Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Mijn Beerschot-memoires (deel 1)

Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 25, 2022 11:44:49

Tien jaar geleden liep mijn kortstondig avontuur als woordvoerder bij Beerschot AC ten einde, na amper tien maanden en een paar weken. ‘Avontuur’ is de juiste omschrijving van dat ene intense, prettige, onprettige, knotsgekke, waanzinnige, absurde seizoen 2011-2012, waarin ik van de ene verbazing in de andere viel. Voetbal, een feest. En een nachtmerrie. En een immorele wereld. En nog wat van die dingen. Ik zou er een boek mee kunnen vullen, maar omdat ik betwijfel of er een uitgeverij geïnteresseerd is in wat er toen — bij een, laten we wel wezen, bescheiden club vol onbescheiden grootspraak — allemaal is gebeurd, bal ik de ‘belangrijkste’ gebeurtenissen samen in twee ietwat ruim bemeten blogposts. Vandaag deel 1, volgende week zaterdag het vervolg.

***

Kort voor de zomervakantie van 2010 las ik op een of andere site dat een zekere Patrick Vanoppen van plan was om Germinal Beerschot over te nemen. Officieel en voluit: Germinal Beerschot Antwerpen. Een kunstmatig gedrocht van bij het begin, een fusie tussen noodlijdende clubs uit Ekeren en op het Kiel, die voorjaar 1999 met de nodige tamtam werd bezegeld: Beerschot VAC stond op het punt om failliet te gaan, Germinal Ekeren had geen stadion meer. Verstandshuwelijken missen passie, dat is geweten.

            Ik had een verleden op het Kiel. Samen met mijn grootvader langs moeders kant ging ik sinds november 1966 naar Beerschot, ik was niet eens acht jaar oud. Bompa had tussen de twee wereldoorlogen alle zeven titels van de club meegemaakt, hij had Raymond Braine en Rik Coppens zien schitteren in dat Olympisch Stadion. Ik werd al snel meegezogen in die aparte sfeer, tikkeltje arrogant, met zijn veeleisende supporters, die terugdachten aan de gloriejaren die de meesten niet eens zelf hadden beleefd, die koppig hoopten op beterschap en die in de plaats vooral sportieve en financiële miserie kregen. Maar toch ook een flinke portie kirrend voetbalplezier dankzij Lothar Emmerich, Guido Mallants, Arto Tolsa, de unieke jonge artiest Juan Lozano, Emmanuel Sanon, Jan Tomaszewski, Rik Coppens als trainer. Aardig tot zeer aardig voetbal, zeer gemotiveerde spelers tegen de groten van het Belgische voetbal, ongeïnteresseerde lamlendelingen tegen de kleintjes. Spelen tegen Anderlecht vonden ze prettig, Beringen interesseerde hen niet. Die desinteresse was nog groter bij uitwedstrijden. Een team van Net Niet. En een club van veel grootspraak, vóóral veel grootspraak. Veel meer grootspraak dan de prestaties toelieten alleszins.

            Mijn club(je).

            Mijn kleuren.

            Mijn jeugdliefde.

            Een club met een grote potentie in een stad die best wel twee ambitieuze eersteklassers kon herbergen, en dat is geen grootspraak.

Bij Germinal Beerschot voelde grote baas Jos Verhaegen — de man die Germinal heel knap van tweede provinciale naar eerste klasse had gevoerd met een zuinig en hyperrealistisch beleid — zich nooit thuis. Het Kiel was het Veltwijckpark niet. Verhaegen leidde bouwbedrijf Versnel samen met René Snelders, de vader van Eddy. Samen leidden ze ook een provinciaal voetbalclubje. Verhaegen werd in de jaren 90 een geslaagde handelaar in verloren voetbalproducten, spelers die elders waren gedumpt, vol revanchegevoelens, en die hij voor een appel en een ei op de kop had getikt: een methode die perfect werkte in Ekeren, maar niet aan de andere kant van de stad. Daar wilde men méér. Daar wilde men, bijvoorbeeld, niet dat onmiddellijk na de bekertriomf van 2005 (2-1 tegen Club Brugge) de beste speler en aanvoerder van het team, de Colombiaan Daniel Cruz, voor een habbekrats verpatst werd aan de eerste de beste geïnteresseerde, in zijn geval Lierse. Na een half jaar stond Cruz terug op het Kiel. Heimwee naar die unieke fans, steeds op het randje, er soms ook genadeloos over, compromisloos. Zuid-Amerikaanse voetballers zijn altijd welkom geweest bij Beerschot. Liever een dribbel te veel dan een fantasietje te weinig. Verhaegen wilde in de eerste plaats cashen. Dat stond voor hem boven elke vorm van sportieve ambitie. Zo ontstond een logisch schisma met die duizenden succeshongerigen op de tribunes. Verhaegen werd de vijand van de supporters, werd zelfs in zijn eigen woonst belaagd, wat in geen enkel opzicht goed te praten valt. Niet onbegrijpelijk dat de man zo snel mogelijk dat vergiftigd stedelijk geschenk probeerde te verpatsen. Cashen, weet u wel.

            Exit Jos Verhaegen.

VOORZITTER IN BERENPAK

Toen ik dat bericht las van de mogelijke overname was ik drie en een half jaar aan de slag als hoofdredacteur op de redactie van PRIME Sport (dat later Sporting Telenet ging heten en nog later Play Sports). Ik zat daar in principe goed: kwalitatief sterke, gemotiveerde redactie. Grote tv- én sporttalenten, nauwelijks tafelspringers. Fijn loon, verwarmde zetels van de salariswagen onder mijn kont, behoorlijk tevreden bazen, behoorlijk tevreden kijkers, interessant aanbod van buitenlandse topcompetities in de portefeuille.

            Ik had er ongetwijfeld nog heel wat ongestoorde jaren voor de boeg, maar ik voelde me stilaan een conciërge. Zorg dat je netjes binnen het vooropgestelde budget blijft en we laten je gerust, Van Laeken. Met andere woorden: wees vooral niet ambitieus, maak televisie volgens de normen van een allang gepasseerd decennium (want we willen winst maken!), hou je troepen in het gareel. Van Laeken wilde echter meer: meer studio-omkaderingen (die er nadien ook zouden komen), meer eigen reportages (die er nadien ook zouden komen), meer een tv-station met een eigen smoel dan een soort jukebox die op verzoek live voetbal uitspuwt (wat het nadien ook is geworden). Dus schreef ik die meneer Vanoppen in juni 2010 aan op het e-mailadres van zijn bedrijf, Vivinvest. Of hij geen woordvoerder nodig had.

            Ik kreeg geen antwoord.

            De projectmakelaar nam op 16 februari 2011 de club over, naar verluidt voor vijf miljoen euro, geld dat hij niet had (al blijft hij het tegenovergestelde beweren), maar dat kwamen we pas later te weten. Hij kondigde een naamsverandering aan: Germinal Beerschot moest opnieuw Beerschot worden, de AC van Antwerpen Club erachter was niet meer dan een onbeduidend detail. En het ‘magische’ stamnummer 13 zou terugkeren, zo beloofde hij.

            Eerlijk, ik was die e-mail al vergeten, toen ik de derde week van mei 2011 opeens gebeld werd door Jacques Vanderveren, secretaris van de ‘nieuwe’ club en rechterhand van Vanoppen op de Beerschotkantoren. Of ik nog altijd geïnteresseerd was. En of ik dan even wilde langskomen. Wat ik deed, in het gedacht dat het een vrijblijvend gesprek zou worden. Tot ik vijf dagen later al uitgenodigd werd voor een tweede gesprek, deze keer in het bijzijn van Patrick Vanoppen. Wat ik zag: een dynamische man, snel pratend, veel volume, misschien wel de juiste man op de juiste plek om mijn clubje uit de vergeethoek te halen. Wat ik niet zag: dat die dynamiek en dat volume een gebrek aan inhoud moesten camoufleren, en dat deze meneer niet de middelen noch de connecties had om een professionele voetbalclub te leiden. Ik was verblind, kreeg hetzelfde nettoloon voorgeschoteld als bij mijn toenmalige werkgever, firmawagen, gsm (de iPhone moest ik maar overkopen van mijn werkgever), ja, ik zou zelfs gegarandeerd zes maanden opzeg krijgen, ook al zetten ze me na een paar maanden al op straat. Enfin, op wat details na — die ik niet goed had nagekeken —zou ik er financieel niet op achteruitgaan. Dacht ik. Maar wat bovenal speelde: werken voor mijn favoriete club? Dit was niet eens een stoute droom die waar kon worden, zoiets dúrfde ik niet eens te dromen, zo onrealistisch leek dit scenario wel.

            Tijdens mijn vakantie in Toscane werden de laatste contractuele afspraken op papier gezet — echtgenote niet blij, want ze vond die voetbalwereld maar een raar zootje, plus dat ik elk weekend zou moeten gaan werken —, vanaf 1 augustus 2011 mocht ik me pers- en communicatieverantwoordelijke van Beerschot AC noemen. Het werd zomer en net als de zestienjarige Rob de Nijs liet ik me al te makkelijk verleiden.

            De voorzitter had intussen in berenpak geposeerd in het gezelschap van de Antwerpse burgemeester Patrick Janssens, notoir Beerschotsupporter. De buitenwacht lachte Vanoppen vierkant uit, de supporters vonden het geweldig. Ik stond er niet bij stil: ik kon niet wachten op 1 augustus. Ik was tweeënvijftig en klaar voor een laatste grote klus in mijn professionele leven. Het voelde als thuiskomen. Ik stuurde een overdreven enthousiaste e-mail naar al mijn vrienden en professionele contacten. ‘Een bescheiden “Yes we can”-kreet wil ik mezelf niet onthouden’, stond daarin onder meer te lezen. Je bent jong en je wil wat. Obama citeren, bijvoorbeeld.

            Op de ploegvoorstelling stond ik nog niet op het podium, maar ervoor, onder de fans. Het meeste applaus oogstten de teruggekeerde lokale vedette Hernán Losada, een Argentijn met kwieke voetjes die alleen op het Kiel gedijde, en materiaalmeester Jos Van Hout — Beersgod hebbe zijn ziel. In zijn onnavolgbare stijl riep die: ‘Ik zen blaai dat die kiekes aaindelek van ons logo verdwejne zaain!’, verwijzend naar de nogal komiek uitziende roofvogels op het originele embleem van Germinal (Beerschot).

            ‘The bear is back’, juichten de fans. Er had toen al een belletje moeten rinkelen om nakend gevaar te signaleren. Niet alleen bleven enkele honderden oorspronkelijke Germinalfans voortaan clubloos thuis, de verwachte toestroom van nieuwe/oude Beerschotsupporters bleef ook uit. Gemiddeld zouden er vijfhonderd toeschouwers minder zijn dan het vorige seizoen, maar dat wisten we dan nog niet. The bear was alleen in naam back.

            De keizer droeg geen kleren, op dat berenpak na.

INTRODUCING: STIJN STIJNEN

De paarswittebroodsweken verliepen uitstekend. Trainer Jacky Mathijssen nodigde mij dadelijk uit om kennis te maken met de spelersgroep. Ik stelde mezelf in het Nederlands en het Engels voor, en benadrukte hoe ik mijn rol zag: loyale werknemer van de club, aanspreekpunt voor staf en spelers, met als voornaamste missie om de club op een positieve manier in de pers te krijgen. Ik maakte een document op met richtlijnen voor interne en externe communicatie. Alle interviewaanvragen zouden voortaan via mij lopen, na overleg met de trainer konden spelers beschikbaar worden gesteld voor een gesprek met een journalist. De belangrijkste stelregel in mijn, toegegeven, iets te lange en iets te hoogdravende tekst was dat er nooit gelogen mocht worden. Dingen niet of omfloerst zeggen, dat kon, maar liegen niet.

