(Gisteren kon u
hier een 13 jaar oud interview lezen met Hitler-biograaf Ian Kershaw, naar
aanleiding van de driedelige Canvas-documentaire ‘The Dark Charisma of Adolf
Hitler’. Vandaag een bespreking van het tweede deel van de biografie die
Kershaw schreef over de Führer, zoals dat op zaterdag 27 januari 2001 verscheen
in De Financieel-Economische Tijd.)


Op het kaft van
het eerste deel van Ian Kershaws monumentale Hitlerbiografie kijkt de Führer
nog streng en vastbesloten in de lens. De foto die het kaft van ‘Hitler
1936-1945: Vergelding’, het tweede en meteen ook laatste deel, siert, toont een
twijfelende dictator, die wazig voor zich heen staart, weg van de lens. De
onverbeterlijke hypochonder lijkt zijn eigen, onvermijdelijke einde tegemoet te
zien. Kershaw heeft na tien jaar bronnenonderzoek, een onvoorstelbaar
monnikenwerk, een briljant tweeluik afgescheiden. Door de aanwezigheid van meer
geschreven bronnen over de periode 1936-1945 is het tweede deel zelfs nóg vollediger
en genuanceerder dan het eerste geworden. Zo is het, misschien wel, dé
biografie van de 20ste eeuw geworden over, misschien wel, dé figuur van de
eeuw.

‘Slechts
weinig mensen voorzagen op dat moment dat het pad van de Voorzienigheid naar de
afgrond zou voeren.’ Zo beëindigde Ian Kershaw ‘Hitler 1889-1936: Hoogmoed’,
het eerste deel van zijn Hitlerbiografie, meer dan 800 pagina’s dik, maar toch
‘slechts’ tweederde van de omvang van het tweede deel.

Adolf
Hitler had op dat ogenblik net het Rijnland gehermilitariseerd; een daad van
ongekende lef, maar Groot-Brittannië en Frankrijk stonden erbij en keken
ernaar. De Führer was zelfzekerder dan ooit. Hij handelde ‘met de zekerheid van
een slaapwandelaar’, zoals hij zelf uitriep op 14 maart 1936, precies een week
na die gewaagde militaire zet.

Geen
duimbreed werd de man die op 30 januari 1933 de macht in de schoot geworpen
kreeg, in de weg gelegd, schrijft Kershaw. ‘Interne tegenstand was de kop
ingedrukt; twijfelaars waren grotendeels overgehaald dankzij de grootschalige
binnenlandse wederopbouw in eigen land, en dankzij het machtsvertoon in het
buitenland, waarmee Duitsland bijna onvoorstelbaar veel van de verloren
nationale trots had hersteld en het gevoel van vernedering na de Eerste
Wereldoorlog had uitgewist. Het autoritaire systeem werd door velen beschouwd
als een zegening. Dat mensen die in politiek opzicht niet in de pas wilden
lopen, gehate etnische minderheden en sociale buitenstaanders onderdrukt
werden, leek een geringe prijs voor wat gezien werd als een nationale
wedergeboorte.’

Duitsland
wilde, bijna twee decennia na de vernederende nederlaag in de Eerste
Wereldoorlog, maar wat graag opnieuw een dominante macht in Europa worden.
Hitler had het minderwaardigheidscomplex uit zijn Weense studentenperiode
afgeschud; het had plaats gemaakt voor het gevoel dat hij een missie had. De
nazi-leider werd verafgood, wat leidde tot hoogmoed (hybris). En hoogmoed komt
voor de val, zoals het spreekwoord zegt. Kershaw voert vervolgens Nemesis op,
de Griekse godin van de wrekende gerechtigheid. Zij brengt de straf ten uitvoer
die door de goden wordt opgelegd aan overmoedige of buitensporig arrogante
dwazen.

