Té Amerikaans vindt u, tot nog toe? Dan zult u bij het tweede deel van mijn top 20 veel beter aan uw trekken komen, als liefhebber van de wereldcinema.

20. All the president’s men — Alan J. Pakula

19. 37°2 le matin — Jean-Jacques Beineix

18. North by Northwest — Alfred Hitchcock

17. Dr. Strangelove or: how I learned to stop worrying and love the bomb — Stanley Kubrick

16. The Godfather — Francis Ford Coppola

15. Pulp fiction — Quentin Tarantino

14. Singin’ in the rain — Stanley Donen

13. Blue velvet — David Lynch

12. Some like it hot — Billy Wilder

11. Koyaanisqatsi — Godfrey Reggio

10. MODERN TIMES (USA, Charles Chaplin, 1936). Sluit perfect aan bij Koyaanisqatsi, ook al is ie nog zesenveertig jaar ouder. Behoorlijk riskant en gedurfd dat Chaplin een stille film maakte op een moment dat de geluidsfilm de normaliteit was geworden. Net dat gebrek aan dialogen maakt Modern Times des te intrigerender. De zwerver Charlie wordt meegevoerd door een groep arbeiders die de fabriek binnenstroomt, waar hij aan de lopende band terechtkomt. Tot zijn stoppen doorslaan (die scène waarin Chaplin door de machines wordt meegevoerd!) en hij de fabriek uitrent. Een onweerstaanbare komedie die tegelijk een bittere (maatschappij)kritiek is op de industrialisatie (wat zich in Amerika vertaalde in het ‘fordisme’, medewerkers die geanonimiseerd werden en afstotend werk moesten verrichten voor veel te lage lonen om de begoede burger te bedienen). De humanist Charles Chaplin ten voeten uit.

9. LA STRADA (Italië, Federico Fellini, 1954). Over humanisme gesproken. Het verhaal van Gelsomina (Giuliette Masina), een meisje van eenvoudige komaf dat door haar moeder wordt verkocht aan een niets en niemand ontziende krachtpatser (Anthony Quinn). Ze wordt verliefd op een vrolijke koorddanser, wat haar meester tot een dodelijk duel verleidt. Won — met drie jaar tijdsverschil! — het Festival van Venetië (1954) en de Oscar voor Beste Buitenlandse Film (1957). Houd een zakdoek bij de hand.

8. APOCALYPSE NOW (USA, Francis Ford Coppola, 1979). The horror… The horror… De ultieme antioorlogsfilm, gebaseerd op het dunne boek Heart of Darkness van Joseph Conrad, dat zich in Centraal-Afrika, onder meer Congo, afspeelt, maar door Coppola verplaatst wordt naar Vietnam en Cambodja. De opnamen namen drie jaar in beslag, waarin de productieploeg zowat met elke tegenslag die je je kunt inbeelden, te maken kreeg, tot en met een hartaanval voor hoofdrolspeler Martin Sheen. De plot: kapitein Willard (Sheen) krijgt de opdracht om de gedeserteerde kolonel Kurtz (Marlon Brando) te vermoorden, nadat die een eigen legertje heeft opgericht en een privéoorlog is beginnen uit te vechten. De waanzin van oorlog wordt hier op briljante wijze getoond. I love the smell of napalm in the morning!

7. KO-GE (Japan, Keisuke Kinoshita, 1965, Nederlandse titel: De geur van wierook). De onvindbare film. Ik heb hem tijdens een Japanse retrospectieve twee keer in minder dan een week tijd gezien in het Antwerpse Filmhuis, waarna hij op een vertoning op de VPRO-televisie na uit onze contreien verdween. Een arm echtpaar verkoopt dochter Tomoko als geisha. Terwijl je haar levensverhaal krijgt, zie je ook de Japanse geschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw passeren. VPRO omschreef het als ‘te lang, saai en huilerig melodrama’. Ik vond het destijds een vier uur durend meesterwerk. Misschien moet ik hem mij zo blijven herinneren. En iemand die de film recent heeft gezien, moet er maar eens een Wikipedia-pagina over schrijven.

6. LES ENFANTS DU PARADIS (Frankrijk, Marcel Carné, 1945). Nog zo’n lange film (190 minuten) waarin het melodrama nooit ver uit de buurt is, voortdurend balancerend op het slappe koord tussen kitsch en kunst. Speelt zich af in 1844 in Parijs, waarbij een mimespeler verliefd wordt op een mysterieuze vrouw, die ook nog eens het hof wordt gemaakt door een revolutionaire schrijver. Naar een scenario van Jacques Prévert.

5. AKAHIGE (Japan, Akira Kurosawa, 1965, Nederlandse titel: Roodbaard). In het 19de-eeuwse Japan wordt een ambitieuze jonge dokter op een afdeling gezet waar hij arme patiënten moet verzorgen. Een realitycheck van jewelste, want zijn wereldbeeld had hem niet voorbereid op de schrijnende situaties die hij voorgeschoteld krijgt. Kurosawa was in cinefiele kringen al bekend van zijn meesterlijke epossen Rashomon, Ikiru en De zeven samoerai, en ook Akahige kreeg gunstige kritieken, maar de voorzichtige commerciële doorbraak kwam er pas in de jaren 70 en 80 met Dodes’kaden, Kagemusha en Ran. Maar nooit was de humanist Kurosawa gevoeliger en tegelijk maatschappijkritischer dan in deze wonderbaarlijke film. Opnieuw: blijkbaar geen Nederlandstalige Wikipedia-pagina waard…

4. LADRI DI BICICLETTE (Italië, Vittorio de Sica, 1948, Nederlandse titel: Fietsendieven). Weer zo’n film die je niet kunt uitzien zonder geregeld een beetje oogvocht te verwijderen. De Tweede Wereldoorlog werpt zijn schaduw over Rome, waar armoede en ontbering het gevolg zijn van de foute keuzes van de Italiaanse leiders voor en tijdens de oorlog. Een arme man, Antonio (gespeeld door Lamberto Maggiorani), vindt werk als plakker van affiches, maar daarvoor heeft hij een fiets nodig en die heeft hij net verkocht om eten te kunnen kopen. Hij weet met de hulp van zijn vrouw — die haar lakens verpandt — zijn fiets terug te halen uit de lommerd, maar bij zijn eerste tocht wordt die gestolen. Wat volgt is wanhoop en diepe tragedie. De jonge Enzo Staiola, die zoon Bruno speelt, geeft de film nog meer naturel mee.

Morgen: 3-2-1.