            Zou er iemand binnen de club die volledige tekst ooit gelezen hebben?

            Vanoppen liep hoog op met zijn nieuwe persman. Hij stelde me aan iedereen voor als ‘vroegere chefsport op de VRT’. Prestige, natuurlijk. Zie eens wie ik heb kunnen strikken! De gestrikte mocht dan wel de titel ‘pers- en communicatieverantwoordelijke’ voeren, in werkelijkheid kwam het erop neer dat ik én het woord voerde én de prille socialemediakanalen moest beheren én de ploegopstellingen intikte en printte voor pers en VIPs én de wedstrijdverslagen en alle nieuwsberichten op de website plaatste én die website zelf hielp creëren én… Het takenpakket hield niet op. Ik was, naar de hit uit 1974 van Leo Sayer, in alle opzichten een one man band (‘Well I’m a one man band / Nobody knows nor understands / Is there anybody out there wanna lend me a hand / To my one man band?’).

            Op wedstrijdavonden was er een handvol getrouwen dat instond voor live verslaggeving op Twitter, die reacties sprokkelden bij staf en spelers, en die de aanwezige perslui op hun wenken bedienden, dat wel, maar daarnaast stond ik er alleen voor. Centen om filmpjes en reportages te draaien waren er niet. Voor niets waren er trouwens centen. Er was niet eens een eigen website toen ik begon. De voorzitter schakelde een gereputeerd communicatiebedrijf in om de website te creëren, betalen deed hij hen niet. Want, u raadt het al, geen centen.

            Al snel kwam er een eerste bedenkelijke klus aan. Ik moest dringend op zoek naar een lokaal om de pers te kunnen ontvangen. De vorige perszalen waren immers omgetoverd in respectievelijk VIP-ruimte en spelershome. Nauwelijks iemand binnen de club was geïnteresseerd in het mee zoeken naar een oplossing, hoewel een goed geoutilleerd perslokaal een verplichting was, van de Pro League én van de sportpersbond. Maar binnen alle geledingen van de club werd de pers diep gehaat: journalisten schreven te negatief over Beerschot, ze waren alleen uit op sensatie, ze zochten naar spijkers op laag water.

            Calimero op het Kiel.

            Alleen community manager Paul Beloy, een van de helden die ik in 1979 de beker zag winnen op de Heizel en algauw een fijne collega, en liaison manager Luc Van den Bosch, een pragmatische cynicus met een verleden bij de liberale vakbond, werkten mee. De eerste thuiswedstrijd, zaterdag 6 augustus tegen AA Gent, kwam er na een paar werkdagen al aan. Ik had geluk: een van de VIP-ruimten was nog niet verhuurd voor het nieuwe seizoen, de eerste drie matchen konden we daar de pers ontvangen. Oef! Pas begin september, een maand na mijn aantreden, werd een definitieve locatie gevonden. Primitief, maar bruikbaar. En zeer tegen de zin van enkele mensen binnen de club. Die hadden liever gehad dat de journalisten op de parking bleven staan, bij voorkeur in de gietende regen, zonder paraplu.

            Dinsdag 9 augustus riep sportief directeur Chris Van Puyvelde me ’s ochtends bij zich: of ik als de wiedeweerga de voetbaljournalisten wilde uitnodigen voor een persconferentie waarop nog diezelfde namiddag een ‘spraakmakende transfer’ zou worden bekendgemaakt. Ik stuurde een cryptische e-mail de deur uit. Om wie het dan wel ging, wilde ik toch wel even weten. Stijn Stijnen, zei Van Puyvelde. Nou! Spraakmakend was inderdaad het juiste adjectief, minder dan een half jaar voordien was de dertigjarige doelman, dertigvoudig international, bij Club aan de deur gezet omdat hij zijn concurrenten in het Brugse doel onder de schuilnamen Frigo en Piop zou hebben bezwadderd op internetfora. Deze aankondiging was een bom. Gegarandeerd veel persaandacht.

            Alleen jammer dat de verantwoordelijke voor de afhandeling van de transfers blijkbaar zat te slapen, want het lukte niet om Stijnen voor de eerstvolgende wedstrijd, opnieuw op eigen veld tegen Westerlo, speelgerechtigd te maken. Een domper op de feestvreugde. Gelukkig zaten er nog drie andere keepers in de spelerskern. Weelde. (Maar geen centen.)

‘KAWASHIMA FUKUSHIMA!’

De comeback van Stijn Stijnen door de grote poort moest dan maar gebeuren de daaropvolgende speeldag: vrijdag 19 augustus. Uit bij Lierse, een regionale derby. Een dag voordien had een noodweer vijf dodelijke slachtoffers geëist op Pukkelpop. De minuut stilte vóór Lierse-Beerschot werd door beide supportersclans integraal gerespecteerd. Mooi. De vijandigheid na het eerste fluitsignaal was minder mooi. ‘Stijnen janet’, riepen de thuisfans tegen de debuterende nieuwkomer in het Beerschotdoel.

            In de tweede helft stond de Japanse doelman Eiji Kawashima met zijn rug naar de vijandige aanhang. Beerschot kwam 1-0 achter. ‘Kawashima Fukushima!’ riepen de paarswitte supporters toen de doelman halfweg de tweede helft tergend traag een bal ging ophalen achter de doellijn. De verwijzing naar de ramp in de kerncentrale in de stad Fukushima, in maart van dat jaar, was bijzonder pijnlijk voor de geëmotioneerde doelman van de Japanse nationale ploeg. Er werd ook met bekertjes bier richting keeper gesmeten. Scheidsrechter Luc Wouters legde de wedstrijd stil. Op de perstribune keek ik schichtig achterom naar het handvol Japanse journalisten dat elke beweging van Kawashima volgde voor de voetballiefhebbers op het thuisfront. Zij zagen onmiddellijk de ernst van de situatie in, keken elkaar vol ongeloof aan, de rest van de pers en bij uitbreiding de vele duizenden op de tribunes hadden het alleen maar over de projectielen en hoe vervelend het wel niet was dat de wedstrijd stilgelegd was.

            Beerschot had twee keer geluk. Na de onderbreking stonden ze bij de thuisploeg nog te pitten, zodat Losada op aangeven van een Lierse-verdediger de gelijkmaker kon binnenschieten. En de ref had het in zijn rapport achteraf alleen maar over de bierbekers, niet over de wansmakelijke gezangen. Dat zou nog van pas komen.

            De dagen nadien, die zich vooraf aankondigden als een vrij weekend voor mij, was het op eieren lopen. De ambassadeur van Japan in ons land riep premier Leterme op het matje. Een hoge pief van de voetbalbond liet optekenen dat Beerschot streng gestraft moest worden. In de Japanse media werd Beerschot met de grond gelijkgemaakt, een club met racistische supporters, wat denken die wel. Patrick Vanoppen en Jacques Vanderveren vroegen zich af waar al die heisa voor nodig was, toch niet voor het roepen van een paar onheuse dingen, zeker?

            De raadsman van de club, Bob van Jole, was slimmer. Hij zag de ernst wél in, maar wilde ook dat de communicatie voorzichtig verliep. Terughoudend. De club mocht vooral geen excuses aanbieden, want dat zou een schuldbekentenis hebben ingehouden. Dus hield ik het in een communiqué op ‘betreuren’ en ‘distantiëren’ van wat er geroepen werd. Vager kon ik het echt niet formuleren.

            Maandagochtend werd ik opgebeld door een reporter van Radio 2 Antwerpen. Ik bleef de hele tijd op de vlakte, het wereldrecord rond-de-pot-draaien werd flink scherper gesteld die dag. Máár: ik hield me aan mijn adagium, niet liegen. Nóóit liegen. Zo werd het een gesprek met alleen maar vragen, geen echte antwoorden. ‘Onnozelaar’, beet de journalist mij toe na het gesprek, toen hij dacht dat de lijn al verbroken was. Het is de jonge Dennis van den Buijs hierbij vergeven.

            ’s Avonds zat Patrick Vanoppen in de studio van Extra Time. Ook hij dribbelde op zeer handige wijze om de hete brij heen. Een zeldzaam communicatief sterk moment. ‘Die man heeft geen coaching nodig’, zei mijn vrouw. Ik knikte. Een frisse wind in het vermolmde, verstarde voetbalmilieu, dachten we op dat moment. We hadden gelijk, maar niet om de juiste redenen. Ook frisse winden kunnen behoorlijk stinken.

            Lang duurde het niet voor de voetbalbond met een ‘gepaste straf’ afkwam: een boete van vijftienduizend euro, later nog verhoogd tot 24.700 euro. Van Jole bleef kalm. De club verwees naar het officiële wedstrijdblad, waarop geen sprake was van ongepaste uitlatingen. Bovendien is het de thuisploeg die verantwoordelijk is voor het ordentelijk verloop van een wedstrijd, op en naast het veld. Dat was Lierse, niet Beerschot. En tenslotte duidde de in de media geponeerde eis van een bondsbobo om Beerschot streng te straffen op partijdigheid, zo vond de club. (Het zou nog maanden en een lange procedure vergen tot de enige mogelijke juridische conclusie was dat de club Beerschot niet verantwoordelijk kon worden gesteld. Weg boete. Wat bleef was schaamte.)

            Nog meer ophef veroorzaakte de diplomatieke rel tussen Japan en België, en tussen Japan en Beerschot (en tussen de rest van de voetbalwereld en Beerschot). Dit was niet iets dat we met een simpel perscommuniqué konden opvangen. Ik werd in de rol van crisiscommunicator gedwongen. Er werden lijntjes uitgezet naar de Japanse gemeenschap in België, het gedrag van de eigen fans werd openbaar gelaakt (maar er volgden geen excuses), de club deed er alles aan om zich in de weken na het incident keurig te gedragen. De inspanningen loonden. Via de zaakwaarnemer van Eiji Kawashima werd er dinsdag 20 september – één maand en één dag na de feiten — een flink bijgewoond persmoment georganiseerd in een Liers restaurant, waar de voorzitter van Beerschot en de doelman van Lierse zij aan zij zaten, de eerste om zich te verontschuldigen, de tweede om die excuses te aanvaarden.

            Een dag later werd een delegatie van Beerschot — voorzitter Vanoppen, raadsman Van Jole, uw dienaar — plechtig ontvangen op de Japanse ambassade in Brussel. Ik zat een rijtje achter de officiële vertegenwoordigers, zoals het hoort voor een lakei. ‘Hoewel wij als club niet verantwoordelijk mogen worden gesteld voor het gedrag van enkele supporters, betreuren wij toch ten zeerste wat er is gebeurd en hopen we met deze excuses een betere en diepere relatie uit te mogen bouwen met de mensen van Japan’, stamelde een opvallend nerveuze Vanoppen. Elk woord telde en dus werd de tekst netjes en integraal afgelezen. Geen ruimte voor improvisatie. De vertaler fluisterde discreet in het oor van de ambassadeur wat dat rare mannetje allemaal aan het zeggen was. ‘Ik hoop dat u er alles aan doet om dit soort incidenten in de toekomst te voorkomen en dat het niet meer gebeurt’, zei de heer Jun Yokota, terwijl hij het hem geschonken Beerschotshirt met zijn naam op de rug met enige verwondering bekeek.

