesten onder ons de impact van 2001 als veel groter dan die van
1973. De beelden waren live en veel spectaculairder. Maar vooral: er is ons
geleerd om Amerikaans te denken, dus is een aanval op Amerikaanse bodem veel
relevanter voor media, politiek en economie dan een door het machtigste land
ter wereld goedgekeurde militaire coup ergens in Verweggistan. En ja, in deze
tijden van instant nieuws over panda’s en publiek kakkende pseudo-BV’s die in de
prostitutie stappen is 1973 natuurlijk al héél lang geleden. Letterlijk: een eind
weg in de vorige eeuw.

Dat op 11 september 1973 de democratie stierf, ach, dat is collateral damage, zo lijkt het wel.
Terwijl, als je er goed over nadenkt, het instorten van die twee spuuglelijke
torens veel meer collateral damage was
dan die gewelddadige messteek in het hart van het democratische wezen zovele
jaren geleden. Laten we Chili niet vergeten. Dat de ware democratie altijd moge
overwinnen. !Venceremos!



Waar is onze droom?

Geschiedenis Posted on wo, augustus 28, 2013 13:13:16

‘I am happy to join with you today in what will go down in
history as the greatest demonstration for freedom in the history of our
nation.’ Zo begon Martin Luther King, jr. op 28 augustus 1963, vandaag exact
vijftig jaar geleden, aan een toespraak die de geschiedenisboeken zou halen als
de ‘I have a dream’-speech. In die openingszin gaf dominee King al aan dat hij
goed en wel besefte wat de draagwijdte was van de Mars op Washington, die die
namiddag aan het Lincoln Memorial in de Amerikaanse hoofdstad eindigde, en van
de historische woorden die hij op die plek zou uitspreken, ook al had ie die pas de avond voordien snel bij elkaar geschreven.

‘Let freedom ring’

Tweehonderdduizend deelnemers, georganiseerd door de zes
grootste mensenrechtenverenigingen van dat moment, rechtstreeks uitgezonden op
televisie, in het absolute machtscentrum van de Amerikaanse politieke wereld:
daar trof King met een bevlogen toespraak van zeventien minuten zijn volgers
recht in het hart. Het momentum was er, om eisen te stellen voor meer jobs,
vrijheid en gelijkheid voor niet-blanke inwoners van de United States of
America, en dan met name voor de nog altijd gediscrimineerde zwarten, die toen
nog geen lang geen Afro-Amerikanen werden genoemd. Het racistische scheldwoord
‘Niggas’ lag in die dagen vlotter op de tong van de heersende elite dan het
neutralere ‘blacks’.

King wist als geen ander dat dat momentum moest aangegrepen
worden om een duidelijke boodschap te verkondigen. Maar hij wist ook dat de
risico’s groot waren: het was een once in
a lifetime
-kans. Er was veel meer volk opgedaagd dan verwacht, wat al snel
had kunnen omslaan in chaos en relletjes. De organisatie van het hele gebeuren
verliep amateuristisch en slordig. En de blanke elite stond in de coulissen
klaar om elke vorm van afwijkend gedrag aan te grijpen om de hele burgerrechtenbeweging
voor eens en voorgoed te verketteren.

Dat laatste was zonder het retorische vermogen van de zwarte
leider gerekend. King pakte het publiek in met bijbelcitaten, verwijzingen naar
de liberale Amerikaanse Grondwet, tekstflarden die werden geleend bij Abraham
Lincoln, die algemeen erkend werd als één van de allergrootste presidenten uit
de geschiedenis, en vooral: het uitzicht op een betere wereld. Hoop. Een droom.
Volgens de legende riep de zwarte zangeres Mahalia Jackson vlak voor zijn
toespraak: ‘Tell them about the dream, Martin!’. King deed dat, vertellen over
de droom. ‘I have a dream’ werd het volgende kwartier tot acht keer toe
herhaald.

