De
absurdste kop die van de week te lezen viel stond woensdagavond boven een
artikel op newsmonkey.be. ‘Mark Rutte
wint met glans verkiezingen in Nederland, Wilders krijgt uppercut’. Op dat
ogenblik was de definitieve uitslag nog niet bekend. De exit polls — vinger aan
de pols van de kiezers die net het stembureau hadden verlaten — gaven aan dat
de VVD van Rutte tien zetels had verloren. Later zou dat worden gecorrigeerd
tot acht zetels verlies. De PVV van Wilders won er vier (uiteindelijk werden
dat er vijf).

‘Met glans
winnen’ en ‘uppercut’ kregen zo een nieuwe dimensie. Winnaars worden verliezers
en verliezers worden winnaars. Dat gebeurt altijd bij verkiezingen, maar meestal
komt die onzin uit de mond van de politici zelf, niet uit het klavier van een
journalist. Een correctere titel had geweest: ‘Partij van Rutte verliest één op
vijf zetels, maar blijft de grootste. Winst Wilders kleiner dan verwacht’. Of
‘gevreesd’, zo u wil. En ja, ik besef ook wel dat de inzet van de Nederlandse
parlementsverkiezingen niet alleen over procenten en zetels ging, maar ook over
wie de grootste partij zou hebben: Rutte of Wilders? Die strijd heeft Rutte
gewonnen, maar laten we die ‘glans’ best achterwege laten.

***

Met
verkiezingen is het als met wedstrijden van de nationale voetbalploeg: iedereen
die geïnteresseerd is, heeft er een mening over. En heeft ook dadelijk een
analyse bij de hand. Nederland telt bij benadering 12 miljoen bondscoaches (de
voetbalhaters buiten beschouwing gelaten), België zo’n 7,5 miljoen. Allemaal
weten ze hoe het moet, wat er goed of fout liep, wiens schuld dat is, wat de
gevolgen zijn en hoe het de volgende keer moet worden aangepakt. Zo ging dat
ook bij deze verkiezingen. Een stem voor Europa, las ik op vele plekken. Gezond
verstand keert terug, zo werd gekwaakt. Populisme wordt een halt toegeroepen,
dat ook nog. Doe eens normaal, zou ik willen roepen. Wacht even af wat de
verkiezingen in Frankrijk en Duitsland zullen geven. En vergeet niet dat Donald
Trump in het Witte Huis zit en dat 46 op 100 Oostenrijkers in december een
extreemrechtse kandidaat wilden als hun president. Bovendien: als andere
partijen het discours van extreemrechts laten binnensijpelen in hun eigen
retoriek, dan hoef je niet eens in de regering te belanden om je programma waar
te maken. Dat zie je bij ons, dat merk je ook in Nederland. Dewinter en Wilders
krijgen meer gedaan op de oppositiebanken dan als lid van een regering.

De feiten:
de VVD behaalde 21,3 procent. Iets meer dan één op vijf stemmen dus, tegenover
meer dan één op vier vijf jaar geleden. Een glansrijke opdoffer is dat, in mijn
ogen. De PVV steeg van 10,1 naar 13,1 procent. In kiezers vertaald: van één op
tien naar ongeveer één op acht. Niet echt een uppercut. De PvdA tuimelde van
24,8% naar 5,7%. Dát, beste lezer, is een uppercut. Een knock-out die ietwat bokser
niet snel te boven komt. In 2012 was de Partij van de Arbeid nog de tweede
partij van Nederland, nu de zevende. Nog een feit: de opkomst was hoog, 77,7 procent. Ook daar werden verregaande conclusies aan verbonden: tégen populisme, pro Europa, pro traditionele partijen. Open VLD-voorzitster Gwendolyn Rutten pikte het op en pleitte opnieuw voor het afschaffen van de opkomstplicht, al noemde ze het verkeerdelijk het invoeren van het stemrecht. Dat kennen we al een tijdje, mevrouw. Al ben ik het met haar eens. Net als dat ik het eens ben met al die partijen die pleiten voor stemrecht vanaf zestien jaar. Het gaat immers over de toekomst, jongeren zijn heus wel gemotiveerd genoeg om keuzes te maken.

In de
Tweede Kamer, de Nederlandse Kamer van Volksvertegenwoordigers, zullen straks
dertien partijen zetelen. Mocht er een kiesdrempel worden gehanteerd, zoals bij
ons, zouden dat er slechts zeven zijn, met de PvdA als kleinste. Mét
kiesdrempel zou regeringsvorming iets simpeler zijn, want drie partijen zouden
volstaan. Nu zijn er minstens vier nodig, voor een linkse coalitie zelfs zes.

