Het nadeel aan ouder worden is dat je leeftijd
omhoog gaat, de spieren strammer worden en je vergeetachtig wordt. Het nadeel
aan ouder worden is dat je leeftijd omhoog gaat, de spieren strammer worden en
je vergeetachtig… Excuseer. Het voordeel aan ouder worden is dat je meer weet
en toch inziet dat je niet alles weet, dat je wijzer bent geworden en heel veel
al eens hebt zien gebeuren. Ze maken je, met andere woorden, nog maar weinig wijs. Alles komt terug, zelfs de modegrillen uit de jaren
zestig en zeventig, waarvan je het bezwarend fotomateriaal inmiddels hebt
vernietigd, terwijl het nu juist van pas zou komen om aan te tonen hoe hip je
toen wel was.

De Vlaamse Regering zet vol in op de economie,
ook al word je niet echt wijzer van de vage Septemberverklaring en zijn die
begrotingsmaatregelen voorlopig nog onduidelijk. Maar ze zegt het zelf, dat ze
volop inzet op de economie, dus zal het wel kloppen. Ondernemingen worden volop
gesteund, want dat heeft de N-VA, de nieuwe chouchou-partij
van de Vlaamse ondernemers, zo beloofd. Open VLD heeft daar niets op tegen
(misschien wint het wel een deel van zijn vroegere aanhang terug) en CD&V
doet wat het meestal doet: in het midden van het bed gaan liggen en alle
aandacht opeisen.

Ook de toekomstige federale regering – als dat
merkwaardige samenraapsel van Vlaams-nationalisten, Vlaamse christen-democraten
en het integrale blauwe fabriekje er tenminste in slaagt een Zweedse
kamikazecoalitie te vormen – wil de economie weer aanzwengelen door de
ondernemingen te steunen. Klinkt logisch, is het wellicht ook, moeten ze vooral
doen, maar het heeft weinig zin als daar geen concrete voorwaarden tegenover
gesteld worden.

En nu komt dat ouder en wijzer worden van pas.
Been there, done that. In de onzalige
jaren tachtig – met een nog veel diepere economische crisis dan nu, een
overheidsschuld die boven de honderdtwintig procent van het BBP uitkwam (in
2013: 101,5%), een begrotingstekort dat rond de 10% van datzelfde BBP zweefde
(in 2013: 2,6%) en een werkloosheidsgraad van 12% (in 2013: 8,4%) – wilde de
regering Martens VI, een samengaan van christen-democraten en liberalen, met
aan het roer eerste minister Wilfried Martens en de vice-premiers Jean Gol,
Charles-Ferdinand Nothomb en Guy ‘Da Joenk’ Verhofstadt, stimulansen bieden aan
het ondernemingsleven. Tal van maatregelen zagen het licht in de vorm van
‘bijzondere machten’, in de volksmond: volmachten, terwijl Verhofstadt als
begrotingsminister elke frank zeven keer omdraaide, behalve als het ging om
steun aan de ondernemingen.

De naïviteit van toen is perfect vergelijkbaar
met die van vandaag: regeringen gaan ervan uit dat grote ondernemingen rechtstreekse
of onrechtstreekse financiële steun automatisch zullen omzetten in
tewerkstelling. Ze dwalen. Bedrijven hebben als eerste doel om winst te maken.
In een nog meer dan toen door de internationale beurzen gedomineerde markt, met
in de nek van CEO’s en raden van bestuur hijgende aandeelhouders, wordt dat anno 2014 nog
vele malen uitvergroot. Zelfs als een bedrijf winst maakt, kan het zijn dat het
personeelsbestand toch wordt afgeslankt om nóg meer winst te maken, kijk maar
naar Delhaize. Daar zit een perverse logica achter: voor bedrijven is elke
werknemer er namelijk één te veel. Het is een kostenplaats in het jaarbudget,
die alleen maar getolereerd wordt als je hem of haar nodig hebt om dat ultieme
doel, méér winst maken, te realiseren. Ondernemingen zijn het tegenovergestelde
van liefdadigheidsinstellingen en dat kan je hen niet eens kwalijk nemen.

In die twee jaar van Martens VI vlogen de
tijdelijke maatregelen ons om de oren. De bevolking moest de buikriem
aanspannen, maar de goedkope kopie van Thatcherism
en Reaganomics (bondig samengevat: geef
het geld aan de rijke ondernemers, zij zullen voor werkverschaffing en meer
welvaart zorgen, vertaald in de ‘trickle-down’-theorie) maakte haar beloften
niet waar. In het beste geval zeiden de ondernemingen nog ‘Dankuwel’, in het
slechtste bootsten ze gewoon een titel van een Woody Allenfilm na: take the money and run.

Voor wat, hoort wat, is een oeroud
spreekwoord. Dat zou ook in deze moeten gelden. Als de overheid geld wil steken
in de economie (wat absoluut verdedigbaar is, wat zeg ik: wat móet!), dan moet ze duidelijke keuzes
maken (liever de KMO’s ondersteunen dan de grote bedrijven, laat staan de
multinationals, bijvoorbeeld), er duidelijke voorwaarden aan verbinden en die strikt laten naleven.

“Gratis bestaat niet”, klinkt het nu
in regeringskringen, nadat er afscheid werd genomen van het gedeeltelijke
‘gratisbeleid’ dat met name de Vlaamse sociaal-democraten een jaar of tien
geleden onder impuls van een gewezen Hasseltse cafébaas hadden ingevoerd. Fair enough, maar dan moeten onze nieuwe
bestuurders ook consequent zijn: eenzijdige, onvoorwaardelijke gunstmaatregelen voor de economie uitvaardigen komt neer op cadeaus geven aan ondernemingen en dat is uiteindelijk
ook een vorm van ‘gratis’. Voor je het goed en wel beseft zit je zo weer in het
scenario van een Woody Allenfilm: Bananas,
over de belevenissen in een fictieve bananenrepubliek.