Bart liep al een tijdje rond op de
sportredactie toen ik er mijn eerste voorzichtig geformuleerde bindtekstjes mocht inlezen op
onbeduidende stukjes van een halve minuut waar ik uren op gezwoegd had. Dan
zette hij me aan tot spoed, kordaat maar niet onvriendelijk. De kijkers wisten
niet wie Bart was: hij kwam niet in beeld, gaf geen commentaar, deed geen
interviews, las geen bindteksten in.

Hij was de man achter de schermen: de gedreven
leraar die tijdens het weekend en bij grote sportevenementen een centje
bijverdiende door de boel te coördineren tussen al die grote ego’s. Het soort
werk waar de op glamour ende glitter
uit zijnde jongens en een paar meisjes van de redactie op neerkeken, wegens:
hard werken, weinig verdienen, altijd weer de bagger over je heen krijgen van
ontevreden journalisten, met zevenentwintig dingen tegelijk rekening moeten
houden. Bart was wat ze in Antwerpen een ‘zenuwpierke’ noemen: het nerveuze
type en toch op één of andere manier stressbestendig. Altijd druk in de weer,
gesticulerend, meer roepend dan pratend, effectief met zevenentwintig dingen
tegelijk bezig. Een man die kon multitasken. Een zeldzaamheid.

Er was enige verwantschap tussen Bart en mij.
Allebei geboren in het gezegende post-Expojaar 1959, hij wel zes maanden
jonger, dus verwekt naar het einde van de wereldtentoonstelling in Brussel,
terwijl mijn ouders het begin van die voor dit land zo grootse gebeurtenis hadden
uitgepikt om iets frivools te doen. Allebei uit de omgeving van Antwerpen.
Allebei beschermd opgegroeid met de vaste wil om er iets van te maken in het
leven. Allebei met twee linkerhanden en -benen in het leven staand, en dat
bedoel ik dan politiek en ideologisch, met oog voor wat er zoal misliep in de
samenleving.

Een jaar of vijf na onze eerste ontmoeting
werd ik hoofdredacteur. Ondanks budgettaire restricties bleef ik Bart inzetten
als coördinator van drukke sportzomers. Zoals die van 2002, met een WK Voetbal
in Zuid-Korea en Japan, tennissende Belgische vrouwen in Parijs en Londen, en
de Tour. Het Excelschema van Bart was een soort bijbel waarop de hele redactie
vertrouwde. Er liep niets mis, toch niet in de programma’s die Bart onder zijn
hoede nam.

Op het eind van de Tour voelde Bart het voor
het eerst, zo werd me pas weken later toevertrouwd. Tintelingen in een
been. Pijnscheuten. Adem die stokte. Vreemde gewaarwordingen op je 42ste en dus
ging hij voor alle zekerheid maar even naar de dokter, waar hij werd
doorverwezen en nogmaals doorverwezen en opnieuw doorverwezen en…

Het was een raadsel, tot een specialist met de
juiste diagnose kwam: ALS. Amyotrofe laterale sclerose, een uiterste zeldzame
neurologische ziekte, waarbij de zenuwcellen en spieren van het lichaam één
voor één afsterven, tot je volledig verlamd bent en finaal ook je ademhaling stopt.
Levensverwachting: gemiddeld vijf jaar, tenzij je Stephen Hawking heet, in
remissie gaat en levenslang als verlamd genie in een rolstoel moet doorbrengen.
In de Verenigde Staten noemen ze het Lou
Gehrig’s Disease
, naar de beroemde honkballer die er kort voor zijn
achtendertigste verjaardag aan overleed.

ALS. Het bleef veraf klinken, ook toen ik Bart
na een paar weken thuis ging bezoeken. De handdruk was niet meer zo stevig als
voordien, hij kon met moeite stappen, had een eeuwigheid nodig om de trap op te
raken, liet zich bij gebrek aan beter neerploffen in de zetel. Daar zat die
dynamische zenuwpees dan, bijna bewegingloos. Het beeld staat op mijn netvlies
gegrift. Een schok was het. Op twee maanden tijd had de onbekende ziekte al
heel veel energie weggevreten bij een man bij wie je voordien het adjectief
‘tomeloos’ moest gebruiken als je het over zijn energieniveau had.

