‘To me, RIP is the
microwave dinner of posthumous honors’.

U bent gewaarschuwd. Nu volgt een microgolfmaaltijd. Een
vrij omvangrijke maaltijd, waarvoor bij voorbaat mijn excuses.

Lou Reed is dood, dat zal u niet ontgaan zijn. (Indien wel,
welkom terug op planeet Aarde!) Hij is 71 geworden, dat is bij benadering
veertig jaar ouder dan rockjournalisten begin jaren zeventig hadden
gepronostikeerd. Er liepen toen weddenschappen op redacties, over wie er het
eerst het loodje zou leggen: Keith Richards of Lou Reed? Het werd Reed, maar de
vraag is of die briefjes van twintig van destijds nog iets waard zijn vandaag,
want beide heren hebben alle morbide voorspellingen overleeft.

Reed leefde jarenlang op het randje en hij schreef daar
ook vrank en vrij over. Niet al zijn songs zijn autobiografisch en het
onderscheid tussen fictie en realiteit is niet altijd even duidelijk – Reed wou
zelf nooit uitleg geven bij zijn teksten, ‘You can’t ask me to explain the
lyrics because I won’t do it,’ bromde hij in één van de vele interviews waarin
hij de reporter tot tegen het plafond joeg -, maar je proeft zo de harde New
Yorkse werkelijkheid van de jaren zestig, zeventig en tachtig in zijn songs.

Hij was de chroniqueur van de Big Apple, de
stadsdichter pur sang, de man die in zijn zwaarste drugjaren niet van deze
wereld was, maar toch perfect aanvoelde hoe die wereld in mekaar stak. En die
op zijn zoveelste comeback-album, het briljante New York uit 1989, het beste snapshot ooit maakte van zijn stad.
Geen ‘If you can make it there, you’ll make it anywhere’, maar ‘No one here
dreams of being a doctor or a lawyer or anything / They dream of dealing on the
Dirty Boulevard’.

‘One chord is fine.
Two chords is pushing it. Three chords and you’re into jazz.’

Het werd het afgelopen etmaal al tot in den treure herhaald,
die boutade over de Velvet Underground: ze verkochten nauwelijks platen in die
tijd, maar iedereen die hen ooit live zag spelen, is daarna zelf een bandje gestart. U moet
zich dat proberen voor te stellen: The
Velvet Underground & Nico
, met die legendarische banaanhoes van Andy
Warhol, kwam uit in maart 1967, een paar maanden voor de Summer of Love, Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band en
Their Satanic Majesties Request.

Toen een commerciële flop, later een cultplaat en een
hebbeding dat elke rechtgeaarde muziekliefhebber in zijn platenkast wilde
hebben. Best mogelijk dat veel rockgroepen hun aarzeling om zelf een bandje te
beginnen lieten varen omdat ze merkten dat beperkte muzikanten met een beperkt
aantal akkoorden (liever één dan twee) zoveel impact konden hebben. Een goed
muzikant zijn, werd dank zij de Velvet ondergeschikt aan lef, attitude en een dwingende
boodschap.

De opener van die eerste plaat, Sunday Morning, tevens de eerste single van de groep, is een
lieflijk nummer in vergelijking met wat volgt. De afspraak met de dealer (I’m Waiting for the Man), sadomasochisme (Venus in Furs), de sfeer op decadente
feestjes (All Tomorrow’s Parties), heroïne (Heroin) en de dood (The Black Angel’s Death Song). Reed, op
dat moment toch al 25, schrijft messcherpe teksten. Zijn muzikale spitsbroeder
John Cale, precies een week jonger dan Reed, onderstreept die ruige poëzie op
bas, viola, cello en harpsichord. Sterling Morrison is de tweede gitarist, Moe
Tucker beroert de drums. ‘You can’t beat 2 guitars, bass, and drums,’ zou Reed
daar later over zeggen, al was er op die eerste elpee ook de onmisbare inbreng
van de Duitse zangeres Nico, een Femme
Fatale
, die de relatie tussen Reed en Cale op scherp zette.

Ik wou dat ik kon zeggen dat mijn jeugd werd opgefleurd door
de komst van de Velvet, maar dat was niet zo. Ik was nog veel te jong, amper
acht in 1967, en dan nog een brave jongen uit een burgerlijk milieu. Wist ik
veel wie Andy Warhol was, of de Velvet Underground. Mijn wereld bestond uit
Beerschot, Beerschot en, euh, Beerschot. Ik heb de Velvet pas in de jaren
tachtig ontdekt, op een ogenblik dat ze al mainstream
waren geworden na al het punk- en new wave-geweld.