            Het algemene gevoel na die hoffelijke ontmoeting, waarmee het incident officieel werd afgesloten, was dat de commerciële verantwoordelijken van de club dringend contact moesten opnemen met Belgische vestigingen van Japanse bedrijven: hier zat business in, dachten alle betrokkenen. Daarmee werd ‘Kawashima Fukushima!’ — op het vergeefse gepruttel van het machteloze bondsparket na — aan de geschiedenisboeken toevertrouwd, meer bepaald aan het nogal lijvige hoofdstuk ‘Ongepaste en smakeloze supporterskreten’.

Op vraag van Patrick Vanoppen werkte ik een basisdocument uit dat moest dienen als toekomstig charter ‘Positief supporteren’, waarmee Beerschot de positieve toon moest zetten in het Belgische voetbal.

            ‘Zeer goede tekst’, repliceerde de voorzitter. Hij zou dode letter blijven.

WOUTER VERSCHELDEN IS BOOS

Zondag 2 oktober 2011 ontving Beerschot Club Brugge, in wat de eerste confrontatie met zijn ex-club zou worden voor Stijn Stijnen. Uiteraard wilde de pers daar uitgebreid op ingaan. Om een resem aparte aanvragen voor te zijn, had ik met de trainer en met Stijnen zelf afgetoetst of zij een persmoment van een uur zagen zitten. Stijnen was niet al te enthousiast, maar besefte dat de aandacht onvermijdelijk was. Hij eiste wel dat er niet over De Zaak zou gepraat én geschreven worden.

            Er werd afgesproken de pers de vrijdag voor de wedstrijd uit te nodigen. In mijn e-mail vermeldde ik de eis van Stijnen en vroeg ik de journalisten om te bevestigen dat ze hiermee akkoord gingen. Als er toen een negatieve reactie zou geweest zijn — of (ex-)collega’s die me hadden verteld dat ik niet het recht had om die eis te stellen —, dan zou ik dat in mijn diepste binnenste toegejuicht hebben. Maar neen, de bevestigingen stroomden binnen. Zoveel buigzaamheid en onderdanigheid, ik vond dat vreemd, als journalist. Als woordvoerder kon ik het alleen maar prettig vinden. De interviewsessie verliep vlekkeloos. Hooguit werd er gepolst naar wat De Zaak voor de gemoedstoestand van Stijn Stijnen had betekend. Een persoonlijke vraag, daar wilde de Limburger nog wel op ingaan.

            Bij het tiental aanwezige journalisten zat ook een jonge, Nederlandse stagiair van De Morgen. Een jaar of twintig, derde- of vierdejaarsstudent aan een Nederlandse hogeschool of universiteit, bezig aan een buitenlandse stage van een paar maanden (‘want dat is goed voor je!’). Het was geweten dat De Morgen geen eigen sportredactie had, sportberichten werden overgenomen van Het Laatste Nieuws of neergepend door tijdelijke medewerkers. De stagiair stuurde me het stuk (‘samen met Jan-Pieter de Vlieger geschreven’) door dat ’s anderendaags in de zaterdagkrant zou afgedrukt worden over een volledige pagina, waarin een paar flarden uit het gesprek van die middag werden gebruikt in een lang verhaal over De Zaak. Goed geschreven, maar dit was niet de afspraak.

            Stijnen in alle staten. Ik stuurde de journalist een harde e-mail om aan te klagen wat hij gedaan had, ook al wist ik intussen dat de officieuze chefsport van de krant de basistekst had geschreven. Maar ik wilde niet over het hoofd van de jonge medewerker heen springen. ‘We willen je dan ook dringend vragen om de antwoorden van Stijn én van Jean-Pierre Stijnen (de vader van Stijn, fvl) uit het stuk te verwijderen’, schreef ik. De Stijnens dreigden met juridische stappen als dat niet zou gebeuren, liet ik nog weten.

            Een paar uur later kreeg ik een razende Wouter Verschelden aan de lijn, toen nog geen officieuze woordvoerder van de N-VA of nieuwsaap, maar hoofdpief van het progressief dagblad voor Vlaanderen. Of ik er plezier aan had beleefd om een jonge kerel te intimideren? ‘Neen’, zei ik naar waarheid, ‘hebben jullie er misschien plezier aan beleefd om ons om de tuin te leiden?’ (Wellicht gebruikte ik op dat ogenblik iets pittiger beeldspraak, maar dat herinner ik me niet meer woordelijk. Wel dat we meer dan een halfuur een dovemansgesprek voerden dat chaotisch eindigde. Overigens zou ik alle respect voor hem en hen hebben gehad, mocht De Morgen niet zijn opgedaagd voor de persconferentie maar wel een stevig duidend stuk over het ontslag van Stijnen bij Club hebben geschreven, daar waren journalistiek gegronde redenen voor. Maar dan niet eerst braafjes toezeggen en vervolgens woordbreuk plegen, ha nee!)

            Het was een in alle opzichten warme herfstdag die tweede oktober. Vooraf werd een nieuw clublied geïntroduceerd, WO Beerschot, mee te zingen als ‘wejo wejo Beerschot’. Een creatie van Krema Kawa, with a little help from Hernán Losada en Sherjill MacDonald. Alleen… zong bijna niemand mee op de tribunes. De eigengereide harde kern zingt niet mee met verplichte nummers. Nooit. Noejt! Afgezaagde supportersliederen als ‘Waar is da feesje? Hier is da feesje’ worden brutaal afgewezen op het Kiel. Originaliteit is een must, op de evergreen You’ll never walk alone na dan. De match eindigde op 1-1, Adrie Koster beleefde geen leuke avond in de dug-out van Club, voor Jacky Mathijssen was het, net als voor Stijn Stijnen, een halve revanche na hun niet zo fijn verlopen vertrek uit Brugge.

            Koster en Mathijssen, onthoud de namen, ze komen in deel 2 nog samen aan bod.

‘BEERSCHOT LEEFT!’

Sportief verliep alles naar wens voor Beerschot. Na negentien van de dertig speeldagen stond paarswit negende, in de buik van de rangschikking, veilig en wel. Geen degradatieperikelen, zoals een jaar voordien, maar een door een stevig thuisparcours geschrankt seizoen. Alleen KV Kortrijk, met trainer Hein Vanhaezebrouck, kwam winnen in het Olympisch Stadion, 0-1. Tegen Club, Anderlecht, Standard en Gent werd verdiend gelijkgespeeld. Landskampioen Genk werd met 2-0 naar huis gestuurd, twee doelpunten van een ontketende Sherjill MacDonald. Van Antwerp was geen sprake, die verbleven al een poos in tweede klasse. Hernán Losada ontpopte zich opnieuw tot de publiekslieveling die hij in zijn eerste Beerschotperiode was geweest. Gary Kagelmacher, de Uruguayaanse centrale verdediger, was een voorbeeldige aanvoerder. Wim De Decker was de stofzuiger op het middenveld. In goede dagen viel spurtbom Sherjill MacDonald niet af te stoppen. En Stijn Stijnen bleef natuurlijk in de eerste plaats een uitstekende doelman.

            Eind oktober, nauwelijks drie maanden na de start van de competitie en amper acht maanden nadat Vanoppen de club in handen had gekregen, doemden echter de eerste financiële donderwolken op aan de hemel. De lonen van de spelers konden niet uitbetaald worden, die van de (minder betaalde) medewerkers gelukkig nog wel. De voorzitter beloofde een oplossing vóór Kerstmis. Eind november werden de achterstallige sommen gestort.

            ‘Beerschot leeft!’ werd een door de supporters in het hart gesloten (nood)kreet. Even leek Play-off 1 zelfs in zicht, na zeges tegen Genk en in Gent. De vreugde was van korte duur. Beerschot verloor met een halve B-ploeg met 3-1 in Westerlo, omdat de trainer zijn sterkhouders wilde sparen voor het bekerduel tegen Kortrijk, dat vervolgens ook… verloren ging, 2-0.

            De laatste Belgische voetbalnoot van 2011 werd uitgeblazen op tweede kerstdag. Beerschot-Lierse. Verdorie, net díe affiche. Een hele week had ik supporters via sociale media aangespoord om vooral geen domme dingen te roepen. Het resultaat: onbegrip en boze reacties in de stijl van ‘Wat denken jullie wel? Wij doen gewoon ons goesting!’ Ik was er niet gerust op. De hardliners vonden sowieso al dat de club te kruiperig was geweest tijdens de ‘Kawashima Fukushima!’-affaire.

            Met een bang hartje nam ik die ijskoude maandagavond plaats op de perstribune. Mijn oog viel plots op een spandoek hoog in de tribune aan de overkant. Wat erop stond illustreerde perfect waar de Beerschotaanhang voor staat: humor met een ranzig randje. Gedurfd, origineel, uitdagend. Als je er diep over nadenkt, was het nogal racistisch wat ik las, maar voor diep nadenken was er geen plaats in de kerstperiode. Hoe dan ook, in de persbar werd gul gelachen om de stunt en Eiji Kawashima nam dit keer geen aanstoot aan de boodschap die hij misschien niet eens had opgemerkt.

            ‘Telug vliend?’



Mannenbastion

Samenleving, Sport Posted on za, maart 26, 2022 11:17:29

Vijf sponsors van Antwerp hebben al afgehaakt sinds de eigengereide voorzitter-eigenaar Paul Gheysens zonder enig overleg met welk bestuursorgaan dan ook en zonder medeweten van de bedrijven die geld in de club steken, Marc Overmars heeft binnengehaald als sportief directeur. And counting. Elke dag is er een nieuwe aflevering van de soap waarvan het scenario ’s ochtends wordt aangepast. Spannend. Toch fijn om vast te stellen dat er binnen reguliere bedrijven meer waarden en normen gelden dan in het professioneel buitenbeentje dat de voetbalsector nog altijd vormt, met z’n vuile handen en al even vieze voeten. Niet alles passeert zomaar. Goed zo.

Het ging deze week over een tweede kans krijgen en hoelang het dan moet duren alvorens iemand daar recht op heeft.

Als u het mij vraagt: zes weken na het verplichte opstappen bij een vorige werkgever wegens seksueel overschrijdend gedrag is lang niet lang genoeg. Op z’n minst had men het afronden van het dossier in Nederland moeten afwachten. Begin van het nieuwe seizoen zou vroeg genoeg zijn, al weet ik dat de snoodaards van de Bosuil dan nog met Overmars hadden kunnen onderhandelen en hem dan, pakweg half juni, out of the blue (of, in dit geval, out of the red) introduceren alsof ze hem pas de week voordien hadden opgezocht. Deus ex machina! Ook hypocrisie is de voetbalwereld niet vreemd.

Als u het mij vraagt: twee weken na het in de media komen van die dickpic en ander onverkwikkelijk gedrag op de werkvloer Overmars opzoeken en aftasten of die geïnteresseerd zou zijn in een avontuur bij de Royal Antwerp Football Club was royaal te vroeg.

Als u het mij vraagt: die Gheysens heeft geen scrupules. Eerst stelt hij een sportief directeur (Luciano D’Onofrio) aan die tot vier keer toe veroordeeld is en een paar keer in de cel heeft gezeten voor frauduleuze praktijken in zijn periode als voetbalmakelaar, een man die eigenlijk niet meer in dat wereldje thuishoorde — zoals we iemand die vier keer dronken een ongeval heeft veroorzaakt ook liefst rijbewijsloos de rest van zijn leven zouden willen zien doorbrengen. Dat ging al over ethische grenzen heen, grenzen die heel wat voetbaljournalisten overigens niet kennen, zo graag gingen ze mee in dat verhaal, zo gretig publiceerden ze stukken over hoe goed die D’Onofrio wel niet was en hoe slim de eigenaar van Antwerp dat hij zo iemand de sleutels van het sportieve beleid had overhandigd. Hoernalistiek en journalistiek liggen dichter bij elkaar dan je zou denken. En nu is er die met veel poeha en weinig excuses voor het recente verleden aangekondigde komst van een snelle jongen uit een buurland. De enige excuses die Antwerp maakte gingen over de communicatie rond de ’transfer’, niet over de ‘aanwinst’ zelf.

