Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Laffe stilte

Politiek, Samenleving Posted on di, juni 02, 2020 13:04:34

We zijn net iets meer dan een week na de dood van George Floyd, liggend op zijn buik naast een politiewagen in een straat van Minneapolis, Minnesota, met de linkerknie van een stoer in de lens van een voorbijganger kijkende agent in zijn nek. I can’t breathe. Het is maandagavond, 20u28, wanneer Floyd zijn laatste adem uitblaast. Het is 3u28 in de nacht van maandag op dinsdag bij ons. Wij slapen. Het nieuws sijpelt pas de dag nadien door. Het zijn vooral de rellen die erop volgen die hier aandacht zullen krijgen. En de president die zijn bunker even verlaat, bijbel in de hand.

Ik schreef ‘de dood ván’, maar eigenlijk had ik moeten schrijven: de moord óp George Floyd. Slachtoffer van excessief politie-ingrijpen. Meer dan waarschijnlijk slachtoffer van racial profiling. Vermoedelijk slachtoffer van racisme dat door de hoogste autoriteiten van het land gedoogd en zelfs ondersteund wordt.

Een week later slapen de meeste politici bij ons nog altijd. Normaal schieten ze graag vanuit de losse pols tweets op de nabije wereld af. Niet nu. Groen-voorzitter Meyrem Almaci retweet op 29 mei, drie dagen nadat de feiten bij ons bekendgemaakt waren, een opiniestuk over racisme. Een dag later retweet ze met een stukje persoonlijk commentaar de viraal gegane toespraak van Killer Mike in Atlanta. Weer een dag later, zondag 31 mei, postte ze een citaat van Angela Davis en de laatste woorden van George Floyd. Gisteren dan retweette ze nog een antiracistische boodschap van partijgenote Jessica Soors.

Aan de andere kant van het politieke spectrum schiet Vlaams Belang-voorzitter Tom Van Grieken pas zondag 31 mei in gang, maar dan is het wel meteen goed raak. Justice for George Floyd? Neen, hoor, hij heeft het over de rellen, die mogelijk ook naar hier zullen overwaaien, met de aankondiging van een BLM-betoging in Brussel op pinkstermaandag (die uiteindelijk niet zal plaatsvinden). Boven een tweet van Trump (‘The United States of America will be designating ANTIFA as a Terrorist Organizion’) schrijft hij: ‘+100000’ met een emoji van een opgestoken duim. Helemaal mee eens, bedoelt hij. Almaci en Van Grieken spelen hun rol met het brengen of delen van boodschappen die in hun volgerskringen verwacht worden. Groenlinks versus extreemrechts. Ze doen wat van hen verondersteld wordt dat ze doen.

Peter Mertens, voorzitter van de PVDA, doet dat niet. Geen woord van hem op Twitter over de dood van Floyd of de protesten de dagen daarna. Neemt Raoul Hedebouw het woord in deze materie? Nope. Ook geen letter. Alleen de mindere goden van de partij nemen openlijk standpunten in.

Bart De Wever? Noppes. De N-VA-voorzitter gaat heel spaarzaam om met het medium Twitter. Zijn voorlopig laatste boodschap dateert van 22 mei, felicitaties voor zijn nieuwe concullega Egbert Lachaert. Die Lachaert houdt het een hele week op het promoten van zichzelf. (Nochtans wordt zijn nieuwe woordvoerster, Zelfa Madhloum, dadelijk na haar aanstelling racistisch bejegend, hij had maar de link te leggen.) Heeft ie misschien afgesproken met zijn voorgangster dat zij de honneurs nog even zal waarnemen over buitenlandse zaken? Euh, neen. Gwendolyn Rutten retweet alleen een berichtje van haar stadsgenoot Bart Schols over een vreedzaam protest in de staat Colorado. Ach, ja, het is tenminste iets.

Welaan dan, in het moedige midden zal CD&V-voorzitter Joachim Coens toch wel schrijven dat hij enerzijds de dood van George Floyd betreurt en anderzijds ook de rellen? Vergeet het. Hij houdt het op interne partijboodschappen en het veelvuldig retweeten van allerlei aankondigingen, inclusief een grapje over prins Joachim in zíjn groene ruitjesjas.

Conner Rousseau dan, die zal toch… Mmm, geen letter op Twitter, enkel een poging om zijn denkpiste over het verbod op hoofddoeken tot zestien jaar te nuanceren, wat grandioos mislukt. Dus, de voorzitter van de sp.a zwijgt over een onderwerp dat niet alleen de Verenigde Staten beroert, maar ook hier voor een tweedeling van de samenleving zorgt? Iemand die uit volle borst De Internationale zingt sinds hij ‘pap’ kan zeggen? Yep, mateke kan dat. Wacht even, hij is natuurlijk actiever op Instagram, dat andere sociale medium. Daar vinden we vanochtend (eindelijk!) een zwarte kader, met als onderschrift ‘Listening & learning. United we stand against racisme #blackouttuesday’. Dan toch een teken van sociaaldemocratisch leven, voor één keer geen selfie van dat gebeeldhouwde jonge voorzitterslichaam, al is Instagram nu niet meteen het medium om politieke boodschappen te verkondigen.

Onze ministers zullen zich dan toch outen als antiracisten, denk je dan. Think again! Geen zuchtje over wat er over de grote plas gebeurt bij Wouter Beke, Hilde Crevits, Benjamin Dalle, Zuhal Demir, Matthias Diependaele, Jan Jambon, Lydia Peeters, Bart Somers (inderdaad, ook niets bij de minister van Samenleven!) en Ben Weyts, lieden die als er ergens een Vlaming honderd meter voorop rijdt in een bergrit in de Tour, onmiddellijk van jetje geven. Piet Theys, de uitvinder van de kritische sportjournalistiek, zei daar ooit cynisch over: “Verenig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze succes hebben en een deel van dat succes zal op u afstralen.”

Maar goed, dit is eerder federale (want: internationale) materie. Oké, even kijken. Koen Geens? Afwezig. Pieter De Crem? Houdt zich bij binnenlandse zaken. Nathalie Muylle? Is gaan schuile. Philippe De Backer? Nog niet wakker. Maggie De Block? Retweette een boodschap (‘Neen tegen racisme!’) van haar Oostendse partijgenoot Bart Tommelein. Oef. Alexander De Croo? Yo. Hij zette vanochtend ook een zwarte kader op Twitter met de boodschap: ‘All men are created equal #life #liberty #pursuitofhappiness #BlackOutDay2020’.

Even over de taalgrens piepen. Premier Wilmès? Non. Paul Magnette? Pas du tout. Elio Di Rupo. Absent. Georges-Louis Bouchez? Twee retweets van vreedzame manifestaties. Het is wat het is, c’est ce que c’est.

Op die paar uitzonderingen na heerst de grote stilte. Niet mee bezig. Niets voor ons (al kan je ook hier van alledaags racisme gewagen). Niet nu, we hebben andere zorgen.

Het is een laffe stilte die heel erg op schuldig verzuim lijkt.



#BlackLivesMatter

Samenleving Posted on ma, juni 01, 2020 13:17:06

Ik ben geboren als een witte jongen. Dat komt erop neer dat ik vanaf de wieg geprivilegieerd ben, want witte (zeg voor mijn part: blanke) mannen hebben een streepje voor. Dat is geen verdienste en dat is ook niet iets waarop je mij moet aanspreken. Het is nu eenmaal zo. Toeval. Een zaadcel die hallo zegt tegen een eicel en het resultaat was ik. Ik wil dus niemand horen zeggen dat het geweldig is dat ik een witte man ben. En ik wil evenmin iemand horen zeggen dat het een schande is dat ik een witte man ben.