In
het voorwoord van deel twee schetst Kershaw de draagwijdte van het
Hitlerregime. ‘Zijn nalatenschap van ultieme vernietiging is uniek voor de
moderne tijd, en misschien dat in het verre verleden alleen Attila de Hun en
Dzjengis Khan in zekere zin met hem te vergelijken zijn. Aan architectonische
overblijfselen, artistieke creaties, politieke structuren noch economische
modellen, en het minst van al in moreel opzicht, is er iets uit Hitlers Rijk
dat een lichtend voorbeeld zou kunnen zijn voor toekomstige generaties. Er was
natuurlijk grote vooruitgang geboekt in de motorisering, de vliegtuigindustrie
en de technologie in het algemeen – deels op gang gebracht door de oorlog –
maar die ontwikkeling deed zich voor in alle kapitalistische landen, het meest
duidelijk in de Verenigde Staten, en zou derhalve ook zonder Hitler hebben
plaatsgevonden in Duitsland. Wat het meest in het oog springt, is dat Hitler,
in tegenstelling tot Napoleon, een enorm moreel trauma naliet, waardoor het
zelfs tientallen jaren na zijn dood, anders dan met een laatste rest van
onvoorwaardelijke steun, onmogelijk is met goedkeuring of bewondering terug te
kijken op de Duitse dictator en zijn regime, en men het in feite alleen maar
kan veroordelen en verafschuwen.’

Bange blanke
man

Een
maand na de hermilitarisering van het Rijnland, op 7 maart 1936, probeerde het
partijblad Deutschland-Berichte der Sozialdemokratischen Partei Deutschlands in
eerste instantie de eigen partijleden en in tweede instantie de hele Duitse
natie te waarschuwen voor de gevolgen van die oorlogszuchtige démarche. ‘Dat
deze nieuwe daad van Hitler een volgende mijlpaal is op de weg naar de
hellekaken van vernietiging, lijkt nauwelijks tot het bewustzijn van wie dan
ook te zijn doorgedrongen,’ besefte de anonieme auteur van het artikel zelf al
dat zijn klaagzang niet veel zou uitrichten.

De
29ste maart bleek immers dat Hitler populairder dan ooit was. Bij verkiezingen
behaalde zijn NSDAP (zeg maar: híjzelf, want Hitler wás de partij en de partij
was Hitler) 98,9% van de stemmen. Zelfs al was dit resultaat ‘bijgekleurd’, dan
nog waren waarnemers het erover eens dat Hitler kon bogen op een overweldigende
meerderheid, die zijn hunker naar een ’triomf van de wil’ massaal ondersteunde.

‘Voor
de meeste dictators zou het verkrijgen van de onbetwiste macht over de staat
genoeg zijn geweest,’ noteert Kershaw. ‘Voor Hitler was dit echter geen doel op
zich. In zijn beleving diende macht een tweeledig ideologisch doel: de
vernietiging van de joden, die in zijn visie Duitslands doodsvijand vormden. En
door hen te vernietigen zou hij heerser worden over het hele Europese
continent, dat vervolgens een platform zou zijn voor de daaropvolgende
wereldheerschappij.’

Hitler
was op zoek naar Lebensraum, zoals hij in 1924 al had neergepend in Mein Kampf, het politiek-militair
manifest dat hij schreef toen hij in de gevangenis verbleef na een mislukte
putsch het jaar voordien. Niet alleen de joden stonden hem daarbij in de weg,
maar ook de bolsjewisten. Hitler haatte Stalin en vreesde vooral diens
militaire potentieel. Vandaar dat hij in juli 1936 besliste om op de vraag tot
militaire steun van de Spaanse generaal Franco in te gaan. De Spaanse kiezers
hadden net een linkse regering in het zadel geholpen en de rechtse militairen
onder leiding van Franco zagen daarin een groot gevaar voor bolsjewistische
overheersing. Hitler nam zijn besluit om Franco te steunen na het bekijken van
de opera Siegfried, van zijn
lievelingscomponist Richard Wagner. De militaire ingreep in Spanje kreeg dan
ook niet toevallig de codenaam ‘Unternehmen Feuerzauber’ (‘Operatie
Tovervuur’), naar het muzikale leitmotiv bij Siegfrieds heroïsche gang door de
vuurring om Brünnhilde te bevrijden.

