Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Een plek aan tafel

Journalistiek, Politiek, Samenleving Posted on vr, mei 13, 2022 13:14:20

Zelfs als mensen met andere dan Belgische/Vlaamse wortels de taal/talen spreken, de wetten respecteren en onze nationaliteit hebben, horen ze er niet bij. Dat leerden we deze week uit De Stemming, de peiling die De Standaard en VRT NWS hadden opgezet. Je kan je alleen maar een echte Belg of Vlaming noemen, als je daadwerkelijk hier geboren bent, vindt meer dan de helft van de respondenten. Maar het gaat verder dan dat: zeven op de tien deelnemers aan de poll vinden dat je onze gewoonten en cultuur moet overnemen, twee op de drie eisen dat mensen met een andere achtergrond zich ook effectief Belg of Vlaming voelen, meer dan één op de drie vindt zelfs dat ouders en grootouders uit ons land afkomstig moeten zijn om erbij te mogen horen.

Verbaasd? Neen, toch? Achttien jaar geleden stemde één op de vier Vlamingen voor een partij, Vlaams Blok, die kort voordien veroordeeld was wegens inbreuken op de antiracismewet, een veroordeling die enkele maanden na de Vlaamse verkiezingen zou bevestigd worden door het hof van beroep. Eén op de vier Vlaamse kiezers veegde dus zijn of haar voeten aan een gerechtelijk vonnis. Racisten horen erbij, mensen met een migratieachtergrond niet, dat was de teneur. En die is niet veranderd, want vandaag zit Vlaams Belang — andere naam, zelfde inhoud — opnieuw rond die één op de vier kiezers in Vlaanderen. Het is maar een peiling, akkoord, maar dan wel een peiling die griezelig nauw aanleunt bij de electorale realiteit van 2004. Het zal nooit goed genoeg zijn voor een stevige minderheid Vlamingen. Zelfs voor 57 procent van de mensen die aangaf voor Groen te zullen stemmen, mochten er weldra verkiezingen zijn, is assimilatie een basisvoorwaarde om welkom te zijn. Dat zegt alles. Assimileren gaat veel verder dan integreren. Als je integreert, respecteer je de Grondwet en de wetten van het land. Als je assimileert, neem je alle gewoonten en gebruiken bewust over.

Tel je bij de potentiële Vlaams Belang-kiezers ook nog eens die van N-VA (‘Racisme is een relatief begrip’, roepen ze daar van De Wever over Homans tot Kanko) en rechtse Open VLD’ers en CD&V’ers op, dan zit je aan meer dan de helft van de Vlamingen die zich nooit helemaal zullen verzoenen met mensen die er anders uitzien, een andere cultureel-religieuze achtergrond hebben, nog een andere nationaliteit bezitten en zich in het openbare leven anders gedragen. Dat is niet zozeer verbazingwekkend, dan wel angstaanjagend. Zet je even in de plaats van iemand met een niet-witte huidskleur en niet-Belgische roots. En bedenk dat ook de voorzitter van Vooruit laat verstaan dat ‘zij’ er niet helemaal bij horen, want hij voelt zich ‘niet in België’ wanneer hij door wijken met hoofdzakelijk inwoners met een migratieachtergrond rijdt.

Dit doet me spontaan denken aan het scorebord van mijn favoriete bron van frustratie, Beerschot. Daar staat ‘Wij – Zij’, met daaronder de stand in de wedstrijd. Toen ik dat eerst zag, dacht ik: oké, ludiek, typisch Antwerpse humor, lekker uitdagend, op het randje. Als je er echter dieper op ingaat, is het compleet misplaatst, omdat het een vorm van permanent vijanddenken inhoudt. ‘Zij’ zijn de slechteriken, ‘zij’ mogen beschimpt worden, ‘zij’ moeten verliezen, ‘zij’ horen hier niet thuis. Vlaanderen is een uitvergrote versie van dat scorebord van Beerschot geworden: wij versus zij. (Of is het omgekeerd? Is Vlaanderen begonnen en surft de voetbalclub gewoon mee op die negatieve sentimenten?)

Die wij tegen zij-attitude is veel breder verspreid dan de meesten beseffen, of durven toegeven. En het heeft heus niet alleen met racisme te maken. Xenofobie zit in alle geledingen van de maatschappij en die ‘angst voor het vreemde’ gaat veel verder dan huidskleur of afkomst. Bedrijfsleiders zijn in de eerste plaats op zoek naar spiegelbeelden van zichzelf in hun directe omgeving (waardoor ze stagneren, want te weinig verrassende inbreng, ze horen immers de hele tijd hun eigen echo). HR-medewerkers zijn doorgaans jong en hip — het is een beginnersjob, een opstapje naar beter betaald werk in de hopelijk zeer nabije toekomst — en dus gaan ze op zoek naar andere jonge en hippe mensen. Werkzoekende vijftigplussers kunnen erover meepraten. En zo kan ik nog een poos doorgaan. ‘Wij’ zien onszelf te veel als centrum van het universum, ‘zij’ moeten zich maar aanpassen. Discriminatie is van alle tijden, alle kleuren, alle klassen, alle omgevingen, alle samenlevingen.

Dat ‘de Vlaming’ negatief staat tegenover migranten, ook al zijn die hier geboren, spreken die dezelfde taal, hebben ze dezelfde nationaliteit, supporteren ze voor dezelfde nationale ploeg, luisteren ze naar dezelfde muziek, hoeft ons niet te verbazen. Dat de media dat wij-zij-denken domweg mee hebben overgenomen, wel. Een voorbeeld dat in We have a dream!, het boek over racisme en discriminatie dat Paul Beloy en ik recent schreven, om dit te illustreren. In de nacht van 31 december 2018 op 1 januari 2019 waren er in Molenbeek rellen met jongeren. ’s Anderendaags wilde Radio 1 dieper ingaan op de zaak. We vermoeden dat er die dag, een feestdag, geen uitgebreide redactievergadering met pro- en contra-stemmen zal zijn geweest en dat redacteurs werden verondersteld eigenhandig op zoek te gaan naar gesprekspartners. Dus belde de journalist die de opdracht had gekregen om dat nieuwsfeit te coveren in een op het eerste gezicht logisch lijkende reflex naar Theo Francken, tot drie weken voordien staatssecretaris voor Asiel & Migratie, afgetreden omdat de N-VA de ondertekening van een niet-bindend migratiepact, in Marrakesh, niet zag zitten en om die reden uit de regering-Michel was gestapt. Francken gebruikte de aangereikte megafoon om het migratiebeleid voor de zoveelste keer op de hekel te nemen. Als je er echter iets dieper over nadenkt, merk je hoe fout de redenering van de betrokken reporter was om net Francken aan het woord te laten. Allicht onbewust en ongewild bevestigde hij of zij daarmee dat het om een migratieprobleem ging, wie weet zelfs een gevolg van het asielbeleid, terwijl die jongeren hier geboren zijn, hier zijn opgegroeid, onze nationaliteit hebben. Het zijn geen migranten, het zijn verdorie Belgen. Vervelende Belgjes die zich misdroegen en die daarvoor gestraft zouden moeten worden, zeer zeker, maar wel ettertjes van bij ons. Geen migranten, geen ‘vreemdelingen’. Alleen al door die impuls om een voormalige staatssecretaris voor asiel en migratie te contacteren, gaf die redacteur, en bij uitbreiding de nieuwsredactie van Radio 1, aan dat die jongeren er nooit zullen bij horen. En dan klagen (extreem)rechtse luitjes over de ‘MSM’, de in hun ogen veel te linkse en veel te tolerante mainstream media, maar in werkelijkheid gaat zelfs een gerespecteerde redactie — dit ging niet om ’t Scheldt, Doorbraak of Pallieterke!— de anti-migratietoer op. Het zit vanbinnen en het wil er maar niet uit. Wie zich dan nog verbaasd toont dat er zo’n negatief ressentiment is tegenover migranten, nieuwkomers, ‘anderen’, ‘zij’, is hypocriet. Of blind en doof. Of heeft een zeer slecht karakter.

‘De wetenschap dat je er in uw eigen land toch nooit bij zult horen of als volwaardig aanzien zult worden — ongeacht wat je doet — of je hier nu 3 weken of 3 generaties bent, blijft een zeer sombere gedachte en een zwaar kruis om te dragen,’ schreef opiniemaker Youssef Kobo op Twitter. Kobo is de drijvende kracht achter A Seat At The Table, een organisatie die kansarme jongeren op weg wil helpen in een samenleving vol valkuilen.