Ik ben opgegroeid onder witte mensen. Jongens, meisjes, mannen, vrouwen. Thuis, op school, op het werk. Slechts occasioneel liep ik iemand met een andere huidskleur tegen het lijf in mijn leefomgeving. Homo’s en lesbiennes waren er wel in mijn wijde vrienden- en kennissenkring. Sommigen liepen met een boogje om hen heen, of spraken fluisterend — als ze in de buurt waren — of hardop — als ze niet in de buurt waren — kwaad over hen. Behoorlijk omfloerst, of in de vorm van een aangebrande mop, met als onderliggende boodschap: dit hóórt niet. Zo zijn wíj niet.

Ik was vroeger roodharig. Ros. De tand des tijds heeft die rosse glans doen verdwijnen, net als een deel van dat haar trouwens. “Rosse kater, springt in ’t water, met uw tenen boven ’t water”, werd er weleens gezongen naar mij. Toen de Vlaamse gemeenschap nog nagenoeg honderd procent wit was, werd er ook al gezocht naar mogelijke zwakke schakels om te pesten. Het is van alle tijden. Het wordt doorgegeven van ouders op kinderen. Zoek de zwakke schakel, zorg ervoor dat jij de pester bent en niet de gepeste. Och, die ‘rosse kater’ heeft me niet getraumatiseerd. Ik vond het tijdverlies om erop te reageren. Die beledigingen waren nog redelijk onschuldig, met de nadruk op ‘redelijk’, want ook dat gedrag is natuurlijk laakbaar.

Ik weet niet wat het is om tot een minderheid te behoren. Ik weet niet wat het is om van de ene omgeving te migreren naar een totaal andere, verhuizen van de stad naar het platteland laat ik dan even terzijde liggen, hoewel: het geeft je wel een idee wat het moet zijn om als buitenstaander te moeten leven, maar dan zonder de discriminatie en de kleineringen. Mensen kijken je aan alsof je van Mars komt, maar da’s niet erg: ik koester mijn geïsoleerde bestaan als vreemdeling. Pas als mensen je aankijken en je ze ziet denken of hoort zeggen dat je beter op Mars was gebleven, wordt het vervelend.

Ik probeer me voor te stellen hoe dat moet zijn, leven als vreemde in je eigen land. Niet dat je dat bént, maar als velen dat zeggen, ga je dat op den duur zelf denken, of voel je je er op z’n minst slecht bij. Ik schreef samen met een zwarte man een boek over racisme in het voetbal. Daardoor kreeg ik heel even het gevoel een vreemde te zijn, want sommigen vinden het blijkbaar niet passen dat een witte man — een geprivilegieerde jongen in onze witte westerse samenleving — onrecht aankaart waar hij zelf niet het slachtoffer van is. Het is aan de slachtoffers om dit naar buiten te brengen, kreeg ik af en toe te horen. Of ik las het in beschouwingen over andere racistische daden. Ik begrijp dat totáál niet. Ik vind dat zelfs beledigend, wat zeg ik: een vorm van racisme. Iederéén zou moeten opkomen tegen racisme, of je nu zelf tot de geviseerde groep behoort of niet. Het is een burgerplicht. Het signaal dat ik wou geven met dat ene boek, Vuile zwarte, was er een van burgerzin. Racisme is verwerpelijk, altijd en overal.

Ik las deze morgen een tweet van iemand die zich beroepshalve hoofdredacteur mag noemen en die zich openlijk afvroeg of het niet #LivesMatter of #AllLivesMatter moet zijn, in plaats van #BlackLivesMatter. Het gaat om een witte man, dat hoef ik u niet te vertellen. Van middelbare leeftijd, aan zijn profielfoto te zien. Een typische reactie van geprivilegieerde witte mannen van middelbare leeftijd, van iemand die niet begrijpt (of wil begrijpen) waar die hashtag zijn oorsprong vindt. #BlackLivesMatter zegt níet dat alléén zwarte levens van belang zijn, wel integendeel: het zegt dat zwarte levens evenvéél tellen als alle andere levens. Het zegt: in wezen zijn we allemaal gelijk. Het zegt: in het Amerika van nu worden mensen met een zwarte huidskleur gediscrimineerd, gecriminaliseerd, op vele vlakken sociaal uitgesloten, en dat zou niet mogen. Het zegt: tot hier en niet verder. Wie dat niet snapt, neemt best geen openlijke standpunten in. Of wordt best geen hoofdredacteur. Voor zulke mensen zei de grote Martin Luther King, Jr. ooit: ‘Nothing in all the world is more dangerous than sincere ignorance and conscientious stupidity’. Onwetendheid en domheid als vijanden van het volk. Het moet wat zijn op die redactievergaderingen…

Ik voer u terug naar 1939, toen Billie Holiday, een gekleurde jazzzangeres, Strange Fruit uitbracht. Een gebroken stem zingt over een gebroken samenleving. De eerste lijnen zeggen alles. ‘Southern trees bear a strange fruit / Blood on the leaves and blood at the root / Black bodies swinging in the southern breeze / Strange fruit hanging from the poplar trees’. Voor die ene hoofdredacteur duid ik even dat het ‘vreemde fruit’ waarvan sprake geen appelen, peren of papaya’s zijn. Holiday zong over zwarten die door leden van de Ku Klux Klan gelyncht werden, waarna de racisten hen demonstratief lieten hangen aan de bomen, bengelend in de zachte wind van het zuiden van de Verenigde Staten. Het Amerika van Billie Holiday verschilt nauwelijks van het Amerika van Donald Trump, ook al zijn we eenentachtig jaar later en hebben we ondertussen Rosa Parks, Martin Luther King, de Nation of Islam, Malcolm X, de vreedzame mensenrechtenbeweging en een zwarte president gekend. Racisme zit diep verankerd in de Amerikaanse samenleving, dieper dan het bij ons zit, al zit het bij ons ook behoorlijk diep, als je even rondkijkt. Met een leider die zelf een racistische narcist is, voelen KKK’ers en aanverwanten zich gesterkt. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die zelf de protesten zwaarder bekampt dan het oorspronkelijke onrecht — de dood door overdreven politiegeweld van een zwarte man —, voelen ordehandhavers die zelf sympathie hebben voor de KKK zich vrije vogels. Wie kan er hen wat maken? Met een leider die terecht de gewelddadige reactie van een getergde menigte veroordeelt en vergeet naar de oorzaak ervan te kijken, zitten racisten gebeiteld. Wie kan er hen wat maken?

Dus ja, als witte man, niet trots op zijn privileges maar er wel gretig gebruik van makend, voel ik me geroepen om dit brutale, diepgewortelde, schijnbaar onwrikbare onrecht aan te klagen. Ik kijk ernaar vanop een veilige afstand, maar ook dat kan mij niet verweten worden. Ik kom van waar ik kom, ik woon waar ik woon. Opnieuw: geen verdienste, noch een verwijt waard. We mogen hier niet meer over zwijgen. We mogen de daden van die narcistische idioot, ook al is hij democratisch verkozen, niet zomaar tolereren. Als westerse — hoofdzakelijk witte en hoofdzakelijk mannelijke — politici geen krachtig signaal Witte Huis sturen, wat het moge zijn laat ik aan hun verbeeldingskracht over, hoeven ze hier nooit nog in het openbaar te zeggen dat ze voor een open en tolerante samenleving zijn, want dan zijn het voor eens en voor altijd hypocriete lafaards die uw aandacht niet waard zijn.