Hitler
vreesde voor een Sovjetaanval tegen Duitsland, noteerde Joachim von Ribbentrop,
van 1938 tot het bittere einde nazi-minister van Buitenlandse Zaken, in 1953 in
zijn memoires. ‘Als Spanje werkelijk communistisch zou worden,’ zo hoorde
Ribbentrop Hitler zeggen, ‘dan zal Frankrijk in zijn huidige situatie eveneens
binnen afzienbare tijd bolsjewistisch zijn, en als dat gebeurt, is het
afgelopen met Duitsland. Gemangeld tussen het machtige Sovjetblok in het oosten
en het sterk communistisch Frans-Spaans blok in het westen, kunnen we niets
uitrichten wanneer Moskou verkiest ons aan te vallen.’

De
strijd tegen het bolsjewisme overtroefde in 1936 de campagne tegen de joden. In
augustus profiteerde Hitler van de organisatie van de Olympische Spelen in de
Duitse hoofdstad Berlijn om alle propagandasluizen open te zetten, hierin
bijgestaan door zijn minister van Propaganda, Joseph Goebbels. Goebbels was,
samen met de architect Albert Speer, een van de weinige intieme vrienden van de
Führer. Hitler vreesde voortdurend voor verraad en hij werd elk jaar banger
voor de dood; een hypochonder die op een podium genoot van zijn immense
populariteit, maar die achter de coulissen eenzaam en angstig was.

Met
Goebbels besprak hij de toekomst van de joden. Uit Goebbels’ dagboek, 30
november 1937: ‘De joden moeten Duitsland uit, ja uit heel Europa moeten zij
verdwijnen. Dat zal wat tijd kosten, maar het zal en moet gebeuren. De Führer
is daarover vastbesloten.’

Alwetende
leider

In
1937 knoopte Hitler politieke vriendschapsbanden aan met Benito Mussolini, de
fascistische leider van Italië. De Führer kon het niet echt vinden met de Duce,
maar hij besefte maar al te goed dat hij zijn Aspartner nodig had voor zijn grootse
toekomstplannen. (Ook met Franco had hij een allesbehalve hartelijke relatie,
trouwens.)

In
zijn nu onstuitbaar geworden drang om Lebensraum te veroveren, had Hitler zijn
oog laten vallen op Tsjechoslowakije en Oostenrijk. Hij achtte het noodzakelijk
dat Duitsland, allicht met geweld, expansie zou nastreven in de komende jaren.

‘Wanneer
Duitsland eenmaal op alle terreinen op volle oorlogssterkte is, dan zal daarmee
de militaire basis zijn gelegd voor een aanvalsoorlog tegen Tsjechoslowakije,
waarbij tevens de kwestie van de Duitse Lebensraum tot een triomfantelijke
oplossing komt, zelfs wanneer deze of gene grote mogendheid tegen ons
intervenieert,’ lezen we in een militair rapport uit die dagen. Minister van
Oorlog Werner von Blomberg en zijn generaals namen Hitler echter niet au
sérieux, ze hoopten dat zijn cholerieke buien van voorbijgaande aard waren.
Oorlog was wel het laatste waarin de generaals hun land wilden onderdompelen.
Maar Blomberg moest kort daarop ontslag nemen, omdat hij eerst verliefd was op
en daarna getrouwd met een gewezen prostituee. Het verleden van zijn vrouw had
ie jarenlang achtergehouden; Hitler was zelfs een bijzonder trotse getuige op
Blombergs huwelijk. Toen de Führer de waarheid te horen kreeg, ging ie naar het
schijnt zeven keer naar bad omdat ie een keer de hand van Frau Blomberg geschud
had. Niet alleen Blomberg moest opstappen; ook andere hooggeplaatste militairen
en politici werden het slachtoffer van schandalen.

