Wat erg voor Christian Benteke. Zes tot acht maanden buiten
strijd door een gescheurde achillespees. Geen WK voor hem. Geen lucratieve
transfer volgende zomer. Een half voetbalseizoen 2014/2015 in de mist. Sportief
en financieel een afknapper voor een drieëntwintigjarige die naar de top van zijn kunnen groeit. Als ik de mediaberichten goed interpreteer, bleef
Benteke nog rustig na dit persoonlijke drama. Wacht maar, wanneer de komende
dagen en weken het harde nieuws helemaal tot hem doordringt.

Benteke liep zijn blessure op tijdens een ochtendlijke
trainingssessie bij zijn club, Aston Villa. Zonder ‘tegenstander’ in de buurt.
Dribbel rond de keeper, de bal willen binnen schuiven, knak. Geen sprake van
een hard contact, dus. Het kan brute pech zijn, maar net zo goed een gevolg van
overbelasting. Bij een club die het sportief en financieel niet al te breed
heeft zoals Aston Villa, is Benteke onmisbaar. Hij speelt er zowat alle
wedstrijden. Dat zijn er zo’n vijfenveertig officiële op een seizoen. Mocht hij
Eden Hazard heten, dan mag je er nog bijna twintig bijtellen.

Iemand riep op Twitter dat het flauwekul is, dat van die
overbelasting, en dat voetballers niet hard genoeg werken, zo stond er
letterlijk te lezen. Zeker als je ze vergelijkt met wielrenners. ‘Wat harder werken, minder in clubs en disco (sic) rondhangen, zou een stuk beter
zijn’. Dat laatste zou zelfs best kunnen, voetballers hebben de neiging veel meer
ontspanning te zoeken tijdens een seizoen dan coureurs, maar de fysieke
inspanningen van beide sporten met elkaar vergelijken is compleet zinloos. Je
vergelijkt geen appelen met peren. De fysieke inspanningen zijn totaal
verschillend. Een voetballer trekt tientallen spurtjes per wedstrijd. Als een
wielrenner om de tien kilometer in een Touretappe een tussenspurt zou moeten
doen, haalt ie de finish niet. Zo simpel is het. Andere sport, andere voorbereiding,
andere wedstrijdbeleving, hou dus op ze met elkaar te vergelijken.

***

Het topvoetbal is veel te zwaar geworden. Te veel
wedstrijden in een te korte tijdsspanne. Te veel ploegen in de hoogste
afdeling, waardoor er sowieso al te veel matchen zijn, maar het seizoen ook
veel te lang duurt. Neem alleen al België. In de jaren zeventig waren er
achttien clubs in eerste klasse, goed voor vierendertig competitiewedstrijden.
Voeg daar nog maximaal vijf bekermatchen aan toe, plus – als je Anderlecht,
Club Brugge of Standard heette – nog een achttal Europese wedstrijden, in een
fantastisch seizoen. Totaal: 47 (in realiteit meestal een pak minder). Daar
kwamen voor de internationals dan nog een stuk of zes interlands per jaar bij.

Vandaag moet een play-off 1-team veertig wedstrijden
afhaspelen. De beker wordt tegenwoordig al opgeofferd door de échte toppers,
daarin komen ze met een veredeld B-elftal op de grasmat. Europees spelen
betekent: twee tot vier voorrondewedstrijden, dan zes wedstrijden in de eerste
ronde. Dan zijn we nog maar half december. En daar worden dan nog een stuk of
tien interlands aan toegevoegd.

Tot twintig jaar geleden moest de winnaar van de Europabeker
voor Landskampioenen of Bekerwinnaars maximaal negen wedstrijden spelen, in de
UEFA Cup was dat elf. Nu heeft de winnaar van de Champions League dertien
wedstrijden achter de kiezen, die van de Europa League vijftien, en dan reken
ik een eventuele voorronde niet eens mee.

***

Daar komt in 2014 dan nog die wereldbeker bovenop, aan het
eind van een slopend seizoen. Door de
immense clubbelangen wordt die echter achteruit geschoven. Even niet aan
denken! Clubeigenaren zijn niet geïnteresseerd in grote toernooien met landenploegen. De eigen
competitie en de Champions League, dat is wat telt, de rest is bijzaak.
Clubtrainers liggen niet wakker van het WK, omdat zij permanent onder druk
staan om in eigen land en Europees te scoren. Spelers schikken zich daarnaar en
worden elke wedstrijd gedwongen op topniveau te acteren. Na tien maanden is het
bobijntje bijna leeg, terwijl het zogeheten hoogtepunt van het seizoen dan nog moet komen.

Gevolg: straks in Brazilië zullen er een aantal toppers
ontbreken door een blessure die het gevolg is van overbelasting. Anderen zullen
compleet verzuurd aan dat toernooi beginnen. Hoe fris zit Lionel Messi nog na
meer dan zestig wedstrijden? Of Eden Hazard? En hoe fris zullen ze aan de
nieuwe competitie beginnen na dat WK, na een ultrakorte vakantie en een halve
voorbereiding op het nieuwe seizoen.

En dan komt er straks in Europa waarschijnlijk nog een
interlandcompetitie bij: de Nations League, in de jaren dat er geen WK, EK of
Confederations Cup is. Met andere woorden: in dat ene jaar dat topspelers wél
een normale vakantie hebben. Waanzin in het kwadraat. In plaats van minder
wedstrijden gaat men voor meer.

***

Kom alstublieft niet af met het argument dat die spelers
rijkelijk betaald worden en dat ze dan maar twee tot drie keer per week volwaardig moeten
presteren. Natuurlijk zijn het geen loonslaven, maar als we nog enigszins
kwaliteit willen op de voetbalvelden zal het een beetje minder moeten zijn.

Dan moeten we gaan naar ompetities die – zoals de Spaanse en
de Italiaanse – eind augustus/begin september beginnen, maximaal achttien
ploegen, maximaal acht interlands per jaar (schaf die oefeninterlands half
augustus en begin maart gewoon af, bijvoorbeeld), en eindigen begin mei. Laat
het WK of EK half mei starten en half juni eindigen. En dan kan de
voorbereiding op het nieuwe seizoen de tweede week van juli starten, zes weken
voor de start van een nieuwe competitie.

Less is more, ook
in het internationale topvoetbal. Maar ik besef meteen dat ik zowat alleen sta
met die opmerking, op een paar verlichte geesten die iets van fysieke conditie
kennen na. Want de clubs en de bonden willen altijd maar meer-meer-meer. Meer
wedstrijden = meer visibiliteit = meer inkomsten uit sponsoring en ticketverkoop.

Een vicieuze middencirkel.