De laatste top 20 op mijn blog deze zomer (ja, ik ben het ook een beetje beu, veel werk, weinig respons), maar zoals Ramses Shaffy al placht te zeggen: ‘We zullen doorgaan’. “Met de stootkracht, van de milde kracht.” ‘Tot het gaatje’, voegde André van Duin daar schertsend aan toe, de deugniet.

Voor de laatste categorie neem ik even afstand van de muziekwereld, na al die zangeressen, zangers, bands en albums. Het was even zoeken naar het juiste evenwicht, want ik ga het hebben over historische figuren, maar ik wilde het vooral positief houden. Dus viel het adjectief ‘belangrijkste’ al weg. Dan moet je immers een zekere Adolf Hitler in je lijst opnemen. Vreselijkste snor uit de geschiedenis, maar wel bepalend voor de 20ste eeuw en eigenlijk nog altijd: zonder die vreselijke Hitler zouden we nu paradoxaal genoeg misschien niet in vrede leven. Of zouden we niet telkens waarschuwen voor ‘de jaren 30’ als (extreem)rechtse luitjes rare dingen roepen of doen. Determinerend was de Führer dus alleszins, helaas.

Ik wil niet pronken met een lijstje waarin massamoordenaars prijken. De poll die de gewaardeerde twitteraar — ik weiger ‘tweep’ in de mond te nemen! — Jeroen Verhelst de derde week van juni organiseerde, waaruit hij de #historische100 afleidde, gaf als nummer 1 Napoleon Bonaparte. Hij kreeg van 45 deelnemers een stem die hem een of meerdere punten opleverde, wat zijn eindtotaal op 95 bracht, precies twintig punten meer dan de tweede. Natuurlijk is Napoleon belangrijk en positief geweest voor recht, meeteenheden, burgerlijke stand en dergelijke, maar het was ook een krijgsheer die over lijken ging. Op twee stond overigens Jezus van Nazareth, een man waaraan mirakels worden toegeschreven, waarin ik niet geloof. Al zal hij best wel aardige dingen gedaan hebben. Op drie Karl Marx, de übermarxist, want bedenker ervan. Maar zijn op zich waardevolle ideeën leidden tot communistische regimes en moeten we daar achteraf wel zo blij mee zijn? Idem dito voor enkele andere namen uit die top 20: Julius Caesar (op 7), Karel de Grote (11), Alexander de Grote (geen familie, 14), Dzjengis Khan (15) en Otto von Bismarck (19). (Hitler stond, voeg ik er nog even aan toe, op 21, wat eigenlijk te laag is als je het over historische betekenis van figuren hebt.) Nogmaals, interessante lijst, maar niet wat ik betracht.

Enfin, ik zoek het eerder in de richting van ‘Helden’, maar dat is dan weer zo’n kwalificatie die te pas en te onpas wordt gebruikt. Een brandweerman die zijn eigen leven riskeert om een kind uit een brandend huis te redden is voor mij een veel grotere held dan een politicus die iets bruikbaars bedenkt, maar voor de uitvoering op anderen rekent. Schrappen: helden.

Zo kom ik uiteindelijk uit bij ‘bewonderenswaardige figuren’, op zich ook al een ietwat ongelukkige en geforceerde omschrijving. Waarmee ik bedoel: mensen die iets hebben gedaan dat goed is geweest voor de rest van de mensheid en die daarom — ondanks soms persoonlijke tekortkomingen en mislukkingen — onze bewondering verdienen. Een positieve lijst met weerhaken, quoi. Welkom bij #DeBewonderenswaardige20