Als u het mij vraagt…

Misschien vraagt u het mij helemaal niet.

Misschien denkt u wel: wie is die Van Laeken die alwéér een mening klaar heeft over een onderwerp?

Misschien zegt u wel: wat denkt hij wel, die oude witte man, dat hij weer de grote woorden bovenhaalt over een materie die ver van hem afstaat?

Want ja, ook dat toont de (sociale) media-coverage van deze zaak aan: het zijn opnieuw vooral (witte) mannen die willen beslissen over een tweede kans voor een (witte) man die in de fout is gegaan. Staat er iemand bij stil wat die Ajaxmedewerksters nu moeten denken? Beseffen al die pro- en contra-Overmars-stemmen dat voor die door hem belaagde vrouwen deze affaire nog niet terzijde is geschoven? Kunnen de heren die de Royal Antwerp Football Club leiden dit verantwoorden tegen die onbekende Nederlandse vrouwen én de eigen vrouwelijke medewerkers (en bij uitbreiding álle vrouwen die in hun carrière te maken krijgen met seksueel grensoverschrijdend gedrag)?

Ik snap heus de ironie wel als ik hier, als man, schrijf dat het van buitenaf makkelijk oordelen is, ten goede en ten kwade. Dat gebeurt al jaren in zowat alle discussies. Over abortus en euthanasie, thema’s waarin zelfbeschikking centraal stond, waren het vooral mensen die tégen zelfbeschikking waren die zich roerden. Erger nog: abortus werd door oude mannen aangegrepen om ethische dammen op te werpen, mannen die volgens hun geloof niet eens zouden mogen beseffen wat seks is, laat staan dat ze zwanger konden worden. In de Zwarte Piet-discussie zijn het bijna uitsluitend witte mensen die hun mening ventileren, maar wat doet zo’n personage uit een door volwassenen opgedrongen kinderfeest met kinderen die een donkere huidskleur hebben? Wordt hen dat soms weleens gevraagd?

Waarom wordt er niet naar de slachtoffers geluisterd, naar de rechtstreekse betrokkenen, naar zij die een stem in het debat zouden moeten hebben? Het geval-Overmars toont nogmaals aan dat de muren rond traditionele mannenbastions dringend de confrontatie met een sloophamer mogen aangaan. De vrouwen die door Marc Overmars ongevraagd en ongewild werden lastiggevallen, verdienen beter dan deze nieuwe botsing met toxische mannelijkheid, véél beter. Royaal beter.



Chef Voetbal

Journalistiek, Sport Posted on za, december 18, 2021 11:16:46

In september 2019 ontving ik een enthousiast mailtje van mijn uitgeverij, met de melding dat ze waren gecontacteerd door de advocaat van Dejan Veljkovic. Of ze geïnteresseerd waren in het uitgeven van een boek met zijn verhaal. Ja, dus, vandaar het enthousiasme. En of ik geïnteresseerd was om dat project op mij te nemen. Ja, maar…

Mijn ‘Ja’ sloeg op de journalistieke drang om op de eerste rij te mogen staan bij belangwekkende gebeurtenissen. Operatie Propere Handen viel ongetwijfeld in die categorie. Elf maanden eerder had het begin van dat gerechtelijk dossier de voetbalwereld op zijn kop gezet. De zaak uitspitten zou een fijne kluif geweest zijn, net iets wat ernstige journalisten graag doen. Ik had het in 1997 al gedaan in mijn Blunderboek van het Belgisch voetbal, met de omkopingsaffaire Anderlecht-Nottingham Forest. Na initiële berichtgeving in februari 1997 in Het Laatste Nieuws over twee Antwerpenaren die beweerden nog geld te goed te hebben van Anderlecht — waarna de heren de dag erna al op verzoek van die club ‘gangsters’ genoemd werden (wat ze niet waren, veeleer schimmige kleine criminelen met een groot ego en een nog grotere mond) —, begon ik te spitten. En ik kwam uit bij een omkopingsschandaal waarbij ook de voetbalbond hand- en spandiensten had verleend, zodat de zaak uiteindelijk verjaard was en Anderlecht — op wat publieke schandpaaltaferelen na — vrijuit ging. Een journalistiek hoogtepunt in mijn carrière, al zeg ik het zelf. En ja, ik had hiervoor tot op zekere hoogte gecollaboreerd met rare tiepen.

Mijn ‘maar’ sloeg op de mogelijke samenwerking met iemand die jarenlang de kluit had belazerd. Veljkovic was het type sjoemelmakelaar, iemand die in de schaduw van het stadion halfduistere zaakjes deed. Als je je met zo iemand associeert — wat samen een boek schrijven toch impliceert —, wilde ik garanties, zodat mijn journalistieke onafhankelijkheid en integriteit niet in het gedrang zouden komen. Ik belde lang met Veljkovic’ advocaat, Kris Luyckx, en besprak dit in alle openheid. Ja, ik was ten zeerste geïnteresseerd in het onderwerp, máár, ik wilde zelf kunnen spitten en doorvragen, niet zomaar het woord van Veljkovic optekenen. Daarop ging het project prompt naar een andere uitgeverij. Jammer, maar integriteit offer je niet zomaar op, daarmee begint en eindigt alles voor een journalist. (Waarmee ik niet beweer dat Wim Van den Eynde, die het boek nu meegeschreven heeft, niet integer is geweest bij het optekenen van dit verhaal, ik ken de details niet. Ik vond het wel vreemd dat hij mee het Pano-interview had afgenomen, zo kreeg de uitzending een vervelend promo-gehalte.)

***

Een van de mensen die in opspraak is gekomen door Veljkovic’ biecht is Stephan Keygnaert, de Chef Voetbal van Het Laatste Nieuws. Die was najaar 2018, kort na het losbarsten van de hele affaire, al even met vakantie gestuurd, omdat zijn naam was gevallen als tussenpersoon bij transfers, een activiteit die wél thuishoort in de modus operandi van een makelaar, niet in die van een voetbaljournalist. Herinner u ook dat er sprake was van twee andere journalisten van Het Laatste Nieuws en een collega van Het Nieuwsblad, die systematisch hogere punten zouden hebben toegekend aan cliënten van Veljkovic, in ruil voor… Ja, in ruil voor wat, eigenlijk? Primeurs, roddels, vip-plaatsen, cadeaus?

Ik had die Keygnaert één keer eerder meegemaakt, in de korte periode dat ik woordvoerder was van Beerschot AC, inmiddels bijna tien jaar geleden. De voorzitter van de club, Patrick Vanoppen, wilde af van zijn trainer, Jacky Mathijssen, en was helemaal zot van Adrie Koster, die een paar maanden voordien was ontslagen bij Club Brugge. Een mondige Nederlander, adept van aanvallend voetbal, dat vond Vanoppen beter passen op het veeleisende Kiel dan het bijwijlen saaie zekerheidsvoetbal van Mathijssen. En dus werd een deal gesloten met Koster. Maar ook met Keygnaert. De afspraak was dat hij het eerste interview met de nieuwe trainer van Beerschot mocht afnemen en publiceren. Ik kon nog net voorkomen dat de rest van de pers níet geïnformeerd zou worden van de komst van Koster. Mijn persbericht naar de verzamelde pers werd die vrijdagavond pas verstuurd om 21 uur, op tijd om een artikel te schrijven voor de website en de krant van de dag nadien, te laat om nog een reactie te sprokkelen bij Koster. Ik ben daar niet trots op, o neen, ik walgde van mezelf. Het druiste in tegen alles waar ik journalistiek voor stond, zoals ik in die tien maanden onwaarschijnlijk veel dingen heb zien passeren die journalistiek niet koosjer waren, ook het gedrag van de journalisten zelf. Lelijke wereld, dat profvoetbal.

Keygnaert bedankt me de dag dat het nieuws zou bekendgemaakt worden in een telefoontje: ik kende de man niet, ik hoorde wel iemand aan de andere kant van de lijn die vol van zichzelf was en die helemaal niet wakker lag van deontologie en dat soort prutsen. Als je bang bent om de strijd met je concurrenten op kwalitatief vlak aan te gaan, doe je het zo: sluiks, achterbaks, door de concurrentie uit te schakelen. Het gebeurt op vele redacties, door vele collega’s, elke dag opnieuw. Schrik van hun eigen schaduw, bang om een minder goed stuk af te leveren dan de anderen, dus belemmer je het werken van je vakbroeders.

***

Diezelfde Stephan Keygnaert komt uitgebreid voor in het boek van Veljkovic. Hoofdstuk 10. Hetzelfde hoofdstuk waarin ook Georges Leekens de hoofdrol vertolkt. In de grootste sportkrant van het land wordt de rol van Leekens uitvoerig belicht, die van Keygnaert niet. Enkel een woordje van de hoofdredacteur van VTM Nieuws, die ook eindbaas is van de sportredacties van VTM en Het Laatste Nieuws. Dat hij met Keygnaert heeft gesproken, dat die ontkent dat hij ooit geld heeft ontvangen en dat hij gelooft in diens onschuld.

Inderdaad, de bewering dat Keygnaert twee enveloppes met respectievelijk 3000 en 5000 euro heeft ontvangen voor zijn helpende rol bij de transfer van Ervin Zukanovic van Kortrijk naar KAA Gent, valt moeilijk te bewijzen. Het is woord tegen woord. Dat geld staat niet in de officiële boekhouding, er bestaan geen opnames van de overhandiging, wie moet je geloven: een Chef Voetbal of een in opspraak gekomen makelaar? Bovendien: iemand is onschuldig tot het tegendeel bewezen wordt. Klopt.

Uit het gerechtelijke verhoor van Keygnaert, dat donderdag de onafhankelijke kranten haalde, dus niet Het Laatste Nieuws, kan je echter iets interessants plukken. Veljkovic zegt in het boek dat hij samen met zijn cliënt Milan Jovanovic een interview had gepland met Keygnaert en dat hij vond dat de Chef Voetbal die dag nogal sjofel gekleed was. Ze gingen daarop samen naar een kledingwinkel. Veljkovic trakteerde. Volgens Keygnaert heeft hij, Keygnaert dus, zich daar na het verlaten van de winkel boos over gemaakt. Kan zijn, kan ook niet zijn. Wat ik weet is: dit doe je niet als journalist en al zeker niet als eindverantwoordelijke op een redactioneel departement. Je gaat niet mee naar die winkel en je aanvaardt ook geen cadeaus. Net zoals hij die sjaals, die hij achteraf ontvangen heeft, had moeten terugsturen naar afzender. Een kistje wijn, ach, dat gebeurt soms, al zou ook dat in principe niet mogen. Maar systematisch cadeaus aanvaarden van één bron? Niet normaal. Dat Keygnaert beweert dat hij die kledingstukken zelf wilde betalen, komt trouwens even geloofwaardig over als de persoonlijke lening die Anderlechtvoorzitter Constant Vanden Stock in 1984 had toegestaan aan de Spaanse scheidsrechter van Anderlecht-Nottingham Forest. Principieel doe je dat niet, nooit. En het zal ook nu, net als in 1984, niet zo zijn gegaan zoals de Chef Voetbal het de gerechtelijke instanties probeert voor te houden.