Het
gevolg hiervan was een alleenheerschappij, met Hitler als enige machthebber.
Hij schrapte alle kabinetsbijeenkomsten – en regeerde dus in zijn eentje – en
nam ook de Wehrmacht, het Duitse leger, stevig in handen.

Dat
hij belust was om Oostenrijk in handen te krijgen, was niet onbegrijpelijk. Hij
zag er op 20 april 1889 in Braunau am Inn, nabij Linz, het levenslicht. Het
heroveren van Oostenrijk stond zelfs al als doelstelling vermeld op de eerste
pagina van Mein Kampf.
‘Duits-Oostenrijk moet terugkeren tot het grote Duitse moederland, en niet om
economische redenen. Nee en nog eens nee: zelfs wanneer een dergelijke
vereniging uit economisch standpunt onbelangrijk zou zijn; ja, zelfs als het
schadelijk zou zijn, dan nog moet het plaatsvinden. Eén bloed vereist één
Rijk.’

De
Oostenrijkse regering verzette zich aanvankelijk nog tegen de geplande
Anschluß, maar dat was eerder symboliek voor de geschiedenisboeken dan een
daadwerkelijke poging om Hitler af te remmen. Op 13 maart 1938 nam Duitsland
Oostenrijk over. Weer reageerden de grote mogendheden niet of nauwelijks,
buiten wat diplomatiek gepruttel in de marge. Een maand later behaalde Hitler
bij nieuwe verkiezingen 99,08% in het ‘alte Reich’ en 99,75% in ex-Oostenrijk.
‘Die bijna 100% is tegelijkertijd een eervolle onderscheiding voor alle
verkiezingspropagandisten,’ noteerde Goebbels vlijtig in een jubelrapport.

Hitler
stond nu op het toppunt van zijn macht. Hij was steeds minder ontvankelijk voor
adviezen en in binnen- en buitenland liet men hem betijen. Kershaw: ‘De
onverbiddelijke desintegratie van samenhangende regeringsstructuren was (…)
niet alleen het product van de allesoverheersende Führer-cultus die Hitlers
absolute suprematie weerspiegelde en verfraaide, het was tevens een bevestiging
van de mythe van de alziende en alwetende onfeilbare leider, zoals die mythe
bijna tot regeringsprincipe verheven werd. Bovendien was Hitler, zoals we
steeds gezien hebben, gaandeweg zelf de meest vurige aanhanger van de
Führer-cultus geworden. Hij was heilig overtuigd van zijn eigen onfeilbaarheid
en zijn lotsbestemming. Dit was uiteraard geen goede basis voor rationele
beslissingen.’

De profeet

Op
8 maart 1938 hield SS-leider Heinrich Himmler een opgemerkte toespraak, waarin
voor het eerst de toekomstige oplossing voor het ‘joodse probleem’ uit de
doeken werd gedaan. ‘Het is duidelijk dat wanneer Duitsland en Italië níet
vernietigd worden, deze krachten – en ik veronderstel dat de joden, de
oorsprong van alle kwaad, de drijvende kracht daarachter zijn – vernietigd
moeten worden,’ zei Himmler. ‘Dat is een simpele conclusie. In Duitsland kunnen
de joden niet blijven. Het is een kwestie van jaren, maar we zullen hen meer en
meer uitdrijven, met een nooit eerder vertoonde meedogenloosheid.’

In
de nacht van 9 op 10 november, amper anderhalf etmaal na Himmlers toespraak,
werden joodse burgers brutaal uit hun huizen en winkels gezet, hun bezittingen
verbrand en bekochten heel wat onder hen de inval met hun leven, in wat
achteraf de Reichskristallnacht zou worden genoemd. Hitler was niet bepaald
tevreden over de afloop van de actie, hij steunde het geweld niet openlijk.
Maar hij liet wel toe dat Hermann Göring, hoofd van de Luftwaffe en zowat de
tweede man in het Rijk, begin 1939 het Centraal Bureau voor Joodse Emigratie
oprichtte, waarvan de meedogenloze Reinhard Heydrich, chef van de Gestapo, de
leiding op zich nam. ‘Hitler hechtte eraan zelf niet openlijk geassocieerd te
worden met de anti-joodse campagne die zich in de loop van dat jaar ontvouwde,’
concludeert Kershaw.