Maar goed, laten we doen alsof het toch weer 1968 is en het
tweede album op de wereld wordt losgelaten, White
Light/White Heat
. De ontregelende, withete titelsong overrompelt de
luisteraar onmiddellijk. Maar het is afsluiter Sister Ray die je 17 minuten en 28 seconden in een roes brengt. Een
song over druggebruik, geweld en travestieten, die volgens de legende in één
take werd opgenomen.

Op Loaded staat Sweet Jane, een nummer dat vooral
memorabel is dank zij de gitaarintro, zovele jaren later nog altijd herkenbaar uit de duizenden. Vergeet ook
die live-elpee niet, 1969: The Velvet Underground
Live
, voor het eerst uitgebracht in… 1974, niet toevallig nadat Reed zijn
eerste solosucces had gevierd. Ik weet niet waarom, maar het bijna negen
minuten durende What Goes On heb ik
werkelijk grijsgedraaid, ook al is het een behoorlijk eenvoudige rocksong met
een simpele, repetitieve structuur.

En in 1984 was er nog VU,
door de slimme platenfirma Verve uitgebracht als ‘A collection of previously
unreleased recordings’. Tien tracks waarvoor de meeste muzikanten spontaan een
ledemaat zouden afgestaan hebben om ze te kunnen componeren, maar voor de
Velvet dus gewoon wat in de archieven teruggevonden restjes. Can’t Stand It Anymore, Stephanie Says en Foggy Notion zijn tijdloze prachtsongs, waarvan er in 1971 een aantal
op Lou Reed, de titelloze eerste
soloplaat van de man belandden. Zo ‘unreleased’ was het dus allemaal nu ook
weer niet!

‘That’s why I
survived because I still believe I’ve got something to say.’

En toen clashten de ego’s van Cale en Reed en splitte de
Velvet Underground in 1970, na amper vijf jaar en vier platen. Cale ging solo
optreden en beet af en toe een levende kip de strot af op het podium. Reed werkte
een tijdje als typist op zijn vaders boekhoudbedrijf, maar ondertekende
tegelijkertijd een platencontract bij RCA. Die eerste worp, Lou Reed, werd nog een flop, maar Transformer, uit 1972, deed de kassa
rinkelen.

David Bowie en Mick Ronson produceerden, Ronson speelde ook
gitaar op het album. Walk on the Wild
Side
werd een vette hit, ook al beseften de meeste kopers niet dat dit over
de zelfkant van de New Yorkse samenleving ging: travestieten, hoeren, pooiers,
dealers. We leerden Holly uit Miami kennen en Candy van ‘the Island’ en Little
Joe die niets gratis deed en Sugar Plum Fairy en de onfortuinlijke Jackie die
zich te pletter reed omdat ze dacht dat ze James Dean was. De meeste
luisteraars zongen vooral mee met ‘And the colored girls say / Doo do doo do
doo do do doo’. Het klonk allemaal veel onschuldiger dan het was.

Maar er waren ook het stevig rockende Vicious, het dromerige Perfect
Day
(dat over alles behalve een perfecte dag gaat, maar niettemin een
favoriete openingsdans op menig huwelijk werd) en het knap gearrangeerde Satellite of Love. Toen ik eind jaren
tachtig dank zij een vriendin die op het secretariaat van de Antwerpse homo- en
lesbiennevereniging werkte, als hetero mocht draaien op homofuiven sloot ik
steevast af met het treiterige Goodnight
Ladies
. Ach, om drie uur ’s nachts dansten de overblijvende jongens en meisjes op zowat alles. ‘One more word, it’s a lonely Saturday night.’
Beetje zielig einde van een feestelijke avond, als ik er zo over nadenk.

Na Transformer kwam
Berlin. Het was 1973, de jeugd was in
de ban van glamrock en hitfabrieken à la Mud, Bay City Rollers en The Sweet, en
Berlin werd zelfs door de critici
neergesabeld als té donker, té zwartgallig, té uitzichtloos. Pas twintig jaar
later volgde de erkenning, maar het veranderde wel Reeds gemoedsgesteldheid.
Sowieso al een knorrige, bijzonder sterk op zichzelf gerichte, narcistische
persoonlijkheid, ging hij na het floppen van Berlin helemaal zijn goesting doen, daarbij zelfs zijn meest
fanatieke fans koeionnerend.

Hij was zwaar aan de drugs, leefde zich op zijn manier uit,
geruchten over biseksualiteit en seksuele relaties met David Bowie en Mick Jagger gingen de
wereld rond, al gebeurde dat nog iets trager dan in deze tijd van sociale
media. Laten we zeggen: met een paar maanden vertraging.

