Mijn lief lief,
alleen nog maar het gedacht dat ik jou een briefje zou sturen, terwijl je hier niet meer bent, zou je doen glimlachen. Jij was de spirituele, de hooggevoelige, de sensuele, ik de olifant in de porseleinwinkel, rationeel op het saaie af. Toch zet ik nu even dat rationele masker af, stuur ik de journalist met een smoesje het huis uit, laat ik alle remmingen vallen.
Ik geloof niet in een hiernamaals.
Ik geloof niet dat jij nu ergens ver weg van hier bent, in een ander universum, in een ander leven misschien.
Ik geloof niet dat er leven is na de dood.
Ik geloof niet.
Ik geloofde wel in ons en ik doe dat nog altijd. Je zal altijd in mijn hart blijven, en in mijn gedachten. Nu, precies een jaar na het definitieve aardse afscheid, blijf ik in mijn hoofd nog te veel hangen bij dat vreselijke laatste jaar en zie ik voortdurend die laatste beelden van je. Ik hoor je laatste verzuchtingen, je laatste woorden, je laatste ademstoten, terwijl ik hunker naar de prettige herinneringen van ons samenzijn, die zeer ruim in de meerderheid waren. Ik zal geduld moeten hebben, vrees ik.
‘Koester de mooie herinneringen’, schreef ik altijd als iemand een geliefde was kwijtgespeeld en daarover iets schreef op Facebook. Nu weet ik: het duurt een tijdje voor je aan dat koesteren toekomt. En ik hoef je niet te vertellen dat ik extreem ongeduldig ben…
Gelukkig is er die grabbelton vol heerlijke momenten.
***
Niet alleen zou je glimlachen omdat ik je aanschrijf, je zou dat nog meer doen als je ziet wat ik het voorbije jaar allemaal al gedaan en geregeld heb, ik, de asociale, de man die het initiatief uit handen gaf als het op de inrichting en afwerking van ons huis aankwam – eigenlijk moet ik zeggen: jóuw huis, want jij hebt het ontworpen, de architect was nodig om de steunmuren op de juiste plaats te zetten, maar dit was jóuw verwezenlijking en het blijft prachtig. Al is het huis zo leeg zonder jou. Ik wil het nu helemaal afwerken, zoals jij dat voor ogen had.
Er is eindelijk deftige verlichting, geloof je dat? Gedaan met in het halfduister te kokkerellen. Net nadat ik mijn voorkeuren qua spots en lampen had doorgestuurd, stuitte ik op een oude e-mail van je, waarin je zelf al had opgelijst wat je wilde, en raad eens: we hebben dezelfde smaak. Oprit, carport, tuinhuis: die komen nog. Je zal het me wel vergeven dat het tuinhuis, dat jouw womancave moest worden, toch iets van ons beiden wordt.
***
Ik mis je.
Zoals Springsteen zo prachtig zong in You’re missing, op de cd The rising: ‘Everything is everything / But you’re missing’.
Het leven gaat zijn gangetje, maar jij bent er niet meer. The Boss voelde dat zo goed aan.
‘Your house is waiting / For you to walk in’.
Of: ‘You’re missing when I shut out the lights / You’re missing, when I close my eyes / You’re missing, when I see the sun rise / You’re missing’.
Je bent nog zeer aanwezig in dit huis en toch ben je er niet. Bevreemdend.
***
Sinds 3 maart 2025, 14.15u, struikel ik door het leven. Rouwen om jou werd al snel on hold gezet, omdat mijn moeder in het ziekenhuis en uiteindelijk in een woonzorgcentrum belandde, waar ze zich nooit heeft thuis gevoeld, wat tot haar voortijdige dood heeft geleid, al is – op twee dagen na – vierennegentig natuurlijk een mooie leeftijd. Mooier dan zesenzestig in elk geval. Mijn rouwproces is eigenlijk pas op 30 november, de dag na de afscheidsplechtigheid voor mijn ma, begonnen.