‘A riot is the language of the unheard’, zei Martin Luther King ooit. Het is, helaas, de enige zichtbare manier om ‘Tot hier en niet verder!’ te roepen. Hij zei ook, meer dan vijftig jaar geleden, ‘We cannot walk alone’: en toch heeft ‘zijn’ volk nog altijd geen glimp opgevangen van het Beloofde Land en stappen ze nog altijd alleen op. ‘We will remember not the words of our enemies, but the silence of our friends’. Wie in deze tijden zwijgende vrienden heeft, heeft geen vijanden nodig, want iedereen is je vijand. Wie hier, in West-Europa, als persoon met enig maatschappelijk gewicht en gezag blijft zwijgen, is een vijand van George Floyd en al die andere slachtoffers van excessief politie-ingrijpen.

Nog eentje, om het af te leren, uit die ene fameuze toespraak: ‘I have a dream that my four little children will one day live in a nation where they will not be judged by the color of their skin, but by the content of their character’. Dromen zijn bedrog. Zevenenvijftig jaar na die bevlogen en door alle mensen van goede wil toegejuichte uitspraak worden zelfs Kings achterkleinkinderen nog altijd achtergesteld om hoe ze eruitzien.

#BlackLivesMatter!



Ongemakkelijke waarheid

Journalistiek Posted on za, mei 30, 2020 13:18:14

Ik heb nog nooit in mijn volwassen leven zo’n lange periode zo weinig omhanden gehad. Mijn agenda van de komende maanden oogt leger dan het witte blad voor de neus van een getormenteerde schrijver met een acute aanval van writer’s block. De wekker staat werkloos op het nachttafeltje, als een relikwie uit het pre-coronatijdperk. Alleen nog nodig om de tijd aan te geven als je ’s nachts moet opstaan om te plassen en je nieuwsgierigheid om te willen weten hoe laat het is het haalt op je gezond verstand dat zegt dat je ’s nachts beter niet herinnerd wordt aan het tijdsbesef dat je in wakkere momenten wél nodig hebt. Of wanneer je hersenen je onveranderlijk influisteren dat je nu wel lang genoeg geslapen hebt, jij luierik. Even een blik op dat onding werpen. 7u15. Is dat nu een uur om op te staan, vraag je jezelf af, want er is niets dat je daartoe dwingt. Is dat nu een uur om op te staan, vroeg je jezelf tot voor kort af, want je had allang een of andere als nuttig gebrandmerkte activiteit aangevat moeten hebben. Diezelfde wekker, hetzelfde tijdstip, een andere gemoedsgesteldheid.

Ik heb nog nooit zo vaak kunnen uitslapen als nu — versta: kunnen opstaan wanneer mijn lichaam daartoe beslist en niet een in opdracht van een baas aangegeven alarmsignaal — en toch ben ik moe. Lichamelijk, ook al steek ik, in normale omstandigheden stachanovist tot in het diepste van mijn vezels, naar mijn gevoel geen klop uit. Geestelijk, omdat mijn brein te weinig aan het werk gezet en uitgedaagd wordt.

Héél moe word ik van al die meningen in deze coronacrisis, jawel, óók de mijne. Al wie tot voor kort zijn of haar mening niet kon ventileren, omdat er geen tijd voor was in dat druk-druk-drukke leven, kan dat nu opeens wel en dat al maanden aan een stuk. De mening als tijdverdrijf, als middel om de dag door te komen en ’s avonds laat naar bed te kunnen gaan met het gevoel dat je je tenminste toch een beetje nuttig hebt gemaakt. Althans, dat maak je jezelf wijs. De mening als zoethoudertje. Pardon, meningen, meervoud, want op één mening kan je niet staan.

Katje Lee, daar horen we allemaal een mening over te hebben en die uiteenlopende meningen moeten beperkt blijven tot twee, duim omhoog of duim omlaag, da’s lekker overzichtelijk. Het dier moet dood of het dier moet leven. Zwart of wit. These-antithese-synthese kennen we niet meer. Dat schema hebben we, gooi ik er snel even tussen met een wikipediawijsheidje, niet te danken aan Georg Wilhelm Friedrich Hegel (1770-1831) of aan Karl Marx (1818-1883), maar aan een andere Duitse denker, de filosoof Johann Gottlieb Fichte (1762-1814), die op zijn beurt geïnspireerd werd door Kant. Stelling-tegenstelling-samenstelling, oftewel zwart-wit-vele tinten grijs, kennen we niet meer. Het is nu these óf antithese. Kies maar. Nuance, ach, u wordt oud, meneer. Dat is zo, ja, hoeveelste-eeuws is dat eigenlijk? Bij nader inzien: heeft nuance ooit wel bestaan?

Ik word zó moe van de meningen van mensen die in andere tijden misschien wel het predicaat ‘weldenkend’ zouden opgekleefd krijgen, maar die nu loos gaan in het poneren van hun eenzijdige visies. Mensen die worden gepercipieerd als slim en die zichzelf ongetwijfeld ook slim durven te noemen, die liefst ook worden gezien als sceptisch, blinken nu uit in een duim-omhoog-of-duim-omlaagdiscours. Dit hoeft geen ad hominemverhaal te worden, daarom noem ik hen maar half, maar ik denk dan aan leerstoelhouder-annex-filosoof-annex-überpositivist Maarten B., politicoloog Carl D., socioloog Mark E., econoom-die-geen-vermogensbeheerder-mag-genoemd-worden Geert N., editorialist Jan S. en senior writer Joël DC, en er zijn er nog een pak, inclusief een stel politieke verantwoordelijken. Zij bedienen zich steeds vaker, steeds luider en steeds irritanter van een absolutisme dat ze bij alle anderen zouden willen afzweren. Over mondmaskers, over kernenergie, over economische relance, over de wegen die de politiek moet inslaan. Zij gebruiken gretig termen als ‘voortschrijdend inzicht’ om aan te geven dat anderen — soms terecht, overigens — hun inzichten moeten aanpassen aan de nieuwe realiteit, terwijl ze zelf nauwelijks nog voortschrijden eens ze zich een definitief inzicht gevormd hebben dat ze vervolgens fanatiek en absolutistisch verdedigen, als waren ze religieuze fundamentalisten die zich gesteund weten door goddelijke waarheden. De coronacrisis heeft die tegenstrijdige gedragingen alleen maar zichtbaarder gemaakt. Absolutisme is de absolute vijand van intelligentie, het dwingt je om afstand te nemen van afstandelijkheid, nochtans een gezond principe als je maatschappelijk iets betekent en er af en toe mensen naar je luisteren. Hoe meer mensen er naar je luisteren, hoe groter die afstand tot absolutisme zou moeten zijn, terwijl het in de praktijk uiteraard net andersom is. Altijd en overal.

Wellicht komt het omdat ik zelf weleens iets doe in de branche, maar het stoort me nog het meest bij journalisten. Onlangs schreef Peter Vandermeersch, Nederlandse Belg of Belgische Nederlander, u kiest maar, tegenwoordig aan de slag in het Ierse krantenbedrijf Independent News & Media, dat verontwaardiging en verwondering de motoren zijn van journalistieke bedrijvigheid. Ik zou er alleszins ook nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling en een open geest aan willen toevoegen. Maar vooral: elke journalist moet een wantrouwige twijfelaar blijven. Hij (m/v/x) moet alles en iedereen wantrouwen: geen makkelijke attitude, want iedereen wil vriendjes maken en niets menselijks is journalisten vreemd. En hij moet twijfelen. Is het wel zo? Benadert wat ik schrijf de waarheid voor zover we die nu, op dit moment, kennen? En is dat morgen nog altijd zo? In die zin verschilt een journalist in wezen niet zoveel van een wetenschapper, die op zijn minst verwondering, nieuwsgierigheid, een zo onafhankelijk mogelijke opstelling, een open geest en twijfel, eeuwige twijfel, op zijn of haar curriculum moet hebben staan. Zonder kan je niet functioneren in die wereld. Als je dat niet kan aanvaarden, moet je maar activist worden en zelf op de barricaden gaan staan. Alleen in situaties die heel erg zwart/wit zijn — een oorlog met een zichtbare vijand die een bedreiging vormt voor jou, je dierbaren en je land- en lotgenoten bijvoorbeeld —, mag je dat activistenkleed dragen, als journalist en als wetenschapper.