‘A seat at the table’, een plaats aan tafel: dat zegt het helemaal wat mensen met een andere achtergrond betreft. Dit gaat niet om omvolking, om het omverwerpen van onze democratie, om het opdringen van een andere cultuur of religie: het gaat om een plekje aan tafel. Welkom zijn. Erbij horen. Deze week werd nogmaals pijnlijk duidelijk dat de doorsnee Vlaming niet bereid is een stoel bij te schuiven, of een vrijgekomen stoel ter beschikking te stellen aan iemand van wie de voorouders niet in deze regio geboren werden. Zo lang dat niet gebeurt, blijft Vlaanderen een kille, onvriendelijke, weinig uitnodigende, zelfgenoegzame omgeving. Dat is inderdaad een zeer sombere gedachte.



Systemisch racisme aanpakken interesseert onze media niet

Journalistiek, Samenleving Posted on do, april 21, 2022 09:58:06

Precies een maand geleden lag We have a dream! in de boekhandel, het boek dat Paul Beloy en ikzelf hebben geschreven over racisme en discriminatie, met als ondertitel Racisme vroeger en nu. 21 maart 2022, internationale dag tegen racisme. Uitstekende timing, dachten we. Een goed boek, al zeggen we het zelf. Een relevant boek, dat heeft met het onderwerp te maken, dat, helaas, blijvend actueel is. Een noodzakelijk boek, daar zijn wij, auteurs, weer met ons promopraatje.

Waar geen discussie over mag bestaan, is dat het thema alomtegenwoordig is. Elke dag lees of hoor je wel iets over racisme, in de traditionele en op de sociale media. Omdat je niet kunt weten waar je naartoe gaat als je niet doorhebt waar je vandaan komt, staat in We have a dream! het meest uitgebreide geschiedenishoofdstuk over racisme en discriminatie dat je kunt vinden in Nederlandstalige boeken. Niet ‘uitgebreid’ in de zin van het aantal pagina’s dat eraan besteed wordt — minder dan honderd —, maar door de link die gelegd wordt tussen religieuze en pseudowetenschappelijke theorieën en de slavernij, de Ku Klux Klan, het nazisme en zelfs het 70-puntenplan van Vlaams Blok. Dat mocht weleens gebeuren. Zo ziet de lezer het totale plaatje, van de middeleeuwen tot nu.

Waar evenmin discussie zou over mogen bestaan, is dat racisme en discriminatie ontwrichtend werken: voor de slachtoffers, uiteraard, maar ook voor de brede samenleving. Een belangrijke minderheidsgroep heeft het niet alleen moeilijk om aan bod te komen, de leden van die groep worden ook onbewust (en geregeld ook bewust) uit de maatschappij geweerd. Ze zitten niet op plekken waar de grote beslissingen worden genomen, ze horen er niet bij omdat ze er niet bij mógen horen. Dat is structureel en systemisch racisme, wat in het boek wordt aangetoond via tig wetenschappelijke bijdragen: doctoraatsstudies, thesissen, met betrouwbaar cijfermateriaal onderbouwd onderzoek. Bij mijn weten werd nooit eerder zo grondig aangetoond dat racisme en discriminatie voor achterstelling zorgen, op het vlak van de persoonlijke leefomgeving, het onderwijs, de huizenmarkt, de arbeidsmarkt, enzovoort. Je kunt die discriminatie aanklagen, maar nóg belangrijker, lijkt me, is dat je die eerst grondig kunt staven. Je kunt niet naast die bewijzen kijken. Ze zijn er, voor wie ze wil zien.

Waar je wel over kunt discussiëren, móét zelfs, is hoe je dit concreet kunt aanpakken. Daar werden wel al boeken en opiniestukken over geschreven, maar ook voor het eerst worden al die ideeën, voorstellen en meningen samengebracht in een slothoofdstuk met maar liefst achtendertig remediërende suggesties, drie van de auteurs, vijfendertig van experten en ervaringsdeskundigen. Daar kun je mee aan de slag, dachten we in al onze naïviteit.

***

Op 19 maart verscheen er een dubbelinterview met de auteurs in De Morgen. De dag nadien zat Paul Beloy in De ochtend op Radio 1 en ikzelf in Wakker op zondag bij ATV. Maandag 21 maart, de eigenlijke verschijningsdatum, zaten Paul en ik in een reportage op TV Oost en stond er een gesprek met ons in Gazet van Antwerpen. Daarna… de Grote Stilte. Ik schreef zelf een bijdrage over pseudowetenschappelijke theorieën in het maandblad Eos Wetenschap. Afgelopen weekend stonden er nog kleine recensies in de weekendbijlage van Het Laatste Nieuws en De Zondag. Dank daarvoor, het werd ten zeerste geapprecieerd.

Maar waar blijft de rest?

Waarom schrijven die andere bladen niets over het boek, desnoods een vernietigende recensie, maar íets?

Waarom doen al die andere radio- en tv-programma’s hier niets mee?

Of vinden ze racisme alleen maar aandacht waard als het over individuele incidenten gaat, liefst met bekende koppen als slachtoffer, zoals Romelu Lukaku of Vincent Kompany, want dat levert lekkere clickbait op?

Er iets vreemds aan de hand in onze pers en ik probeer dat te duiden aan de hand van enkele stellingen, die gebaseerd zijn op jarenlange ervaring.

1. Als De Morgen een exclusief gesprek of een exclusieve voorpublicatie rond een onderwerp doet, haken de andere ‘kwaliteitsmedia’ af. Dan mag je een artikel in De Standaard, De Tijd, Knack en Humo vergeten. Zo gaat dat nu eenmaal. Ook andersom, trouwens. Redacties gaan ervan uit dat iedereen alles leest of ziet (quod non!) en willen niet achteroplopen. Terwijl het om het thema gaat, stupids. Hoe relevanter, hoe interessanter om er iets mee te doen, los van wat de concurrentie doet. De lezer, luisteraar of kijker weet meestal niet eens dat het onderwerp al ergens anders behandeld werd.

2. Op radio en televisie speelt die hokjesgeest nog veel meer. Paul Beloy zat enkele maanden geleden in De afspraak, na het incident met Brugse supporters tegen de trainer, stafleden en spelers van Anderlecht. Prima reflex van de redactie — Kompany is toch niet beschikbaar voor gesprekken los van de context van een wedstrijd —, maar een onmiddellijk gevolg daarvan is dat diezelfde redactie drie maanden later zegt ‘Oh, maar dat hebben we al behandeld’. En andere redacties van de openbare omroep zeggen ‘Oh, maar dat zat onlangs nog in De afspraak‘. Alsof alle mediaconsumenten alle programma’s zien en horen. Alsof een thema niet relevant genoeg kan zijn om het meerdere keren te behandelen. Eventueel nodig je vaste gasten Mia Doornaert en Rik Torfs mee uit, probleem (min of meer) opgelost.

3. Je hoeft een boek niet goed te vinden om er iets mee te doen. Als het thema maatschappelijk voldoende relevant is — nogmaals: daar kan echt geen discussie over bestaan —, schrijf je erover. Desnoods door wat in dat werk staat, af te kraken of bij te sturen of er eigen bevindingen aan toe te voegen of…

4. Onze media zijn te zeer gefocust op anekdotiek en casuïstiek. Individuele incidenten. Die staan overigens óók in het boek, via persoonlijke getuigenissen, maar dat kan je pas ontdekken als je het gelezen hebt, natuurlijk. Verbanden en samenhang zien, ho maar.

5. Onze media zijn niet geïnteresseerd in oplossingen. Stel je maar even voor: als een probleem opgelost geraakt, kun je er niet meer over schrijven of spreken! Daar doen we niet aan mee, hoor. Er wordt dus wel gezegd dat er een probleem ís, en hoe erg dat is, en dat er dringend iets aan gedaan moet worden, maar concrete oplossingen die worden aangereikt, neen, dankjewel, dat is dan weer een stap te ver. Morgen moeten we opnieuw een incident kunnen belichten. En de dag nadien weer één.

