This Is the Sea,
hun derde elpee, zorgde in 1985 voor de doorbraak van de Brits-Ierse band The
Waterboys. Het was ook mijn eerste kennismaking met de toen nog driekoppige
groep rond zanger-gitarist-pianist Mike Scott en ik ging meteen overstag.
Rollende rock en folk werden gemengd tot een op dat moment unieke sound, lang
voor er slechte kopieën opdoken à la The Levellers, Dropkick Murphys en,
godbetert, Mumford & Sons. Op die elpee stonden prachtige nummers als Don’t Bang The Drum, The Pan Within en het swingende The Whole of the Moon. Gitaren en violen
klonken op This Is the Sea afwisselend zacht en hard, strelend en bijtend, loepzuiver en knarsend.

Al van bij het prille begin, in 1982, genoten The Waterboys
een stevige live-reputatie. Een groep om te zien, kortom, maar om één of andere
reden misliep ik hen telkens ze in het land waren. Er leek wel een vloek op te
rusten, zoals op Talking Heads en J.J. Cale, die ik ook nooit op een podium heb
mogen aanschouwen. Maar kijk, The Waterboys stonden zondagavond in het Openluchttheater Rivierenhof in Deurne, om er in dat unieke decorum van
jetje te geven, en ik was daar ook. Al vreesde ik de avond voordien nog dat het
slechte weer de spelbreker zou worden om ongestoord van hun concert te
genieten. De weergoden hielden zich echter gedeisd tot bij de bisnummers en dat
werd geapprecieerd door het volgelopen theater, waar opvallend veel veertigers
en vijftigers rondliepen. Misschien worden The Waterboys te weinig op de radio
gedraaid om hen ook bij het jonge volkje populair te maken? Of is hun muziek wellicht te
tegendraads en eigenzinnig, te weinig voorspelbaar, zoals Mumford & Sons
dat bijvoorbeeld wel zijn?

The Waterboys zijn na dertig jaar nog altijd de groep van
Mike Scott. Hij is de stichter en de enige die al die tijd gebleven is. Van
medestichters Anthony Thistlethwaite en Karl Wallinger is intussen al lang geen
sprake meer. Als je de website wil raadplegen moet je surfen naar
www.mikescottwaterboys.com, veel duidelijker wordt het niet. Live zijn The
Waterboys volgens die site met zijn zessen, al ontbrak lead gitarist Jay
Barclay in Antwerpen. Naast Mike Scott mocht vooral violist Steve Wickham, die achtentwintig
jaar geleden ook al meespeelde op This Is
The Sea
, op het voorplan treden. Toch zijn The Waterboys meer dan Mike
Scott & Begeleiders, zo bleek al snel. Hier stond een (h)echte groep,
waarin elke muzikant onmisbaar was en waarvan het speelplezier afdroop.

Al heel vroeg in de set werd publiekslieveling Fisherman’s Blues binnen gesmokkeld, een
nummer dat The Waterboys typeert: vurig, snel, rockend, maar met meer dan een
speelse knipoog naar de Ierse folktraditie. De korrelige stem van Mike Scott
deed wat aan Dylan denken, net als zijn outfit: een beetje zigeunerachtig met een
zwarte hoed op zijn halflange haar. In tegenstelling tot de illustere en
ondertussen al 72-jarige Robert Zimmerman kan de 54-jarige Scott live gelukkig nog
wel de toon houden.

Scott zocht op het podium voortdurend zijn kompaan Wickham
op. Dat zorgde voor muzikale spankracht, jongensachtige branie en nogal potsierlijke
danspasjes. Maar de muziek bleef de hele tijd pingpongen tussen bloedmooi en
zeer intens. Het eerbetoon aan Patti Smith, A
Girl Called Johnny
, dertig jaar oud inmiddels en destijds hun allereerste
single, viel bijzonder in de smaak van de grijze vrouwen en mannen in het
publiek. Voor hen was dit ongetwijfeld jeugdsentiment.

In Glastonbury Song
werd de zin ‘There’s a green hill far away, I’m going back there one fine day’
voortdurend herhaald als een mantra. Je wilde je zo laten ontvoeren naar die
paradijselijke plek ergens in het zuiden van Engeland. Dat ook het nieuwere
werk niet misstaat tussen al die klassiekers bewees White Birds, afkomstig van het twee jaar oude An Appointment With Mr. Yeats, een plaat vol op muziek getoonzette
poëzie van de Ierse dichter William Butler Yeats.

Het korte Spirit,
met Scott op piano, vormde de aanloop naar een feestelijk The Whole of the Moon, zo’n beetje het anthem van de groep. Twee nummers van This Is The Sea, waarvan in totaal maar liefst vijf songs de
setlist haalden in Deurne. Scott hield zijn bindteksten kort en droog, en als
hij dan toch eens in dialoog probeerde te gaan, zoals bij het overlopen van de
indrukwekkende affiche van het Openluchttheater, bleek dat dat niet echt zijn
ding is. Noem hem gerust een beetje arrogant en afstandelijk, maar dit is een
rasmuzikant, geen praatjesmaker die om de haverklap ‘How’re you doin’?’ of ‘Is
everybody happy?’ roept.

Yihaa-kreten waren
niet van de lucht toen Scott zich samen met Wickham waagde aan de traditional The Raggle Taggle Gypsy. Helaas stond er
op de eerste rijen ook iemand die de zanger de hele tijd stoorde met het licht
van zijn gsm, waarop Scott halfweg de song stopte, de ‘dude’ kordaat vroeg om
zijn gsm op te bergen en dan maar helemaal opnieuw begon. In Mad as the Mist and Snow / The Second Coming,
een nieuwe song, verdween Scott even op het achterplan, waarna violist en
toetsenist een soort Venetiaans masker opzetten en een chaotisch muzikaal
gevecht aangingen. Toch wel een minder moment, dat gelukkig werd gevolgd door
een briljant tweeluik uit alweer This Is
the Sea
: een majestueus, lang uitgesponnen Don’t Bang the Drum, waarbij je spontaan vergaf dat de trompetten
uit de synthesizer werden gewrongen, en het titelnummer van dat prachtige album
dat zoveel jaar later nog altijd betoverend blijft klinken.

En toen… begon het te regenen. Een instrumentaal nummer zweepte de massa op naar
het stevig rockende Be My Enemy, met
de intrigerende tekstflard ‘If you’ll be my enemy, I’ll be your enemy too’.
Afsluiten deden The Waterboys met pure, onversneden rock ’n ‘roll, met de verrassende
Danny & the Juniors-cover At the Hop.
Tot twee keer toe moest Scott dat nummer herbeginnen, zodat het erop leek dat ze
dit voor het eerst live speelden en dat we naar een stukje improvisatie zaten
te kijken. Een blik op de setlist van hun concert op Pinkpop Classic de avond
voordien leert echter dat At the Hop
daar ook al op het programma stond, zelfs nog gevolgd door Roll Over Beethoven van Chuck Berry. Dat laatste kon er in Deurne wegens
het late uur niet meer af.

At the Hop was een
aardige uitsmijter van een uitstekend concert, al had ik nog veel liever Long Way to the Light, Medicine Bow, The Pan Within of het briljante Peace
of Iona
gehoord, stuk voor stuk songs die van de live-cd Karma to Burn uit 2005 een prachtige
luisterervaring maakten. Uitstekend is net niet volmaakt, noteerde een kniesoor,
en hij zeurde nog een eind verder weg. Ach, ik ben gelukkig, ik heb The
Waterboys gezien. Weer een gat in mijn cultuur opgevuld.