Het volk heeft nood aan klare taal. Wat ik eerder schreef: mag wel of mag niet. Niet: mag een beetje, want dan mag het wel. De mensen van wie ze die klare taal verwachten, kunnen die antwoorden niet altijd of zelfs uiterst zelden geven, omdat ze die niet of nog onvoldoende kennen. Helaas, in crisistijden zoals degene die we nu meemaken, wordt ‘Ik weet het niet’ of ‘Ik weet het niet helemaal zeker’ niet aanvaard, terwijl het vaak de enige juiste repliek zou zijn. En dus sloven wetenschappers, die doorgaans bijzonder terughoudend zijn en helemaal niet geneigd om op het voorplan te treden tot ze sluitende conclusies kunnen presenteren, zich uit om het volk een beetje naar de mond te praten, ook al druist dit in tegen hun normale modus operandi. De ene dag zeggen ze dit, de volgende dag klinkt het al lichtjes anders en de dag daarna zit er weer wat verschil op, waarop een wakkere verslaggever vraagt ‘Maar, euh, eergisteren zei u dat nog, hoe zit het nu eigenlijk?’ In de beslotenheid van het wetenschappelijk cocon valt het de buitenwereld niet op dat je weifelend en twijfelend tot een min of meer onwrikbaar besluit komt, dat algemeen aanvaard wordt tot er een nieuw min of meer onwrikbaar besluit is: als dat op het publieke forum gebeurt, lijken al die experts wel dommeriken die het zelf ook níet weten (wat dan nog gedeeltelijk zo is, trouwens). Twijfel is gezond. Als nu ook journalisten, die beroepstwijfelaars zouden moeten zijn, twijfel in twijfel trekken, krijg je een situatie zoals we die nu kennen. Een senior writer zal nu misschien opwerpen: we moeten kritisch blijven. Zeer zeker. De juiste vragen stellen. Natuurlijk. Onderzoeken wat er is fout gelopen. Vanzelfsprekend. Maar niet als je vooringenomen bent en uitgaat van absolutistische ‘waarheden’. Dan ben je een activist geworden.

De ongemakkelijke waarheid is dat er geen gemakkelijke waarheid bestaat. Dat is heel moeilijk om te aanvaarden, als je probeert te varen op het kompas van deskundigen, maar het is de enige juiste attitude, als ik mij deze absolutistische opmerking even mag permitteren.

(Was getekend: een wantrouwige twijfelaar.)



Bungalow

Memories & mijmeringen Posted on za, mei 23, 2020 13:36:20

Bungalow. De naam voert me terug naar de jaren 70 van de vorige eeuw, toen mijn ouders uit het niets een lapje grond hadden gekocht in Achterbroek, een onooglijk dorp dat zelfs nog vóór de fusie van gemeenten in 1976 geen eigen leven mocht leiden, want het was onderdeel van Kalmthout. (Mijn schoolkameraden: “Wáár, zeg je?” “In Achterbroek.” “Wablieft? In Onderbroek?” Onderbroekenlol deed het ook destijds al niet onaardig op de speelplaats.)

Met het anderhalve inkomen van mijn ouders — hij, voltijds met veel overuren, zij, halftijds — werd het opeens mogelijk goedkoop een tweede verblijf aan te schaffen. Ach, het was op landbouwgebied, maar daar stonden de boeren die hun overbodig geachte weilanden te gelde wilden maken niet bij stil en de stedelijke luitjes die zich zo hun eigen stekje weg van huis of appartement bemachtigden evenmin. Hé, het waren de jaren 70, het stak allemaal niet zo nauw. Het was de onzalige tijd dat Vlaanderen één lang lint werd en het aantal goedkope vakantiehuisjes op verboden terrein explodeerde, wie kon er hen wat maken? (Achteraf werden de meeste van die illegale verblijven gewoon gelegaliseerd, dus inderdaad: wie kon er óns wat maken?)

Wie zegt bungalow, denkt aan een gelijkvloerse kleine woning in hout. Zoals mijn oom en tante op het lapje grond naast dat van mijn ouders hadden gebouwd, met vereende familiale krachten. Mijn vader dacht om een of andere reden steviger. Hij trok in een recordtempo een bungalow op in ytongstenen, eigenhandig — dat mag u letterlijk nemen, want ik deugde niet als metsershulpje, gelukkig waren er nog oom-buurman en bompa om bij te springen. Ytong, dat waren grote en zeer betaalbare betonnen blokken die heel snel op elkaar gestapeld konden worden. Slim gezien. En zo hadden ook wij een buitenverblijf, de betaalbare luxe van vijftig jaar geleden.

Zodra het weer het toeliet en het voetbalseizoen voorbij was, trokken we elk weekend naar den bungalow. Tijdens de zomermaanden gingen we eerst drie weken met congé payé naar het buitenland — meestal Zwitserland, af en toe Frankrijk — om de rest van de vakantie in Achterbroek te resideren. Vader ging van daaruit werken naar Antwerpen, in de fileloze dagen van weleer een afstand van niets. Ik fietste heel veel, herinner ik me. Op mijn eentje, want er waren geen mannelijke leeftijdsgenoten in de buurt en die ene keer dat ik met een oudere buurjongen deed alsof we op de piste achter derny’s reden — hij op een goedkoop vespaatje, ik op de fiets erachteraan, het decor was een bochtig parcours in het bos —, liep faliekant af omdat hij op zeker moment remde en ik niet, waarna ik tegen hem aan botste en een soort salto maakte die in mijn herinnering de eerste tien in het olympisch turnen had moeten opleveren, nog vóór Nadia Comaneci, en tussen de dennenbomen vloog. In werkelijkheid zal het meer hebben weg gehad van een plompe tuimeling, met als gevolg groene naalden over heel mijn gekneusde jongenslijf en een boze moeder omdat mijn truitje vuil was en we geen wasmachine hadden in de bungalow.

Van dan af reed ik veiligheidshalve opnieuw alleen, langs een steeds terugkerend traject op een ondergrond die bezaaid lag met stukjes steen, in een poging om tussen de zompige velden een verharde weg te creëren, symbool van beschaving. Ik waande me de jongen die niet zo lang daarna, als man, de alleenheerschappij van Eddy Merckx zou weten te trotseren, al viel het in werkelijkheid flink tegen met dat koerstalent. Ik reed eens een wedstrijdje tegen die oudere buurjongen en deed dubbel zo lang over de afstand, om maar te zeggen. Als ik door een mulle zandstrook van nog geen tien meter ploeterde, was dat voor mij een beklimming van de Tourmalet waard. Ik deed er ook ongeveer even lang over als de echte renners bergop. Af en toe, wanneer ik wist dat er niemand aan het kijken was, bootste ik een aankomst solo op een col buiten categorie na, al is het me nooit gelukt om rechtop te blijven met mijn twee armen in de lucht. In mijn privé-Tour won ik alle ritten, behalve die ene onbeduidende overgangsetappe die ik aan een ploegmaat gunde. Het heeft niet mogen zijn. We wachten nog altijd op de nieuwe Merckx.