20. ROSA PARKS (1913-2005). Weigerde op 1 december 1955 in Montgomery, Alabama, haar zitplaats in het voor zwarten gereserveerde deel achterin de bus aan een witte passagier af te staan, nadat het ‘exclusief voor blanken’-gedeelte vol zat. Ze kreeg een boete van 10 dollar, weigerde te betalen en werd vervolgd voor ‘verstoring van de openbare orde’. Daarop startte Martin Luther King, Jr. een geweldloze boycot van de bussen in Montgomery: het busbedrijf ging bijna failliet en schafte de segregatie in haar voertuigen dan maar af. Rosa Parks kreeg vervolgens gelijk bij het Supreme Court. Ondertussen was ze wel ontslagen en werd ze met de dood bedreigd. Rosa Parks bewees dat moed en burgerlijke ongehoorzaamheid een aanzet kunnen zijn tot noodzakelijke veranderingen, al heeft de burgerrechtenactiviste niet kunnen verhelpen dat racisme onlosmakelijk verbonden blijft met de Verenigde Staten. Zie de actualiteit.

19. ADA LOVELACE (1815-1852). Britse wiskundige die een ‘analytische machine’ beschreef, die zou uitmonden in de eerste elektronische rekenmachine van haar tijdgenoot Charles Babbage (1791-1871). Wordt beschouwd als de ontwerpster van het eerste computerprogramma. Zag ook in dat computers — uiteraard zonder die naam te gebruiken — op termijn in staat zouden zijn om ingewikkelde berekeningen te maken, te moeilijk voor het menselijke brein. Samen met Babbage publiceerde ze hierover in 1843 een baanbrekend artikel. Ze voorzag dat een analytische machine in staat moest zijn om muziek te componeren, afbeeldingen te maken en wetenschap te bedrijven. Dank u, Ada!

18. ALAN TURING (1912-1954). Wiskundige en informaticus, die tijdens de Tweede Wereldoorlog in het grootste geheim actief was bij de Government Code and Cipher School in Bletchley Park, waar men probeerde gecodeerde berichten van de Duitse vijand te ontcijferen om de geallieerden een stap voor te kunnen geven. Samen met drie Poolse mathematici ontwikkelde hij een decoderingsapparaat dat de codes van het Duitse Enigma-apparaat kon ‘vertalen’, wat een van de belangrijkste ondersteunende elementen voor de overwinning van de alliantie werd. Turing werd geëerd voor zijn oorlogsinspanningen, maar toen bleek dat hij homoseksueel was, werd hij ontslagen. In 1952 werd hij gearresteerd voor ‘homoseksuele handelingen’, die tot 1967 verboden zouden blijven in Groot-Brittannië. Hij kreeg de keuze: chemische castratie of gevangenisstraf. Hij koos het eerste. Twee jaar later pleegde hij zelfmoord, al wordt er ook gespeculeerd dat hij vermoord zou zijn door de Britse geheime dienst. Pas in 2009 bood de Britse regering excuses aan, nog eens vier jaar later verleende de koningin Alan Turing gratie. Een zo belangrijke man die zo schandalig behandeld werd en niet eens tweeënveertig is geworden: zonde.

17. ROSALIND FRANKLIN (1920-1958). Britse chemica die met behulp van moleculaire röntgendiffractie mee aan de basis lag van het ontrafelen van de structuur van DNA. Al snel zorgde haar ontdekking voor een dispuut met Maurice Wilkins, haar collega aan het Londense King’s College. Franklin vertrouwde Wilkins niet en bleef haar bevindingen daarop geheimhouden. Hoewel haar onderzoek aantoonde dat DNA een helix-structuur vertoonde, bleef ze dat hardnekkig ontkennen. Wilkins bezorgde de röntgendiffractiefoto’s aan zijn Cambridge-collega James Watson, die hieruit concludeerde dat de structuur van DNA er als een dubbele helix moest uitzien. Samen met Francis Crick schreef Watson hierover een artikel in Nature, merkwaardig genoeg in hetzelfde nummer als waarin Rosalind Franklin die conclusies ondersteunde. Of ze de structuur zelf zou gevonden hebben, blijft voer voor discussie. Feit is dat haar hogekwaliteitsfoto’s onmisbaar waren in het onderzoek. Na de DNA-publicaties vertrok Rosalind Franklin uit King’s College op voorwaarde dat ze zich niet meer met DNA zou bezighouden en legde ze zich van dan af toe op virussen. In 1956 werd eierstokkanker bij haar ontdekt, ziekte waaraan ze twee jaar later, op haar 37ste, zou overlijden. In 1962, vier jaar na haar dood, ontvingen Watson, Crick en Wilkins de Nobelprijs voor de ontdekking van de DNA-structuur. Aangezien die prijs nooit postuum werd toegekend, was die eer niet meer weggelegd voor Rosalind Franklin.