6. De coördinatoren van boekenbijlagen laten zich maar wat graag opvrijen door grote uitgeverijen. Die krijgen voorrang. Of door grote buitenlandse namen waar ze mee kunnen uitpakken. Of door connecties uit het verleden. (Vier jaar geleden verscheen Mei ’68. 31 dagen die ons leven veranderden? van Geert De Vriese en mezelf, toch ook niet belachelijk, denk ik, vijftig jaar na de feiten. We hadden pech, want het boek verscheen op hetzelfde ogenblik als de ‘viering’ van het tienjarig overlijden van Hugo Claus, waarmee volledige boekenbijlagen gevuld werden. Tip voor toekomstige auteurs: plan geen boeken in de periode maart-april 2028, 2033 of 2038, want dan zal de schrijver respectievelijk twintig, vijfentwintig en dertig jaar dood zijn.)

7. U kunt dit persoonlijke frustratie noemen, overigens terecht, maar deze problematiek gaat natuurlijk veel ruimer dan Frank Van Laeken, Paul Beloy, Geert De Vriese en noem al die net iets te weinig bekende auteurs maar op: het is — nu komen de grote woorden — systemisch en structureel. Het is een vorm van discriminatie. Ook dat nog.

***

Enfin, het is niet omdat ik even mijn rancune ventileer, dat het probleem opgelost is. U kunt het boek ook zelf lezen, uiteraard, kritische recensies zijn meer dan welkom.

Paul Beloy & Frank Van Laeken, We have a dream! Racisme vroeger en nu, Houtekiet, 24,99 euro.

we haveadream.one



Journalist tussen hond en wolf

Journalistiek Posted on za, april 16, 2022 11:25:03

‘Het uur tussen hond en wolf’, zo leert mij onzetaal.nl, slaat op de avondschemering, het moment van de dag dat het nog net licht genoeg is om zonder kunstlicht te kunnen rondkijken, hoewel de zon intussen al is ondergegaan. Metaforisch slaat het op het aanbreken van gevaarlijke uren, ‘waarop mensen een hond niet goed van een wolf kunnen onderscheiden’. De hond is de trouwe en betrouwbare gezel van de dag, de wolf is de dreiging die uitgaat van de nacht. Licht en donker.

Waarmee ik naadloos bij het thema van deze blogpost ben aanbeland: de stand der dingen in de journalistiek. Het zal wel toeval zijn — twee auteurs die op hetzelfde ogenblik dezelfde bekommernis hebben — maar de voorbije weken zijn er twee boeken verschenen die draaien rond dit prachtige maar o zo gecontesteerde vak. Zo belanden er niet zoveel op korte tijd in de boekhandel. Zeker niet als ze kritisch naar het journalistenbestaan en de interne en externe bedreigingen voor deze eerbare stiel kijken: licht versus donker. Hond versus wolf. Luc Pauwels schreef Journalistiek in tijden van fake news. Een gewetensonderzoek van een insider, Guido Van Liefferinge pende Fuck de media red de pers neer.

Ik ken beide heren.

Luc Pauwels (°1966) kwam op mijn pad toen ik eindredacteur was op de sportredactie van de VRT Televisie, in het drukke sportjaar 2000. Euro 2000, Olympische Spelen in Sydney, Anderlecht dat groepswinnaar werd in de Champions League, de Belgische tennismeisjes die doorbraken, het hield niet op. Luc was geslaagd voor het strenge sportjournalistenexamen dat destijds nog georganiseerd werd door Ivan Sonck — aimabel in het echt, streng op het scherm en in de commentaarcabine. In maart 2000 kwam Luc binnenwaaien, na vijf jaar als onderzoeker en adviseur aan de KU Leuven te hebben gewerkt. Hij zat vol goede wil, maar had geen enkele media-ervaring, laat staan dat hij al eens een journaalstukje over een ingewikkeld onderwerp van anderhalve minuut in elkaar had gebokst. Het was aan mij om Luc te kneden, wat ik — aimabel in het echt, streng op de werkvloer — dan ook gedaan heb. Aan de opdracht die hij in mijn exemplaar van zijn boek heeft geschreven te lezen, werd dat geapprecieerd. Graag gedaan, Luc. Al snel groeide hij door naar het algemene nieuws, waar hij, zoals bekend, de energiespecialist werd. In 2012 schreef hij samen met Wim Van den Eynde De keizer van Oostende, over de strapatsen van sp.a-machtspoliticus Johan Vande Lanotte.

Guido Van Liefferinge (°1941) ontmoette ik eerder. U moet weten dat ik in 1982 ben afgestudeerd, een tijd vol (jeugd)werkloosheid, waarin het, voor iemand met een diploma dat moest leiden naar een carrière in de journalistiek, onmogelijk bleek om een job te vinden bij een dag- of weekblad. Ik kon wel voor een habbekrats freelancen — stel u voor: 750 frank voor een bijdrage in het weekblad De Nieuwe, nog geen 20 euro, maar wat een leerschool! —, om iets op mijn boterham te kunnen smeren moest ik uitzwermen naar marketing- en communicatie-afdelingen van bedrijven die ver van mijn geprefereerde sector afstonden.

Tot ik eind 1993 op straat werd gezet bij een Amerikaanse firma. Jarenlang had ik vruchteloos gesolliciteerd bij de bladen die ik zelf, als linkse jongen, gretig las, De Morgen en Humo. Áls ik al antwoord kreeg op mijn voorstellen — een hoge uitzondering —, was dat afwijzend. Ze zaten niet te wachten op Frank Van Laeken. Werkloos en zonder vooruitzichten dacht ik begin 1994: ik moet mijn horizon verbreden. En dus schreef ik zowat alle bladen in Vlaanderen aan, van het ene uiterste in het andere. In die tijd was er nog geen e-mail. Rikketikketik, briefje op de post, de priorzegel bestond nog niet, hopen dat het ding niet verloren ging. Binnen de drie dagen werd ik telefonisch uitgenodigd door Mathias Danneels, de rechterhand van Guido Van Liefferinge bij Dag Allemaal. Het gesprek was blijkbaar overtuigend genoeg, dus loodste Danneels mij even in het bureau van de Grote Guido binnen. Het kortste gesprek uit mijn lange carrière. ‘120’, riep hij (Guido spreekt niet, Guido roept). De duizend voegde ik er zelf in mijn hoofd aan toe, het was nog de tijd van de Belgische frank. Leuke maandelijkse som voor een freelancer. En zo kon ik op een blauwe maandag starten bij een blad dat heel ver van me afstond, al mocht ik er wel voor het tweede katern werken, de serieuzere pagina’s, waar politiek, economie en sport werden behandeld. Op de zeldzame redactievergaderingen waar Guido aanwezig was, bulderde hij minstens drie keer ‘Amateurs!’: naar ons en naar de buitenwereld. Zonder mijn ingeving om ook bladen aan te schrijven die mij als lezer niet na aan het hart lagen en zonder die snelle reactie van Mathias en Guido, zat ik nu wellicht niet in de journalistiek. En las u deze blogpost niet. Dank u, Guido.

***

In Journalistiek in tijden van fake news — waarbij de ‘fake’ op de ingenieuze cover ook gelezen kan worden als ‘fact’ — schetst Luc Pauwels de zes werven die er zijn in zijn vak. Óns vak.

We hebben het te laat gezien.

We laten ons te veel wijsmaken.

We laten ons te veel opjagen.

We laten ons te veel afleiden.

We laten ons te veel afglijden.

We laten ons te veel opnaaien.

Pauwels houdt het niet bij kritische beschouwingen van buitenaf, hij heeft het ook over zichzelf en zijn VRT-collega’s. Dat vereist moed, want hij heeft nog enkele jaren te gaan alvorens hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. (Het weze terloops opgemerkt: een jaar of zeven geleden zat ik met Luc in een etablissement in Wambeek om de idee van een gezamenlijk boek over journalistiek te bespreken. Het is er niet van gekomen, tenminste: sámen toch niet.)

‘Ik kijk naar mezelf in de spiegel, ik blik terug op mijn loopbaan met vallen en opstaan’, noteert hij in de inleiding. ‘Maar ik doe ook anderen in de spiegel kijken.’ De VRT-journalist heeft veel energie — sorry, die kon ik niet laten liggen! — gestoken in wat er fout loopt in de journalistiek, hier en elders, maar hij benadrukt aan het eind toch dat het merendeel van de journalisten hun job wél uitstekend (dat wil zeggen: eerbaar, onpartijdig, onafhankelijk) uitoefent. ‘Maar ik ben er evenzeer van overtuigd dat dit geen excuus mag zijn om de effectief bestaande mistoestanden in onze sector met de mantel der liefde te bedekken. Uit een soort van corporatistische zelfreflex het falen van jezelf en je collega’s verschonen: daar is nog geen enkele instantie beter van geworden.’