Dat tweedeverblijfstoerisme beviel ons wel. Vader draaide geen ontelbare overuren in de warme maanden van het jaar, moeder zat overdag bij haar zus, mijn tante, niets te doen, een beetje te babbelen en sloten koffie te drinken, ik droomde een heel eind weg zoals tieners uit die tijd, de toekomstige sterren aan het firmament van het leven, dat nog ongestoord konden. ’s Avonds tuurden we naar een piepklein zwart-wit tv-toestelletje, dat aangesloten werd op de batterij van de auto — dus niet te lang kijken of vader kon ’s anderendaags niet naar het werk! — en waarvan de antenne voortdurend gedraaid moest worden om ietwat scherp en helder beeld te hebben op Brussel Vlaams. Of we speelden Mens erger je niet! of Monopoly. Pappen deden we ook veel, een kaartspel dat officieel Rami bridge of Rummy heet. Verveling was normaal. Verveling hoorde bij het leven. Vervelen en vervellen, in die volgorde. De zomervakantie duurde een eeuwigheid, niet de lichtflits die het tegenwoordig is, tenminste: tot vorige zomer wás. Misschien komt die verveling deze coronazomer een beetje terug, wie weet. Al hebben we heel veel virtuele ontsnappingsroutes intussen.

***

Ik heb dus niets tegen mensen die een tweede verblijf hebben. Soms wou ik dat ik er zelf nog een had, for old times’ sake, een plek waar je in het weekend naartoe kunt trekken, waardoor je toch even het gevoel hebt dat je de ratrace hebt verlaten, ook al ligt die slechts op een korte autorit van je vandaan. Een tweede verblijf, dat is de luxe om eventjes letterlijk afstand te kunnen nemen. Moet u vooral doen. Het is u gegund. U draagt al genoeg belastingen af, net wat u zegt. Maar nu even niet, dacht ik, toen eigenaars van een tweede verblijf boos waren omdat ze door de lockdownmaatregelen niet naar hun stekje konden. Vlaams minister Demir zwaaide zelfs met een cheque van tweehonderd euro, ter compensatie voor die tijdelijke onbereikbaarheid. Dat doen ministers zelden als het over mensen gaat die zich nauwelijks een éérste verblijf kunnen veroorloven, laat staan een tweede.

Sinds donderdag mogen de eigenaars van een tweede verblijf weer naar hun rechtmatige eigendom. Sommige experts hadden die versoepeling al eerder bepleit, met het argument dat die mensen van de ene bubbel (hun eerste verblijf) met de bubbel genaamd auto naar hun tweede bubbel (hun tweede verblijf) zouden rijden. Daar viel wat voor te zeggen, al is de vraag of die mensen in hun tweede bubbel zouden blijven zitten of ginds ook naar de stad, het dorp of het strand zouden trekken. Ik heb er an sich dus niets op tegen dat tweedeverblijvers hun kot mogen verlaten, maar op de prioriteitenlijst van onze politici hadden ze niet op de eerste pagina mogen staan. Zelfs niet op de tweede en de derde. Schoolvoorbeeld van een first world problem. Opportunisme is niet ver weg, natuurlijk. If you bungalow, we go lower! U hoeft daarvoor maar een politiek rekensommetje te maken. Wie zit er nu in de federale en de Vlaamse regering en uit wie bestaat hun kiespubliek voornamelijk? Of nog anders: vind je meer tweedeverblijvers bij de kiezers van de huidige regeringspartijen of bij die van de oppositiepartijen? Juist, ja.

***

Ik zie mijn vader daar nog zweten, ytongsteen voor ytongsteen aanbrengend op een laagje zelfgemaakte cement, binnensmonds vloekend op mij, zijn zoon met de twee linkerhanden, die zich onzichtbaar probeerde te maken. Hij had vandaag vierentachtig moeten worden. Vier jaar geleden ging hij veel te vroeg naar zijn derde verblijf, waar dat ook moge zijn. Dat gevoel van gemis is míjn first world problem van de dag.

Veel belangrijker dan mijn persoonlijk gevoel is dat onze beleidsmakers eindelijk eens aandacht zouden beginnen te besteden aan de mensen die het extra moeilijk hebben in deze barre tijden, maar die, helaas voor hen, niet interessant genoeg zijn als kiesvee. Kijk op uw virtuele prioriteitenlijst, dames en heren van de Nationale Veiligheidsraad, ze staan op pagina één. Denk ook eens aan hen, nu en in de toekomst. Ze zijn met velen en hun aantal groeit alleen maar. Kom uit uw ivoren bungalow!



De toestand is hopeloos maar niet ernstig

Sport Posted on zo, mei 17, 2020 12:39:06

Ooit was De toestand is hopeloos maar niet ernstig een gesmaakt humoristisch magazine op Radio 1, waarin vijf wisselende columnisten lachten met de actualiteit die was geweest. In volle coronacrisis bestelde Radio 1 zelfs nieuwe afleveringen, die tijdelijk op sportarme zondagen van 17 tot 18 uur op de luisteraar worden losgelaten in de plaats van Sporza Radio.

De titel van het radioprogramma kan ik met een gerust geweten lenen om het over de recente bewegingen van de Pro League te hebben. Vrijdagavond besliste die, na lang soebatten, dat het stopgezette voetbalseizoen 2019-2020 eindelijk een winnaar en een verliezer kent. Club Brugge is kampioen. Logisch, want in de elf wedstrijden die nog hadden moeten volgen – één in de reguliere competitie, tien in de play-offs -, zou het nooit die voorsprong van 15 punten (7 of 8 na de halvering van de punten na 30 speeldagen) hebben prijsgegeven. Dat Waasland-Beveren moet degraderen valt om sportieve redenen te verantwoorden, ook al had die club zich op de ultieme speeldag nog kunnen redden. Daar was wel een klein mirakel voor nodig: thuis winnen van AA Gent, de tweede in de stand, en hopen op verlies van KV Oostende tegen het al geredde Cercle Brugge.

Wie er promoveert uit 1B is niet duidelijk: ofwel de winnaar van het duel OH Leuven-Beerschot, ofwel Westerlo. Pardon?

Voetballen op de Noordpool

Beerschot had op zondag 8 maart die heenwedstrijd van het promotieduel met 1-0 gewonnen, in wat de voorlopig laatste voetbalwedstrijd op Belgische bodem is geweest, mét publiek nog wel. De terugwedstrijd van zaterdag 14 maart zou eerst om volksgezondheidsredenen achter gesloten deuren moeten plaatsvinden, waarna de Leuvense burgemeester Mohamed Ridouani besliste ze om veiligheidsredenen uit te stellen: er werd gevreesd voor een samenscholing van concurrerende fans buiten het stadion. De aankondiging van de lockdownmaatregelen van de Nationale Veiligheidsraad op 12 maart zorgde ervoor dat de match tot nader order gewoon werd uitgesteld. Dat uitstel werd daarna een soort afstel door het verbod op massa-evenementen tot eind augustus.

Een ruime meerderheid (84,07 procent) binnen de Pro League stemde vrijdag in met een scenario waarbij OH Leuven en Beerschot verplicht worden om dat beslissende duel te spelen. Nochtans zijn voetbalwedstrijden, ook achter gesloten deuren, tot en met 31 juli verboden door de Veiligheidsraad. Het zal dus moeten gebeuren in het weekend van 1 en 2 augustus, want een week later zou het seizoen 2020-2021 al moeten beginnen. Zelfs Marc Van Ranst kan niet voorspellen of voetballen tegen dan al zal kunnen. Van OH Leuven en Beerschot wordt wel verwacht dat ze ten laatste op 31 mei laten weten of ze tegen elkaar kunnen voetballen en waar.