‘Ik heb een droom dat op een dag dit land zal opstaan en de
ware betekenis van haar credo zal naleven: “Wij vinden de volgende
waarheden vanzelfsprekend: dat alle mensen gelijk geschapen zijn”,’ zei
hij. En ook: ‘Ik heb een droom dat op een dag zelfs de staat Mississippi, een
staat die blakert in de hitte van onrecht en onderdrukking, veranderd zal
worden in een oase van vrijheid en gerechtigheid.’ En tenslotte: ‘Ik heb een
droom dat mijn vier kinderen op een dag zullen leven in een land waar zij niet
beoordeeld zullen worden op hun huidskleur, maar naar de inhoud van hun
karakter.’

‘Let freedom ring’, klonk het mantra op het einde van de
toespraak. King sprak de hoop uit dat al Gods kinderen, zwarte en blanke
mannen, joden en heidenen, protestanten en katholieken, de handen in elkaar
zouden slaan onder het zingen van een oude negro spiritual: ‘Free at last! Free
at last! Thank God Almighty, we are free at last!’

Obama

Minder dan drie maanden na deze historische gebeurtenis
kreeg de droom een eerste knauw, toen de democratische president John F.
Kennedy in Dallas vermoord werd. Kennedy was een moderne, breeddenkende
politicus, die veel vrienden had bij de zwarten, wellicht even veel als dat ie
vijanden had bij de blanken. Na hem escaleerde de oorlog in Vietnam, werden
burgerrechten voor een hele poos in de diepvries gestopt en viel Amerika meer
dan ooit in handen van blanke, rechtse groeperingen.

Minder dan vijf jaar later was Martin Luther King zelf dood,
neergeschoten door een racistische blanke, al blijven er merkwaardige
complottheorieën rond de moord in Memphis, Tennessee hangen, net zoals rond de
liquidatie van JFK trouwens. Twee maanden na King werd ook Robert F. Kennedy,
broer van, en de gedoodverfde favoriet voor de presidentsverkiezingen van 1968
neergeknald. De droom was ver weg.

In de vijftig jaar sinds de mars op Washington is er heel
wat veranderd in de Verenigde Staten. Ten goede vooral. De gelijkberechtiging
van zwarte Amerikanen werd door de opvolgers van King behartigt. Ralph
Abernathy, Jesse Jackson en Andrew Young hadden niet het charisma en de unieke
welbespraaktheid van hun illustere voorganger, maar ze deelden wel zijn
bevlogenheid. Beetje bij beetje slaagden zij erin barrières te slechten en
universele mensenrechten ook tot diep in het land van de Ku Klux Klan te laten
doordringen.

Niet dat er geen racisme meer is in Amerika, integendeel.
Als blanke maak je nog altijd meer kans op maatschappelijk succes dan als
zwarte. Een zwarte misdadiger wordt nog altijd strenger gestraft dan een
blanke. Zwarten worden nog altijd sneller als kanonnenvoer voorop gestuurd in oorlogen dan blanken. De media en de cultuurindustrie worden nog altijd gedomineerd door
blanken, de occasionele Oprah Winfrey is niet meer dan een excuustruus.

Maar er is vijftig jaar na ‘I have a dream’ wel een zwarte
president en dat had niemand ooit durven vermoeden. Veel dichter bij Kings
droombeeld dat zijn kinderen op een dag niet meer zouden beoordeeld worden op
basis van hun huidskleur, maar op de inhoud van karakter, geraak je niet. King
zou ongetwijfeld extatisch geweest zijn, mocht hij in november 2008, op zijn
79ste, de triomf van Barack Obama hebben beleefd. Hij zou op de eerste rij
gestaan hebben of op het podium zijn geklauterd en mee ‘Yes, we can!’ hebben
geroepen. ‘Yes, we can’, de ‘I have a dream’ van dit tijdsgewricht en van deze
generatie Afro-Amerikanen.

Zou King tevreden zijn geweest? Over die eerste zwarte
president: zeer zeker! Over diens daden en beslissingen: twijfelachtig. Over
zijn Amerika: ik denk het niet. De Verenigde Staten zijn minder dan ooit
verenigd. Dwars door het land loopt de Midwest, waar racisten het voor het
zeggen hebben. Zwarten worden dan wel niet meer genadeloos neergeknald in een
klein dispuut, maar ze houden zich toch maar beter gedeisd. We mogen niet de
fout maken om op basis van de vrijdenkende New Yorker of de frivole inwoner van
Californië een beeld te creëren van ‘de Amerikaan’. De doorsnee Amerikaan is al
die jaren een bange blanke man gebleven.

