Mogen we nu blij zijn, of toch net niet?

Na de verloren halve finale was mijn eerste
oprisping: goed gedaan, jongens. Trots. Dank voor een fantastisch WK. Het volk
doen dromen. (Een beetje zoals in: wij zijn eeuwige underdogs, als we maar ons best
doen, zijn we al content.) Maar na een nachtje woelen wist ik: er zat meer in.
Zoveel meer. En die kans komt nooit meer terug, want deze zogeheten Gouden
Generatie valt binnenkort uit elkaar. Het hart van de verdediging haalt Qatar
(2022) niet, tenzij misschien de tegen dan 33-jarige Toby Alderweireld. Niet de broze
Kompany (36), de nu al wat stroever draaiende Vertonghen (35), de op een
zijspoor belande Vermaelen (36), supersub Marouane Fellaini (34), dribbelkont Dries
Mertens (35), wellicht ook niet Axel Witsel (33). Zijn Kevin De Bruyne en Eden
Hazard op hun 31ste nog wereldtop?

Een kwarteeuw geleden werd er geklaagd dat er
in België geen aanvallers werden opgeleid. Vandaag brengen onze jeugdacademies
nog nauwelijks verdedigers voort: iedereen wil Kevin of Eden zijn, eventueel
nog Driesje of Romelu, maar niet Toby of Jan, twee jongens die dan nog – samen
met Thomas – opgeleid werden in Nederland. Aandachtspunt voor jeugdtrainers.
Verdedigers zijn ook nodig. En nu ik toch bezig ben: vleugelbacks, denk daar
eens aan!

Ik ben tevreden en ik ben niet tevreden. De
Rode Duivels hebben positief, attractief voetbal gespeeld, waarbij er (meestal)
werd uitgegaan van eigen kracht. Dat is een verademing in tijden van lafheid,
waarin er meer Mourinho’s dan Guardiola’s rondlopen in het opportunistische
voetbalwereldje. Het resultaat telt. Dat is op zich niet nieuw – Internazionale
behaalde zijn grootste Europese successen in de jaren 60 met ‘catenaccio’, vrij
vertaald: degoutant verdedigen en op die ene tegenaanval proberen te scoren -,
maar de romanticus in mij heeft nog de Brazilianen van 1970 zien toveren, het
Nederlandse totaalvoetbal zien floreren (en net niet triomferen) en het
Barcelona van Cruijff (voetballer én trainer) zien wervelen. De essentie van
voetbal is: er eentje meer scoren dan de tegenstander. Helaas kun je dat ook
negatief vertalen, zoals de Fransen al een heel toernooi demonstreren, op die
tweede helft tegen Argentinië na, toen ze een onverwachte achterstand moesten
goedmaken. Frankrijk kan voetballen, maar mag niet. Bondscoach Deschamps is
altijd al een cijferaar geweest. Risicoloze voetballer, risicoloze trainer.
Didier is die ene collega op je werk die altijd keurig op tijd is, nooit een
ongepaste opmerking maakt, één keer per jaar één pintje mee gaat drinken met de
groep (en dan stiekem verdwijnt om te vermijden dat ie zelf moet trakteren,
bovendien heeft zijn vrouw zalm klaargemaakt, het is vrijdag) en die altijd,
onveranderlijk, franjeloos maar correct werk aflevert. Een saaie piet, steeds gekleed
in grijstinten, opvallend onopvallend, goed om in je team te hebben als je
resultaten wilt behalen, maar het liefst snijd je hem – rechts bovenaan, armen op
de rug, zuinig lachje – van de groepsfoto.

Geef mij maar een Roberto.

***

Een tweet in tempore non suspecto, de dag dat
Roberto Martínez out of the blue tot
bondscoach werd gebombardeerd. ‘3 augustus 2016, 22u40. Dagboeknotitie: Roberto
Martínez is een goede keuze. Technisch, aanvallend voetbal. Wordt een mooi WK.
#RodeDuivels’.