Vindt OH Leuven-Beerschot niet plaats, dan stijgt Westerlo naar 1A, omdat die club eerste was geëindigd in de reguliere competitie, vóór OH Leuven (3) en Beerschot (5), vooral ook omdat Virton in principe nog een wedstrijd tegen Beerschot moet (her)spelen. De kans dat die match nog gespeeld wordt vóór sint-juttemis is echter erg klein en bovendien maakt het niet veel uit: Virton kon toch geen licentie bemachtigen voor profvoetbal. Maar er zit een juridische angel aan de beslissing van de Pro League. Artikel P1544 van het bondsreglement stipuleert namelijk dat de promovendus uit het duel met de winnaars van de periodetitels moet komen, tenzij die geen licentie zou hebben, een transferverbod kreeg opgelegd of niet in orde zou zijn met de infrastructuur, wat noch voor OH Leuven, noch voor Beerschot het geval is. Juristen zullen hier een kluif aan hebben.

Naar verluidt zou burgemeester Ridouani intussen iets inschikkelijker zijn geworden, maar wat als er van de Veiligheidsraad niet mag gevoetbald worden in België? Dan zou uitwijken naar het buitenland een mogelijkheid bieden. ‘Desnoods spelen we op de Noordpool’, riep ondervoorzitter Walter Damen van Beerschot spontaan. Waarom niet in Duitsland, fluisterde bondsvoorzitter Mehdi Bayat in. Maar wat dan met de veiligheidsmaatregelen? Wie zal dat coördineren? En wie zal dat betalen? Plus: wat met het thuisvoordeel van OH Leuven?

Bovendien stipuleert artikel B1402: ‘Het voetbalseizoen begint op 1 juli en eindigt op 30 juni.’ Wie met die informatie naar het Belgisch Arbitragehof voor de Sport (BAS) trekt, wint geheid.

Ieder voor zich

Een rechtvaardiger en eenvoudiger scenario was in deze ongeziene omstandigheden denkbaar en lag zelfs op tafel. Club Brugge had het vorig weekend gelanceerd: 1A met 18 clubs, Waasland-Beveren degradeert niet, OH Leuven en Beerschot stijgen allebei. Dat druiste in tegen de wens om play-offs te organiseren van de meeste topclubs én van de nieuwe rechtenhouder, Eleven Sports, voor wie die opeenvolging van topwedstrijden als apotheose van een seizoen een extra verkoopargument is. Men had dat kunnen oplossen door de titelstrijd te beperken tot play-offs met vier in plaats van zes clubs, wat overigens in het nu aanvaarde voorstel óók het geval is.

Club heeft haar hand zwaar overspeeld. Niet alleen doorkruiste het discreet overleg binnen een speciaal opgerichte werkgroep – dat voorstellen moest formuleren om de knoop te ontwarren -, het zette ook nog eens kwaad bloed bij andere leden van de G5 en riskeerde zo het annuleren van het voorbije seizoen. Geen zestiende landstitel, dat zou pas een pijnlijke afgang geweest zijn. Dus liet Club zich gewillig de arm omwringen en aanvaardde het een compromisvoorstel: Club kampioen, 1A met 16 clubs, Waasland-Beveren degradeert, één club promoveert uit 1B, en daarbovenop staat Club nog eens een solidariteitsbijdrage van zo’n twee miljoen euro uit de inkomsten van de Champions League af, die dan verdeeld wordt onder de clubs die voor dit voorstel hebben gestemd. Stel je ook maar eens voor dat het seizoen zou geannuleerd zijn, zoals in Nederland is gebeurd. Geen kampioen, geen daler, geen stijger, maar dat doe je dan met de Europese tickets? Opnieuw KRC Genk – zevende na 29 speeldagen – naar de Champions League? KV Mechelen na dat jaartje schorsing alsnog naar de Europa League? Erg realistisch klinkt dat allemaal niet.

Voor de andere leden van de G5 betekende dit compromis het behoud van de lucratieve play-offs, voor de K11 werd de vrees op drie dalers volgend seizoen afgewend en blijft de financiële kloof met 1B gehandhaafd. Als puntje bij paaltje komt, is het ieder voor zich in die gelederen. Voor een paar euro’s meer plegen ze al eens een sportieve moord.

Dit alles betekent ook dat OH Leuven en Beerschot geen kern kunnen samenstellen voor volgend seizoen, want ze weten nog niet in welke reeks ze zullen uitkomen. Ze hebben de keuze: ofwel waag je je aan financiële avonturen en leg je nu al spelers vast met een 1A-salaris, terwijl de realiteit één kans op twee 1B wordt, ofwel riskeer je niet competitief te zijn omdat je geen spelers meer vindt om mee te kunnen in 1A. Een groter dedain tegenover 1B kon de Pro League moeilijk etaleren.

Tel de economische gevolgen van de coronacrisis en de financiële problemen waarmee een resem clubs nu al worstelen samen, en je weet dat er volgend jaar rond deze tijd weer enkele faillissementen zullen worden aangekondigd. Maar dat zijn zorgen voor later, zullen ze bij de Pro League denken. Áls ze daar al denken.



In de wachtrij hoor je erbij

Samenleving Posted on za, mei 16, 2020 12:34:44

Stikjaloers ben ik op lieden die er met enkele pennentrekken in slagen het absurde van een complexe situatie samen te vatten. Waar ik telkens zesduizend-of-meer tekens voor nodig heb, doet cartoonmeester Lectrr dat zes keer per week in zijn hoekje op pagina 2 van De Standaard met één tekening en een paar rake woorden. Vlijmscherper dan eender welk editoriaal, preciezer dan een schot van een geoefende sluipschutter die ingehuurd wordt om rake woorden af te vuren, grappiger dan een stand-upcomedian die zijn maatschappijkritische jokes met een verbale mitraillette op zijn publiek mikt.

De dag nadat de Nationale Veiligheidsraad had aangekondigd dat volgende maandag ook de musea opnieuw open mogen, pakte Lectrr uit met een zoveelste minimeesterwerkje. ‘Geen stormloop verwacht op musea’ luidde de boventitel. Daaronder hing een schilderij waarop ik de contouren van het SMAK herkende nog vóór ik de letters ‘S.M.A.K.’ had gelezen, met het onderschrift ‘Ceci n’est pas un primark’. Dodelijk efficiënte boodschap, alweer. Wij, Vlamingen, staan niet in de rij voor het SMAK — of eender welk ander museum —, we doen dat wel voor een Primark, Action of, godbetert, Ikea. Een museum voor moderne kunst is geen Primark, en gelukkig maar. Een museum voor moderne kunst zal nooit zo populair zijn als een Primark, en ongelukkig maar. Ik ben al verscheidene keren in het SMAK geweest en nog nooit in een Primark, en gelukkig maar, voor mezelf.

Wij, Vlamingen, zorgen er elk jaar voor dat bij het afsluiten van het jaar de Boeken Top 10 in de categorie Non-Fictie bestaat uit zeven kookboeken, twee Kiekeboes en een verloren gelopen ernstig boek dat het onverwacht goed heeft gedaan, zoals onlangs De Bourgondiërs van Bart Van Loo. Dat in een land waar Sandra Bekkari, Pascale Naessens en Jeroen Meus de literaire plak en de deegrol zwaaien, uitgeverijen overkop gaan of de tering (ernstige boeken doen het niet goed in de verkoop) naar de nering (dan maken we maar geen ernstige boeken meer) zetten, hoeft niet te verwonderen. Recente slachtoffers zijn Polis en Van Halewyck, andere zullen volgen.