Maar
dat ie een oplossing in zicht had, orakelde hij openlijk tijdens zijn
traditionele toespraak voor de Rijksdag op 30 januari, de dag waarop jaarlijks
de machtsovername door de nazi’s werd herdacht. ‘Ik ben vaak in mijn leven een
profeet geweest, en meestal werd ik uitgelachen,’ blafte hij. ‘Ten tijde van
mijn strijd om de macht waren het in de eerste plaats de joden die met
hoongelach reageerden op mijn voorspelling dat ik op een dag de leiding over de
staat en het gehele Duitse volk zou overnemen, en dat ik vervolgens, naast
andere zaken, ook de joodse kwestie tot een oplossing zou brengen. Ik geloof
dat de joden in Duitsland het lachen inmiddels is vergaan. Vandaag wil ik
opnieuw een profeet zijn: indien het internationale financiële jodendom binnen
en buiten Europa erin zou slagen de naties nogmaals in een oorlog te storten,
dan zal dat niet resulteren in de bolsjewisering van de aarde en daarmee de
overwinning van de joden, maar in de vernietiging van het joodse ras in
Europa!’

Hitlers
bedoelingen waren nu duidelijk: hij wilde een internationaal gewapend conflict
uitlokken, de schuld hiervoor aan de joden geven en vervolgens dat excuus
gebruiken om harde maatregelen tegen al wat joods was af te kondigen. Op 15
maart ’39 ging hij weer een stap verder in die richting: Duitsland bezette
Tsjechoslowakije. Tsjechië kwam in Duitse handen, Slowakije werd overgelaten
aan de nazi-vriendelijke maarschalk Tiso.
‘Dit is de gelukkigste dag van mijn leven,’ zei Hitler tegen zijn
secretaresses. ‘Ik zal de geschiedenis ingaan als de grootste Duitser ooit.’
Zoals het overleg van München – met Hitler, Roosevelt, Chamberlain en Daladier
– ten overvloede aantoonde, waren de grootmachten nog altijd niet bereid om
Hitler tegen te houden.

Ter
gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag, op 20 april van dat jaar, ontving
de Führer gelukwensen uit alle lagen van de bevolking. ‘Een groot man, een
genie, een man die door de hemel gezonden is,’ schreef een 17-jarig meisje,
waarmee ze de mening van heel wat Duitsers vertolkte. Ian Kershaw is hard in
zijn historisch oordeel. ‘Omgeven door hielenlikkers, jaknikkers en
opportunisten, beschikte Hitler nu over de absolute macht. Hij kon beslissen
over oorlog en vrede.’

Een man van 50

Een
nieuwe wereldoorlog was nu zeer nabij. Diplomatieke gesprekken tussen Duitsland
en Groot-Brittannië of Frankrijk liepen steevast op niets uit. Op 23 augustus
1939 verraste Hitler vriend en vijand door een niet-aanvalspact af te sluiten
met de Sovjetunie. Een tegennatuurlijk verbond, want het bolsjewisme werd in de
propaganda afgeschilderd als de op één na grootste vijand van het nazisme, ná
de joden. Zowel Stalin als Hitler wilden vooral tijd winnen. Het
niet-aanvalspact gaf hen de gelegenheid naar hartenlust stukken buurland te
bemachtigen.

Hitlers
expansiedrang richtte zich op Polen. De aanval was al verschillende keren
uitgesteld, omdat Hitler weifelde, maar ook omdat hij niet de verwachte steun
kreeg van Mussolini en de Britten en Fransen ermee dreigden terug te slaan,
wanneer Duitsland Polen zou binnenvallen. Maar er was geen weg terug. Hitler
móest en zóu Polen aanvallen. De profetieën uit Mein Kampf moesten vervuld worden, dus stortte hij zich op 1
september 1939 in een blind avontuur met verdragende gevolgen: een wereldoorlog
die vijfeneenhalf jaar tijd vijftig miljoen slachtoffers zou eisen.

