(Deze column over het
WK Voetbal verscheen eerder in het nummer 2 van
Sporta Magazine, een sportblad dat vijf keer per jaar
verschijnt en waarin ik een vaste column heb. Ga ernaar op zoek, het loont de
moeite (het blad, bedoel ik).)

Het beste WK-elftal aller tijden was het Brazilië van Pelé,
dat in 1970 de voetbalharten van Mexico en de rest van de wereld veroverde met
aanvallend, technisch sterk en uitermate elegant droomvoetbal. Ik ben oud
genoeg om me de beelden onmiddellijk voor de geest te kunnen halen. Jongere
voetballiefhebbers werpen soms op dat het Argentinië van Maradona (1986) of
Spanje in 2010 het beste elftal ooit waren. Zij dwalen. Zoek de integrale
wedstrijden van Brazilië op het wereldkampioenschap in ’70 op en geniet van elk
moment van genialiteit.

Ik hoef de namen niet eens op te zoeken, ze staan voor
eeuwig gebeiteld in dat stukje geheugen waar ik mijn allermooiste
voetbalmomenten heb opgeslagen en waar ik me terugtrek als er weer één of
andere Mourinho ‘the beautiful game’ verkracht om er een Machiavellistisch
spelletje van te maken, waarin het doel de middelen heiligt en het eigen team
vreemd genoeg uiterst zelden het doel van de tegenstander bestookt.

Felix, Carlos Alberto, Brito, Piazza, Everaldo, Gérson,
Clodoaldo, Jairzinho, Tostao, Pelé, Rivelino. Dat waren ze. Een middelmatige
keeper, twee doordeweekse centrale verdedigers, offensieve vleugelverdedigers,
een verdedigende middenvelder (Clodoaldo) die haast even veel technisch
vernuft, branie en spelinzicht had als de spelmaker (Gérson) en vier vlot
scorende spitsen. 4-2-4. Een systeem waarbij je niet al te veel moest nadenken.
Gewoon spelen om te winnen. Het voetbal was toen mooier, zelfs de Panini-prentjes
zagen er beter uit.

Het WK was toen hét voetbalevenement van het jaar.
Clubbelangen waren nog ondergeschikt aan nationale trots en eer. Europese
topclubs speelden in competities van dertig speeldagen (alleen de Engelsen
lagen zoals altijd dwars met hun 22 ploegen in eerste klasse en bijgevolg 42
matchen). Lekker overzichtelijk, altijd op zaterdag of zondag, maximaal elf
Europese wedstrijden verdeeld over najaar en voorjaar. Topspelers waren
voldoende uitgerust om te kunnen schitteren. Voetballiefhebbers kwamen in juni
en juli volop aan hun trekken.

Vandaag is dat anders. Het clubvoetbal is de baas.
Voorzitters betalen toplonen aan hun grootste sterren, trainers hameren op altijd
maar honderd procent presteren, zelden wordt nog afgeweken van het ritme van
twee wedstrijden per week. Als ze er straks in Brazilië aan beginnen, hebben de
Messi’s en Ronaldo’s van deze wereld al zestig wedstrijden achter de kiezen.
Europa, competitie, beker, interlands. Elke minuut van elke wedstrijd telt. Het
tempo van het voetbal ligt ook stukken hoger dan in 1970. De
uitvoeringssnelheid van Pelé lag een pak lager dan dat van Neymar, bekijk de
beelden op YouTube maar.

Gevolg: op de jongste drie wereldbekertoernooien konden we
telkens opnieuw vaststellen dat de allergrootste vedetten van het hedendaagse
voetbal enigszins vermoeid waren, het hoofd en de benen waren leeggelopen. Het
bleef bij flitsen, constant presteren zat er niet meer in. Niet Messi was de
ster van de voorbije eindrondes van WK’s, maar het compacte tiki-taka van de
Spanjaarden, ook al begonnen die meestal met een hele of halve misstap aan het
toernooi. Zou een unieke individuele prestatie zoals Diego Maradona die in 1986
op de Mexicaanse grasmatten toverde anno 2014 nog mogelijk zijn of zou ook de
briljante Argentijnse dribbelkont op driekwart van zijn krachten moeten
functioneren omdat zijn club hem tegen dan al als een citroen zou hebben
uitgeperst?

Het WK valt op het verkeerde moment: op het einde van een
(zenuw)slopend seizoen, waarin spelers veel te veel wedstrijden op korte tijd hebben
moeten afwerken, altijd onderweg van de ene verre uitstap in de competitie over
een overbodige interland in een afgelegen land tot een Europese confrontatie
die absoluut niet mag verloren worden. Er wordt wel eens gelachen met de
fysieke paraatheid van voetballers en het feit dat ze ook wel eens op de
catwalk of in de discotheek hun beste beentje voorzetten (niets menselijks is
hen vreemd). Meestal volgt er dan een vergelijking met wielrenners die negen
maanden lang als monniken zouden leven. Ach, het vergelijken van appelen met
peren is een bekend fenomeen, wat doe je tegen die vooroordelen?

Vraag is: wanneer zou je een wereldkampioenschap dan wél
kunnen organiseren? Als je het in augustus-september doet, valt voor de clubs
de hele voorbereiding op het seizoen in duigen. Als je kiest voor
december-januari, onderbreek je het lopende seizoen, wat niet alleen ten nadele
zou zijn van de belangstelling voor de vaderlandse competities, maar ook van
sponsorinkomsten. En juni-juli blijkt, zoals we de jongste WK’s maar ook EK’s
hebben vastgesteld, van het goede te veel te zijn na een druk seizoen.

De enige oplossing ligt erin om de toonaangevende
competities drastisch te hervormen: minder clubs, minder wedstrijden. Terug
naar de Europese competities van weleer, toen de winnaar van de Europabeker
voor Landskampioenen amper negen keer in actie moest treden, in vergelijking
met de dertien van nu. Minder interlands ook, schrap dus maar die overbodige
oefeninterlands in augustus en maart.

Ik kan u verzekeren dat dit niet zal gebeuren. Integendeel,
er komen almaar flink gesponsorde toernooien bij. In 1992 vond de FIFA dat die
ene wereldbeker om de vier jaar te weinig was voor de uitstraling van de
wereldvoetbalbond en zijn ijdele voorzitter en introduceerde het de
Confederations Cup. Eerst om de drie jaar, dan om de twee, ondertussen gelukkig
om de vier, met name in het jaar dat het échte WK voorafgaat.

Natuurlijk kon de Europese voetbalbond UEFA niet
achterblijven en dus werd nu het voorstel gelanceerd om, naast het vierjaarlijkse
Europees Kampioenschap, ook een toernooi te organiseren in het jaar waarin er
momenteel geen belangrijk voetbalevenement plaatsvindt. Als het aan de UEFA
ligt, krijgen de topspelers in 2015, 2019, 2023 enzovoort geen rust, maar
spelen ze de UEFA Nations League. In het bedenken van chique namen zijn ze in
Nyon beter dan in het uitdokteren van doordachte projecten, zoveel is
duidelijk.

Noem me gerust een nostalgicus of een voetbalromanticus.
Uiteraard ga ik van 12 juni tot 13 juli niet voor het tv-scherm weg te slaan
zijn, maar ik vrees dat er weer heel wat spelers niet op de top van hun kunnen
zullen presteren. Sta me toe dat ik dat zeer jammer vind. We kunnen alleen maar
hopen dat het niet geldt voor Vincent Kompany, Axel Witsel en Eden Hazard.