We hadden nog zoveel plannen.
Weet je nog dat we hadden uitgestippeld waar we tussen ons vijfenzestigste en vijfenzeventigste overal naartoe wilden gaan, ‘nu het nog kán’? Wel, het kan niet meer. De lijst is er nog, maar ik zal hem alleen moeten afwerken. Of niet.
Ik ben al twee keer naar de Fondation Louis Vuitton in Parijs geweest, sinds we er samen naar de Rothko-tentoonstelling gingen in januari 2024. Telkens rolden de tranen over mijn wangen. Niet van de schoonheid van de werken van David Hockney en Gerhard Richter, al was die er ontegensprekelijk in overvloed, maar omdat jij die schoonheid niet meer samen met mij kon beleven. Je zou ervan genoten hebben. Intens. Dat je dat werd afgepakt, is van een wreedheid die niet met woorden te beschrijven valt.
Naar de Fondation Beyeler, óns museum in Riehen, durf ik voorlopig niet naartoe te gaan, al loopt daar nu een razend interessante expositie over Cézanne. Gezocht: reisgezel die niet wegloopt als er een traan wordt weggepinkt. Misschien moet ik maar zelf alweer een baken verzetten, want ik besefte al heel snel: alles wat ik doe, is een eerste keer zonder jou.
***
Ik heb me voorgenomen om vol in het leven te staan. Dat is de theorie. De praktijk ligt minder voor de hand. Maar ik weet dat jij niet zou gewild hebben dat ik thuis zou zitten treuren, 24/7. Dus ga ik naar concerten, dweil ik weer bioscopen af, wandel ik letterlijk op onbekende terreinen, ga ik eten met en bij vrienden. Want, weet je, de kwaliteit van onze vriendenkring is groot. Immens. Échte vrienden zijn het, waar ik welkom ben, waar we bewonderend over jou kunnen mijmeren, waar de herinnering aan die fijne vrouw die Nicole De Coster heette, levendig wordt gehouden.
Mensen bellen of mailen me, of sturen privé-berichtjes op Facebook, om te vragen hoe het me is en om te zeggen dat ze jou óók missen. Of ze komen spontaan langs. Jouw vriend(inn)en en familie die er onvoorwaardelijk waren toen je hen nodig had., als ik toch eens het huis uit moest, voor opzoekwerk voor mijn nieuwe boek of een lezing of zo. Of gewoon, om even bij te praten en je moreel te ondersteunen.
Over dat nieuwe boek gesproken: het ís er. De jaren 80. Van wanhoop naar hoop. De ondertitel slaat op de situatie in de wereld van toen, maar zou net zo goed op mijn eigen toestand kunnen slaan. Wanhoop, kort na je dood. Hoop, vandaag. Het heeft geen zin om te kniezen om wat en wie er niet meer is. Daar heeft niemand wat aan, jij niet, ik niet, mijn omgeving niet.
***
Ik kijk naar je foto’s en denk: wat een eer, wat een genoegen, wat een weelde om meer dan de helft van mijn leven met deze prachtige vrouw te hebben mogen doorbrengen. Dat pakken ze me niet meer af.
‘We’ll always have Paris,’ zegt Humphrey Bogart tegen Ingrid Bergman in Casablanca. Wij hebben véél meer dan Parijs. En dat kan niemand ons afpakken.
Ik zie je graag!
***
PS 1: ik heb intussen geleerd dat je een kasjmieren T-shirt niet bij de gewone was mag steken. Na twee beurten heb ik nog een kindershirtje over.
PS 2: de druivenoogst was groter dan ooit tevoren. Alleen jammer dat de Aziatische hoornaars de lekkernijen ontdekt hebben voor ik kon beginnen te plukken.
PS 3: ik heb een handvol mensen kunnen blij maken met de opbrengst van de kweeperenboom. Want ja, wie maakt daar nog confituur van hier in huis?