Terechte opmerking.

***

Fuck de media red de pers klinkt veel minder subtiel als boektitel. Hier herken ik Guido Van Liefferinge weer in: de man die ‘Amateurs!’ roept naar alles en iedereen wat hem niet zint. Ongeveer alles en iedereen, dus. Het onderscheid uit de titel verklaard: ‘de media’ gaat meer over de organisatie achter het journalistieke gebeuren, ‘de pers’ over de journalisten zelf. De auteur waarschuwt voor de gevolgen van fusies en synergieën, waardoor er nauwelijks nog onafhankelijke journalistiek overblijft. Een taak voor lokale, regionale, federale en Europese beleidsmensen, vindt hij. ‘De democratische overheden hebben hierin een voortrekkersrol te spelen die ze vooralsnog om onbegrijpelijke redenen niet opnemen.’

Via William Randolph Hearst, Rupert Murdoch en Mark Zuckerberg schetst hij een beeld van de almacht van mediatyconen en de onmacht van ons, mediaconsumenten en persmensen, daartegen. Mocht hij het boek later actualiseren kan hij er de onhandige poging van Elon Musk om Twitter in handen te krijgen van deze week nog aan toevoegen. Van Liefferinge heeft het consequent over ‘(a)sociale media’, een typering die voor een deel terecht is, maar die ook uiterst vermoeiend leest na een tijd. Het is niet alleen kommer en kwel op sociale media. Maar wel héél véél, daar heeft hij ongetwijfeld een punt. Een tweet is namelijk niet altijd wereldnieuws. Leest u even mee? ‘De stokende politici leveren controverse, de kranten, radiomakers en tv-praatbarakken nemen het gretig af en breien erop voort. Het kost niets en het levert een ketting van reacties op. Het monster voedt zichzelf. Slimmer wordt de lezer, luisteraar en kijker er niet van. Bozer en cynischer, dat wel.’

Terechte opmerking.

***

Het voorwoord werd in beide boeken geschreven door Rik Van Cauwelaert, ook dat kan geen toeval zijn. Iemand die, op zijn tweeënzeventigste, geen schrik meer hoeft te hebben om kritisch naar zijn eigen vak(broeders) te kijken, een man met een scherpe pen en een klare kijk. ‘Elke journalistieke slordigheid, elke leugen, is een aanslag op de geloofwaardigheid, het hoogste goed van de media. Het siert Luc Pauwels dat hij zich hierom bekommert’, schrijft Van Cauwelaert in het ene boek. ‘Van Liefferinge, intussen tachtig, heeft vanuit zijn Thaise retraite heel attent de ontwikkelingen gevolgd van het wereldje waarin hij ooit evolueerde. Zijn beschrijving van wat zich dezer dagen in de perswereld afspeelt, is correct en zal door insiders worden onderschreven’, schrijft hij in het andere. Twee complimenteuze opmerkingen, en terecht.

Pauwels schrijft bij wijze van spreken vanonder de kerktoren, in dit geval geen belediging, maar gewoon een vaststelling: hij staat nog met zijn twee voeten middenin het Vlaamse journalistieke bedrijf. Van Liefferinge toont meer helikopterzicht. Wat de heren schrijven is niet nieuw — wie het wilde weten, wist het al, maar schoof het meestal ver van zich weg —, maar het blijft pijnlijk dat die vaststellingen tien en twintig jaar geleden ook konden gemaakt worden, en over tien of twintig jaar ongetwijfeld opnieuw. Er verandert weinig en al zeker niet ten goede. Van Liefferinge ging in zijn vorige boek, Glamour en glitter, geld en macht (2006),al stevig tegen de mediaconcentraties in, al ging dat boek nog zwaar gebukt onder persoonlijke rancune tegenover de man die hem zijn geesteskinderen Joepie, Dag Allemaal, Goed gevoel en TV Familie had ontnomen, Christian Van Thillo, wat de leesbaarheid niet ten goede kwam.

Interessant is het contrast tussen beide auteurs: Pauwels is een outsider die insider werd, Van Liefferinge een insider die outsider werd. Hun bevindingen liggen in elkaars verlengde. Nog een contrast: Pauwels steekt deemoedig de hand in eigen boezem, Van Liefferinge gebruikt de sloophamer. Er is ook iets wat hen bindt: geen van beide boeken mag op veel media-aandacht rekenen. Want ja, in een journalistiek medium de eigen vuile was laten buitenhangen, dat doen hoofd- en eindredacteuren niet graag. Struisvogelpolitiek is ons, journalisten en zij die boven ons staan, niet vreemd. Zo kreeg Fuck de media tot nog toe enkel enige aandacht op MO* en Apache, die aan de linkse kant van het spectrum te situeren vallen. Even opmerkelijk: het boek werd uitgegeven bij de uitgesproken linkse uitgeverij Epo, terwijl de Guido Van Liefferinge die ik ken toch eerder een blauwe was, of heb ik me zo vergist? Journalistiek in tijden van fake news kwam iets ruimer aan bod, in (een uitgebreid interview in) Humo, (een kort vraaggesprek) in De Morgen, eveneens Apache en enkele satirische rubrieken. Waar blijft de rest? Als we het slechte nieuws doodzwijgen, bestaat het niet, is het dat? Riep er daar iemand ‘nestbevuilers’, goed wetende dat het nest al veel langer een poetsbeurt verdient?

Wat Luc Pauwels doet, is moediger dan wat Guido Van Liefferinge doet. Luc steekt zijn nek uit, tien jaar nadat zijn toenmalige hoofdredacteur hem tijdelijk schorste voor zijn medewerking aan het Vande Lanotte-boek. Van Guido had ik, behalve die paar zinnetjes in zijn slotbeschouwing, ook een bekentenis verwacht. Dag Allemaal was, in zijn periode als hoofdredacteur, niet het ordinaire vod waarvoor het vaak versleten werd, maar het heeft wel het voyeurisme van de lezer en bij uitbreiding de andere mediaconsumenten aangemoedigd, en dat voelen we in wat we vandaag zien, horen en lezen. Een kleine mea culpa had wel gemogen.

Dat mag u niet beletten om beide boeken van de eerste tot de laatste letter te lezen. Mocht u zelf journalist, eind- of hoofdredacteur zijn, besef dan: we moeten de stiel helpen redden. Mocht u zelf niet actief zijn in de pers, besef dan: het gaat niet goed, maar het gaat minder slecht dan de stevigste critici beweren. En toch is er nog heel veel werk willen we vermijden dat de journalistiek definitief van het schemerlicht in de complete duisternis stapt. Tussen hond en wolf moeten we toch maar voor het huisdier gaan. Licht is beter dan donker.

***

Verander nooit, Luc Pauwels, blijf zoeken naar een waarheid die verborgen is of wordt gehouden. En blijf kritisch op jezelf en de prachtige stiel die je beoefent.

Verander nooit, Guido Van Liefferinge, blijf hardop signaleren wat er fout loopt (en roep misschien nog iets luider dan gewoonlijk, want om de afstand Thailand-België te kunnen overbruggen zijn er heel wat decibels nodig).

***

Luc Pauwels, Journalistiek in tijden van fake news. Een gewetensonderzoek van een insider, Kritak, 247 pagina’s, 22,99 euro.

Guido Van Liefferinge, Fuck de media red de pers, Epo, 195 pagina’s, 20 euro.



Laat ze met rust

Journalistiek, Samenleving Posted on za, februari 19, 2022 11:25:04

Dean. Rayan. Jesse.

Meer dan een voornaam is er niet nodig om de drama’s met jonge jongens op te roepen die de voorbije weken de hoofdlijnen van het nieuws domineerden. Dean was vier, Rayan en Jesse vijf. De leef-tijd waarvan je twintig jaar later ongeveer niets meer herinnert. Dean kwam in de verkeerde handen terecht, Rayan viel in een waterput, Jesse liep onder een trein.