***

In het ons-kent-ons-wereldje dat de sportjournalistiek is, is het al uitzonderlijk dat een collega, zij het schoorvoetend, in een kwaad daglicht wordt gesteld. Het kón gewoon niet anders, in dit geval. Toen ik in 1997 detail voor detail loste over het omkopingsschandaal rond Anderlecht-Nottingham én de kwalijke rol van de top van de voetbalbond achteraf, werd ik ook uitgespuwd door het milieu. Het voetbalmilieu én het voetbaljournalistenmilieu. Vooraanstaande commentatoren en journalisten doken onder tafel als er iemand werd gezocht om hierover te komen praten in de studio’s, ze vreesden niet meer welkom te zijn op Anderlecht. Alleen Peter Vandenbempt dook voor de radio op de zaak en kon op zeker moment pronken met het proces-verbaal van Constant Vanden Stock, waarin die het over die ‘lening’ had, een document dat zelfs ik niet had kunnen bemachtigen. Hulde. Ook nu was Vandenbempt de interviewer met dienst, samen met Wim Van den Eynde voor Pano. De andere voetbaljournalisten? Ze lachen zich zonder enige twijfel een breuk (leedvermaak is des mensen), ze herkennen heel veel dingen (waarover zouden ze anders voor de match aan de persbar staan roddelen), maar ze zouden er niet aan gedacht hebben om deze zaak zelf te onderzoeken (anders mogen ze misschien niet meer binnen op… vul zelf de naam van een club in). En straks schuiven ze vrolijk en licht beneveld aan voor de champagnebar op het Gala van de Gouden Schoen, waar de Chef Voetbal op het podium de honneurs zal mogen waarnemen en de trofee uitreiken samen met de eregenodigde. Voor een glas flutchampagne en een dot nepkaviaar sneuvelen wel vaker principes. Ze gunnen elkaar het licht van de zon niet, maar als het erop aankomt is er telkens weer die corporatistische reflex: als jij mij laat doen, laat ik jou ook met rust.

Ik heb net mijn jaarlijks lidgeld betaald aan de sportpersbond. Ik hoop dat die, in ruil voor mijn contributie, nu ook een beetje aan introspectie wil doen en voor zichzelf uitmaken of een valsspeler wel recht heeft op een perskaart. Ook de Raad voor de Journalistiek zou hier werk van moeten maken, waarom bestaat die organisatie anders? Hoe kan je, als voetbaljournalist, nog met een gerust geweten interviews doen, verslagjes intikken of persconferenties bezoeken, wanneer je niet nadrukkelijk afstand neemt van de wanpraktijken die sommige collega’s zich veroorloven? Ik doe dat bij deze. Zéér nadrukkelijk. Dat ze me maar een nestbevuiler noemen in dat wereldje waarin ik me nooit heb thuis gevoeld. De enige echte nestbevuiler is de Chef Voetbal.



Waar zit Juul Kabas wanneer je hem nodig hebt?

Sport Posted on za, oktober 02, 2021 11:02:13

‘Woaroem speilt den Beerschot miejstal ’s zoaterdags?’

‘Dan kunne de mengse ’s zondags nor de voetbal goan.’

‘Waddist ’t verschil tussen den Beerschot en nen boek koarte?’

‘Awel, in nen boek koarte zitte mor vier boere.’

‘Seg, wette da ze den Beerschot vol beton gon giete?’

‘Joa, dan kunnen ze nie dieper zakke!’

Juul Kabas had het zich begin 1972 gemakkelijk gemaakt. Hij bracht kort na elkaar twee singles uit, Wij zijn de Mannekes van het Kiel en Vooruit náá Beerschot, volgens hetzelfde procedé: een gezongen refrein afgewisseld met flauwe moppen over voetbalclub Beerschot, dat toen in de onderste regionen van de eerste klasse vertoefde. Op het Kiel konden ze er niet om lachen, Juul Kabas werd op 16 februari 1972 ontvoerd door paars-witte fans. Ze eisten dat hij zich openlijk zou verontschuldigen en een pro-Beerschotsingle opnemen.

Investeerder investeert niet

Voorlopig is er nog geen sprake van uitlachmuziek, maar begin oktober 2021 verkeert Beerschot opnieuw in hoge nood. Een 1 op 21 kostte trainer Peter Maes en twee assistenten hun job. Een paar maanden geleden werd Maes nog de juiste man op de juiste plaats genoemd. Zonder Maes ging Beerschot onderuit in Oostende en tegen Eupen. Dit Beerschot heeft geen smoel. Wat het ook niet heeft: creativiteit, weerbaarheid en voetbalverstand.

In de dug-out zat op KV Oostende Marc Noé, een oudgediende die op 9 mei 1999 op de bank zat toen het échte Beerschot, de club van de zeven landstitels tussen de twee wereldoorlogen, zijn allerlaatste wedstrijd speelde tegen RITA Berlaar. 1-2 werd het, Beerschot eindigde voorlaatste in derde klasse, moest eigenlijk degraderen naar bevordering, maar ging op in een fusie met Germinal uit Ekeren. Beerschot zocht centen (want was virtueel failliet), Germinal een stadion (want moest weg uit het Veltwijckpark). Germinal Beerschot deed het behoorlijk, met onder meer bekerwinst tegen Club Brugge in 2005, en verpopte vervolgens tot Beerschot AC onder de eigengereide — zeg maar: knettergekke — voorzitter Patrick Vanoppen, die de club in twee jaar tijd naar een nieuw faillissement begeleidde. Redding kwam in juni 2013 van KFCO Wilrijk, dat de naam Beerschot deed overleven van eerste provinciale tot 1B. Twee zomers geleden werd de laatste Wilrijkse bestuurder uit de club gewerkt en veranderde de naam opnieuw in Beerschot, mét het originele stamnummer 13. Wat volgde leek een voetbalsprookje: kampioen in 1B — ondanks een vijfde plaats in de reguliere competitie — en vier maanden spectaculair voetbal in 1A.

Sindsdien werd het minder, véél minder. Beerschot haalde nauwelijks nog punten, speelde onaantrekkelijk voetbal, zag dribbelkont Tarik Tissoudali naar KAA Gent vertrekken, de tegenstanders konden zich intussen prima instellen op de sterke punten van de Oostenrijkse smaakmaker Rapha Holzhauser. Zorg dat hij de bal niet krijgt hoog op het veld en Beerschot wordt onschadelijk gemaakt, poepsimpel recept. Tijdens de zomermaanden werden bijna uitsluitend jonge, goedkope voetballers zonder noemenswaardige ervaring gehaald. De nieuwe trainer had tonnen ervaring, maar Peter Maes bleek een miscast: een man van het verleden, met methodes die passé overkwamen na de moderne coaches Hernán Losada en Will Still. Elke wedstrijd een nieuwe tactiek, daar verhoog je je geloofwaardigheid in de spelersgroep niet mee. Die verouderde methodes waren natuurlijk niet nieuw, anders zou je ze niet ‘verouderd’ kunnen noemen: de luidruchtige Maes, type ‘brulboei-trainer’ deed het bij al zijn vorige werkgevers op dezelfde manier, dat had men bij Beerschot kunnen en móeten weten.

Als het sportief niet loopt, wordt de trainer geofferd, zo gaat dat in het topvoetbal. Het bestuur, dat verantwoordelijk is voor het aanstellen van die trainer en het samenstellen van de spelerskern, gaat altijd vrijuit. Na de thuisnederlaag tegen STVV, drie weken geleden, kwam het al tot een kleine opstand onder de fans, de sfeer zal er sindsdien niet op verbeterd zijn, ook al bleven de supporters ondanks de sportieve afgang wel hun team aanmoedigen tegen Eupen. De dreigende revolte is begrijpelijk. Voor de Saoedische hoofdeigenaar prins Abdullah bin Mosaad Abdulaziz al Saud en sportief verantwoordelijke Jan Van Winckel heeft Beerschot een lagere prioriteit dan de Engelse tweedeklasser Sheffield United, die andere club uit de portfolio van de prins: de Championship is economisch veel belangrijker dan de Jupiler Pro League. Buitenlandse geldschieters overspoelen het Belgische profvoetbal — binnenkort ook in Gent? —, maar het zijn zelden mecenassen. Wat ben je dan met een investeerder die nauwelijks investeert en weinig voeling heeft met de Belgische competitie? De voorbije boekjaren leed Beerschot 7,9 miljoen euro verlies, ook dat is weinig geruststellend.

Tot januari zal het voor Beerschot met deze onevenwichtig samengestelde kern moeten gebeuren. Geen prettig vooruitzicht. De nieuwe trainer — in feite een kwartet, want de Argentijn Javier Torrente bracht zijn broer Diego mee als videoanalist, en er werden ook elders nog twee trainers weggeplukt die nu assistent zijn geworden — kent de Belgische competitie niet en zijn statistieken zijn niet echt hoopgevend als je een paars-wit hart hebt: Beerschot is zijn dertiende club in veertien jaar tijd. Máár: de nieuwe trainer is een goede kennis van de, inderdaad lichtelijk geniale, coach Marcelo Bielsa. ‘Ons-kent-ons’ als maatstaf, dat blijkt zelden de oplossing.

Vanavond speelt Beerschot bij OH Leuven. De laatste tegen de voorlaatste in de stand, met die nuance dat er een kloof van zeven punten gaapt tussen die twee clubs, vorig jaar nog bejubelde promovendi. Een nederlaag zou een drama zijn voor Beerschot, het zoveelste. Zelfs een gelijkspel is in deze fase van de competitie onvoldoende. Anders moet Beerschot na de interlandbreak al minstens tien op twaalf halen tegen KV Mechelen (thuis), Anderlecht (uit), Seraing (thuis) en Kortrijk (uit) om weer aansluiting te vinden bij de andere laagvliegers.

Juul Kabas revisited?

Om terug te komen op de ontvoering van Juul Kabas: dat bleek een stunt te zijn, die was opgezet door zijn eigen platenbaas, Louis Van Rijmenant. Zoals beloofd kwam er kort nadien een positieve single uit, Beerschot is de ploeg van ’t jaar, en bovendien wist Beerschot zich nog redelijk makkelijk te handhaven dat seizoen. Een jaar later behaalde de club zelfs een Europees ticket. Misschien moeten de Beerschotsupporters bijna vijftig jaar later Juul Kabas, 76 inmiddels, nog eens opzoeken.

(Dit is een geüpdatete versie van een tekst die op maandag 20 september in de rubriek De Bankzitter verscheen in De Standaard.)



Is de koers wel van ons?

Sport Posted on za, september 25, 2021 11:16:15

‘De koers is van ons’, zeggen we in Vlaanderen. We zeggen dat vaak, want we zijn de grootste wielernatie van de wereld. ’t Is te zeggen, we zijn wellicht het meest wielergekke land ter wereld, met de meeste supporters, de meeste supportersverenigingen en de meeste supporterscafés. Schol. Maar we zijn al lang niet meer het land met de beste renners van de wereld. Een eenvoudige blik op de erelijsten bewijst dat.

De laatste Belgische winnaar van de Tour was Lucien Van Impe, in 1976. 45 jaar geleden. Een jaar later won Freddy Maertens als allerlaatste landgenoot de Vuelta, ondertussen ook alweer 44 jaar geleden. Weer een jaar later, 1978, won Johan De Muynck de Giro, dat is dus 43 jaar geleden. Geen Belg deed het hem na. Kleinere rondes, ja, die winnen we soms nog wel. Vooral Remco Evenepoel doet dat, onze grote rondehoop voor de toekomst.