Maar ik wijk af. Ik wilde iets schrijven over de heropening van de winkels afgelopen maandag en wat ik daarvan vind. Kijk, dat zal Lectrr nooit overkomen. Die had de essentie — lees vooral verder — al gevat. Lange wachtrijen waren er aan de Primarks, Actions en Mediamarkten van deze wereld. Winkels die goedkoper zijn dan hun concurrenten in dezelfde sector. Die in lageloonlanden door kinderhanden gefabriceerde goedkope brol verkopen, is geen onterechte vaststelling die weleens gemaakt wordt over Primark. Wie naar een van die ketens moet, heeft het doorgaans niet breed. Enig mededogen is op zijn plaats, dus was ik een beetje verbaasd dat de mensen in die eindeloos lijkende rijen werden veroordeeld. ‘Is dat nu echt wel nodig om meteen in de rij te gaan staan en het virus weer zijn gang te laten gaan?’ klonk het. Daartegenover stonden de lui die het gedrag vergoelijkten, omdat die mensen nu eenmaal weinig geld te spenderen hebben. Ik keek naar rechts en naar links, naar onder en naar boven, en dacht: ik bevind me in het midden van een discussie waar ik níet aan zal deelnemen. Ik begrijp namelijk dat de portemonnee van heel wat mensen niet verder reikt dan een T-shirt van de Primark. Alleen vroeg ik me af: moest dat al dadelijk op die maandagochtend? Kan je dat bezoek niet een paar dagen uitstellen? Al had ik er meer begrip voor dan voor diegenen die stonden aan te schuiven voor een Ikea. Zo’n Billy heb je zelden nodig om te kunnen overleven.

Zou het kunnen dat er een psychologisch proces achter zit? Hoe verklaar je anders de rush op de containerparken van een paar weken geleden? Mensen klampen zich vast aan elke strohalm vrijheid. Hadden ze per se op dat ogenblik iets nodig van de Primark? Misschien niet echt, maar het voelt zo verdomd goed om weer in een wachtrij te mogen staan. We zijn hopeloos ongeduldig, maar, godverdomme, wat vinden we het heerlijk om na twee maanden lockdown geduld te móeten oefenen in het gezelschap van anderen. Gemiste kans van de Primark om T-shirts te verkopen met het opschrift ‘Ik was erbij in de wachtrij’ of ‘In de wachtrij hoor je erbij’, een geheid hebbeding was dat geweest. De wachtrij als metafoor van een samenleving die weer een beetje tot leven komt. Stilstaan in de wachtrij als symbool van een maatschappij in beweging. Wachten is leven. Wie laatst wacht, best wacht, telt niet mee. Geef ons heden onze dagelijkse wachtrij! Zoals die rijen die aanschoven om onze overleden vorst te eren, een eeuwigheid geleden. De trage tocht ernaartoe was belangrijker dan dat korte moment van knikkende eerbied. Zo was het maandag belangrijker dat je er stond, dan dat je uren later eindelijk afrekende aan de kassa.

De lange en — het dient benadrukt — ongezonde rijen stonden in schril contrast met de beelden van onze lege parlementen, waar al vele weken om begrijpelijke redenen nauwelijks volksvertegenwoordigers te zien zijn. Die leegte is nodig, maar geeft ook perfect aan tot wat de particratie geleid heeft: een bende jaknikkers. Welke twee of drie volksvertegenwoordigers per partij er ook zitten, maakt niet uit: ze zijn onderling inwisselbaar en kleuren netjes binnen de door de partijleiding aangegeven lijntjes. Dat was zo vóór de coronacrisis en dat zal ook ná de coronacrisis het geval zijn. Je kunt net zo goed kartonnen dames en heren op de parlementsbanken plaatsen, zoals ze in sommige Duitse voetbalstadions, van plan zijn, het verschil zal nauwelijks te merken zijn, zelfs niet als, hopelijk binnenkort, het normale leven weer zijn gang zal gaan. Straks natuurlijk wel langs de kassa passeren om dat parlementair pensioen op te strijken. Ook dan wordt er vrolijk ja-geknikt. Vreemd dat er geen wachtrijen zijn om in de politiek te stappen.



Bubbelonische spraakverwarring

Samenleving Posted on za, mei 09, 2020 13:03:39

Ik moet u iets bekennen. Ik ben de voorbije weken tot twee keer toe burgerlijk ongehoorzaam geweest. Ik heb verplaatsingen gemaakt die volgens de letter niet-essentieel zijn, maar die zich in mijn hoofd als ‘bijzonder essentieel’ aankondigden. Ik ben twee keer naar het ziekenhuis geweest met mijn moeder: achtentachtig, alleenstaand, trekt onwaarschijnlijk goed haar plan zo alleen op haar appartement, maar is natuurlijk iets minder goed ter been dan oudere jongeren zoals ik. Geen levensbedreigende aandoeningen of vervelende virussen, uw bezorgdheid is aandoenlijk maar hoeft niet echt, al was het best wel nodig dat ze zo snel mogelijk een specialist zag. Twee keer heb ik de verplaatsing van twee maal vijfenzeventig kilometer plus de korte trip naar het ziekenhuis gemaakt, mét geïmproviseerd mondmasker, voor haar welzijn.

Strikt gezien heb ik de lockdownmaatregelen geschonden, ik weet het. Mijn moeder had ook een taxi kunnen nemen, de bus zelfs, die op vijftig meter van haar deur stopt, klopt allemaal. Ik vond het noodzakelijk om deze uitstap te maken. Uit mijn kot om haar in haar kot te kunnen houden. Als ik vandaag in de kranten de foto’s zie van mensen die gisteren deden alsof de versoepeling al is ingegaan, voel ik me opeens veel minder schuldig. Mijn verplaatsingen voelen een pak essentiëler aan. Morgen ga ik dan weer niet langs bij haar: Moederdag vieren we in Antwerpen pas op 15 augustus, dat weet de hele wereld. Dat dilemma stelde zich dus niet.

Toen ik woensdag de premier hoorde aankondigen dat we vanaf zondag 10 mei net iets meer mogen — onze moeders vanop anderhalve meter innig knuffelen, bijvoorbeeld —, had ik aanvankelijk een cynische reactie. Te ingewikkeld, ik blijf wel in mijn kot, zoiets. Pas de uren daarna begon ik te beseffen dat de experts en de Nationale Veiligheidsraad hand in hand, wat niet mag, tot de conclusie waren gekomen dat niet alleen het economische leven weer op gang moet komen. Ook sociaal contact moet kunnen, onder restricties. Ik dacht: hoe naïef, Belgen houden zich niet aan regeltjes en interpreteren altijd breder dan zou mogen. Ik schreef het eerder al: een Belg kent alleen ‘mag wel’ en ‘mag niet’, alles daartussenin mág voor hem. Tegelijkertijd dacht ik: hoe menselijk, weten dat er behoefte is aan een vooruitzicht, een horizon, hoe begrensd ook. En ja, het leek allemaal veel te ingewikkeld en hoe zou je in hemelsnaam moeten bepalen wie die vier gelukzakken waren die welkom zijn in je midden? De ene sprak over kokers, de andere over silo’s, een derde over bubbels.

Het gonsde heel even van de positieve reacties, tot de orde van de dag en het cynisme van de gebruikelijke sociale media-megafoontoeteraars het overnam. Waarom mag dít niet en dát wel? Hoezo, ik mag wél naar mijn schoonouders — omdat zíj dat in haar eentje heeft beslist —, maar níet naar mijn ouders? Een Gents koppel liet in Het Journaal verstaan wat ze ervan dachten: dan nodigen we gewoon in de voormiddag die kinderen en schoonkinderen uit en in de namiddag die andere, want wie zal dat controleren? Als de burger geen zin heeft in burgerzin, heeft de versoepeling weinig zin. Burgerlijke ongehoorzaamheid als leidraad van het dagelijkse leven, nog net iets anders dan mijn essentiële verplaatsing van hierboven. In de gloria in ’t echt. Grappig en wrang tegelijk. Geen fictie maar frictie. Michael Van Peel heeft de situatie gisteren uitstekend verwoord in zijn opiniestuk met de titel ‘Zeurderige zelfregulering’ in De Standaard, daar kan ik niet tegenop. Wat zijn we toch gepatenteerde zeurkousen, zeg! Zever, gezever. En dat allemaal omdat een minderheid — laten we dat toch even benadrukken — weigert om voor één keer volgzaam te zijn en niet aan hineininterpretierung te doen, gesteld dat ze die lekkere Duitse term al zouden kennen. Een aantal mensen interpreteert alles tot ze aan een definitie komen die hen goed uitkomt.