‘I’m an artist and
that means I can be as egotistical as I want to be’

Sally Can’t Dance
is nog redelijk toegankelijk, maar het dubbelalbum Metal Machine Music vormde in 1975 Reeds opgestoken middenvinger
naar de wereld en de platenbusiness. Geen aanzet tot songs, geen poging tot
diepzinnigheid, geen bijtende teksten: meer dan een uur feedback en
gitaareffecten. Ik heb er nooit van gehouden en heb de integrale live
uitvoering van een paar jaar geleden aan mij laten voorbijgaan.

Volgden: een resem elpees die op zich wel de moeite waard waren,
maar nooit het niveau van Transformers
en Berlin haalden, al stonden er her
en der pareltjes op. Street Hassle,
bijvoorbeeld, met die briljante lange intro. Of Underneath the Bottle (van The
Blue Mask
). En Legendary Hearts.

Met New Sensations
uit 1984 bracht Reed onverwacht terug een, naar zijn normen, zeer toegankelijke
elpee uit, waarop het typische parlando af en toe zelfs plaats maakte voor een
poging tot vlekkeloos zingen. Ook de begeleidende tournee toonde een Reed die
zijn drugdemonen gedeeltelijk had afgeschud. De brombeer was dan wel gebleven,
maar hij speelde niet meer met zijn rug naar het publiek of produceerde geen
onsamenhangende zinnen. Vrienden die het concert van 11 maart 1975 hadden
bijgewoond in de Arenahal in Deurne hadden me verwittigd voor ’s mans
destructieve gedrag.

Op Rock Werchter vergastte hij de zestigduizend toeschouwers
op een rechttoe rechtaan concert, zonder franjes, maar wel met heel wat
publiekslievelingen op de setlist. Openers Sweet
Jane
en I’m Waiting for the Man
zetten de positieve toon, later volgden ook Walk
on the Wild Side
, Satellite of Love
en White Light/White Heat. Zelfs een
technische panne bracht Reed niet uit zijn humeur. Hij bleef geduldig wachten
tot het probleem hersteld was en ging dan gewoon door, twee uur lang.

Na New Sensations volgde
Mistrial, door velen beschouwd als
een mislukking, maar met toch een aantal topnummers: Video Violence, over te veel geweld op televisie, The Original Wrapper, waarin hij zich
ontpopt tot een uitstekende rapper, en Tell
It To Your Heart
, zowaar een optimistische song met tekstflarden als
‘Please don’t be afraid / We’re no teenage movie / That ends in tragedy / Tell
it to your heart’.

‘I don’t think
anybody is anybody else’s moral compass. Maybe listening to my music is not the
best idea if you live a very constricted life. Or maybe it is.’

Dan was er drie jaar stilte. Lou Reed was van de muzikale
radar verdwenen. Geruchten over druggebruik zwollen weer aan. Leeft hij nog?
Waar zit hij? Tussen juli 1987 en januari 1989 trad hij welgeteld vier keer op,
telkens heel kort. En toen… was er opeens New
York
. Een moker van een plaat. Teksten die door merg en been snijden, een
artiest die zijn zaakjes voor elkaar heeft, een rondrit door een stad die met
zichzelf worstelt.

De hoeren, travestieten, pooiers, dealers en agenten van Transformer zijn helemaal terug. En er
is die dodelijke ziekte, die New York en de rest van de wereld teistert sedert
begin van dat decennium: AIDS. ‘This celebration somehow gets me down /
Especially when I see you’re not around / There’s no Peter Pedantic saying
things romantic / In Latin, Greek or Spic’, zingt hij in Halloween Parade, waarin hij zijn dode vrienden en kennissen
beweent.

Optimisme is ook ver zoek in There Is No Time: ‘This is no time for Celebration / This is no
time for Shaking Hands’. New York
staat vol van dat soort donkere beschouwingen. In Dirty Blvd. droomt de hoofdfiguur, de jonge Pedro, ervan om ooit te
kunnen verdwijnen, ‘And fly fly away…’. Je weet als luisteraar gewoon dat hem
dat nooit zal lukken.

New York is een
Belangrijke Plaat, met hoofdletters, in een Belangrijk Jaar, waarin de wereld
compleet zou veranderen, al wisten we dat nog niet toen de elpee op 10 januari
uitkwam.

‘There’s only X
amount of time. You can do whatever you want with that time. It’s your time.’

Ondertussen hadden Lou Reed en John Cale zich opnieuw verzoend en
maakten ze een hommage aan hun ontdekker, de twee jaar voordien gestorven Andy
Warhol. Songs for Drella is een
waardig eerbetoon, spiritueel, waarin de muzikale duizendpoot en durfal (Cale)
en de gedreven tekstschrijver (Reed) hun krachten bundelden.