16. LEONARDO DA VINCI (1452-1519). De homo universalis, al is zijn bijdrage tot de wetenschappen uiteindelijk beperkter dan de mythe ervan gemaakt heeft. Geboren in het Toscaanse dorpje Anchiano, op een paar kilometer van Vinci, ontpopte Leonardo zich in de 67 jaar die hem gegund waren als architect, uitvinder, ingenieur, filosoof, natuur- en scheikundige, schrijver, beeldhouwer en schilder. Denk aan de Mona Lisa, Het laatste avondmaal of de Vitruviusman. Wetenschappers beweren dat hij in de eerste plaats een kunstenaar was, kunstenaars dat hij vooral een wetenschapper was. Maar misschien ligt daar net zijn grootste verdienste: hij bracht wetenschap en kunst samen. Voornaamste punt van kritiek is dan wel dat hij heel veel aantekeningen maakte en aan ontelbare experimenten begon, maar ze zelden afwerkte. Maar het is wel zo dat heel wat namen die hier nog zullen passeren van zijn werk hebben geprofiteerd. Laten we het zijn code noemen.

15. MICHAEL FARADAY (1791-1867). Britse natuur- en scheikundige, die als persoonlijke assistent van de scheikundige Humphry Davy kennismaakte met wetenschap op hoog niveau. Mocht zijn baas vergezellen op diens reizen op het Europese continent, waar hij onder anderen Alessandro Volta, André-Marie Ampère en Nicolas-Louis Vauquelin ontmoette. Dankzij zijn werk rond elektromagnetisme werd hij tot directeur van de Royal Institution benoemd. Hij kwam tot de vaststelling dat magnetisme elektriciteit kon opwekken. Door zijn onderzoek naar de capaciteit van condensatoren, werd de eenheid daarvan, farad, naar hem vernoemd. In de jaren 1840 ontdekte hij dat bij loodglas magnetisme de polarisatie van licht beïnvloedt: het Faraday-effect. En in een constructie van elektrisch geleidend materiaal die statische elektrische velden buitenhield, de ‘Kooi van Faraday’, experimenteerde hij verder. Daardoor is hij belangrijker dan zijn buitenlandse voorgangers Volta (ontdekker van de elektrische batterij), Ampère (ontdekker van elektromagnetisme) en Vauquelin (ontdekker van beryllium).

14. JONAS SALK (1914-1995). Amerikaanse medicus die een vaccin ontdekte tegen het in de jaren 50 nog zeer dodelijke poliomyelitisvirus. Het werd naar hem vernoemd en was een onmisbare eerste stap in de uitroeiing van de ziekte polio, ook wel kinderverlamming genoemd. In Nederland dateert de laatste polio-epidemie van 1956: toen werden nog bijna 2000 kinderen erdoor getroffen. In België werd vaccinatie in 1958 aanbevolen en negen jaar later wettelijk verplicht. Sinds 1970 zijn er geen poliopatiënten meer gesignaleerd bij ons. In 1988 waren er wereldwijd nog 350.000 gevallen, tegenwoordig zijn dat er slechts enkele honderden. Jonas Salk vroeg geen patent aan, omdat hij vond dat het vaccin aan het volk moest gegeven worden. Altruïsme bestaat.