Kershaw
probeert Hitlers dadendrang psychologisch te doorgronden. ‘Veel mannen van rond
de vijftig houden zich in die fase bezig met de vraag hoeveel tijd ze nog
hebben om hun ambities te verwezenlijken. Hitler, met zijn buitengewoon grote
ego en zijn ambitie de geschiedenis in te gaan als de grootste Duitser aller
tijden, was met zijn hypochondrische aard al geobsedeerd door zijn eigen
naderende dood, maar nu was het gevoel dat hij oud werd, dat de jeugdige kracht
aan het verdwijnen was, en dat er geen tijd te verliezen was enorm toegenomen.’

Bijna
zeven jaar was Hitler nu al aan de macht in Duitsland: eerst omdat de
democratische machten er maar niet in slaagden een regering samen te stellen,
daarna omdat de Duitse bevolking hem uitriep tot absolute heerser, tenslotte omdat
hij alle touwtjes resoluut in handen nam. De anderen ‘werkten de Führer
tegemoet’, noteert Kershaw. ‘In de meest letterlijke betekenis werkten
Goebbels, Himmler, Heydrich en andere nazi-leiders ‘de Führer tegemoet’,
terwijl zij tegelijkertijd zijn autoriteit inzetten voor de verwerkelijking van
hun eigen fantasieën.’

Militairen
kwamen in het geheim bijeen en koesterden de idee om Hitler af te zetten
omwille van diens vermeende krankzinnigheid, maar niemand zette dit plannetje
uiteindelijk om in daden. De gevolgen zijn bekend. Hitlers troepenmachten
vielen ook hun westerse buurlanden aan. ‘Hij is een ware leider, een
onuitputtelijke bron van kracht,’ noteerde een euforische Goebbels in zijn
dagboek na de capitulatie van Frankrijk, op 17 juni 1940.

Nu
moest Hitler enkel nog zijn twee grote erfvijanden neerslaan: de joden en de
bolsjewisten. Op 22 juni 1941 gaf hij het sein voor ‘Operatie Barbarossa’, de
inval van de Sovjetunie. Dit brutale einde van het niet-aanvalspact dompelde de
totaal verraste Stalin onder in een diepe depressie. Dagenlang was hij niet te
zien in het Kremlin. Op twee weken tijd werden meer dan 300.000 Russische
soldaten krijgsgevangen gemaakt; het Sovjetleger verloor 3.300 tanks, 1.800
kanonnen en zo’n 7.000 vliegtuigen. Negenentachtig van de 164 divisies waren
geheel of gedeeltelijk buiten strijd. Het Duitse optimisme was nu grenzeloos.
‘Het is dus vermoedelijk niet overdreven te stellen dat de Russische veldtocht
in de tijdsspanne van twee weken gewonnen is,’ schreef de stafchef generaal
Franz Halder op 3 juli in een verslag aan de Führer. De grootste vijand van
Duitsland was nu de tijd. De legerleiding wist dat het vóór de winter het
Russische leger op de knieën moest krijgen; het slaagde daar niet in. De harde
winter deed de kansen keren. Toen Duitse generaals klaagden dat het voortzetten
van de strijd in deze onmenselijke omstandigheden regelrechte zelfmoord was,
kregen ze alleen maar een typisch Hitleriaanse, afwerende reactie. ‘De
wereldgeschiedenis wordt niet door het weer gemaakt,’ brulde hij.