In de klassiekers doen we het beter. Met dank aan de stilaan afscheidnemende generatie Gilbert-Van Avermaet, en aan de toppers van nu, Wout Van Aert op kop. Jasper Stuyven won dit jaar Milaan-San Remo, Wout Van Aert slaagde daar vorig jaar ook in. Philippe Gilbert won twee jaar geleden nog Parijs-Roubaix, en vier jaar geleden de Ronde van Vlaanderen. Hij is ook de laatste Belgische winnaar van Luik-Bastenaken-Luik, in 2011. En van de Ronde van Lombardije, in 2010. Als je het zo bekijkt, is (of eigenlijk: was) die Gilbert echt wel een topper. De harde realiteit is dat als het iets te veel bergop gaat, de Belgen afhaken. Ook hier rust onze hoop op de frêle schouders van Evenepoel, een jongen van nog altijd maar 21.

‘De koers is van ons’ slaat dus net iets minder op de prestaties op de fiets dan op de gekte errond. Geen enkel land ter wereld zendt meer wielerwedstrijden live uit op tv. Geen enkel ter land ter wereld brengt de koers beter in beeld dan onze regisseurs. Geen enkel land ter wereld maakt zoveel radio- en tv-programma’s over wielrennen, en besteedt er zoveel ruimte aan in de schrijvende pers. Geen enkel land ter wereld is beter in het organiseren van koersen dan wij, Belgen. Geen enkel land ter wereld heeft zo’n rijke geschiedenis en de beste aller tijden is er een van hier, want Merckx is van ons. Maar er mag best een tandje of twee, drie bijgestoken worden.

De laatste Belgische wereldkampioen op de weg bij de mannen was alweer die dekselse Philippe Gilbert, negen jaar geleden. Bij de vrouwen moeten we helemaal terug tot in 1973, voor de triomf van Nicole Van Den Broeck. Het WK tijdrijden werd nog nooit gewonnen door een Belg, al was Van Aert twee keer in de buurt. Wout Van Aert, Remco Evenepoel en Lotte Kopecky zijn onze troeven dit weekend. Als het lukt, kunnen we eindelijk nog eens terecht claimen dat de koers van ons is. Tot dan is het een slogan die niets, of toch veel te weinig, te maken heeft met de uitslagen van de koersen, en dat is zonde.

(Lichtjes geüpdatete versie van de gesproken column van dinsdag op sportzender Sport 10.)



Kijk eens in de medaillespiegel (het moet beter)

Journalistiek, Sport Posted on zo, augustus 08, 2021 12:24:42

Ja, het was weer adembenemend, hartverwarmend, ontroerend, bewonderenswaardig en in een aantal gevallen uitmuntend hoe Belgische atleten de voorbije zestien dagen aanwezig waren op de Olympische Spelen van 2020, die om de bekende redenen met een jaar werden uitgesteld en nu — sfeerloos naast het sportveld, sfeervol erop — zonder publiek moesten plaatsvinden. Zeven medailles, dat is er één meer dan vijf jaar geleden in Rio de Janeiro. Drie gouden medailles, dat was dan weer geleden van de Spelen van 1924, zevenennegentig jaar geleden. Toen in Parijs en laat dat nu net de volgende bestemming van Circus Olympia zijn. Dat belooft (denkt de optimist). Alleen in de oerjaren 1900 en 1920 deed ons land beter, met respectievelijk vijf gouden medailles (vijftien in totaal), ook al in Parijs, en maar liefst veertien (zesendertig in totaal!) in Antwerpen. Knap, maar we mogen niet vergeten dat de Olympische Spelen toen nog veel meer een elitegebeuren waren: Afrikanen waren niet aanwezig, Aziaten nauwelijks, voor minder rijke sportbonden of atleten was de oversteek naar een ander continent onbetaalbaar.

Neen, we moeten streng zijn: naast de pech die er ongetwijfeld soms mee gemoeid was, kan je over het geheel van de prestaties niet tevreden zijn. België stagneert. Behaalden we in voorhistorische tijden nog 15 (Parijs 1900), 36 (Antwerpen 1920) of 13 medailles (opnieuw Parijs, 1924), na de Tweede Wereldoorlog raakten we nooit boven de zeven van Londen (1948) uit. Het werden er zes in Montreal (1976, geen enkele gouden), Atlanta (1996, twee keer goud) en Rio (2016, twee keer goud), en nu dus nog eens zeven in Tokio (2020-2021, drie keer goud). Dat klinkt als een vooruitgang, maar laten we wel wezen: het heeft ook iets van de processie van Echternach.

***

Toch niet slecht voor een klein landje, hoor ik sommigen denken. Het is die ‘cultuur van tevredenheid’ — een term die ik even leen van de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith, die het had over ‘culture of contentment’, zelfgenoegzaamheid, in de economische wereld — die ik zal blijven hekelen. We mogen luid juichen voor de successen van Nina, Nafi en de Red Lions, ook voor de medailles van Wout, Matthias, de jumpingmannen en die o zo ontwapenend sympathieke Bashir. We mogen blij zijn met de atleten die een olympisch diploma behaalden, een top 8-plaats in hun discipline. We mogen jammeren om de vierde plaatsen, de ‘net-nieters’. Maar we mogen, neen: we móeten, ook kritisch en afstandelijk blijven. Landen met minder inwoners als Nieuw-Zeeland, Hongarije, Tsjechië, Noorwegen, Jamaica, Zweden, Zwitserland, Denemarken en Kroatië eindigden boven België (29ste) in de medaillespiegel. Nederland behaalde bijna zes keer zoveel medailles als België (36 versus 7), terwijl onze noorderburen niet met zes keer meer zijn, hoogstens anderhalve keer.

Vóór de Spelen mikte delegatieleider Olav Spahl op eenentwintig olympische diploma’s. Als je ’t zo berekent, kan je stellen: doel gehaald met, als ik goed kan tellen, vierentwintig top 8-plaatsen. Enkele maanden vooraf berekende statistiekenbureau Gracenote dat België in staat moest zijn om, op basis van wereldranglijsten en recente prestaties, elf medailles mee naar huis te nemen. Na Rio, vijf jaar geleden, werd openlijk op tien gemikt. Het is net iets meer dan de helft geworden. We doen slechts een fractie beter dan vijf of vijfentwintig jaar geleden, op die ene extra gouden plak na, en dat met onze grootste delegatie ooit, 122 atleten. Mag ik dat tegenvallend noemen in de breedte?

***

Dat doet niets af aan de prestaties van onze medaillisten. Ondanks hun uiteenlopende sporttakken is er een opvallende rode draad tussen hen: ze zijn stuk voor stuk de besten in hun discipline. Nina Derwael is al jaren wereldtop op de brug met ongelijke leggers, ze werd al Europees-, wereld- en nu ook olympisch kampioen. Nafi Thiam legde een vergelijkbaar parcours af in de zevenkamp, het verlengen van haar olympische titel is een volstrekt unicum voor de Belgische sportwereld. Ook de Red Lions wonnen sinds donderdag alles wat er te winnen valt in het hockey. Wout Van Aert is misschien wel de beste eendagscoureur van het moment. Matthias Casse werd wereldkampioen in zijn judo-gewichtsklasse. De jumpingequipe was al eens de beste van Europa. Bashir Abdi is de uitzondering, maar hij wordt steeds beter op de marathon. Toppers die top waren. Het zou flauw zijn om te zeggen dat ze gewoon gedaan hebben wat van hen verwacht werden, hun prestatie mag vooral niet gerelativeerd worden. Hulde!

Opvallend is dat we op deze Spelen niet konden kennismaken met een totaal onbekende of onverwachte medaillewinnaar. Geen Nafi Thiam, zoals die in 2016 de wereld verbaasde, of Greg Van Avermaet, die op een voor hem ongeschikt lijkend parcours de wegrit won. Geen Pieter Timmers die op het koninginnennummer in het zwembad zilver pakte. Geen Lionel Cox of Frans Peeters in de schietsport. Hooguit mogen we Bashir Abdi een aangename verrassing noemen, die het beter deed dan verwacht.

Het zou flauw zijn om als tegenargument te gebruiken dat we er zo vaak net naast grepen. Zeven vierde plaatsen worden als excuus gebruikt dat het zoveel meer had kunnen zijn voor ons land. Ik heb het even nageteld: Nederland zat op zaterdagmiddag al aan tien uitermate frustrerende vierde plekken. Zouden onze noorderburen ook hun zakdoeken bovenhalen om die ‘net niet’-medailles te bewenen? Team USA zat op de voorlaatste dag aan 26, Groot-Brittannië aan 14. België stond op de ranglijst van vierde plaatsen zestiende, niet eens top 10, kortom. Het is dus niet zo dat de Belgische atleten extra onfortuinlijk waren, alleen zijn we blijkbaar geneigd om snel naar pech te verwijzen, terwijl andere landen daar minstens evenveel of zelfs veel meer mee te maken krijgen. Is het onze volksaard? Wij, kleine Belgen, gedomineerd door god en klein pierke in onze geschiedenis, te nederig, te onderdanig, maar ook te berustend en te vlug klagend over onze onkans en al wat tegenzit?

***

Ondanks Nina, Nafi en de Lions doen we het niet goed genoeg en daar zijn een aantal redenen voor te bedenken. Om te beginnen hebben we in België geen sportcultuur. Voetbal en wielrennen, en af en toe een uitschieter die in beeld mag komen (Derwael, Thiam, de hockeymannen, in het verleden Clijsters en Henin), meer is het niet. Sjotten en koers, en zelfs daarin winnen we te weinig. Kijk naar de Rode Duivels, kijk naar het baanwielrennen of de grote wielerrondes. We bevinden ons in een vicieuze cirkel: veldrijden is een geweldige kijksport — alles zit vervat in dat ene uur —, maar dit korfbal-op-twee-wielen is tegelijk ook de doodsteek voor een discipline als baanwielrennen. Er valt veel meer te verdienen in de modder dan op een houten piste, dus kiezen de renners voor hun boterham, niet voor een eventuele olympische droom. Waardoor er niet gepresteerd wordt en de media blijven focussen op de populaire sporttakken. We maken weleens een meewarige opmerking over de Elfstedentocht — Giet et oan? —, maar vergeten dan dat alleen al die winterse schaatscultuur van Nederland een ruimdenkender sportland maakt. We fokken olympische toppaarden, we kweken te weinig olympische topatleten.

Er is ook geen beleid. Er zijn drie ministers van Sport in dit land, maar niemand neemt de federale honneurs waard, terwijl internationale prestaties onder de Belgische vlag worden geleverd. De Vlaamse minister juicht als een Vlaming het goed doet en zwijgt als een ‘andere Belg’ een medaille haalt (of noemt de namen van de atleten niet), de Waalse minister heeft nauwelijks een reden om te juichen (sportbeleid is daar helemaal een zootje). Nederland heeft voor topsport een dubbel zo groot budget veil als België: 70 miljoen euro versus 37 (26 voor Vlaanderen, 11 voor Wallonië). Australië geeft jaarlijks 140 miljoen uit en dat rendeert al enkele decennia. Het is een beleidskeuze: wil je prestaties, dan zal je daarvoor ruim moeten investeren. Wil je een beleid, dan zal er op federaal niveau gestuurd moeten worden. Wil je als minister écht een reden hebben om trots te zijn op Twitter, dan zal je er eerst een flinke inspanning voor moeten leveren. Tot dan is zwijgen eerzamer dan mee een stukje roem claimen.