Er was een tijd, nog niet zo heel lang geleden, een jaar of dertig schat ik, dat hun verhalen niet de frontpagina zouden gehaald hebben. Hoogstens zou het nieuws van hun overlijden bij de faits divers hebben gestaan, de verzameling van kleine feitjes en weetjes op pagina 7 of zo. Dat dedain ten opzichte van de kleine man (m/v/x) is er nu niet meer. Hoofd- en eindredacteuren van toen wilden het Grote Nieuws niet laten wegdringen door het Kleine. Je had belangrijk, dan kwam belangwekkend, daarna pas wat er in de marge van de samenleving gebeurde. En zij, de slimme mannen aan de top, bepaalden uiteraard wat belangrijk, belangwekkend en marginaal was, dat spreekt vanzelf. Die pretentie hebben (eind)bazen van dagbladen tegenwoordig niet meer. Helaas, een bijwerking van die breder geworden interessesfeer is dat sensatie en gemakzucht het vandaag halen op relevantie. De mensen lezen/zien/horen dat graag, hoor je dan. Een al te makkelijke uitvlucht om geen rekening meer te hoeven houden met journalistieke afstandelijkheid, pudeur, respect voor het privéleven.

Natuurlijk was de dood van Dean, Rayan en Jesse nieuwswaardig.

Natuurlijk is het goed dat een samenleving meeleeft met het leed van die jongens en zij die achterbleven.

Natuurlijk mogen we ons niet afwenden van dit kleine menselijke leed, voor de betrokkenen een pak verschrikkelijker dan wat er dezer dagen in Oekraïne gebeurt.

Maar ergens moet het ophouden. Zodra zo’n lichaampje is geborgen, moet er weer afstand gecreëerd worden. Moeten ouders, familieleden en vrienden in alle sereniteit kunnen rouwen. Is stilte veel meer aangewezen dan bericht na bericht na bericht. Die hijgerige verslaggeving is nergens voor nodig. Dean, Rayan en Jesse hebben daar niets meer aan, ik hoef zelfs hun familienamen niet te kennen. Hun ouders hebben daar niets aan, die mensen willen huilen, boos zijn, elkaar stevig vastpakken, hardop vloeken, afscheid nemen, maar niet de hele tijd een microfoon onder de neus geduwd krijgen. Zelfs de mediaconsumenten hebben daar niets aan, bevredigen van sensatiezucht behoort niet tot de kerntaken van de journalistiek, wat zeg ik: het behoort niet eens tot de verre neventaken. Ik hoef niet te weten of zo’n jongen de laatste dag van zijn leven chocopasta dan wel hagelslag op zijn boterham had voor ontbijt. Ik hoef niet te weten wat zijn laatste woordjes tegen zijn mama waren. Ik hoef niet te weten dat hij die dag speciaal zijn lievelingstrui had aangetrokken, of net niet. En, vergeef mij de pretentie, ú hoeft dat ook niet te weten. Omdat privé privé zou moeten blijven. Die grens verdient respect.

En terwijl we aanvankelijk collectief jammerden om wat die jonge jongens is overkomen, een gezonde menselijke reflex, werd dat medeleven al snel vervangen door ziekelijke nieuwsgierigheid. Omdat ú dat wilt, tenminste dat zeggen de media, dat ú dat wilt. Misschien moeten wij ook eens tegen de media zeggen dat we daar niet van gediend zijn. Je gaat niet met een megafoon bovenop zo’n minigraf ‘Komt dat zien, komt dat zien!’ roepen. Ergens zouden journalisten en hun opdrachtgevers dat ook moeten beseffen. Een eenvoudige denkoefening kan hen dat leren: stel, er gebeurt zo’n drama in je eigen directe omgeving, wil je dan dat dit dagenlang wordt uitgesmeerd in de pers? Dat je telefoon na telefoon krijgt, terwijl er intussen een ongeduldige cameraploeg aan de voordeur staat, die alvast begint te filmen, want de mensen zien dat graag, waar die familieleden wonen en hoe ze de deur openen? Dat er zelfs op de begrafenis fotografen opduiken om elke traan in close-up vast te kunnen leggen, klik-klik-klik? Ik dacht het niet, hé?



Sollicitatie

Journalistiek, Memories & mijmeringen Posted on za, januari 22, 2022 11:29:23

Geachte hoofdredacteuren en verantwoordelijken van opiniepagina’s van kwaliteitsbladen,

ik zag de voorbije dagen tot mijn grote ergernis opnieuw columns en in herhaling vallende opiniestukken verschijnen van onder anderen — in alfabetische volgorde en niet in rangorde van waardering, want die is er nauwelijks of niet — Maarten Boudry, Mia Doornaert, Mark Elchardus, Delphine Lecompte, Joren Vermeersch en nog wat grut, en ik dacht, brutaalweg, dat kan beter. Nee, eerlijk, ik dacht: ik kan dat beter. Enfin, ik denk dat niet, ik zég: ik kan dat beter. Steviger gefundeerd, genuanceerder en toch spitanter, weg van het reactionaire, betweterige, voor de tigste keer vanonder het stof gehaalde pseudohistorische feitjes en weetjes, menselijker, etcetera enzovoort, ik ga hier stoppen met adjectieven in het rond te strooien, anders denken jullie nog dat ik in de leer ben geweest bij Delphine, niet de prinses, maar de kleindochter van die dokter die toch net iets minder oud is geworden dan de duizend jaar die hij zelf in een olijke bui had vooropgesteld.

Zo, ik weet dat uw tijd kostbaar is, dus wil ik die beperkte aandachtspanne niet langer misbruiken, wat ik — toegegeven — met deze extra zin eigenlijk al doe, waarvoor mijn welgemeende excuses.

Wees gegroet,

Frank Van Laeken,

journalist tot in de kist,

misschien wel uw toekomstige columnist,

ouder maar niet belegen wordend kapoentje,

journalistiek veeleer een grijsje dan een groentje (met mijn excuses aan het adres van Stijn De Paepe voor het krakkemikkige metrum).



Chef Voetbal

Journalistiek, Sport Posted on za, december 18, 2021 11:16:46

In september 2019 ontving ik een enthousiast mailtje van mijn uitgeverij, met de melding dat ze waren gecontacteerd door de advocaat van Dejan Veljkovic. Of ze geïnteresseerd waren in het uitgeven van een boek met zijn verhaal. Ja, dus, vandaar het enthousiasme. En of ik geïnteresseerd was om dat project op mij te nemen. Ja, maar…

Mijn ‘Ja’ sloeg op de journalistieke drang om op de eerste rij te mogen staan bij belangwekkende gebeurtenissen. Operatie Propere Handen viel ongetwijfeld in die categorie. Elf maanden eerder had het begin van dat gerechtelijk dossier de voetbalwereld op zijn kop gezet. De zaak uitspitten zou een fijne kluif geweest zijn, net iets wat ernstige journalisten graag doen. Ik had het in 1997 al gedaan in mijn Blunderboek van het Belgisch voetbal, met de omkopingsaffaire Anderlecht-Nottingham Forest. Na initiële berichtgeving in februari 1997 in Het Laatste Nieuws over twee Antwerpenaren die beweerden nog geld te goed te hebben van Anderlecht — waarna de heren de dag erna al op verzoek van die club ‘gangsters’ genoemd werden (wat ze niet waren, veeleer schimmige kleine criminelen met een groot ego en een nog grotere mond) —, begon ik te spitten. En ik kwam uit bij een omkopingsschandaal waarbij ook de voetbalbond hand- en spandiensten had verleend, zodat de zaak uiteindelijk verjaard was en Anderlecht — op wat publieke schandpaaltaferelen na — vrijuit ging. Een journalistiek hoogtepunt in mijn carrière, al zeg ik het zelf. En ja, ik had hiervoor tot op zekere hoogte gecollaboreerd met rare tiepen.

Mijn ‘maar’ sloeg op de mogelijke samenwerking met iemand die jarenlang de kluit had belazerd. Veljkovic was het type sjoemelmakelaar, iemand die in de schaduw van het stadion halfduistere zaakjes deed. Als je je met zo iemand associeert — wat samen een boek schrijven toch impliceert —, wilde ik garanties, zodat mijn journalistieke onafhankelijkheid en integriteit niet in het gedrang zouden komen. Ik belde lang met Veljkovic’ advocaat, Kris Luyckx, en besprak dit in alle openheid. Ja, ik was ten zeerste geïnteresseerd in het onderwerp, máár, ik wilde zelf kunnen spitten en doorvragen, niet zomaar het woord van Veljkovic optekenen. Daarop ging het project prompt naar een andere uitgeverij. Jammer, maar integriteit offer je niet zomaar op, daarmee begint en eindigt alles voor een journalist. (Waarmee ik niet beweer dat Wim Van den Eynde, die het boek nu meegeschreven heeft, niet integer is geweest bij het optekenen van dit verhaal, ik ken de details niet. Ik vond het wel vreemd dat hij mee het Pano-interview had afgenomen, zo kreeg de uitzending een vervelend promo-gehalte.)