King zou vandaag, als inmiddels 84-jarige, nog veel werk
hebben.

En wij?

Hoe zit het met onze droom? Hebben we er nog wel één en, zo
ja, houdt ie stand? In de vijftig jaar sinds Martin Luther Kings legendarische
woorden hebben we hier ook een hele evolutie doorgemaakt. Toen begrepen we dat
misschien niet al te best, die hele retoriek rond dromen, vrijheid en
gelijkheid, omdat racisme zich ver van ons bed afspeelde. Er waren
gastarbeiders, ja, maar die vonden we toch vooral goed om het vuile werk op te
knappen, werk waar wij in een land waar het economisch goed ging letterlijk
vies van waren. En dus werden ze getolereerd.

Vandaag hebben wij even veel nood aan een charismatische
dromer, iemand die opkomt voor gelijkheid en evenwaardigheid, van alle rassen,
van alle geslachten, van alle klassen, en die dat liefst ook nog eens
passioneel kan verwoorden. Ik kijk rond en denk diep na en kan me niemand voor
de geest halen die dat zou kunnen of willen. Vreemd genoeg is Bart De Wever,
met zijn nationalistische en rechts-liberale discours, de enige die enigszins
aanleunt bij een dromer: iemand die vanuit een underdogpositie met een lang
vervloekte boodschap heel wat zieltjes wint voor zijn verhaal, zijn versie van
een ‘droom’. Ik herinner mij nog dat de generatie van mijn grootouders
Vlaams-nationalistische politici onverbloemd ‘zwartzakken’ noemde, omdat velen
onder hen ‘fout’ waren geweest tijdens de oorlog. Het was een stigma dat
generatie op generatie werd doorgegeven, maar wel enigszins verwaterde. De meeste
landgenoten hebben die oorlog, gelukkig, niet meegemaakt, maar toch is er
altijd iets van dat collaboratiegegeven blijven hangen, al was het maar omdat
om de zoveel jaar de amnestiegedachte weer uit één of andere lade wordt
getoverd en er dan direct ferme tegenkantingen worden geuit.

Bij de andere politieke partijen ontbreekt zulk verbindend
verhaal op dit moment. Welke christelijke gedachte verdedigen de
christen-democraten nog? Wat hebben de liberalen nog te bieden aan de
ondernemers in dit land? Voor welke sociale wantoestanden zetten de
sociaal-democraten zich nog in? Ik zie weinig visie, enthousiasme en
bevlogenheid. Ik zie al zeker geen potentiële King. En ik zie vooral niets om
van te dromen.

We herdenken vandaag één van de warmste en tegelijk
gloedvolste momenten uit de moderne wereldgeschiedenis: de boodschap van een
dromer, iemand die zich durfde blootgeven en die een massa mensen op een
gezonde manier in beweging bracht. Niet door leugens of een boodschap van haat
te verspreiden, maar door vanuit de eigen kracht, een grenzeloos voluntarisme
en optimisme-tegen-beter-weten-in een positief verhaal te brengen.

Waar zitten onze dromers en wanneer treden ze naar voor?



Timisoara

Geschiedenis Posted on vr, augustus 23, 2013 11:56:42

Je moet al een onverbeterlijke cynicus of zelf een
wreedaardige dictator zijn om onbewogen te blijven bij de hallucinante beelden
die ons deze week bereikten uit een voorstad van de Syrische hoofdstad
Damascus. Een aanval met zenuwgas maakte er honderden slachtoffers. We zagen
schuimbekkende en stuiptrekkende mannen, vrouwen en kinderen – véél kinderen –
die een pijnlijke doodsstrijd uitvochten. We zagen de onnoemelijke wreedheid
van de barbaarse leider die Bashar al-Assad is. En we zagen de reactie van de internationale
gemeenschap, of beter: we zagen die niet.
Het bleef bij een flauwe waarschuwing en een dringende vraag om onafhankelijke
onderzoekers toe te laten in de getroffen wijken, terwijl heel wat westerlingen schreeuwden om vergelding, om het bewapenen van de rebellen, om het helpen
omverwerpen van het ziekelijke Assad-regime. Heel wat politici roepen daar trouwens al vele maanden om.