Vóór u mij lastigvalt om uw lottoformulier in
te vullen: mijn voorspellende gaven zijn beperkt, zéér beperkt. Maar ik volgde
Martínez al vanop een respectabele afstand toen hij Swansea, Wigan Athletic en Everton
coachte. In Engeland werd er wat meewarig om hem gedaan: te naïef, te
voluntaristisch, te wollig in zijn nietszeggende analyses. Wat ik zag:
aanvallen om te winnen. Dat deed hij ook bij de Rode Duivels, maar dan was de
kritiek weer: kunnen we het ook tegen grote voetbalnaties? Het antwoord is nu
duidelijk: ja. Tegen Brazilië gaf de ‘naïeve’ Martínez een masterclass in tactiek. Lukaku op rechts om Marcelo tot verdedigen
te dwingen, De Bruyne centraal waardoor de centrumverdedigers Thiago Silva en
Miranda niet wisten waar te lopen, Hazard links-rechts-overal, zwervend,
tegenstanders passerend alsof het plastic mannetjes op training waren. Tien
geslaagde dribbels op tien pogingen, dat was geleden van het WK van 1966.
Hazardinho. Daar en dan heeft Martínez overtuigd. Tegen Japan was het
voorspelbaarder, dat klopt. Ook Wilmots gooide Fellaini erin als het
combinerend niet lukte. Tegen Frankrijk was de tactische ingreep zelfs een
flop, omdat Mousa Dembélé – schitterende clubvoetballer die nooit kon
overtuigen als international – alweer een schim was van zichzelf. Frankrijk-België
deed heel sterk denken aan Argentinië-België van vier jaar geleden. Doelpunt
tegen en dan geen oplossingen vinden tegen een tegenstander die constant negen
man achter de bal hield.

Waarom konden de Kroaten ’s anderendaags wel
wat de Rode Duivels niet konden? Het zal een onbeantwoorde vraag blijven, zoals
zoveel vragen in het voetbal na het vraagteken alleen maar witte ruimte bieden.

Maar toch: Roberto Martínez mag blijven. Niet
alleen omdat hij zijn contract verlengd heeft, maar omdat hij ons voetbal iets
bijbrengt. En in tegenstelling tot zijn narcistische voorganger denkt hij aan
het elftal, niet aan zichzelf. Vergeleken met Martínez is Marc Wilmots een
onbenul. Marc is de collega die niet slim genoeg is om te excelleren, maar die
steelt met de ogen, jouw ideeën presenteert als de zijne en op vergaderingen
altijd het hoogste woord voert, zodat hij hyperactief lijkt en de teamspirit
bevordert. Op de groepsfoto staat Marc centraal – armen gekruist, borst
vooruit, kin omhoog – en zie je hem denken: die anderen dienen alleen maar om
het beeld te vullen, het draait hier om moi.

***

Uitgekookt. Dat adjectief vind ik in alle
nabeschouwingen terug. Zelf schreef ik: ‘doortrapt’. Dat vind ik nog steeds een
betere omschrijving. Doortrapt is negatiever dan uitgekookt. Niet dat we moeten
klagen, want onze zuiderburen hadden meer doelpogingen – ook binnen het kader –
dan wij, zelfs bijna het dubbele. We hadden zelf maar beter moeten zijn, zeer juist.
En toch… In de laatste zesentwintig minuten – toegevoegde tijd meegerekend –
werd er nauwelijks vijf minuten echt gevoetbald. De rest was oponthoud:
geveinsde blessures, aarzelen bij een inworp, treuzelen bij een hoekschop,
tijd winnen bij een vrije trap, de bal zes keer goed leggen bij een uittrap, kleine
overtredingen maken om het spel af te remmen. Uitgekookt? Doortrapt! En vooral:
ergerlijk.

