(Deze tekst verscheen
eerder deze week al op Knack.be.)

Waarde Senator,

Geachte heer Daems,

Beste Hendrik,

Ik heb uw opiniestuk in De
Morgen
van maandag met veel aandacht gelezen. Niet alleen omdat ik sowieso al geïnteresseerd
ben in politiek en gretig de meest uiteenlopende meningen consumeer, maar ook
omdat het thema dat u aansneed, werkloosheid, mij door omstandigheden na aan
het hart ligt. Die ‘na aan het hart’ mag u overigens met een dikke korrel zout nemen.
U moet namelijk weten dat ik bij de 433.824 uitkeringsgerechtigde werklozen
behoor, die eind augustus in de niet zo prettig lezende nationale statistieken
voor kwamen. U heeft zelf uitgerekend dat er in totaal zelfs 559.000 werklozen
zijn. Met andere woorden: er lopen in dit vrolijke landje van ons ook nog eens
126.000 mensen rond die geen werk hebben, maar ook geen recht op steun.

Sta me toe dat ik uw voorstellen even in twee paragrafen
samenvat, zodat de lezers meteen mee zijn, gesteld dat ze de overvloedige
aandacht voor uw ideeën in zowat alle media de voorbije week hebben gemist. U schrijft
dat de federale regering al ‘gewichtige inspanningen’ heeft gedaan om werklozen
‘opnieuw naar de arbeidsmarkt te begeleiden’. En u verwijst naar het afschaffen
van de wachtuitkeringen en de degressieve werkloosheidsvergoeding. Maar u
stoort zich aan het feit dat bijna honderdduizend Vlamingen meer dan een jaar
werkloos zijn, in vakjargon ‘langdurig werkloos’.

Ergens zag ik zelfs het magische woord ‘solidariteit’
voorbij flitsen, maar dan niet als een fundament van onze maatschappij, maar
als een soort waarschuwing: de solidariteit van deze samenleving is niet
rekbaar, daar kwam het ongeveer op neer. En dan komt het: u wil langdurig
werklozen verplichten om tenminste één dag per week gemeenschapsdienst te doen,
eventueel zelfs twee. Gratis, voor niets. Niet om de werkloze ‘te pesten met
onaangename taken’, o neen. ‘Ze kunnen nuttig werk verrichten voor de
maatschappij, die per slot van rekening ook solidair is met hen.’ schrijft u.

In dat laatste lees ik een botte waarschuwing, geachte heer
Daems, beste Hendrik, maar dat zal wel aan mij liggen. Ik begrijp namelijk niet
hoe de maatschappij, bijna elf miljoen Belgen min dat half miljoen
sukkels-zonder-werk, het recht zou hebben om niet meer solidair te zijn met
langdurig werklozen die niet gratis gemeenschapsdienst zouden willen
verrichten.

Ik permitteer me even een blik in de achteruitkijkspiegel.
Net als u ben ik van het gezegende jaar 1959, ik ben zelfs zeven maanden ouder.
Toen ik in 1982 afstudeerde was de economie compleet ingestort. Ik wilde journalist
worden en me intensief werpen op de actuele gebeurtenissen in de samenleving,
maar ik werd in die allesbehalve florissante jaren tachtig overdonderd met
begrippen als ‘crisis’, ‘inflatie’, ‘recessie’, ‘volmachten’ en…
‘werkloosheid’. Omdat ik ook nog zo principieel was dat ik burgerdienst wilde
doen, in plaats van braafjes naar het leger te gaan, mij gedurende twaalf
maanden te laten kleineren, klaar te staan om blind bevelen op te volgen en
vervolgens gedwee mijn plekje in de samenleving terug in te nemen, heb ik eerst
– in afwachting van die vermaledijde burgerdienst – een tijdje elke dag een
dopkaart laten afstempelen. Zo’n rode, weet u nog wel? Toen werd de werkloze
nog veel meer als een profiteur behandeld dan nu, trouwens. Pas in het stempellokaal
kon je zien hoe laat je de volgende dag verwacht werd om je stempel te komen
ophalen, noodzakelijk om je recht op werklozensteun niet te verliezen. Ja, dat
waren tijden: werklozen voelden zich als opgejaagd wild, schuldig voor iets
waar ze totaal geen schuld aan hadden.

Er werden toen ook oplossingen gezocht en nauwelijks
gevonden. Herinnert u zich de zogeheten ‘nepstatuten’ nog? BTK en DAC, en dat
soort dingen. Je moest dan voor een habbekrats gaan werken in onderbemande
sectoren, maar ondanks alle tekortkomingen hebben die ‘nepstatuten’ vele
werklozen aan al dan niet tijdelijk werk geholpen, vonden ze vervolgens hun weg
in het circuit en geraakten ze in vele gevallen toch nog aan een volwaardige
job. Bovendien: die ‘habbekrats’ is nog altijd meer dan ‘niets’.