Deel
twee van zijn persoonlijk plannetje werd nu in gang gezet. Na een gesprek met
Himmler werd Generalplan Ost ingevoerd, met als bedoeling de raciale
herindeling van Oost-Europa. In dertig jaar tijd moesten 31 miljoen Slaven naar
gebieden ten oosten van de Oeral en naar het westen van Siberië verdreven
worden. Kershaw: ‘Het Generalplan was apert genocidaal. De intentie achter de
’territoriale oplossing’ was dan ook dezelfde als die achter de latere
Endlösung. Maar op dit ogenblik werd er nog niet gedacht aan het doodschieten
of vergassen van alle Europese joden, dat wil zeggen aan de geïndustrialiseerde
volkerenmoord die een aantal maanden later zou worden gepland.’

In
de eerste week van december 1941 werden in het concentratiekamp van Chelmno de
eerste vernietigingsoperaties tegen joodse gevangenen opgezet. De wereld had
echter andere zorgen; Japan viel Pearl Harbor aan, waardoor nu ook de Verenigde
Staten bij de oorlog betrokken raakten.

Hitler
was voortdurend op de hoogte van elke nieuwe stap in de richting van de
Endlösung, schrijft Kershaw. Alleen was hij zo handig om nooit openlijk een
standpunt in te nemen om de systematische moord te bevelen of goed te keuren.
‘Zelfs tegenover zijn intimi kon Hitler zich er nooit toe zetten om in alle eerlijkheid
over de moord op de joden te praten. En het was kennelijk niet de bedoeling dat
de ingewijden in het misdadige complot in zijn aanwezigheid directe opmerkingen
maakten over wat er gebeurde.’

Door God
gezonden

Stafchef
Halder zag de megalomanie van Hitler intussen almaar minder zitten. ‘De
situatie wordt steeds moeilijker te verdragen,’ vertrouwde hij zijn dagboek
toe. ‘Er is geen ruimte om serieus te werken. Dit zogeheten leiderschap wordt
gekenmerkt door een pathologische neiging om op de indrukken van het moment af
te gaan, en door een totaal gebrek aan begrip voor de commandomachinerie en de
mogelijkheden ervan.’ De nederlaag in Stalingrad zat eraan te komen. Eigenlijk
had dat het eindpunt van de Tweede Wereldoorlog moeten zijn, maar Hitler zocht
naar een ‘of-of’-oplossing: óf een totale zege, óf een totale nederlaag. Er was
geen tussenweg voor hem.

De
kloof tussen Hitler en zijn regering, zijn legerleiding en de Duitse bevolking
was nu groter dan ooit. Alleen fanatici hadden hem nog niet door of wilden hem
niet doorhebben. Wat nog erger was, was de kloof tussen Hitler en de realiteit.
Hij leefde, vaak letterlijk, ver weg van de reële oorlog en hij was verre van
een geschoold strateeg, eerder een dilettant die de hele tijd op zijn intuïtie
afging. Hitler had last van een opkomende hartkwaal, zo hadden cardiogrammen
uitgewezen, en van een bevende linkerhand en een slepend linkerbeen, een gevolg
van de ziekte van Parkinson. Zijn haar werd grijs, zijn uitstraling grauw.
‘Maar ook al eisten de spanningen van de laatste oorlogsfase hun tol, er is
geen overtuigend bewijs dat ook Hitlers geestelijke vermogens aangetast waren,’
zo voegt Kershaw eraan toe.

Er
leek nog maar één ding op te zitten voor al wie nog enig gezond verstand had in
Duitsland: de Führer fysiek liquideren. Verscheidene aanslagen werden beraamd,
maar telkens ging het op het laatste moment niet door. Tot Claus Schenk Graf
von Stauffenberg op 20 juli 1944 een zelfgemaakte tijdbom tot ontploffing
bracht. Hitler liep alleen wat schaafwonden en een gescheurde trommelvlies op.
Dat hij nog in leven was, zag hij als ‘een teken van de Voorzienigheid dat ik
mijn werk moet voortzetten en het daarom ook zal voortzetten.’ De beramers van
de aanslag werden onmiddellijk berecht en geëxecuteerd.