***

Een van de mensen die in opspraak is gekomen door Veljkovic’ biecht is Stephan Keygnaert, de Chef Voetbal van Het Laatste Nieuws. Die was najaar 2018, kort na het losbarsten van de hele affaire, al even met vakantie gestuurd, omdat zijn naam was gevallen als tussenpersoon bij transfers, een activiteit die wél thuishoort in de modus operandi van een makelaar, niet in die van een voetbaljournalist. Herinner u ook dat er sprake was van twee andere journalisten van Het Laatste Nieuws en een collega van Het Nieuwsblad, die systematisch hogere punten zouden hebben toegekend aan cliënten van Veljkovic, in ruil voor… Ja, in ruil voor wat, eigenlijk? Primeurs, roddels, vip-plaatsen, cadeaus?

Ik had die Keygnaert één keer eerder meegemaakt, in de korte periode dat ik woordvoerder was van Beerschot AC, inmiddels bijna tien jaar geleden. De voorzitter van de club, Patrick Vanoppen, wilde af van zijn trainer, Jacky Mathijssen, en was helemaal zot van Adrie Koster, die een paar maanden voordien was ontslagen bij Club Brugge. Een mondige Nederlander, adept van aanvallend voetbal, dat vond Vanoppen beter passen op het veeleisende Kiel dan het bijwijlen saaie zekerheidsvoetbal van Mathijssen. En dus werd een deal gesloten met Koster. Maar ook met Keygnaert. De afspraak was dat hij het eerste interview met de nieuwe trainer van Beerschot mocht afnemen en publiceren. Ik kon nog net voorkomen dat de rest van de pers níet geïnformeerd zou worden van de komst van Koster. Mijn persbericht naar de verzamelde pers werd die vrijdagavond pas verstuurd om 21 uur, op tijd om een artikel te schrijven voor de website en de krant van de dag nadien, te laat om nog een reactie te sprokkelen bij Koster. Ik ben daar niet trots op, o neen, ik walgde van mezelf. Het druiste in tegen alles waar ik journalistiek voor stond, zoals ik in die tien maanden onwaarschijnlijk veel dingen heb zien passeren die journalistiek niet koosjer waren, ook het gedrag van de journalisten zelf. Lelijke wereld, dat profvoetbal.

Keygnaert bedankt me de dag dat het nieuws zou bekendgemaakt worden in een telefoontje: ik kende de man niet, ik hoorde wel iemand aan de andere kant van de lijn die vol van zichzelf was en die helemaal niet wakker lag van deontologie en dat soort prutsen. Als je bang bent om de strijd met je concurrenten op kwalitatief vlak aan te gaan, doe je het zo: sluiks, achterbaks, door de concurrentie uit te schakelen. Het gebeurt op vele redacties, door vele collega’s, elke dag opnieuw. Schrik van hun eigen schaduw, bang om een minder goed stuk af te leveren dan de anderen, dus belemmer je het werken van je vakbroeders.

***

Diezelfde Stephan Keygnaert komt uitgebreid voor in het boek van Veljkovic. Hoofdstuk 10. Hetzelfde hoofdstuk waarin ook Georges Leekens de hoofdrol vertolkt. In de grootste sportkrant van het land wordt de rol van Leekens uitvoerig belicht, die van Keygnaert niet. Enkel een woordje van de hoofdredacteur van VTM Nieuws, die ook eindbaas is van de sportredacties van VTM en Het Laatste Nieuws. Dat hij met Keygnaert heeft gesproken, dat die ontkent dat hij ooit geld heeft ontvangen en dat hij gelooft in diens onschuld.

Inderdaad, de bewering dat Keygnaert twee enveloppes met respectievelijk 3000 en 5000 euro heeft ontvangen voor zijn helpende rol bij de transfer van Ervin Zukanovic van Kortrijk naar KAA Gent, valt moeilijk te bewijzen. Het is woord tegen woord. Dat geld staat niet in de officiële boekhouding, er bestaan geen opnames van de overhandiging, wie moet je geloven: een Chef Voetbal of een in opspraak gekomen makelaar? Bovendien: iemand is onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. Klopt.

Uit het gerechtelijke verhoor van Keygnaert, dat donderdag de onafhankelijke kranten haalde, dus niet Het Laatste Nieuws, kan je echter iets interessants plukken. Veljkovic zegt in het boek dat hij samen met zijn cliënt Milan Jovanovic een interview had gepland met Keygnaert en dat hij vond dat de Chef Voetbal die dag nogal sjofel gekleed was. Ze gingen daarop samen naar een kledingwinkel. Veljkovic trakteerde. Volgens Keygnaert heeft hij, Keygnaert dus, zich daar na het verlaten van de winkel boos over gemaakt. Kan zijn, kan ook niet zijn. Wat ik weet is: dit doe je niet als journalist en al zeker niet als eindverantwoordelijke op een redactioneel departement. Je gaat niet mee naar die winkel en je aanvaardt ook geen cadeaus. Net zoals hij die sjaals, die hij achteraf ontvangen heeft, had moeten terugsturen naar afzender. Een kistje wijn, ach, dat gebeurt soms, al zou ook dat in principe niet mogen. Maar systematisch cadeaus aanvaarden van één bron? Niet normaal. Dat Keygnaert beweert dat hij die kledingstukken zelf wilde betalen, komt trouwens even geloofwaardig over als de persoonlijke lening die Anderlechtvoorzitter Constant Vanden Stock in 1984 had toegestaan aan de Spaanse scheidsrechter van Anderlecht-Nottingham Forest. Principieel doe je dat niet, nooit. En het zal ook nu, net als in 1984, niet zo zijn gegaan zoals de Chef Voetbal het de gerechtelijke instanties probeert voor te houden.

***

In het ons-kent-ons-wereldje dat de sportjournalistiek is, is het al uitzonderlijk dat een collega, zij het schoorvoetend, in een kwaad daglicht wordt gesteld. Het kón gewoon niet anders, in dit geval. Toen ik in 1997 detail voor detail loste over het omkopingsschandaal rond Anderlecht-Nottingham én de kwalijke rol van de top van de voetbalbond achteraf, werd ik ook uitgespuwd door het milieu. Het voetbalmilieu én het voetbaljournalistenmilieu. Vooraanstaande commentatoren en journalisten doken onder tafel als er iemand werd gezocht om hierover te komen praten in de studio’s, ze vreesden niet meer welkom te zijn op Anderlecht. Alleen Peter Vandenbempt dook voor de radio op de zaak en kon op zeker moment pronken met het proces-verbaal van Constant Vanden Stock, waarin die het over die ‘lening’ had, een document dat zelfs ik niet had kunnen bemachtigen. Hulde. Ook nu was Vandenbempt de interviewer met dienst, samen met Wim Van den Eynde voor Pano. De andere voetbaljournalisten? Ze lachen zich zonder enige twijfel een breuk (leedvermaak is des mensen), ze herkennen heel veel dingen (waarover zouden ze anders voor de match aan de persbar staan roddelen), maar ze zouden er niet aan gedacht hebben om deze zaak zelf te onderzoeken (anders mogen ze misschien niet meer binnen op… vul zelf de naam van een club in). En straks schuiven ze vrolijk en licht beneveld aan voor de champagnebar op het Gala van de Gouden Schoen, waar de Chef Voetbal op het podium de honneurs zal mogen waarnemen en de trofee uitreiken samen met de eregenodigde. Voor een glas flutchampagne en een dot nepkaviaar sneuvelen wel vaker principes. Ze gunnen elkaar het licht van de zon niet, maar als het erop aankomt is er telkens weer die corporatistische reflex: als jij mij laat doen, laat ik jou ook met rust.

Ik heb net mijn jaarlijks lidgeld betaald aan de sportpersbond. Ik hoop dat die, in ruil voor mijn contributie, nu ook een beetje aan introspectie wil doen en voor zichzelf uitmaken of een valsspeler wel recht heeft op een perskaart. Ook de Raad voor de Journalistiek zou hier werk van moeten maken, waarom bestaat die organisatie anders? Hoe kan je, als voetbaljournalist, nog met een gerust geweten interviews doen, verslagjes intikken of persconferenties bezoeken, wanneer je niet nadrukkelijk afstand neemt van de wanpraktijken die sommige collega’s zich veroorloven? Ik doe dat bij deze. Zéér nadrukkelijk. Dat ze me maar een nestbevuiler noemen in dat wereldje waarin ik me nooit heb thuis gevoeld. De enige echte nestbevuiler is de Chef Voetbal.