Op drie vervelende maanden begin jaren negentig na heb ik
vijfentwintig jaar ononderbroken gewerkt, waarde senator. Al duurde het maar
liefst elfeneenhalf jaar vóór ik uiteindelijk kon doen waarvoor ik mij geroepen
voelde: journalistiek bedrijven. Ik ben echter niet bij de pakken blijven
zitten, heb werk gezocht buiten mijn interessesfeer en heb dat ook met de
nodige bravoure gedaan, al zeg ik het zelf. Maar kijk, het kan verkeren, al zal
Bredero dat destijds niet in negatieve zin bedoeld hebben. Na heel wat prettige
jaren in de media en een mislukt avontuur als communicatieverantwoordelijke/woordvoerder
bij een voetbalclub zit ik sinds eind juni 2011 thuis. Inderdaad, ik behoor tot
uw doelgroep van langdurig werklozen die best iets voor de gemeenschap zouden
mogen doen, in ruil voor het voortzetten van die maandelijkse storting op hun
bankrekening.

Ik heb mij de pleuris gezocht om werk te vinden, waarde
senator. Op eenvoudig verzoek wil ik u alle mails met sollicitatiebrieven
bezorgen. Het zijn er een pak meer dan honderd, met daarbovenop nog eens een
veelvoud aan spontane sollicitaties. U moet beseffen: ik wil werken. Ik wil
hàrd werken. Ik wil zelfs werken tot mijn 75ste, geen probleem, maar dat begint
best nu al, begrijpt u? Ik ben de staat dankbaar voor dat vangnet, heus wel, maar
ik wil niet vereenzelvigd worden met dat buitengewoon kleinerende beeld van die
hangmat, waarin werklozen zich zogezegd nestelen. ‘Zogezegd’, door mensen die
wél werk hebben en die solidariteit zo niet overbodig, dan toch overdreven
vinden. Mensen zoals u, blijkbaar. U vergeet dat ik intussen vijfentwintig jaar
heb afgedragen om die solidariteit, waar ik heilig in geloof, in stand te
helpen houden. Ik heb anderen daar jarenlang mee geholpen, nu ben ik degene die
recht heeft op hulp. Zo zie ik dat. Zo werkt solidariteit. Want als u vindt dat
werklozen een tegenprestatie moeten leveren voor de steun die ze ontvangen,
bent u dan ook zo consequent om van chronische zieken een tegenprestatie te
eisen?

Maar genoeg over mezelf. Het moet maar eens gedaan zijn met
dat populistische gezwets over werklozen, die te lui of te dom zijn om werk te
vinden. Ik ken de cijfers niet, maar ik maak me sterk dat het aantal werklozen
dat zich werkelijk nestelt in de werkloosheid en dat dat statuut misbruikt om vooral
gerust gelaten te worden, zeker geen tien procent van het totale aantal
bedraagt. Ik vermoed: niet eens vijf procent. Af en toe zit er wel een
spectaculaire sjoemelaar tussen. Ik zeg maar wat, een Gentse ondernemer die
jaren profiteert van het systeem en ondertussen als bedrijfsleider onderbetaalde
arbeiders uitbuit op een werf. U heeft dat vast ook wel gelezen. Voor dat soort
mensen is onze overheid wel toegeeflijker, want ja, we moeten respect hebben
voor onze ondernemers, nietwaar, zelfs als ze de kluit belazeren. Ondernemers
zijn goden, werklozen nietige wezens. Zelfs bankiers genieten vandaag nog
altijd een hoger aanzien dan werklozen.

Beste Rik en gelijkgezinden, hou nu eens op met het
stigmatiseren van werklozen! Op een minimale fractie uitzonderingen na is het
niet de schuld van werklozen dat ze werkloos zijn. Er is namelijk onvoldoende
werk, zo eenvoudig is het. Als de economie slabakt, als dat uitermate
vervelende zelfstandige naamwoord ‘crisis’ wordt bovengehaald, als de begroting
maar niet in evenwicht raakt, dan moet je vooral niet met de vinger gaan wijzen
naar de sukkelaars, die om één of andere reden tijdelijk, of langer, naast de
boot vallen. Die elke week een handvol brieven of mails sturen naar bedrijven
die een vacature hebben geplaatst die min of meer past binnen hun profiel en
die daarna veel te lang in spanning zitten te wachten op een antwoord dat
meestal begint met ‘We danken u voor uw interesse in ons bedrijf’ en al snel
tot de orde van de dag overgaat met een droog ‘Helaas beantwoordt uw profiel
niet voldoende…’ of ‘Aangezien andere kandidaten beter aansluiten bij het
vereiste profiel…’, àls ze al een reactie krijgen. Want u moet u realiseren,
geachte heer Daems, dat de onbeleefdheid van bedrijven geen grenzen kent. Er
zijn immers nog zovele wachtenden vóór u, werkloze, reken dus niet op een
correcte behandeling, zo lezen wij dat tussen de lijnen.