***

In de
maanden die voorafgingen aan deze verkiezingen werd het meest geschreven over
één man, Geert Wilders. Die behaalt, ocharme, 13,1 procent van de stemmen.
Dertien jaar geleden haalde Vlaams Blok bij de Vlaamse verkiezingen 24,2
procent. Dat is toch van een andere orde. Ik weet het, het is appelen met peren
vergelijken, want je moet in België eigenlijk de landelijke uitslag bekijken,
maar anderzijds is dat in een tweetalig land niet eens nodig. De Walen kunnen
niet op Vlaams Blok/Belang stemmen, alle Nederlanders wel op de PVV.

Je kunt bij
Wilders allesbehalve van een Trump-effect spreken en zelfs die wist in
realiteit slechts één op de zes Amerikanen te overtuigen. Kortom, populisme is
in landen met het Angelsaksische the
winner takes it all­
-principe veel invloedrijker dan in landen met meerdere
partijen in een regering. Zoals Joël De Ceulaer vandaag in De Morgen schrijft: “De representatieve democratie is tot
nader order goed bestand tegen de machtsgreep door radicaal-rechtse populisten.”
Daarom boezemt Frankrijk ons maar best meer angst in dan Duitsland. Marine Le
Pen moet in staat worden geacht om de tweede stemronde te halen en daarin zal
veel afhangen van de actualiteit van de dag: nieuwe aanslagen of dreigingen,
schandalen, overtuigingskracht in de slotdebatten…

Ook het
succes van GroenLinks is overroepen. Van vier naar veertien zetels — meer
zetels gewonnen dan we ooit in de Tweede Kamer hebben gehad, toeterde Jesse
Klaver een paar uur nadat de exit polls waren binnengelopen — is een knap
resultaat, maar die 9 procent die het in realiteit is, ligt een pak lager dan
wat Groen bij ons, in Vlaanderen, volgens de recentste peilingen zou halen.
Klaver denkt best ook twee keer na om zich te engageren in een coalitie: zie
wat Agalev na paarsgroen (1999-2003) overkwam. En wat de PvdA nu overkomt: als
je als partij zo ongeveer niets van je eigen programma kunt realiseren en
anderen met alle pluimen gaan lopen (denk aan wat Stevaert de groenen veertien
jaar geleden flikte door handig alle ‘groene’ verwezenlijkingen op het conto
van de sp.a te zetten), word je nagenoeg overbodig. Jezelf kapotregeren, het
bestáát. “Er bestaat geen bodemkoers,” schrijft De Ceulaer.
“Iedere partij is in principe overbodig.” Zo is dat.

***

541 dagen,
dat is ‘ons’ record. Als er niet snel een regering wordt gevormd in Nederland,
zou het weleens heel lang kunnen aanslepen. Al zullen de nuchtere Nederlanders
het nooit zó lang laten aanslepen en komen er allicht nieuwe verkiezingen.
Benieuwd wie er dan met glans zal winnen en wie de uppercut moet incasseren.
Best laten ze het niet zo ver komen. En bij ons kunnen partijen maar beter tot
de conclusie komen dat ze zichzelf moeten blijven, hun eigen accenten blijven
leggen, zoveel mogelijk trouw blijven aan hun ideologie, principes en
achterban, maar wel met aandacht voor wat er leeft onder de bevolking, zonder
daarom de populistische toer op te gaan. Dat kan niemand beter dan de
populisten zelf.

Hoop en
optimisme, dat lazen sommigen af van de verkiezingsresultaten bij onze
noorderburen. Nog één keer Joël De Ceulaer: “Als (de media) iets gemist
hebben de voorbije jaren, is het niet de onderbuik van de boze blanke man, maar
wel de enorme diversiteit die de samenleving te bieden heeft.” Maar voor hetzelfde
geld lees je er hopeloosheid en uitzichtloosheid in, want dat is wat
versnippering met het politieke landschap doet. Mijn conclusie, als kleine
garnaal aan de zijlijn, is: ik weet het niet. Dat klinkt een beetje flauw, maar
het is een pak minder onzinnig dan ‘Mark Rutte wint met glans verkiezingen in
Nederland, Wilders krijgt uppercut’.