Maar wacht eens even.

De beelden die ons bereikten waren afkomstig van de
opstandelingen. De overheid ontkent de feiten. Sterker nog: de overheid beweert
dat de rebellen zelf het zenuwgas hebben gebruikt om Assad in een kwaad
daglicht te stellen. Deskundigen zeggen intussen dat de beelden écht zijn en
dat er wel degelijk sprake is van typische symptomen na het inademen van
zenuwgas. Zo cynisch zijn we nu ook weer niet, dat we zouden durven denken dat
het om een geacteerd propagandafilmpje gaat. Dit zijn geen acteurs: het zijn
slachtoffers.

Toch twijfelen we nog enigszins. Daar is een reden voor. Die
reden is de naam van een Roemeense stad met negen letters: Timisoara. Een stad
met driehonderdduizend inwoners die in 1989 aan de basis stond van de opstand
tegen het verderfelijke regime van Nicolae Ceausescu, het zelfbenoemde ‘Genie
van de Karpaten’. Dat paste toen in de val van de communistische regimes in de
Sovjet Unie en de andere landen van het Oostblok. Het westen juichte
om de volksopstand en het van de macht verdrijven van Ceausescu en tekende
nauwelijks verzet aan toen de Conducǎtor na een schertsproces ter dood
veroordeeld en onmiddellijk geëxecuteerd werd. De stalinist voor het
Internationaal Gerechtshof van Den Haag slepen was minder belangrijk dan het
omverwerpen van het communisme.

Terug naar Timisoara. In die stad doken in december 1989
huiveringwekkende beelden op van een massagraf met meer dan vierduizend lijken,
waarvan de meesten duidelijke tekenen van foltering vertoonden. Er waren nog
geen sociale media, geen YouTube, geen instant nieuwsgaring, de beelden kwamen
nog met één of meerdere dagen vertraging tot bij ons. Maar de verontwaardiging was er
niet minder om. Het leken wel joodse massagraven uit de Tweede Wereldoorlog.
Die beeldvorming droeg ertoe bij dat het westen niet al te hevig protesteerde
tegen de snelle executie van het echtpaar Ceausescu.

Achteraf kwam men tot de ontdekking dat alles in scène was
gezet. De lijken waren opgegraven van het armenkerkhof van Timisoara, een paar
kilometer verderop, en werden dan in een gigantisch open graf gedumpt. In
werkelijkheid vielen er ‘slechts’ zeventig slachtoffers in de stad, geen
vierduizend. Nog altijd zeventig te veel, maar er bleek geen sprake van
massamoord door het regime uit Boekarest.

Wie oud genoeg is om Timisoara toen bewust te hebben gezien
– van de aanvankelijke gruwel tot de latere ergernis over de manipulatie – kan
nu niet anders dan aarzelen. Dat is geen gebrek aan inlevingsvermogen, maar
gerede twijfel.

***

Syrisch en cynisch: het is maar een verschil van twee
letters. De huidige reactie van de internationale gemeenschap, de Verenigde
Naties voorop, zou je als uitermate cynisch kunnen beschouwen. Laat de Syriërs
het maar onder elkaar uitvechten! Ik verdenk de leden van de VN niet direct van
cynisme – toch niet allemaal! – maar ze zijn uitermate machteloos en hopeloos
verdeeld. Rusland en China steunen Assad, in de eerste plaats omdat hij een
handelspartner is. Maar vooral ook omdat ze hem kennen, in tegenstelling tot
het eventuele alternatief.

Zoals we nu nog dagelijks in Egypte zien, lijkt het voor de
hand te liggen om een oude dictator (Moebarak) af te zetten, maar als het
alternatief een democratisch verkozen machtspotentaat is die prompt de
scheiding van kerk en staat op de helling zet (Morsi), dan vinden we het al
snel goed dat de prille democratie op haar beurt opzij wordt gezet voor een
ingreep van het leger (Al-Sisi). De Egyptische samenleving staat daardoor wel helemaal terug bij af.

