Beeld: een stofwolk die het hele scherm inpalmt. Als je goed
kijkt, zie je de contouren van kromgebogen heerschappen die langzaamaan
herkenbaar worden. Herkenbaar, dat is: je ziet dat het wielrenners zijn, aan
het tweewielig tuig waarop ze zich voortbewegen. Maar hun grijsgrauwe gezichten
laten geen herkenning toe. Het zijn figuren die uit één of andere gruwelijke
oorlogsfilm lijken weggeplukt. Gorillas
in the Mist
, maar dan zonder mensapen in de hoofdrol. Een zonnestraal priemt
moeizaam door het dikke stoftapijt.

Klank: de ijle gitaarklanken van Ry Cooder op de soundtrack
van Paris, Texas. Spaarzaam plukt de
meester aan zijn instrument. Noot per noot articulerend, maar toch bijzonder
intens. Deze muziek past bij weidse vlakten. Maar ook bij pedaalridders die
zich een weg door stof en zand banen, vond de maker van de reportage. Vond ik,
dus.

Het jaar was 1997 en ik mocht voor de VRT een
voorbeschouwend stuk maken op de Parijs-Roubaix van dat jaar. Een paar weken
vóór de klassieker tussen Compiègne en de wielerbaan van Roubaix werd
verreden, trok ik met een cameraploeg naar een reünie van Belgische ex-winnaars
van de helleklassieker. Walter Godefroot (winnaar 1969), Roger Rosiers (1971),
Eric Vanderaerden (1987), Dirk Demol (1988), Jean-Marie Wampers (1989), Eddy
Planckaert (1990) en de onvermijdelijke Roger “Monsieur
Paris-Roubaix” De Vlaeminck (1972-1974-1975-1977) vertelden er breeduit
over hun tocht door de Hel van het Noorden. Alleen Eddy Merckx (zegevierend in
1968, 1970 en 1973) ontbrak op het appèl. Hoe later op de avond (hoe meer wijn
in de man), hoe schoner de verhalen werden. Lichtjes aangedikt, vermoed ik.
Maar een zegen voor een reportagemaker.

***

Dokkeren. Het
werkwoord lijkt wel uitgevonden voor Parijs-Roubaix. Dit is de koers waarin de
renners meer dan vijftig kilometer letterlijk met de daver op het lijf rijden. Zeker wanneer ze de
vijfsterrenstroken onder de wielen geschoven krijgen. Het mytische Bos van
Wallers-Arenberg, het verraderlijke Mons-en-Pévèle en het vaak doorslaggevende
Carrefour de l’Arbre. Maar het onheil kan een renner ook overkomen op een als minder gevaarlijk bekend staande kasseistrook, zoals het quasi onbeduidende Hem bijvoorbeeld, waar Johan Museeuw ooit lek reed, toen hij op weg was
naar een evenaring van het record van Roger De Vlaeminck.

Parijs-Roubaix, dat is een moeilijke koers bij gewone
weersomstandigheden, een nog moeilijkere koers als het lang zonnig en droog is
gebleven (denk aan ‘mijn’ stofwolk van hierboven) en een bijna onmogelijke
koers als het langdurig en veelvuldig geregend heeft, want dan wordt het
ploeteren door het slijk. Ik herinner me oude zwart/wit-beelden van coureurs die,
na eerst urenlang hun lichaam geteisterd te hebben op de oneffen ondergrond,
met aangekoekte modder op gezicht en armen hun beurt stonden af te wachten om
onder een primitieve douche de hel van zich af te spoelen.

Heroïek, dat is Parijs-Roubaix, veel meer dan eender welke
andere klassieker. Dat zijn de aartsrivalen Tchmil en Museeuw, die in 1994 een
strijd van man tegen man reden, waarbij de knoestige (toen nog) Moldaviër vele
kilometers een voorsprong van niet meer dan honderd meter had op de Flandrien,
tot die laatste het uiteindelijk begaf. Dat is Johan Museeuw, die in 2002 bij
het solo overschrijden van de aankomststreep ostentatief naar zijn knie wees,
anderhalf jaar na een zwaar motorongeluk dat hem bijna het leven kostte. Dat is
Tom Boonen, die vorig jaar het record van De Vlaeminck evenaarde na een ware
demonstratie op wielen.

En toch… In tegenstelling tot zware wedstrijden als
Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Lombardije, waar bijna zonder uitzondering de beste wint, heeft Parijs-Roubaix ook heel wat toevallige winnaars
gekend. Verdienstelijke renners, daar niet van, maar die in een koers die traditioneel
bol staat van pech en ongeluk net die ene dag ‘goede benen’ koppelden aan
meeval (en tegenslag voor de anderen). Johan Vansummeren, twee jaar geleden,
Stuart O’Grady in 2007, Magnus Bäckstedt in 2004, Servais Knaven in 2001,
Frédéric Guesdon in 1997, Dirk Demol in 1988. Renners die zelden of nooit
uitblonken in de grote klassiekers, maar die op de kasseien van Noord-Frankrijk
één begenadigde dag beleefden.

Of Gilbert Duclos-Lassalle, de toevallige winnaar van 1992,
die dat huzarenstukje een jaar nadien overdeed opdat we met zijn allen het
adjectief ‘toevallig’ zouden laten vallen. En die op een regenachtige maandag
in juli 2002 mijn chauffeur was toen ik als VIP de Tourrit van Luxemburg naar
Saarbrücken mocht meemaken. Dat verhaal vertel ik later nog wel eens op deze
plek.

***

De enige die Fabian Cancellara zondag kan verslaan is…
Fabian Cancellara. Al twee keer tegen de vlakte gegaan de voorbije week, eerst tijdens
de Scheldeprijs in Schoten, een dag later tijdens een verkennningstocht op de
kasseien. Een voorbode van meer onheil? Schaafwonden die bijzonder hinderlijk
zijn als je straks vele uren op fietsonvriendelijke wegen moet rijden?

Ik hoop drie dingen. Eén, dat het weer een onvergetelijke
kijkervaring wordt, zo eentje waar je nagelbijtend van in je zetel blijft
zitten, intussen met veel moeite je plas ophoudend omdat je geen seconde van het spektakel wil
missen, met aan het eind een verdiende en oppermachtige held op het hoogste
schavotje.

Twéé, dat we niet opnieuw een podiumceremonie moeten meemaken
zoals in Oudenaarde, met een schalkse ruiter die denkt dat hij zich alles kan
permitteren en met seksistische oprispingen van mensen waarvan je dacht (of
hoopte) dat ze dat nepstoere stadium allang gepasseerd waren.

Drie, dat Parijs-Roubaix nooit wordt overgenomen door de
organisatoren van de Ronde van Vlaanderen. Het risico is te groot dat die de
kasseistroken zouden schrappen omdat je daar geen VIP-tenten kunt zetten en dat
ze de wedstrijd laten eindigen met twintig rondjes op de velodroom van Roubaix.