13. JAMES WATT (1736-1819). Schotse ingenieur die de moderne stoommachine heeft uitgevonden. Maar ook het eerste kopieerapparaat, een patent dat hij in 1781 verwierf. Rond 1763 repareerde Watt een stoommachine die gebouwd was door Thomas Newcomen, een Britse uitvinder, en bedacht hij hoe hij die kon verbeteren. Met een aparte condensor dreef hij de efficiëntie op met 8 procent. Door stoomdruk te gebruiken, in plaats van atmosferische druk, kwam er nog eens 19 procent bij. In 1769 kreeg hij een patent voor ‘zijn’ stoommachine. Daarna kreeg James Watt de vraag om zijn stoommachine te bouwen, waarmee hij de aanzet gaf tot de industriële revolutie. Vanaf nu kon energie ook worden opgewekt door een machine, niet alleen door mensen of dieren. Watt introduceerde paardenkracht als eenheid van vermogen. Roep dus niet ‘Watt?’ omdat ik hem op dertien zet.

12. FLORENCE NIGHTINGALE (1820-1910). Britse verpleegkundige die alles in de schoot geworpen leek te krijgen om in de betere kringen te kunnen leven, maar die als tiener ‘de stem van God’ hoorde en zich het lot van armen, zieken en gewonden begon aan te trekken. Omdat vrouwen geacht werden aan de haard te blijven, schreef ze als reactie een feministische klassieker, Cassandra. De rest van de tijd introduceerde ze verpleging als vak en werd ze zo de grondlegger van de moderne verpleegkunde. Ze reorganiseerde ook een klein Londens ziekenhuis. Tijdens de Krimoorlog (1853-1856) bood ze haar diensten achter het front aan om zieke en gewonde Britse soldaten te verzorgen. ’s Nachts deed ze haar ronde met een lantaarn, wat haar de bijnaam ‘The lady with the lamp’ opleverde. Ze overtuigde de legerleiding ervan dat soldaten minder stierven aan het front dan door een gebrekkige ziekenzorg en dat daar dus in geïnvesteerd moest worden. Haar visie dat gezondheid niet de afwezigheid van ziekte is, maar een situatie waarin je jezelf volledig kan ontplooien, werd later opgenomen in de statuten van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Ook toen ze zelf ziek werd, bleef ze een team van wetenschappers aansturen en opkomen voor arme en onderdrukte mensen. In 1907 ontving ze als eerste vrouw ooit de Order of Merit. Hulde dus aan Florence Nightingale, maar ook aan de zwarte, Jamaicaanse verpleegster Mary Seacole (1805-1881), die eveneens aan ziekenzorg deed tijdens de Krimoorlog en ‘de zwarte Nightingale’ werd genoemd. Zij is veel minder bekend.

11. JOHANNES GUTENBERG (ca. 1400-1468). Duitse edelsmid, uitvinder van de boekdrukkunst in Europa. Voor alle duidelijkheid: niet de uitvinder van de drukkunst. Blokdrukken bestond al eerder, waarbij een volledige bladzijde uit één blok werd vervaardigd. Dat maakte het quasi onmogelijk om te corrigeren, omdat men telkens het volledige blok moest aanpassen. Gutenberg maakte voor het eerst gebruik van losse letters, wat correctie en redactie makkelijker en goedkoper maakte. Om het juiste resultaat te bereiken, had hij vele jaren moeten experimenteren. Letters in lood, een goedkope grondstof, bleken namelijk slecht uit te vloeien. Daarom werd er een percentage tin aan toegevoegd, plus bismut en antimoon, om het metaal minder te laten krimpen bij afkoeling. Een van de eerste resultaten was een kalender met astronomische voorspellingen voor het jaar 1448. Vervolgens vroeg de Kerk hem om aflaten te drukken. Tussen 1450 en 1455 vervaardigde hij de 42-regelige en 643 bladen dikke Gutenbergbijbel.

Morgen: 10 tot en met 4.