In Syrië wordt de opstand geleid door een heterogene groep,
maar hoe langer hoe meer wordt die gevoed door jihadisme. Al Qaeda strijdt mee
tegen Assad. Dus: als je morgen Assad helpt liquideren, is de kans heel reëel
dat je opnieuw naar Egyptische of zelfs Afghaanse en Irakese toestanden gaat.
Je verdrijft een onmenselijke dictator en installeert in de plaats een tijdelijke bondgenoot die zich zo snel als dat maar enigszins kan tegen je zal richten.
Het gebeurde met Saddam Hoessein in Irak (tijdens de Golfoorlog tussen Iran en
Irak van 1980 tot 1988 kreeg die Amerikaanse steun, omdat het Iran van de
ayatollahs de westerse vijand was), de Taliban in Afghanistan (tijdens de
Russische invasie in de jaren tachtig deden de Verenigde Staten er alles aan om
het verzet te steunen) en Osama Bin Laden (die destijds een verzetsgroep leidde
in Afghanistan). Stuk voor stuk monstertjes die zich achteraf tegen de Amerikaanse
dokter Frankenstein gingen richten, met het gekende gevolg.

De stoere taal van de Amerikaanse president Obama, exact een
jaar geleden, dat het gebruik van zenuwgas een keerpunt zou betekenen en een
westerse ingreep in Syrië rechtvaardigen, klonk toen luid en helder, maar werd
nu niet meer herhaald. De verklaring is simpel en dit keer wél cynisch: a) de
Amerikanen willen de Russen en de Chinezen niet provoceren, b) er valt in Syrië niets te winnen voor Amerika, en, vooral, c) Assad is
een gevaarlijke gek die ze kénnen. Dat is altijd veiliger dan een onbekende en
wellichte even gevaarlijke gek aan de macht brengen. Dat heet Realpolitik. Je
kunt dat laf noemen, of schuldig verzuim tegenover de gewone man in de straat
in Syrië. Maar in een burgeroorlog die al twee jaar aan de gang is, grijp je
niet zomaar in zonder risico’s. En de tijd dat Amerika nog de politieman van de wereld was, ligt ook alweer enkele jaren achter ons.

***

Wat de internationale gemeenschap wel moet afdwingen is een
onafhankelijk onderzoek naar de omstandigheden van de gifaanval. Als Moskou van
oordeel is dat er niets aan de hand is, dan kan zulk onderzoek geen kwaad, neen
toch? En we moeten maximaal blijven inzetten op humanitaire hulp, het evacueren
van burgers, het opvangen van slachtoffers, het creëren van veilige (en
leefbare) zones in het land. Blauwhelmen sturen, daar kunnen Russen en Chinezen
toch niet tegen zijn, tenzij ze elk greintje menselijkheid verloren hebben? Niet
dat blauwhelmen een soort toverformule meebrengen, dat zagen we halfweg de
jaren negentig tijdens de Joegoslavische burgeroorlog. En je moet er altijd rekening
mee houden dat er landgenoten in body
bags
terugkeren. Het Vietnamtrauma zindert nog na in de Verenigde Staten.

Er bestaat geen ‘schone’ oplossing voor een burgeroorlog. De
rebellen bewapenen acht ik in elk geval veel te roekeloos, want voor je het
weet help je een nieuwe Saddam Hoessein of Osama Bin Laden in het zadel en
versterk je de jihadistische krachten. Langs de kant blijven staan en hooguit
wat verontwaardigde kreten slaken is dan weer het andere uiterste. Tegen beter
weten in moeten we dan maar hopen dat de Verenigde Naties toch eens krachtig
optreden, min of meer uit één mond praten, strenge eisen stellen (en afdwingen)
en zo maximaal mogelijk humanitaire hulp bieden.

‘Oog om oog en de wereld wordt uiteindelijk blind’, zei
Mahatma Gandhi, de ultieme vredesactivist, ooit. ‘De eerste dode in elke oorlog
is het gezonde verstand’, wist de Nederlandse schrijver A. den Doolaard. Het
gezond verstand is in Syrië al een poos verdwenen. We zitten al sinds het begin
van het conflict op het niveau van militaristische slogans, zoals die ene van
generaal Patton: ‘Het doel van de oorlog is niet te sterven voor het vaderland,
maar te zorgen dat de vijand voor het zijne sterft’. Daarmee zitten we het
cynisme al ver voorbij.



« VorigeVolgende »