Ook Magic and Loss,
uit 1992, waarin Reed zijn overleden vriend Doc Pomus herdacht, is zelden
minder dan briljant. Een vijftigjarige artiest zingt over dood en verval,
vriendschap, respect, ook al heeft hij altijd beweerd dat hij niet achterom wou
kijken. Hij doet dat echter met verve, maar zonder zelf te vervallen in een RIP
die zo uit de microgolfoven lijkt te komen.

Daarna werd hij weer minder productief. Op Set the Twilight Reeling (1996) staat
het door een sexy bas aangedreven NYC Man
en Sex With Your Parents (Motherfucker)
met de beklijvende zinssnede ‘Something more disgusting than Robert Dole’,
waarin hij de republikeinse presidentskandidaat van dat jaar genadeloos over de hekel haalt.
Ook Ecstasy uit 2000 is zeker geen
mislukking over de hele lijn, maar de magie lijkt verdwenen. Och, misschien
valt u wel voor The Raven, Reeds
eigenzinnige eerbetoon aan Edgar Allan Poe, of krijgt u een stijve van Hudson River Wind Meditations, een
instrumentale cd waarop Reed zijn liefde voor Tai Chi verkondigt. Of met de
voeten van zijn trouwe publiek speelt, wie zal het zeggen?

Er volgen nog ‘projecten’, anders kan je ’t niet noemen!,
met John Zorn en zijn echtgenote Laurie Anderson, met Metal Machine Trio en met
Metallica (Lulu). In 2009 geeft hij
samen met Zorn en Anderson een legendarisch optreden op Jazz Middelheim;
legendarisch in die zin dat de verwachtingsvolle tent na een half optreden al
half leeggelopen was. Eén van de weglopers, die het irritante, experimentele
‘plinke plonke plank’-gedoe op het podium spuugzat was, was ik. Het is jammer genoeg
mijn laatste visuele herinnering aan dit rockicoon. Gelukkig zijn er nog de
goeie live-cd’s Perfect Night Live in
London
, Animal Serenade (waarop
hij de wereld laat kennismaken met de unieke stem van Antony Hegarty) en Berlin: Live at St. Ann’s Warehouse om
die slechte smaak weg te spoelen.
In augustus 2007 werd zijn echtgenote aan de heup geopereerd in Gent. Reed liep rond in de stad, volgde er Tai Chi-lessen en deed een verrassende cameo tijdens het optreden van zijn goede vriend Garland Jeffreys op de Lokerse Feesten. Daar kon je pas goed zien dat Lou-de-brompot ook een goed gecultiveerd imago was, want hij jutte het publiek mee op en joelde samen met Jeffreys ‘Are you happy?’ en ‘I love Belgium’. De mythe werd even mens.

‘I think life is far
too short to concentrate on your past. I rather look into the future’.

Er is één optreden dat me altijd zal bijblijven. 26 juni
1997, Supper Club, New York. Lou Reed in zijn thuisstad zien, dat leek een
fantastisch idee, ware het niet dat de zaal, qua grootte vergelijkbaar met de
AB in Brussel, al weken van tevoren was uitverkocht. Levend op hoop zetten we
ons ruim een uur vooraf in de buurt van de ingang, erop rekenend dat er wel
enkele jongens met tickets op de zwarte markt zouden zwieren.

Zo geschiedde. Maar de ‘100 dollars each’ die een imposante
afro-Amerikaan ons toeblafte, vonden we exuberant veel, zelfs om Lou Reed in
New York mee te maken. Ook de ’75 dollars’ die het een halfuurtje later bij
gebrek aan afnemers was geworden, schrikte ons af. Net wanneer we teleurgesteld wilden
opstappen, kwam er een man op ons af, die vroeg of we misschien tickets
nodig hadden. Twee van zijn vrienden konden er niet geraken en hij verkocht ze
aan inkoopprijs: 38 dollar. Mijn kreet van opwinding was tot op Times Square te
horen.

Reed speelde in een jazzbezetting: gitaar, contrabas, drums.
En hij bracht afgekloven versies van zijn bekendere werk, inclusief I’ll Be Your Mirror, Perfect Day, The Kids en Vicious (het imposante
openingskwartet) en Dirty Blvd. (het
laatste bisnummer). Een fijn, geïnspireerd, af en toe zelfs warm concert.
Achteraf kwam Reed aan de ingang van de zaal nog een babbeltje slaan met een
handvol trouwe fans. Wij bleven aan de overkant van de straat toekijken, schuw,
niet assertief genoeg om de artiest te benaderen voor een handtekening of een
schuchtere opmerking of vraag. Dat zijn zo van die dingen waar je achteraf
spijt van hebt.

Goodnight Lou, Lou goodnight, It’s time to say goodbye.