Ik las deze week het schrijnende verhaal van de treinbestuurder die zichzelf van het leven had beroofd, nadat hij twee dodelijke aanrijdingen had meegemaakt. Hij raakte in een depressie en zag nog maar één uitweg. Zijn vader en broer vertelden wat er hem en dus ook hén was overkomen. Te weinig begrip bij zijn werkgever – één dag vrijaf, NMBS, écht? –, te weinig opvang, te weinig van alles.
Of de man nog zou leven, mocht zijn werkgever hem voor onbepaalde tijd met sociaal verlof hebben gestuurd en psychologische bijstand voor hem hebben voorzien, valt niet aan te tonen, maar het zou alleszins – op zijn minst – geen kwaad gekund hebben. Begrip van de organisatie die je loon betaalt, diepe gesprekken met iemand die daarvoor opgeleid is, de tijd kunnen nemen om alles in zijn context te plaatsen: alles was beter dan wat er nu is gebeurd. Met name: niets. En dus blijven nabestaanden achter met onbegrip, wrok, vele vragen, bovenop hun onpeilbare verdriet.
Het is niet de eerste keer dat iemand die volkomen onvrijwillig de dood van een ander veroorzaakt, zelf in een diep, zwart gat belandt, waaruit het moeilijk nog ontsnappen is. Dat is begrijpelijk, dat is menselijk, dat verdient de aandacht van directe betrokkenen en de samenleving als geheel. U hebt zelf waarschijnlijk ook al eens in een trein gezeten waarop werd aangekondigd dat er vanwege een ‘persoonsongeval’ op een andere plek vertraging op de rit zou zitten. Meestal wordt dat gevolgd door gezucht – ik kom te laat! –, misschien moet dat ‘persoonsongeval’ daarom nog iets duidelijker geformuleerd worden. Een mens is uit het leven en tegen een trein gestapt. Dat verdient uw aandacht en niet uw gezucht.
Ik zit al een tijdje met deze mening, om precies te zijn: sinds het begrip ‘persoonsongeval’ begint rond te zingen in het treinverkeer, en dat is toch al een poos. Ik weet niet of ik meer empathisch ben dan de gemiddelde medemens, maar bij mij roept dat onmiddellijk twee interne reacties op: medelijden met het slachtoffer van het ‘persoonsongeval’ én met de treinbestuurder en de eventuele passagiers die het hebben zien gebeuren. Waarom ik er dan over wou schrijven? Ik vind dat de persoon die ervoor kiest om dit leven te verlaten tegelijk ook een bijzonder egocentrische daad stelt.
Bij zelfdoding worden altijd meerdere mensen getroffen: in de eerste plaats vanzelfsprekend de persoon die voor die daad kiest, in de tweede plaats zijn dierbaren: partner, kinderen, familie, collega’s. Niemand is honderd procent alleen, er is altijd een nabestaande. Die verdient onze aandacht. Maar voor zelfdoding waarbij je er bewust voor kiest om er anderen bij te betrekken, heb ik minder begrip. Ik schrijf dit met de nodige terughoudendheid, maar ook een zelfmoordenaar heeft nog een maatschappelijke verantwoordelijkheid, hoe diep je ook mag zitten en hoe uitzichtloos je je situatie ook acht. Als je voor een trein springt, weet je dat de dood zeker en direct volgt. Het is, zou je cynisch kunnen stellen, een efficiënte methode. Maar je weet ook – of je zou toch moeten beseffen – dat er minstens één persoon is die het ziet gebeuren. En die zich vanuit zijn specifieke functie schuldig voelt.
De Franse socioloog Émile Durkheim (1858-1917) onderzocht meer dan een eeuw geleden de achterliggende oorzaken van zelfmoord. Hij kwam tot verschillende types: altruïstische zelfmoordenaars doen dat om iemand anders te redden. Bijvoorbeeld de vader die voor het geweer springt dat op zijn gezin gericht is. Anomische zelfmoorden hebben te maken met de maatschappelijke situatie. Als je geen uitweg meer ziet in hoe de samenleving is of evolueert, kort samengevat. Dat heeft vaak te maken met politieke of economische crisissituaties, onderdrukking, de uitzichtloosheid om voort te leven in deze maatschappij. Het zou me niet verbazen, mochten er onder recente migranten in de Verenigde Staten tegenwoordig meer zelfmoorden dan voorheen voor komen. Egoïstische zelfmoorden vertrekken, zoals de term het al aangeeft, vanuit jezelf, niet om iemand te beschermen of omdat de maatschappelijke toestand bijzonder slecht is. Durkheim heeft het ook over fatalistische zelfmoorden, die te maken hebben met sterk veranderde normen en waarden binnen het individu, dat op botst tegen een sterke maatschappelijke regulering.
Wie voor een trein springt, valt ongetwijfeld onder de categorie ‘egoïstische zelfmoorden’. Ik zou dit – opnieuw met enige terughoudendheid – zelfs dubbel egoïsme willen noemen. Je doet het omdat je geen uitweg voor jezelf meer ziet en je betrekt er mensen bij die je van haar noch pluim kent, en die verder moeten met wat zij gezien hebben en dat is zó ingrijpend dat het niet gewist kan worden. Je kunt het niet meer ont-zien.
Deze samenleving is mij té hard, té neoliberaal, té zeer gericht op presteren, té weinig bezig met het sociale en het persoonlijke. Ik begrijp dat mensen dat niet zien zitten. Ik hoop voor iedereen dat ze goed omringd zijn en de juiste hulp krijgen, maar ik ben de laatste om mensen die dan nog geen uitweg binnen dit leven zien, met de vinger te wijzen. Zo pretentieus ben ik niet. Ik vind een zelfmoordenaar geen zwakkeling. Ik vind wel dat je zelfs tot je laatste ademstoot een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebt. Betrek er dus geen anderen bij, want je creëert nieuwe slachtoffers. Zoals die treinbestuurder uit het verhaal van deze week.
Denk je aan zelfmoord en heb je nood aan een gesprek, dan kan je terecht bij de Zelfmoordlijn op het nummer 1813 of via www.zelfmoord1813.be.