Propere Pandora Papers

Economie, Journalistiek, Politiek Posted on za, oktober 09, 2021 11:26:19

Niet cynisch worden.

Níet cynisch worden.

NIET cynisch worden, Van Laeken.

Het is moeilijk soms. Dat heeft met de leeftijd te maken: hoe ouder je wordt, hoe meer je gezien en gelezen en gehoord hebt (en ook wel: hoe meer je denkt dat je de wijsheid een beetje in pacht hebt). Hoe dichter je op de actualiteit staat, hoe meer je ziet dat de uitwassen binnen die actualiteit steeds minder leiden tot de juiste gevolgtrekkingen. Denk aan ministers die zelden nog hun verantwoordelijkheid opnemen. Het is een vreemde paradox: hoe groter de impact van (sociale) media, hoe groter de daaropvolgende collectieve verontwaardiging, hoe minder conclusies daaruit getrokken worden. Beleidsverantwoordelijken, hoogwaardigheidsbekleders en andere mensen die op een hogere trede van de maatschappelijke ladder staan, achten zich blijkbaar onaantastbaar. Het zijn, zoals in een kastenmaatschappij, onaanraakbaren geworden. Vervelend.

Vorig weekend pakte een internationale groep van journalisten uit met de ‘Pandora papers’, alweer een hashtag om te onthouden na de LuxLeaks (2014), SwissLeaks (2015) Panama Papers (2015), Football Leaks (2015) en Paradise Papers (2017). Telkens zo’n grootschalige samenwerking uitmondt in een reeks spraakmakende artikels, denk ik twee dingen: wow, knap gedaan (zeg gerust: professionele jaloezie, want dat had ik ook wel willen gedaan hebben), en wat gaat hiermee gebeuren? Het eerste draait om waardering voor knap onderzoekswerk, het tweede is echter net iets fundamenteler, want als er niets of heel weinig gebeurt met die relevante informatie, dan heeft dat onderzoek uiteindelijk te weinig losgemaakt. De geïnteresseerde burger wordt grondig geïnformeerd, zeer zeker, goed gedaan, maar de wanpraktijken blijven meestal doorgaan, of er wordt ergens een klein wettelijk verkeersdrempeltje gelegd, om de indruk te wekken dat er drastisch wordt ingegrepen. Quod non. Ik betrap mezelf erop dat ik die artikels veel minder gretig begin te lezen dan vijf jaar geleden. Wat heeft het allemaal nog voor zin?

#PandoraPapers draait rond belastingontwijking en fraude, en het grote grijze gebied daartussenin. Hoe dan ook gaat het om mensen die de financiële middelen hebben — en daardoor al tot de happy few behoren — en dat geld veilig proberen weg te steken, buiten het gezichtsveld van de fiscus. Andere mensen met geld zeggen: prima gedaan, collega, optimalisering en zo, moet kunnen. Ik zeg: je onttrekt geld aan de samenleving. Niet zelden zijn de mensen die roepen dat dit prima gedaan is, diegenen die ook hameren op een begroting in evenwicht, maar hoe kan je dat laatste garanderen als een deel van de bevolking het solidariteitsprincipe — wie heeft, geeft — voortdurend met voeten treedt?

Dat ongemakkelijke ‘Wat gaat hiermee gebeuren?’-gevoel heb ik ook als het over Operatie Propere Handen gaat, of was het nu Operatie Zero? De voorbije weken lekte weer een en ander uit over de bekentenissen van spijtoptant Dejan Veljkovic. Zo’n spijtoptant geeft me een dubbel gevoel: één, goed dat een directe betrokkene de speurders op weg zet om fraude aan te pakken, twéé, jammer dat hij er zelf met een minimumstraf van af zal komen. Misschien is het eerste nog net iets belangrijker dan het tweede, dus alla. Zullen de clubs en de individuele bestuurders juridisch en sportief gestraft worden, of blijft het alweer bij een smeuïge reeks verhalen in de pers, waarna het spreekwoord ‘Ze dronken nog een glas, ze deden nog een plas en alles bleef zoals het was’ opdoemt? Ik geloof in deze net iets meer in het gerecht dan in de voetbalinstanties zelf. Hoe kan je overigens de sociale en fiscale voordelen nog blijven verantwoorden in deze immorele wereld van het snelle geldgewin, gesteld dat die überhaupt ooit te verantwoorden vielen?

Mijn vrees: er zal wel weer ergens een wetje in elkaar worden geflanst om een fiscaal achterpoortje te sluiten, terwijl alle andere deuren gewoon blijven openstaan. Er zal wel ergens een kleine garnaal aan de schandpaal worden gebonden, ter genoegdoening van de op een lynchpartij beluste massa. Er zullen, zeker in het voetbal, zondebokken worden aangeduid, die allang niet meer in functie zijn.

Gisteren werden twee journalisten bekroond met de Nobelprijs voor de Vrede, omdat ze respectievelijk op de Filipijnen en in Rusland blijven opkomen voor de moeizaam verworven vrijheid van meningsuiting en de fragiele persvrijheid. Bravo en zo, maar fundamenteel verandert er weinig in dat soort landen. Toch moeten die journalisten en hun collega’s daar en elders dat vooral blijven doen. En zal een toeschouwer aan de zijlijn, zoals ik, blijven opmerken dat de gevolgen net iets meer mogen zijn. Véél meer, zelfs.

NIET CYNISCH WORDEN, VAN LAEKEN!



Kijk eens in de medaillespiegel (het moet beter)

Journalistiek, Sport Posted on zo, augustus 08, 2021 12:24:42

Ja, het was weer adembenemend, hartverwarmend, ontroerend, bewonderenswaardig en in een aantal gevallen uitmuntend hoe Belgische atleten de voorbije zestien dagen aanwezig waren op de Olympische Spelen van 2020, die om de bekende redenen met een jaar werden uitgesteld en nu — sfeerloos naast het sportveld, sfeervol erop — zonder publiek moesten plaatsvinden. Zeven medailles, dat is er één meer dan vijf jaar geleden in Rio de Janeiro. Drie gouden medailles, dat was dan weer geleden van de Spelen van 1924, zevenennegentig jaar geleden. Toen in Parijs en laat dat nu net de volgende bestemming van Circus Olympia zijn. Dat belooft (denkt de optimist). Alleen in de oerjaren 1900 en 1920 deed ons land beter, met respectievelijk vijf gouden medailles (vijftien in totaal), ook al in Parijs, en maar liefst veertien (zesendertig in totaal!) in Antwerpen. Knap, maar we mogen niet vergeten dat de Olympische Spelen toen nog veel meer een elitegebeuren waren: Afrikanen waren niet aanwezig, Aziaten nauwelijks, voor minder rijke sportbonden of atleten was de oversteek naar een ander continent onbetaalbaar.

Neen, we moeten streng zijn: naast de pech die er ongetwijfeld soms mee gemoeid was, kan je over het geheel van de prestaties niet tevreden zijn. België stagneert. Behaalden we in voorhistorische tijden nog 15 (Parijs 1900), 36 (Antwerpen 1920) of 13 medailles (opnieuw Parijs, 1924), na de Tweede Wereldoorlog raakten we nooit boven de zeven van Londen (1948) uit. Het werden er zes in Montreal (1976, geen enkele gouden), Atlanta (1996, twee keer goud) en Rio (2016, twee keer goud), en nu dus nog eens zeven in Tokio (2020-2021, drie keer goud). Dat klinkt als een vooruitgang, maar laten we wel wezen: het heeft ook iets van de processie van Echternach.

***

Toch niet slecht voor een klein landje, hoor ik sommigen denken. Het is die ‘cultuur van tevredenheid’ — een term die ik even leen van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, die het had over ‘culture of contentment’, zelfgenoegzaamheid, in de economische wereld — die ik zal blijven hekelen. We mogen luid juichen voor de successen van Nina, Nafi en de Red Lions, ook voor de medailles van Wout, Matthias, de jumpingmannen en die o zo ontwapenend sympathieke Bashir. We mogen blij zijn met de atleten die een olympisch diploma behaalden, een top 8-plaats in hun discipline. We mogen jammeren om de vierde plaatsen, de ‘net-nieters’. Maar we mogen, neen: we móeten, ook kritisch en afstandelijk blijven. Landen met minder inwoners als Nieuw-Zeeland, Hongarije, Tsjechië, Noorwegen, Jamaica, Zweden, Zwitserland, Denemarken en Kroatië eindigden boven België (29ste) in de medaillespiegel. Nederland behaalde bijna zes keer zoveel medailles als België (36 versus 7), terwijl onze noorderburen niet met zes keer meer zijn, hoogstens anderhalve keer.