Welkom in Bubbelonië, waar bubbelonische spraakverwarring troef is.

Omdat de overheid weer eens onduidelijk heeft gecommuniceerd. Omdat wij weer eens onduidelijk hebben geïnterpreteerd. Contrair doen óm contrair te doen is geen maatschappelijke verdienste als er geen altruïstische beweegreden aan vasthangt. Al wat we nu moeten doen is die gemeenschappelijke vijand, dat onzichtbare virus, wegkrijgen, met alle mogelijke middelen. Zoals: tijdelijk heel volgzaam zijn.

De roep om normaal te doen, weerklinkt steeds luider. Wij zijn niet geschikt voor een lockdown. In tegenstelling tot de Chinezen willen we niet dat de overheid ons doen en laten tot in het kleinste detail controleert en orkestreert, en terecht. We hebben gisteren nog maar, in mineur, de vijfenzeventigste verjaardag van het einde van de Tweede Wereldoorlog gevierd, Befehl ist Befehl werkt hier niet meer. Maar dat gezonde wantrouwen tegenover gezag en macht is nu even een nadeel.

Bedrijfsleiders, economen en neoliberale opiniemakers pleiten al weken voor ‘business as (more or less) usual’. Allen aan het werk. Alsof er in de bubbel Bedrijf geen risico bestaat op verspreiding van het virus. Wat ik me afvraag: die mensen die al sinds eind maart pleiten om aan de slag te gaan, hebben die zelf geen ouders meer, geen familie, geen kwetsbare vrienden? Soms denk ik dat het eenzaam moet zijn in de ivoren toren. Blijf in uw kot, maar kom uit uw figuurlijke bubbel.

Het nieuwe normaal mag niet lijken op het oude normaal, omdat dat niet normaal wás. Je kunt geen economisch leven blijven organiseren op een ecologisch kerkhof. Je kunt deze maanden van anders gaan leven niet wissen van de digicorder van het leven zodra er een vaccin is. En je kunt niet voorbijgaan aan het feit dat onze samenleving vandaag steunt op de inzet van mensen die veel te hard moeten werken voor veel te weinig geld en veel te weinig maatschappelijke waardering. We moeten echt iets voor hen terugdoen. Al vrees ik dat het cynisme dra weer de bovenhand zal krijgen.

Als het applaudisseren om acht uur ’s avonds ophoudt, houdt wellicht ook de waardering op. De helden van vandaag zijn de verwaarloosden van gisteren en zullen de vergetenen van morgen zijn.



Nostalgie

Memories & mijmeringen Posted on za, mei 02, 2020 12:44:20

Terwijl ik dit tik hoor ik Dirty ol’ man van The Three Degrees op Radio 2. Dankzij de Top 100 Aller Top 30-tijden word ik terug gekatapulteerd naar de jaren zeventig — en dan moet ik er voor de volledigheid nog bij vermelden: “van de vorige eeuw”. Ha, die heerlijke tijd. Niet veel later vragen drie jonge vrouwen wie ze aan de lijn hebben. Neen, ik heb werkelijk niets met Teleromeo van K3 uit 2001. Niet uit ‘mijn’ tijd. Gelukkig passeren daarna na elkaar Ma Baker en Tie a yellow ribbon round the ole oak tree en word ik opnieuw een pak jonger dan de leeftijd die op mijn identiteitskaart vermeld wordt. Dan wordt die zes een onbeduidend cijfertje, ongetwijfeld een vergissing van de burgerlijke stand. Dat ben ik niet, ik ben voor altijd zestien!

Gisteren probeerde ik op een stuntelige manier de allereerste BRT Top 30 van 2 mei 1970 — vandaag precies vijftig jaar geleden — te reproduceren op sociale media. Bloednerveus werd ik ervan, om die paar handvollen volgers te bedienen, want de perfectionist in mij beval dat het helemaal juist moest zitten qua timing, terwijl de hedonist in mij een deuntje van Mika floot. Relax, take it easy heeft het niet gehaald, kan ik u verzekeren. In die eerste Top 30 stonden stevige bluessongs, twee keer mijn favorietste van alle favoriete groepen Creedence Clearwater Revival, twee keer Simon & Garfunkel, The Beatles, The Bee Gees, Woodstock van Crosby, Stills, Nash & Young als opener en Spirit in the sky van Norman Greenbaum als sluitstuk, de allereerste nummer één. Veel beter dan de hitlijsten van nu, concludeerde ik in een kortzichtige bui.

Nostalgie is een slechte raadgever.

Nostalgie is je vastklampen aan een ideale wereld die achteraf bekeken toch niet zo ideaal was.

Nostalgie is een heel fijn vakantieoord waar het heerlijk vertoeven is, waarna je er met opgeladen batterijen weer tegenaan kunt.

Nostalgie is een goede vriend die je al jaren niet meer gezien hebt en die plots weer opduikt: toch maar even afwachten of hij niets van je nodig heeft.

Nostalgie vertekent de werkelijkheid. Je denkt dat het vroeger beter was en dat was heus niet zo. Alleen ben je geneigd om dat wel te denken. Wat gebeurde in je tienerjaren, heeft je verdere leven bepaald, of je dat nu wilde of niet. Toen dacht je: wat een saai leven. Nu denk je: wat een boeiende tijd. Mijn jeugd is beter dan de jouwe. De jaren zeventig zijn van mij en mijn generatiegenoten. Daar moet je afblijven. Het was de beste tijd ooit. Zoals katten hun territorium afbakenen door hun urinegeur aan de rand ervan te verspreiden, zo plaatsen mensen prikkeldraad rond hun tienerjaren: verboden terrein. Dat was de hemel en ik mocht daar rondlopen, en jij lekker niet, néh!

We vergeten dan even de kapingen, de aanslagen, de oliecrisis, de autoloze zondagen die er echt niet kwamen om groene redenen, de twaalf (!) regeringen in tien jaar tijd, de CVP-staat (de enige uitzondering was de gecorrumpeerde, eentalige Waalse socialist Edmond Leburton), dictaturen in Spanje, Portugal, Chili, Argentinië en noem maar op, Watergate, de oorlog in Vietnam die maar niet wilde eindigen, Koude Oorlog, paus Paulus VI, conservatiever dan conservatief, Sharif Dean, Freddy Breck, Un canto a Galicia, Du, en die buis voor fysica die je thuis nog moest gaan uitleggen.

Vroeger was het niet beter, beste mensenvrienden, zoals het nu evenmin beter is, maar dat valt in coronatijden iets makkelijker uit te leggen. De tijd proberen stil te zetten of terug te draaien naar die onbezorgde dagen, heeft evenveel zin als zitten knorren over die jeugd van tegenwoordig, de lossere zeden of de onbekwame politici. Zal ik u een geheimpje verklappen? Dat werd vijftig jaar geleden ook al gezegd. Alles komt terug. Of beter: alles blijft, terwijl alles ook verandert.

Oh, daar klinkt Paloma blanca en o ja, die vonden we toen al heel slecht en nu nog altijd. Plop, doet de nostalgische zeepbel.

Nostalgie in beperkte mate is dan weer zeer gezond en zelfs verkrijgbaar op doktersvoorschrift. Leest dus allen 50 jaar Top 30 van Geert De Vriese en Frank Van Laeken, uitgegeven bij Houtekiet en online verkrijgbaar (en hopelijk vanaf 11 mei ook in de boekhandel) voor de luttele som van 21,99 euro (887 frankskes).



Volgende »