Visie — beleid — middelen — hard werken — prestaties, dat is de volgorde. In België gaat het meestal om individuele uitschieters, professionals die buiten de structuren om succes behalen. De topsportscholen leveren prima werk (kijk naar Derwael en de andere gymnasten), maar het mag en het moet veel meer zijn. Waar zit de talentdetectie? Meer centen, meer investeren in jonge talenten, meer geld voor deskundige trainers, meer werken in de luwte, meer geduld gekoppeld aan hoge eisen (maar dan zonder mentale terreur). Alleen dan kan je oogsten op middellange- en lange termijn. Als België nú principiële keuzes zou maken — gecentraliseerd beleid, groter budget, meer vakkennis aanstellen binnen de sportbonden —, zouden we eventueel in 2036 aan twintig medailles kunnen denken. Niet eerder. Tot dan zouden we ’t moeten stellen met de toppers die buiten de structuren om hun ding doen en een uitzondering zoals de hockeyers, want de hockeybond is wel uitstekend bezig. Alleen: die principiële keuzes zullen niet gemaakt worden, zodat we ons over drie jaar in Parijs opnieuw zullen afvragen of het wel genoeg is en hoe we het anders zouden kunnen aanpakken. Onze sportbonden worden nog altijd in grote mate bevolkt door recepties afschuimende, zelfgenoegzame bobo’s. Op hun plek zou een (ervarings)deskundige kunnen zitten. Móeten zitten.

***

Die ‘cultuur van tevredenheid’ moet eruit. We moeten strenger zijn, veeleisender, kritischer, een tikkeltje afstandelijker. We moeten afstand nemen van dat hardnekkig underdoggevoel, dat ‘Och, ja, ze hebben toch hun best gedaan’-gedoe. We moeten vooral geen leedvermaak hebben met landen die het een paar dagen moeilijk hebben, maar die op het eind hoog boven België uitsteken. We moeten naar onszelf kijken. De spiegel zegt: het kan beter. De medaillespiegel zegt: het moet beter.



Wie is de beste Rode Duivel ooit?

Sport Posted on zo, juli 11, 2021 16:42:23

Hieronder leest u een poging om de beste Rode Duivel van pakweg de laatste vijftig jaar aan te duiden. Maar eerst een combinatie van uitgangspunten en spelregels die ik mezelf heb opgelegd.

1) Ik ga niet koketteren met mijn kennis van onze volledige voetbalgeschiedenis. Ik beperk me tot de spelers die ik bij volle bewustzijn heb zien spelen. Dus: niemand uit het olympisch elftal van 1920 (onze enige titel, toen beschouwd als een officieus wereldkampioenschap), geen Raymond Braine (die als eerste Belg furore maakte in het buitenland, bij het in de jaren 30 toonaangevende Sparta Praag), geen Bernard Voorhoof (heel lang topschutter bij de Rode Duivels, in een periode dat er nog niet tegen de San Marino’s van deze wereld werd gespeeld), geen Jef Mermans (Der Bomber), geen Rik Coppens (de tribunespeler die in het shirt van België onder meer de penalty in drie tijden introduceerde), zelfs geen Paul Van Himst (die op zijn enige grote toernooi, Mexico 70, vooral uitblonk in heimwee en mentale afwezigheid op het veld: zijn gloriejaren lagen vroeger).

2) Het gaat om prestaties in het shirt van de nationale ploeg, niet voor een club. (Mocht u, bijvoorbeeld, Luc Nilis missen in de lijst.)

3) Elk lijstje is arbitrair en onderhevig aan wijzigingen. Het is subjectief. Weliswaar gebaseerd op een doorgedreven redenering en tegen elkaar afwegen van prestaties, maar periodes vergelijken heeft toch ook iets weg van appelen met peren vergelijken. Al was het maar omdat het spelletje voetbal nu een business is geworden, dat er veel sneller wordt gespeeld dan veertig jaar geleden en dat voetballers veel completere atleten zijn geworden. Van wetenschappelijke begeleiding hadden ze vroeger niet gehoord. Vóór de EK-finale van 1980 in Rome dronken de Rode Duivels nog een pintje bij de lunch. Dat zou vandaag ondenkbaar zijn, al was het maar omdat we niet in de finale staan…

4) Best mogelijk dat ik volgende week andere nuances zou leggen. En laten we hopen dat de prestaties van de Rode Duivels op de Nations League en het WK in Qatar een aanpassing zullen opdringen, dan doe ik dat met veel plezier. (Al geloof ik daar niet echt in, eerlijk gezegd.)

***

20. ERWIN VANDENBERGH

Ik begin met een staaltje scorebordjournalistiek, omwille van die openingsgoal tegen uittredend wereldkampioen Argentinië op de Mundial van 1982. Op het EK 1980 zat Vandenbergh in de finale op de bank, op de Mundial in Mexico viel hij door de mand. Vandenbergh was vooral sant in eigen land. (Hij lag voor mij in de weegschaal met Marc Degryse, René Vandereycken en Marc Wilmots.)

19. LUC MILLECAMPS

Hét voorbeeld van een speler die voetbalde naar zijn beperkingen: een keiharde, technisch beperkte voorstopper die uitsluitend in dienst van het elftal speelde en perfect was ingespeeld op zijn maatje centraal achterin, Walter Meeuws. Nuttig met hoofdletter N. En symbolisch voor vier Belgische voetbalgeneraties geleden: minder talent, meer grinta.
18. TOBY ALDERWEIRELD

Even nuttig als nummer 19, maar een veel betere voetballer. Goede voeten, vista, snel anticiperend, heeft nauwelijks overtredingen nodig in één-tegen-éénsituaties. 113 interlands, die moet je verdienen. Op basis van het laatste seizoen bij Tottenham Hotspur lijkt het beste er helaas een beetje af.

17. SWAT VAN DER ELST

Polyvalente voetballer, die werd opgeleid als aanvaller, maar bij Anderlecht debuteerde op de rechtsbackpositie. Bij de Rode Duivels speelde hij zowel als rechtermiddenvelder (in een 4-4-2), als tweede spits of als diepe spits. Hard werkend, vlot scorend op cruciale momenten, razendsnel op de eerste meters.

16. GEORGES GRÜN

Aanwezig op vier grote toernooien tussen 1984 en 1994, op het eind als aanvoerder. Eerst als rechtsback, later centraal in de defensie. Kopbalsterk, slim, technisch prima en bovendien een uitstekende ploegspeler. Pikte ook al eens een doelpuntje mee.

15. FRANK VERCAUTEREN

Linkspoot die als geen ander krullende voorzetten vanaf links kon geven. Zie opnieuw die goal van Vandenbergh tegen Argentinië (1982). Vreemd genoeg mocht Vercauteren niet mee naar het EK van 1980, hoewel hij toen toch al 24 was. Scoorde een wonderbaarlijke goal op het EK 1984 (‘Dag moeder!’) en gaf een typische assist op de Mundial 1986 in de kwartfinale tegen Spanje.

14. WALTER MEEUWS

De slimme libero die zijn collega-verdedigers instrueerde om de buitenspelval open te zetten. Vooral tegen sterkere tegenstanders was dat bijzonder intelligent. Opgeleid als spits, zakte hij in zijn Beerschot-tijd af naar het hart van de verdediging. Hard en onverzettelijk, technisch onderlegd, leidersfiguur op het EK 1980.

13. AXEL WITSEL

Begon als aanvallende middenvelder in zijn jonge Standard-jaren, zakte daarna af naar de positie van controlerende middenvelder. Zo verdomd jammer dat hij onder bondscoach Wilmots alleen maar ongevaarlijke laterale passjes mocht geven, want later (en ook in het clubvoetbal) bewees hij hoe intelligent en opbouwend hij kan voetballen. 114 interlands, een van de eerste namen op het wedstrijdblad.

12. WILFRIED VAN MOER

Een van de weinige Belgen op niveau in Mexico 70, scoorde toen twee doelpunten. Beslissend tegen Italië in de EK-kwartfinale 1972, maar brutaal kaltgestellt door de Italiaan Bertini. Beenbreuk. Daardoor miste hij het EK. Verdween dan uit beeld om in de aanloop van het EK 1980 te worden heropgevist (‘Je veux Van Moer!’). Onmisbaar in die EK-ploeg, iets minder prominent twee jaar later op de Mundial in Spanje. Slimme voetballer, goeie passing, meedogenloos als het moest.

11. ENZO SCIFO

Dé ontdekking van het EK 1984, toen de Rode Duivels als gevolg van het omkoopschandaal Standard-Waterschei drastisch moesten vernieuwen. Als 18-jarige voetbalde hij ongedwongen. Briljante technicus die ook op de WK’s van 1986 en 1990 een dragende rol kreeg in de Belgische tactiek. Had een voor die tijd niet-typisch Belgische frivoliteit in beide voeten.

10. JAN VERTONGHEN

Recordinternational met intussen 131 interlands. Werd eerst als verdedigende middenvelder uitgespeeld, daarna als linksback en — zijn natuurlijke positie – centraal achterin. Voetballende verdediger, kalm aan de bal, anticipeert uitzonderlijk goed, intelligente plaatsing en bovendien ook een leidersfiguur.

9. MICHEL PREUD’HOMME

Laten we drie doelmannen op een rij zetten. Qua atletische aanwezigheid was Preud’homme wellicht beter dan de namen die volgen. In 1990 had hij geen verhaal tegen hoe-heet-die-Engelsman-ook-weer-die-verdomme-scoorde-in-de-119de-minuut, op het WK in de Verenigde Staten was hij outstanding, beste keeper van het toernooi (en dus van de wereld). (Apropos, Christian Piot heb ik niet in deze lijst opgenomen, omdat die alleen maar 1970 en 1972 heeft meegemaakt, waar hij net iets minder was, maar wel een uitstekende doelman met enorme uitstraling.)

8. JEAN-MARIE PFAFF

El Sympatico, niet altijd even sympathiek bevonden door de rest van de spelersgroep vanwege zijn zucht naar aandacht. Maar als keeper — en daar gaat het hier om — bijzonder goed, een van de eerste Belgen die carrière maakte bij een buitenlandse topclub. Knap op het EK 1980 (maar wel in de fout bij de winnende Duitse goal), een van de beste doelmannen in Mexico (1986).

7. THIBAUT COURTOIS

Nog niet verkozen tot beste speler van een groot toernooi, zoals Preud’homme, nog niet in een finale gestaan, zoals Pfaff, en toch schat ik hem net iets hoger in dan die twee andere doelmannen. Minder spectaculair dan Preud’homme, minder elegant dan Pfaff, maar allicht completer, moderner, bedrijfszekerder. En sinds het WK van 2014 onbetwistbaar titularis. Belangrijke rol in moeilijke momenten tegen Brazilië en Portugal.

6. VINCENT KOMPANY

Boegbeeld van een generatie. Onbetwiste leider van de ‘gouden generatie’. In zijn hoogdagen een van de beste verdedigers van de wereld. Genadeloos tackelend, zeer snel, slim, belangrijk bij balrecuperatie die vlekkeloos overgaat in een eigen aanval. Schuwde soms de risico’s niet. Zou veel meer dan 89 interlands tellen zonder die vele blessures.

5. ROMELU LUKAKU

Ligt wat mij betreft in de balans met nummer vier. Topschutter aller tijden met 64 doelpunten in 98 interlands. Veegde de kritiek — technisch onvoldoende, mist te veel kansen, niet slim genoeg — stevig van tafel de jongste jaren bij Internazionale en de Rode Duivels. Nam de leidersrol van Kompany het voorbije jaar over. Schoolvoorbeeld van een voetballer die zichzelf door hard werken nog veel beter heeft gemaakt.

4. EDEN HAZARD

Aanvallende middenvelder die op het WK in Rusland de beste dribbelaar was. In zijn beste dagen ongrijpbaar en ook nog eens behoorlijk productief. Op de lijst van doelschutters staat hij tweede, met 32 goals (de helft van Lukaku) in 111 interlands. En toch… is hij nog net iets bepalender geweest in het clubvoetbal, tenminste: bij Lille en Chelsea, niet bij Real. Moet opnieuw voetballer worden na al dat blessureleed.