Bart praatte nuchter over zijn ziekte.
Natuurlijk was het heel erg, maar dat was het ook voor zijn vrouw en vier jonge
kinderen. Natuurlijk had hij liever voor de klas gestaan of op de sportredactie
bevelen uitgedeeld en gefoeterd op Jan en alleman, maar dat zat er niet meer
in. Natuurlijk wilde hij nog wandelen, zwemmen, fietsen en volleyen, maar
dat was voltooid verleden tijd. De dokter had er niet omheen gedraaid: zijn
levensverwachting was een jaar of twee, hij zou steeds minder kunnen, vrij snel in een
rolstoel belanden, maar geestelijk tot de laatste snik alert en helder bleven.
Dat leek me nog het verschrikkelijkst: het besef. Weten dat je binnenkort een
denkende plant zal worden, afhankelijk zult zijn van anderen, je onvermijdelijke
einde tegemoet zien.

We bleven in contact, andere collega’s gingen
Bart bezoeken. Er was geen ruimte voor optimisme: hij ging snel achteruit, héél
snel, veel sneller dan de meest pessimistische prognose van de gespecialiseerde
artsen. Hij kon niet meer stappen, niet meer zelfstandig gaan zitten, zijn
handen niet meer bewegen, begon onverstaanbaar te prevelen en dat allemaal op
een half jaar tijd.

We organiseerden een volleybalwedstrijd om
Bart op te beuren. Ik zag hem voor het eerst in maanden weer. Wilde hem een
hand geven en realiseerde me veel te laat dat hij dat gebaar niet kon
beantwoorden. Legde dan maar een hand op zijn schouder, machteloos, meelevend
en kwaad tegelijk, omdat je dit niemand toewenst, zeker niet iemand als Bart.
Hij coachte het ene team, Gert Vande Broek (op dat moment succescoach van het
vrouwenteam Asterix Kieldrecht, later van het nationale vrouwenteam en chef
sport op het kabinet van de Vlaamse minister van Sport) het andere. Het team van
Bart won. Ik hield een geïmproviseerde toespraak waarvan ik me geen letter meer
herinner, maar waarvan ik goed weet dat ik zelden zo hulpeloos moet hebben
geklonken.

Een maand later had ik een incentive voor de
sportredactie geregeld: met zijn allen naar Bruce Springsteen in het Koning
Boudewijnstadion. De organisator had voor Bart een plekje op het rolstoelpodium
voorzien. Het was een kille en regenachtige dag in mei. Vlak voor het concert
ontwaarde ik hem achteraan dat speciale podium. Zijn vrouw stond achter hem.
Toen het concert vijf nummers onderweg was, keek ik opnieuw. Bart was weg.
Achteraf zei zijn vrouw dat hij toch even had kunnen genieten, zeker toen
Springsteen solo opende met The River,
Barts lievelingsnummer. “We’d go down to the river / And into the river
we’d dive”.

Pinkstermaandag 2003 kreeg ik telefoon van een
collega: Bart was dood. Het klonk zo onwezenlijk en tezelfdertijd ook zo onvermijdelijk.
Je had hem zien aftakelen, je had de signalen gehoord dat het onverwacht snel
achteruit ging met hem, je had via via vernomen wat de dokters hadden gezegd.
En toch: een leeftijdgenoot, in minder dan tien maanden van vervelende
tintelingen tot dood. Hij had nog bewust afscheid kunnen nemen van
zijn gezin, zei zijn vrouw na de begrafenis. Hij wist het. Het zal deze nacht
gebeuren. Een gezonde geest in een op een paar tellen na uitgestorven lichaam.
Noem me laf, maar ik hoop dat het mij nooit overkomt.

Dag Bart, waar je ook bent (jij was
diepgelovig, ik absoluut niet). Je was een hele prima kerel, een fijne collega,
een goed mens.

***

(Na Bart werd ik nog één keer geconfronteerd
met ALS, toen de vader van een collega op het werk eraan stierf. Zo zeldzaam is
de ziekte dan toch ook weer niet, bedacht ik me. Het is goed dat er nu via de
Ice Bucket Challenge aandacht wordt geschonken aan deze aandoening en hopelijk
komt er, naast meer bewustwording, ook voldoende geld voor meer onderzoek, want
nog altijd is onduidelijk hoe de ziekte ontstaat en hoe je ze vervolgens moet
behandelen.)