Hij heeft dus bekend. Niet dat dat een complete verrassing
was, want waarom zou Hij zich anders hebben aangeboden als ‘gewillig
slachtoffer’ van Oprah Winfrey? Maar het viel wat tegen, vonden de
mediawatchers: Hij gaf weliswaar toe dat Hij zijn Tourzeges, alle zeven, op EPO
en andere verboden producten had gereden, maar Hij verlinkte niemand. Hij gaf
verder nog toe dat Hij arrogant is geweest, een onverbeterlijke Leugenaar, een
Man die zijn zoon nauwelijks nog onder ogen durfde komen in dat web van halve
waarheden en hele leugens. Stokkende stem, opwellende tranen, deemoedig
gebogen hoofd, enfin: Oprah!

Hij, dat is Lance Armstrong, aka de (voormalige) God van het
wielrennen. En nu schakel ik over op ‘hij’, met kleine letter vooraan, want het
goddelijke is intussen ver zoek, bij de Amerikaan. Hij kreeg de hele wereld
over zich heen. Wie in het verleden altijd met hem had gedweept, riep: ‘De
anderen zaten ook aan het spul!’ Wie hem haatte, riep: ‘Zie je wel!’ Wie
neutraal bleef, riep: ‘Ach, die coureurs!’ De wielerjournalisten die zich tot
een week geleden gedroegen als gedweeë volgelingen van ‘the Man and the Myth’
werden prompt grootinquisiteurs. Zo gaat dat nu eenmaal. Helden die van
hun voetstuk vallen, krijgen nog een trap na.

De hypocrisie die je een tijdje geleden al proefde rond die
Panorama-reportage over zwartgeld in het Belgisch voetbal (en nog eerder rond
de omkopingszaak-Zheyun Ye), kwam nu dubbeldik naar boven. Want Lance, da’s nog
net iets bigger dan wat sjoemelende neringdoeners
stiekem uitrichten in een Mickey Mouse-competitie. Lance = big business. En dat
zal hij ook na het Oprah-interview blijven.

Mijn gok: een flink betaalde lezingentour, een lucratieve
filmdeal (fictie én documentaire, al is het bij Armstrong niet meteen duidelijk
wanneer de non-fictie overgaat in fictie), en uiteraard ook een boekendeal
(suggestie: ’50 Shades of Yellow’, dat verkoopt goed als titel). Mogelijk ook een
nominatie als republikeins presidentskandidaat in 2016.

En mevrouw Winfrey – by the way: één van de slechtste
interviewers die ik ooit bezig zag – kon de tanende kijkcijfers van haar
tv-station Own opkrikken. Dat heet win-win, in marketingtermen. Dit interview
was dan ook doorgestoken kaart, van begin tot einde. De scheidingslijn tussen
journalistiek en hoernalistiek is een flinterdunne, dat wisten we al.

Scorebordjournalistiek

Het geval-Armstrong toont nogmaals aan dat goedgelovigheid
en dwepen met ‘grote’ kampioenen niet thuishoren in de sportjournalistiek, die
al te vaak scorebordjournalistiek blijkt te zijn. Als je luid genoeg meejuicht
met de winnaars, dan word je zelf ook bejubeld, denken velen.

Wijlen Piet Theys, de legendarische mentor van de al even
wijlen en legendarische Jan Wauters, zei het ooit treffend in de documentaire Dood van een sandwichman, die Robbe De
Hert maakte naar aanleiding van de begrafenis van Jean-Pierre Monseré:
‘Vereenzelvig u met het succes van de succesvollen op het ogenblik dat ze
succes hebben en een deel van het succes zal op u afstralen.’

Jarenlang werden de prestaties van Armstrong bovenaards
genoemd. Hij was de redder van het wielrennen, weet-u-nog, na de Festina-Tour
van 1998. Plots stond daar die Texaan op uit de doden, net in remissie
verklaard na teelbalkanker, iemand die wel zuiver op de graat móest rijden,
want hij zou toch zijn leven niet riskeren om beter te presteren op de fiets?
Ja, dus.

Ik beken: toen ik zelf nog freelance journalist was, heb ik
mij ook laten meeslepen door het enthousiasme rond sportieve prestaties van
figuren die achteraf ootmoedig toegaven dat ze vals hadden gespeeld en aan het
spul hadden gezeten. Toen ik aan het eind van de Tour van 1996 een montage van
de mooiste fragmenten op muziek zette, gebruikte ik (‘What if God was’) One of us van Joan Osborne op beelden
van de triomferende Bjarne Riis. Ja, foutje. Als Oprah mij uitnodigt, zal ik
het grif toegeven. Ik ga er wel geen traan om laten.