3. ERIC GERETS

De rechtsback die 86 keer uitkwam voor de nationale ploeg. Zonder die schorsing voor zijn betrokkenheid bij de omkopingsaffaire Standard-Waterschei zou hij aan 100 zijn geraakt. Was eigenlijk al een wingback lang voor die term werd bedacht. Zeer aanwezig op het EK van 1980, de Mundial 1982 (tenminste, tot hij met Pfaff botste…), de Mundial 1986 en de Mondiale 1990 (als 36-jarige). Onverzettelijk. Spijkerhard. Snel. Leider.

2. KEVIN DE BRUYNE

De Ballon d’Or zal hem allicht alweer ontsnappen, nadat Man. City de Champions League niet wist te winnen en de Rode Duivels al na de kwartfinales naar huis moesten. Lijkt op z’n 30ste steeds beter te worden en die chronologische verbetering zag je ook op zijn grote toernooien. Zeer jammer dat hij dit EK met blessures te kampen had. In één volledige en twee halve wedstrijden scoorde hij één keer en gaf hij drie assists. Veel meer dan Eden Hazard sterkhouder van deze Rode Duivels.

1. JAN CEULEMANS

De man die op het EK 1980 de voetbalwereld verbaasde. Allesbehalve een sierlijke voetballer, maar o zo onmisbaar. Hard werkend, bijzonder intelligent, snel, dribbelvaardig (op zijn, wat houterige, manier), scoorde op beslissende momenten. Was er ook bij in 1982, 1984, 1986 en 1990 (op z’n 33ste). Had niet veel woorden nodig om, samen met Gerets, de leider te zijn van de generatie-Duivels in de jaren 80. Hier op 1 omdat hij een EK-finale speelde en de halve finale op een WK, telkens in een dragende rol. Dat kan niemand van de huidige generatie zeggen. 96 interlands.



Afscheid van een jeugdliefde

Journalistiek, Memories & mijmeringen, Sport Posted on za, juni 19, 2021 11:31:32

Ik besef heel goed dat dit een eerste wereldprobleem is, maar toch heeft het zich al verschillende weken in mijn hoofd genesteld, waar het in rechtstreeks duel ging met mijn hart: hernieuw ik mijn abonnement op mijn geliefde voetbalclubje, het alom gerespecteerde en uitermate sympathiek bevonden Beerschot, of doe ik dat niet? Ik heb net het beste seizoen van mijn club noodgedwongen voor tv moeten volgen — corona weet u wel — en keek er heel erg naar uit om me opnieuw onder te dompelen in dat veertiendaagse ritueel van veel te vettige frieten eten bij de mama, foeteren omdat de dichtstbijzijnde parkeerplaats weer een gemeente verderop te vinden is, mopperen over de ploegopstelling (de coach kent er, zoals algemeen bekend, niets van), applaudisserend rechtstaan om de gladiatoren welkom te heten op de groene rechthoek, klagen over gemiste kansen (of het gebrek daaraan), te vroeg juichen om een goal waarvan de maker volgens de VAR een okselhaar buitenspel stond, een buurman die alles beter denkt te weten (terwijl jij natuurlijk tactisch véél meer beslagen bent), lachend-boos-met een neutraal gezicht de lange tocht naar de auto (waar stond die ook alweer?) aanvatten, het begin van Match of the Day missen, enfin: heerlijk, toch?

Wie voor een club als Beerschot supportert, beseft al bij aanvang dat het vaker ‘niet’ of ‘net niet’ zal zijn, dan ‘ja, jàà, jààààààà!’ Maar dat neem je erbij, al sinds zondag 20 november 1966 toen mijn bompa, de vader van mijn moeder, mij meenam naar dat imposant Olympisch Stadion, alwaar dat in dat chique paarse tenue gestoken Beerschot met 3-6 verloor van Club Brugge — 1-5 bij de rust, een hattrick van de 22-jarige spits Raoul Lambert, maar dat heb ik moeten opzoeken. Het deerde niet: ik was plotsklaps opgenomen in de grotemensenwereld en dat voelde goed voor een jongen die nog acht moest worden. Het smaakte naar meer, véél meer. Eerst gebeurde dat nog spaarzaam, een paar jaar later kreeg ik ook zo’n kartonnen abonnement waar bij elke thuiswedstrijd een controleur een knip in gaf. Toen ik dacht de leeftijd der volwassenen bereikt te hebben, haakte ik af, om andere dingen te doen: dat bespaarde mij de miserie van de teloorgang van het oorspronkelijke Beerschot, maar het voelde toch ook een beetje als verraad aan. Veel later keerde ik terug, als werknemer zelfs, de club was ondertussen al een paar keer van naam veranderd. Lang duurde mijn aanwezigheid in de bureaus niet, een woordvoerder die intern kritische opmerkingen durft te maken tegen een eigenwijze voorzitter blijft niet lang het woord voeren.

Een jaar of vijf geleden, na een nieuw faillissement en een nieuwe naamswijziging, keerde ik terug op het Kiel, en omarmde ‘mijn’ club, koesterde wederom het ritueel van matchdagen en de wedstrijdbeleving zelf. Het echte Beerschot mocht dan wel al een poos niet meer bestaan, de identiteit Beerschot leefde nog wel, toch voor die zesduizend die er jaar na jaar een paar honderd euro voor overhadden. De club bleef maar promoveren, het aantal abonnees bleef stabiel. Vreemd fenomeen. De Antwerpenaar is altijd een successupporter geweest, dat weten ze op de Bosuil, op het Rooi en in het Olympisch Stadion maar al te goed. Maar ach, zolang je zelf maar deel van die wat aparte familie kon zijn, maakte het niet zoveel uit. Tot corona zich ermee kwam bemoeien.

***

Intermezzo.

Ik ben zelfstandig journalist. Als freelancer schrijf ik heel vaak over voetbal. Als auteur of coauteur van intussen dertien boeken, pende ik in 2015 £X€£$$ United. Het geld van het voetbal (Houtekiet) neer, een vlijmscherp traktaat over alles wat er misloopt in het topvoetbal, met de nadruk op de financiële excessen op hoog en laag niveau. Als voetbalromanticus pleitte ik tegen clubeigenaars à la Marc Coucke en Roman Abramovitsj, rijke tiepen die het alleen voor het zeggen hebben en ‘hun’ voetbalclub behandelen als privé-speelgoed, met de supporters als noodzakelijk kwaad. Die teneur trek ik door in al mijn werk: alert, kritisch, afstandelijk, wat een beetje haaks staat op dat opportunistisch wereldje vol scorebordjournalistiek, dienstbaarheid aan clubbestuurders en makelaars, en medeplichtigheid aan al wat er fout gaat in het voetbal. In De bankzitter, een wekelijkse rubriek in De Standaard, koppel ik pure bewondering aan kritische analyses en het signaleren van wanpraktijken en abject gedrag. Iemand moet het doen.

***

In januari 2018 nam bouwbedrijf DCA Beerschot Wilrijk over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen alleenheerschappij in de bestuurskamer, maar een Belgische eigenaar heeft tenminste nog voeling met club en achterban, pompte ik mezelf moed in.

In juli 2018 nam de Saudische prins Abdullah bin Mossaad bin Abdulaziz al Saud de helft van de aandelen over. Ik zweeg en bleef supporteren. Ik ben dan wel tegen monopolies en oligopolies, maar er bleef die voeling met club en achterban, omdat de man die de zaken waarneemt voor de prins de club door en door kent.

In de zomer van 2019 werd KFCO Wilrijk, dat de naam van het failliete Beerschot zes jaar eerder had laten overleven in KFCO Beerschot Wilrijk, afgestoten, de naam nogmaals gewijzigd (in Beerschot VA) en het historische stamnummer 13 teruggekocht. Ik schreef daar enkele verontwaardigde tweets over, maar voor de rest zweeg ik en bleef ik supporteren.

Al een tijdje gonst het gerucht dat de prins hoofdaandeelhouder zal worden, iets wat ik betreurenswaardig vind, zoals ik in £X€£$$ United uitgebreid heb aangevoerd. Ik zweeg en bleef supporteren, de definitieve overname moest immers nog gebeuren, waar maakte ik me voorbarig druk over?

Op 20 mei 2021 maakte Beerschot bekend dat Peter Maes de nieuwe trainer van de club wordt. Hij werd weggeplukt bij STVV, tot daaraan toe, maar hij werd bijna drie jaar geleden ook nadrukkelijk genoemd in de marge van de ‘Propere Handen’-affaire. Jarenlang heeft Maes een deel van zijn loon in het zwart ontvangen, in envelopjes. Tot 2,5 miljoen euro zou hij zo aan het officiële circuit onttrokken hebben. Het onderzoek loopt nog, iemand is onschuldig tot zijn schuld bewezen wordt (zei Beerschot-ondervoorzitter Walter Damen afgelopen weekend nog in een krant), dat klopt allemaal, maar dat er onoirbare zaken zijn gebeurd, staat wel vast. En dan nog zou een club zolang er geen gerechtelijke uitspraak is, best wat terughoudend zijn met het in dienst nemen van een in opspraak gekomen figuur. Dat Lommel en STVV dat hadden gedaan, gaf mij de gelegenheid om daar iets kritisch over te zeggen of schrijven. Dat ‘mijn’ club dat nu doet, maakte het pijnlijker. Kon ik opnieuw blijven zwijgen en supporteren? Ik, die clubs als AA Gent en Standard door de mangel haalde omdat ze met Mogi Bayat bleven samenwerken? Ik, die Cercle Brugge een filiaal van AS Monaco blijft noemen? Ik, die de ‘Keuken is besteld’-affaire van KV Mechelen blijft oprakelen?

***

Ik moest voor mezelf een CD&V’tje doen, een enerzijds/anderzijds-afweging maken, maar dan liefst wel mét een bijbehorende conclusie. De afweging was tussen het plezier, de wedstrijdbeleving, het sociale gebeuren dat een sportwedstrijd is, de kameraadschappelijkheid en het veertiendaags ritueel dat ik hierboven al beschreven heb enerzijds, en ethische principes, beroepstrots, kritische zin en de rechtlijnigheid die ik zo gretig geëtaleerd heb in £X€£$$ United anderzijds. Kon ik dat wel maken, aan de ene kant hyperkritisch blijven over voetbal in het algemeen en aan de andere kant een oogje dichtknijpen voor mijn favoriete club? Het hart zei, och jongen, ze doen allemaal wel iets raars, het hoofd knetterde, man toch, hier hoef je niet eens over na te denken.

Eigenlijk was het een no-brainer en toch twijfelde ik. Nogmaals afscheid nemen van een jeugdliefde, het is niet makkelijk. Maar ik kan het voor mezelf niet maken de kritische journalist te zijn die ik wil zijn en blijven schrijven over alle aspecten, ook de negatieve, in het voetbal, en een club blijven steunen die zonder boe of ba een envelopjestrainer heeft aangesteld. Maar het doet verdorie wel pijn. Tegelijk geeft het me de geestelijke vrijheid om mijn beroep nog onpartijdiger en onafhankelijker uit te oefenen, en te zeggen en schrijven wat ik vind dat moet gezegd en geschreven worden.

***

Als u binnenkort op een zaterdag een hele luide kreet hoort op het ogenblik dat Rapha Holzhauser een vrije trap in de winkelhaak heeft geborsteld, vergeef het mij dan. Het zal sterker zijn dan mezelf. Je kan het mannetje dan wel weghouden van bij Beerschot, maar je kan Beerschot niet weghouden uit het mannetje. Jeugdliefdes zijn voor altijd, ook al zie je mekaar een poos niet.



« VorigeVolgende »