Kershaw
schrijft dat Duitsland ten dode opgeschreven was. ‘Toen Duitsland
onverbiddelijk voor de nederlaag stond, kon het regime dan ook nog maar één
ding overwegen: collectief zelfmoord plegen. Maar als een dodelijk gewond dier
in de val vocht het met een meedogenloosheid die voortvloeide uit wanhoop. De
leider, die het contact met de realiteit verloren had, op een wonder hoopte en
tegen windmolens vocht, wilde intussen geheel in Wagneriaanse stijl bij een
apocalyptische catastrofe en getrouw aan zijn sociaal-darwinistische principes
de hele bevolking met zich in de vlammen meesleuren, wanneer die hem niet de
overwinning kon geven die hij had gevraagd.’

‘Er
is altijd gezegd dat de Führer ons door God gezonden is,’ zo schreef een
anonieme nazi in november ’44 cynisch in een rapport van de veiligheidsdienst.
‘Ik twijfel er niet aan. De Führer is ons door God gezonden, maar niet om
Duitsland te redden, maar om het te vernietigen. De Voorzienigheid wil dat het
Duitse volk vernietigd wordt, en Hitler is de uitvoerder van die wens.’

Een
doodgewone soldaat verwoordde het op zijn manier in zijn dagboek. ‘De grootste
fout was de oorlog met Rusland. Hoe groot de moed en de offerbereidheid ook
zijn, je kunt niet de hele wereld aan… Onze ogen waren groter dan onze magen.
Vooral die van onze leiding.’

Kershaw:
‘Zijn weigering om te aanvaarden dat alleen wilskracht de indrukwekkende
superioriteit van de vijand in aantallen en uitrusting alleen niet kon
overwinnen, zou vele duizenden levens van zijn soldaten als nodeloze offers vragen.
Het kon hem niets schelen. Volgens zijn onbarmhartig wrede logica had hun
zwakte hen veroordeeld. Hun individuele verlies was van geen belang bij de
strijd van het land om zijn bestaan.’

Als
de Duitsers hem niet de totale zege konden brengen, waren ze het niet waard om
te leven, zo oordeelde Hitler. In zijn bunker in Berlijn, waarin hij de laatste
maanden van zijn leven doorbracht, omringde hij zich met zijn trouwste
medestanders, terwijl hij het ene na het andere zinloze bevel tot tegenaanval
naar zijn generaals doorstuurde. Ze slaagden er niet in terrein terug te
winnen; ze werden een voor een oneervol ontslagen. De viering van zijn 56ste
verjaardag, op 20 april 1945, verliep in mineur. ‘Geloof me, Speer, het zal
gemakkelijk zijn om er een eind aan te maken,’ zei hij tegen zijn
lievelingsarchitect. ‘Een paar seconden en ik ben overal vanaf, bevrijd uit dit
ellendige bestaan.’

Op
30 april gaf Hitler zijn lievelingshond, de jonge herder Blondi, een
blauwzuurcapsule, om te testen of het gif effectief genoeg was. De hond viel
dadelijk dood neer. Hij trok zich hierna op zijn kamer terug met Eva Braun, de
vrouw van wiens bestaan de doorsnee Duitser niet of nauwelijks op de hoogte
was, maar die wel al vele jaren zijn levensgezellin was geweest. Zij nam gif, hij
schoot zich door het hoofd met een 7.65 mm Walther-pistool. Zijn ultieme
bewonderaars legden de lichamen net buiten de door een Sovjetpeloton belegerde
bunker en staken ze, op gevaar van hun eigen leven, in brand. (Kort daarop
zouden andere nazi-leiders het voorbeeld van hun Führer volgen, onder anderen
Josef Goebbels en zijn volledige gezin: vrouw en zes kinderen.) De asse van de
gecremeerde Adolf Hitler werd in een sigarenkistje bewaard.

Ian
Kershaw – Hitler 1936-1945: Vergelding –
2000, Utrecht, Het Spectrum, 1.200 blz. ISBN 90-274-6734-X.