Ik schreef al dat de meeste werklozen geen schuld hebben aan
hun situatie, maar toch voelen we ons schuldig. Dat is onvermijdelijk. De
westerse samenleving hekelt per definitie al wie geen bijdrage levert tot het
Bruto Binnenlands Product, dus ga je daar zelf in mee. Weet u hoe dat voelt:
nutteloos? Ik zou een flauw grapje kunnen maken en verwijzen naar het door heel
wat waarnemers overbodig geachte politieke cenakel waar u lid van bent, de
senaat, maar dat ga ik niet doen. Toch niet hier en nu en rond dit onderwerp.

Ik ga u niet eens beschuldigen van populisme en van vals
spelen met statistieken, zoals de Duitsers doen met hun mini-jobs. Frau Merkel
pakt daar geregeld uit met een daling van de werkloosheidscijfers. Ze roept dan
luid iets als ‘Eureka, dank zij mijn regering daalt het aantal werklozen alweer’,
maar dan in het Duits. Wat ze er niet bij vertelt, is dat die mini-jobs een
micro-loon opleveren, zonder dat je sociale zekerheid opbouwt voor later. Dat
klinkt heel erg Amerikaans, vindt u niet? Maar allicht stoort u dat niet. Als
ik mij even mag laten gaan: uw ideetje over die gemeenschapsdienst voor
werklozen kan je perfect vergelijken met de manier waarop de Tea Party heden denkt
over Obamacare. Sukkels hebben geen recht op basisvoorzieningen, zo denken de
ultraliberale Amerikaanse republikeinen. U zegt: ach, die werklozensteun, daar
kan ik niets tegen doen, maar de werklozen moeten zich dan maar gratis inzetten
voor een samenleving waar ze, in de ogen van u en de uwen, vandaag geen zinvolle
bijdrage toe leveren. Toegegeven, in de media werd uw visie ietwat simplistisch
vernauwd tot het gratis gaan werken in een cafétaria. U weet hoe dat gaat: de
boodschap versimpelen, zodat iedereen zich dat visueel kan voorstellen.

Wat u doet, is van de werklozen nog wat meer paria’s te
maken. Mensen die het moeilijk hebben, nog wat extra in de put duwen. Mensen
die geen werk vinden, het gevoel geven dat het hun eigen schuld, dikke bult is.
Mensen die dankbaar zijn voor ons sociale zekerheidssysteem op het hart drukken
dat ze elke dag moeten beginnen met ‘Dank u’ zeggen tegen de samenleving.

In Nederland en Groot-Brittannië werkt die
gemeenschapsdienst al, zo las ik. Weet u wat ze in Den Haag hebben geflikt met
een 53-jarige werkloze straatveger? Hij mocht… de straat gaan vegen, maar dit
keer wel gratis. Hoe moet zo’n man zich voelen, beste Rik? Kan je iemand nóg
dieper beledigen? Kan je nog meer onderstrepen hoe nutteloos en, ja, zelfs
overbodig die man is? Je kan hem volgende keer net zo goed een touw geven en de
dichtstbijzijnde boom aanwijzen.

Overigens hoeft u zich geen zorgen te maken over mij
persoonlijk, waarde senator. Ik trek mijn plan wel. En als het aantal
interimopdrachten als journalist zich aan het huidige tempo blijft uitbreiden,
wil ik straks de sprong wagen en zelfstandig worden. Dat zal mijn gevoel van
eigenwaarde goed doen en in de statistieken mag u dan één streepje verwijderen.
Maar ik zal daarom niet de fout begaan die vele werkenden maken en neerkijken
op de overblijvende werklozen. Daarvoor weet ik verdomd goed wat het betekent
om geen werk te hebben. Elke werkloze is een mens, die als een mens behandeld
moet worden.

Misschien moet u dat ook eens doen: foto’s opvragen van die
433.824. Mogelijk gaat u hen dan niet meer beschouwen als een louter
statistisch gegeven, maar als mensen van vlees en bloed, met hun gaven en
gebreken, met hun wensen en noden en met hun angstige hoop dat het ooit weer
beter wordt. Of laat de kunstschilder in u zich uitleven en maak een portret
van hen. Dat kan therapeutisch werken.

Tot slot: waarom probeert u geen écht werk te creëren,
waarde senator? Behoort het niet tot het takenpakket van onze politici om de
samenleving te verbeteren, om reële oplossingen te zoeken voor reële problemen,
om zowel met de korte als de langere termijn bezig te zijn? Maar ik begrijp dat
wel, hoor: één populistische kreet, die je om de tien jaar herhaalt, is veel
makkelijker en klinkt veel luider dan het in alle stilte uitwerken van
langetermijn-oplossingen, want daar krijg je zelden applaus voor en dat
vertaalt zich helaas niet onmiddellijk in een rood gemaakt bolletje achter uw
naam in het kieshokje.

Met vriendelijke groet,

Frank Van Laeken.

PS 1: Kunt u nog even laten weten hoe laat ik vanavond
verwacht wordt om achter de toog te staan van café Den Dommelenden Dopper, want
dat is mij in alle commotie even ontgaan?

PS 2: Wel zo slim dat u dit keer niet poseerde op de trappen
van uw riante villa, de provocatie is dit keer draaglijker.