Maar ik had snel door dat ik fout zat met die idolatrie. Het
was slechts een tijdelijk geval van zinsverbijstering, gelukkig. Daarna schreef
ik een boek over de wantoestanden in het Belgische voetbal (Blunderboek van het Belgisch voetbal),
over zaken die iedereen in het milieu allang wist, maar nooit zei of schreef.
Omertà hoort nu eenmaal bij sportjournalistiek. Overal ter wereld trouwens. En
ik maakte ook reportages over doping, omkoping en andere achterkanten van
sportieve eer & glorie. Ik werd scheef bekeken door collega’s, die mij maar
een rare snuiter vonden, die hen dan nog eens voor de voeten ging lopen.

Onderzoeksjournalistiek

Onderzoeksjournalistiek is tegenwoordig stevig in de
verdrukking. Snelle, hapklare verhalen verkopen beter – denken uitgevers – dan
diepgravende, revelerende en beredeneerde artikels waar veel zweet en tranen in
gekropen zijn. Onderzoeksjournalistiek in de sportwereld bevindt zich al helemaal
in de taboesfeer. Als je stukken leest over doping of omkoping, dan kan je er
bijna donder op zeggen dat ze geschreven werden door journalisten van de
algemene redactie of door freelancers. Zelden of nooit door vaste medewerkers
op de sportredactie. Want die willen graag nadien nog op goede voet blijven staan
met de grote tenoren in hùn sport.

Toen Het Laatste Nieuws begin 1997 uitpakte met de
omkopingsaffaire Anderlecht – Nottingham uit 1984 werd het oorspronkelijke
artikel geschreven door journalisten van de algemene redactie. De follow-up – de clubleiding die bij hoog
en bij laag beweerde dat er niets aan de hand was – werd dan weer wel gepleegd
door de vaste voetbaljournalisten. Daarna ging ik de zaak uitspitten: ik, een
freelancer die nergens thuis was bij die club. Die wet geldt ook vandaag nog: als
er bij onze tv-stations een reportage wordt gedraaid rond wanpraktijken in de
sportwereld, zijn sportjournalisten zelden in de buurt om eraan mee te werken.

Het beeld van de onderzoeksjournalist wijkt dan ook sterk af
van dat van de op het gejuich op de tribunes meedeinende commentator of
reporter. Je haalt hem er zo uit op een redactie: meestal een man, slonzig
gekleed, half geschoren, haar in de war alsof ie net uit bed is gestapt, beetje
humeurig, afwezig in doodgewone gesprekken, veel te lange telefoongesprekken
voerend, voortdurend naar zijn computer starend, sloten koffie drinkend. Een
beetje een eenzaat. Iemand die wordt buiten gekeken. Een nestbevuiler. Maar in
feite iemand die vaak zijn tijd lang vooruit is en die vreemd opkijkt wanneer
zijn collega’s een hele poos later opschrikken van één of andere
onverkwikkelijke affaire. Zij zeggen dan: ‘Dat kan toch niet!’ Hij zegt dan:
‘Ik had jullie toen al gewaarschuwd.’

Onderzoeksjournalisten zijn zoals sneeuwruimers: wachtend op
miserie, onvoldoende gewaardeerd en er zijn er altijd te weinig van op het
moment dat je ze nodig hebt.

Afstandelijkheid

Scorebordjournalistiek, ach, het ligt zo voor de hand. Niets
menselijks is ons vreemd, en dat geldt dus ook voor sportjournalisten. En dus
zijn ze nu al op zoek naar Nieuwe Helden, die vervolgens van hun voetstuk
kunnen tuimelen. Of niet. Want het is natuurlijk even fout om iederéén te gaan
beschuldigen, dan om te zeggen dat er niets aan de hand is. Zeggen dat
Armstrong een kind van zijn tijd is, versta: de tijd van het ongecontroleerde
dopinggebruik, is onrecht aandoen aan die renners die het wel correct
hebben gespeeld. Ook dat is eigen aan de hapsnap-journalistiek van vandaag: de
slinger gaat dan plots helemaal de andere richting uit. Wat eerst boven alle
verdenking stond, is dan ineens volkomen onbetrouwbaar. Maar onbetrouwbaar is alleen de journalist die zo te werk gaat.