Voetbal is een sport waarin negativisten intelligent
worden genoemd, omdat hun aanpak rendeert. De voetbalregels stimuleren
valsspelen. Als de klok zou worden stilgezet wanneer de bal niet meer in het
spel is, zou voetbal een veel eerlijkere sport zijn, zoals basketbal. Dan speel
je desnoods drie uur, tot de buzzer
gaat. Zo lang er in het voetbal geen rekening wordt gehouden met de werkelijk
gespeelde tijd, zullen de tijdrekkers hun gelijk halen. Ik wil niet de calimero
uithangen (en misschien had het ook niets uitgemaakt in die halve finale, omdat
we niet sterk genoeg waren om die achterstand op te halen), maar: dat is niet
eerlijk.

***

En dan is er nog die overbodige wedstrijd van
deze namiddag. Omdat het tegen Engeland is, krijgt de wedstrijd een extra
pigment. We zijn het nog niet vergeten dat de Engelsen ons uitlachten na die
overwinning in de non-match in de groepsfase (ze dachten dat ze in de betere
tabelhelft waren terecht gekomen en lagen er vervolgens bijna uit tegen
Colombia). Beter doen dan de Duivels van 1986 is een ander element dat Martínez
in zijn peptalk zal gebruiken.

Voor de rest pleit ik voor het afschaffen van
deze ‘troosting’, zoals dat bij ons wordt genoemd. Er valt niemand te troosten,
na een verloren halve finale ben je ontroostbaar, wil je liefst zo snel
mogelijk naar huis. Geef die twee teams brons, als je dan toch met medailles
wil goochelen. Op de Olympische Spelen staan de winnaars van goud, zilver en
brons nog netjes naast elkaar op een podium, op het WK is dat niet het geval.
Als morgen Fransen en Kroaten het veld betreden, hebben de Rode Duivels al een
fotosessie op het koninklijk paleis en een balkonscène op de Brusselse Grote
Markt achter de rug. Mogelijk smijten ze hun bronzen medaille in het publiek,
wegens: niet geïnteresseerd om dat onding op de schouw te leggen. Wij weten nog
precies dat we tweeëndertig jaar geleden vierde zijn geëindigd en Frankrijk
derde, maar wie kan de teams die derde zijn geëindigd sinds dat Belgisch
gloriemoment opsommen?

Overbodige match (maar wel winnen, graag).

***

Ach, 1986. Tijden! Velen vergeten dat de Rode Duivels de
eerste ronde abominabel slecht waren. Verloren tegen de Mexicanen, nipt gewonnen
tegen godbetert de Irakezen en gelijkgespeeld tegen de Paraguayanen, als een
van de betere derdes toch mogen overleven, en dan gestunt tegen de Sovjet-Unie
en Spanje, omdat de Russen overmoedig waren en de Spanjaarden een zwakke
lichting hadden. Geen sponsors die je hun wervende boodschappen door de strot
probeerden te rammen, geen reclame voor gokkantoren, geen grote schermen op
pleinen, geen vlaggen die uit ramen hingen te wapperen, geen spiegelhoesjes, geen
massahysterie. Wedstrijden volgen op kleine tv-schermen, volume op 20 om Rik De
Saedeleer boven het gejoel van de huiskamer te laten uitkomen. “Ik hoop
dat ze die mannen niet naar Siberië sturen!” De eerste toeterende auto
werd pas na die wedstrijd tegen de Sovjet-Unie gesignaleerd. Ging meteen de bon
op wegens nachtlawaai: het was halftwee voorbij. Na de zege met strafschoppen
tegen Spanje opnieuw, maar dan iets massaler en de flikken toeterden vrolijk
mee. In de stadions een handvol verkeerd gelopen Belgische toeristen die
inderhaast een vlag hadden gekocht in een souvenirwinkel.

Maar wel: een volle Grote Markt achteraf,
heldenontvangst. We waren dat niet gewoon en we hadden dat ook niet verwacht,
zeker niet na het gestuntel bij het begin van het toernooi. De Rode Duivels
deden het volk even dromen. Toen en nu. Maar zoals de grote filosoof Marco B.
al wist: dromen zijn bedrog. Helaas.