Vóór de Spelen mikte delegatieleider Olav Spahl op eenentwintig olympische diploma’s. Als je ’t zo berekent, kan je stellen: doel gehaald met, als ik goed kan tellen, vierentwintig top 8-plaatsen. Enkele maanden vooraf berekende statistiekenbureau Gracenote dat België in staat moest zijn om, op basis van wereldranglijsten en recente prestaties, elf medailles mee naar huis te nemen. Na Rio, vijf jaar geleden, werd openlijk op tien gemikt. Het is net iets meer dan de helft geworden. We doen slechts een fractie beter dan vijf of vijfentwintig jaar geleden, op die ene extra gouden plak na, en dat met onze grootste delegatie ooit, 122 atleten. Mag ik dat tegenvallend noemen in de breedte?

***

Dat doet niets af aan de prestaties van onze medaillisten. Ondanks hun uiteenlopende sporttakken is er een opvallende rode draad tussen hen: ze zijn stuk voor stuk de besten in hun discipline. Nina Derwael is al jaren wereldtop op de brug met ongelijke leggers, ze werd al Europees-, wereld- en nu ook olympisch kampioen. Nafi Thiam legde een vergelijkbaar parcours af in de zevenkamp, het verlengen van haar olympische titel is een volstrekt unicum voor de Belgische sportwereld. Ook de Red Lions wonnen sinds donderdag alles wat er te winnen valt in het hockey. Wout Van Aert is misschien wel de beste eendagscoureur van het moment. Matthias Casse werd wereldkampioen in zijn judo-gewichtsklasse. De jumpingequipe was al eens de beste van Europa. Bashir Abdi is de uitzondering, maar hij wordt steeds beter op de marathon. Toppers die top waren. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ze gewoon gedaan hebben wat van hen verwacht werden, hun prestatie mag vooral niet gerelativeerd worden. Hulde!

Opvallend is dat we op deze Spelen niet konden kennismaken met een totaal onbekende of onverwachte medaillewinnaar. Geen Nafi Thiam, zoals die in 2016 de wereld verbaasde, of Greg Van Avermaet, die op een voor hem ongeschikt lijkend parcours de wegrit won. Geen Pieter Timmers die op het koninginnennummer in het zwembad zilver pakte. Geen Lionel Cox of Frans Peeters in de schietsport. Hooguit mogen we Bashir Abdi een aangename verrassing noemen, die het beter deed dan verwacht.

Het zou flauw zijn om als tegenargument te gebruiken dat we er zo vaak net naast grepen. Zeven vierde plaatsen worden als excuus gebruikt dat het zoveel meer had kunnen zijn voor ons land. Ik heb het even nageteld: Nederland zat op zaterdagmiddag al aan tien uitermate frustrerende vierde plekken. Zouden onze noorderburen ook hun zakdoeken bovenhalen om die ‘net niet’-medailles te bewenen? Team USA zat op de voorlaatste dag aan 26, Groot-Brittannië aan 14. België stond op de ranglijst van vierde plaatsen zestiende, niet eens top 10, kortom. Het is dus niet zo dat de Belgische atleten extra onfortuinlijk waren, alleen zijn we blijkbaar geneigd om snel naar pech te verwijzen, terwijl andere landen daar minstens evenveel of zelfs veel meer mee te maken krijgen. Is het onze volksaard? Wij, kleine Belgen, gedomineerd door god en klein pierke in onze geschiedenis, te nederig, te onderdanig, maar ook te berustend en te vlug klagend over onze onkans en al wat tegenzit?

***

Ondanks Nina, Nafi en de Lions doen we het niet goed genoeg en daar zijn een aantal redenen voor te bedenken. Om te beginnen hebben we in België geen sportcultuur. Voetbal en wielrennen, en af en toe een uitschieter die in beeld mag komen (Derwael, Thiam, de hockeymannen, in het verleden Clijsters en Henin), meer is het niet. Sjotten en koers, en zelfs daarin winnen we te weinig. Kijk naar de Rode Duivels, kijk naar het baanwielrennen of de grote wielerrondes. We bevinden ons in een vicieuze cirkel: veldrijden is een geweldige kijksport — alles zit vervat in dat ene uur —, maar dit korfbal-op-twee-wielen is tegelijk ook de doodsteek voor een discipline als baanwielrennen. Er valt veel meer te verdienen in de modder dan op een houten piste, dus kiezen de renners voor hun boterham, niet voor een eventuele olympische droom. Waardoor er niet gepresteerd wordt en de media blijven focussen op de populaire sporttakken. We maken weleens een meewarige opmerking over de Elfstedentocht — Giet et oan? —, maar vergeten dan dat alleen al die winterse schaatscultuur van Nederland een ruimdenkender sportland maakt. We fokken olympische toppaarden, we kweken te weinig olympische topatleten.

Er is ook geen beleid. Er zijn drie ministers van Sport in dit land, maar niemand neemt de federale honneurs waard, terwijl internationale prestaties onder de Belgische vlag worden geleverd. De Vlaamse minister juicht als een Vlaming het goed doet en zwijgt als een ‘andere Belg’ een medaille haalt (of noemt de namen van de atleten niet), de Waalse minister heeft nauwelijks een reden om te juichen (sportbeleid is daar helemaal een zootje). Nederland heeft voor topsport een dubbel zo groot budget veil als België: 70 miljoen euro versus 37 (26 voor Vlaanderen, 11 voor Wallonië). Australië geeft jaarlijks 140 miljoen uit en dat rendeert al enkele decennia. Het is een beleidskeuze: wil je prestaties, dan zal je daarvoor ruim moeten investeren. Wil je een beleid, dan zal er op federaal niveau gestuurd moeten worden. Wil je als minister écht een reden hebben om trots te zijn op Twitter, dan zal je er eerst een flinke inspanning voor moeten leveren. Tot dan is zwijgen eerzamer dan mee een stukje roem claimen.

Visie — beleid — middelen — hard werken — prestaties, dat is de volgorde. In België gaat het meestal om individuele uitschieters, professionals die buiten de structuren om succes behalen. De topsportscholen leveren prima werk (kijk naar Derwael en de andere gymnasten), maar het mag en het moet veel meer zijn. Waar zit de talentdetectie? Meer centen, meer investeren in jonge talenten, meer geld voor deskundige trainers, meer werken in de luwte, meer geduld gekoppeld aan hoge eisen (maar dan zonder mentale terreur). Alleen dan kan je oogsten op middellange- en lange termijn. Als België nú principiële keuzes zou maken — gecentraliseerd beleid, groter budget, meer vakkennis aanstellen binnen de sportbonden —, zouden we eventueel in 2036 aan twintig medailles kunnen denken. Niet eerder. Tot dan zouden we ’t moeten stellen met de toppers die buiten de structuren om hun ding doen en een uitzondering zoals de hockeyers, want de hockeybond is wel uitstekend bezig. Alleen: die principiële keuzes zullen niet gemaakt worden, zodat we ons over drie jaar in Parijs opnieuw zullen afvragen of het wel genoeg is en hoe we het anders zouden kunnen aanpakken. Onze sportbonden worden nog altijd in grote mate bevolkt door recepties afschuimende, zelfgenoegzame bobo’s. Op hun plek zou een (ervarings)deskundige kunnen zitten. Móeten zitten.

***

Die ‘cultuur van tevredenheid’ moet eruit. We moeten strenger zijn, veeleisender, kritischer, een tikkeltje afstandelijker. We moeten afstand nemen van dat hardnekkig underdoggevoel, dat ‘Och, ja, ze hebben toch hun best gedaan’-gedoe. We moeten vooral geen leedvermaak hebben met landen die het een paar dagen moeilijk hebben, maar die op het eind hoog boven België uitsteken. We moeten naar onszelf kijken. De spiegel zegt: het kan beter. De medaillespiegel zegt: het moet beter.



« VorigeVolgende »