Wat we nodig hebben is meer afstandelijkheid. Betrokkenheid
en medeleven zijn mooi, maar je mag niet figuurlijk mee op het terrein gaan
staan. Rik De Saedeleer, de mythische voetbalcommentator van weleer, overlegde
met bondscoach Guy Thys hoe de ideale elf van de Rode Duivels er moest uitzien.
De Saedeleer was een Mitspieler, die
zo ver ging dat hij mee aan de poten van de stoel zaagde van een jonge
bondscoach, Walter Meeuws, die zo eigengereid was om de heren journalisten
(letterlijk!) van het veld te jagen op training en die zich niet liet leiden
door de ‘goeie raad’ van de journalisten bij het samenstellen van zijn elftal.
Meeuws speelde gedurfd en aanvallend voetbal (3-0 tegen Portugal en Denemarken,
zoek de beelden maar op!), maar werd door de pers gekapitteld na enkele tegenvallende
resultaten en vervolgens ontslagen door de medeplichtige voetbalbond. Meer dan
vandaag hadden voetbaljournalisten toen de macht om trainers en voetballers te
maken en te kraken, ook Enzo Scifo kan daarvan meepraten.

Laat de supporters maar brullen van ‘Tommeke’, ‘Kimmeke’ en
‘Justineke’, en hopelijk volgend jaar, op weg naar de wereldtitel, ook van
‘Vincentke’, ‘Edenke’ en ‘Marouaneke’. Daar dienen supporters voor: om
ongenuanceerd en subjectief steun te verlenen aan hun idolen. Sportjournalisten
moeten objectiviteit nastreven, zoals àlle journalisten dat behoren te doen.
Zij moeten spreken van Boonen, Clijsters, Henin, Kompany, Hazard en Fellaini.
Als ze dat consequent toepassen, zal de massa hen minder met de vinger wijzen
wanneer er weer één of ander schandaal opdoemt. En ze zullen meteen aan
geloofwaardigheid winnen.

Versta me niet verkeerd: je moet niet elke prestatie meteen
verketteren en verdacht maken. De stem verheffen bij een doelpunt of als een
wielrenner als eerste over de streep rijdt, het hoort er gewoon bij. Maar
enthousiasme en passie mogen nooit ondergesneeuwd worden door medeplichtigheid
en het ‘horen, zien & zwijgen’-principe. De goeie journalist weet wanneer
hij op de rem moet gaan staan: hij toont empathie en interesse, maar laat zich
niet meeslepen en behoudt afstand tot zijn onderwerp. Helaas wordt het aantal
goeie journalisten schaarser met de dag. En dat geldt niet alleen in de sport.

Terug naar de basis

Journalistiek is vandaag de dag bijna uitsluitend nog embedded: je wordt mee opgenomen in de
club, als je je aanpast aan de gedragsregels van die club. En dus word je, voor
je het goed en wel beseft, lid van de club. Club kan in dit geval overigens zowel
gelezen worden als sportvereniging, politieke partij, bedrijfssector,
enzovoort. Geef mij dan maar dat sjofele type dat bij zijn negende koffie van
de dag, het haar inmiddels stijf rechtop staand door al die cafeïne, luidkeels ‘Eureka!’
roept, wanneer hij net iets ontdekt heeft waarnaar hij al maanden aan het
zoeken is.

Journalisten zijn te volgzaam en te braaf geworden. Een
journalist zou per definitie iemand moeten zijn die vanaf de zijlijn kritisch
toekijkt en notities maakt. Hij (m/v) kan best geen vrienden maken in de sector
waarin hij actief is, want dan wordt hij teveel mee in het bad getrokken.
Oprechte boosheid en verontwaardiging helpen hem bij de uitoefening van zijn
job. Een ietwat slecht karakter, zin voor relativering, oog voor detail,
analytisch vernuft en deductievermogen even zeer. Een journalist moet geen
allemansvriend proberen te zijn. Hij is een doorgeefluik tussen het nieuws en
de nieuwsconsument. Niet meer, maar zeker ook niet minder.

Figuren als Oprah Winfrey helpen de reputatie van ernstige
journalisten en interviewers om zeep. Schimmige deals zijn slecht voor de
geloofwaardigheid van het vak. En ze leverden bovendien weinig opzienbarende
televisie op. Maar ja, wie ben ik? Armstrong tevreden, Winfrey tevreden, redacties
tevreden omdat er dagenlang pagina’s en zendtijd konden gevuld worden met
speculatieve artikels (vooraf) en moraliserende afrekeningsjournalistiek
(achteraf). Wie maalt er om een buitenstaander die dit een gemiste kans noemt?