“Rik is een rat” stond er te lezen
op de reusachtige kartonnen handen die alle toeschouwers bij het binnenkomen
van het enige Olympisch Stadion dat ons land rijk is ontvangen hadden. Voor een
buitenstaander zou het als de ultieme belediging kunnen geklonken hebben,
vooral toen uit duizenden kelen ook nog eens “Rikske is een rat, olé
olé” weerklonk, terwijl de mensen enthousiast met het gekregen hand zwaaiden
naar een paarswitte Mini die op het stukje asfalt naast het terrein reed. Op de
zijkant stond het nummer dertien.

Het was zaterdag 13 september, het oude
stamnummer van het teloorgegane Beerschot was 13 en in de kleine auto zat
achteraan Rik Coppens, “de koning van het Kiel” zoals we met zijn
6.482 konden lezen in de eveneens gratis uitgedeelde Gazet van Rik. Geen rat, maar een levende legende van het Belgische
voetbal, wereldberoemd in Antwerpen, berucht daarbuiten. “Ratten”, zo
dachten de vijandige supporters van Antwerp FC (stamnummer 1) ooit, dat is het
laagste van het laagste in de dierenwereld en dus probeerden ze er de hevige
supporters van die andere club die de bijnaam ‘Ploeg van ’t Stad’ claimt tot in
het diepste van hun wezen mee te schofferen. Die pikten de “ratten”
op en maakten er een geuzennaam van, zodat nu meerdere keren op zo’n
voetbalavond uit volle borst “Waai zen Kielse ratte, waai zen ratte van ’t Kiel”
wordt gebruld.

“Rik is een rat” is dus niet de
ultieme belediging, maar de bevestiging dat hij “één van ons is”.
Iedereen die ooit het paarswitte shirt heeft gedragen, is een rat, of was dat
toch voor hij andere oorden opzocht. Als er iemand je in de omgeving van het
Olympisch Stadion rat noemt, moet je dat vooral koesteren.

Tik op YouTube “penalty 3 tijden” in
en u weet meteen wie Rik Coppens was. In een interland tegen IJsland uit 1957 presteerde
hij het om vanop de stip een tikje opzij te geven naar een medemaat, die het
leer (toen mocht die bal met recht en reden nog “het lederen monster”
worden genoemd) netjes teruggaf, waarna Coppens de bal eenvoudig voorbij de verbouwereerde doelman schoof. Tik op YouTube “rik coppens” in en
je vindt een paar memorabele andere acties terug van de man die de allereerste
Gouden Schoen won en voor wie de voetballiefhebber destijds speciaal naar het
Kiel ging. Toen Coppens langdurig geblesseerd was en na maanden zijn rentrée
maakte bij de reserven van Beerschot, zaten er negenduizend van de pret
joelende mensen op de tribunes. Een unicum.

Jongen van de Seefhoek, zoon van vishandelaren, jazzliefhebber,
levensgenieter, onwaarschijnlijk zelfbewust, cynicus, überAntwerpenaar, Rik
Coppens is het allemaal. Maar die 84 levensjaren zitten in de knoken. De kont
staat niet meer naar de vergeefs naar de bal happende tegenstander gedraaid, de
ogen staan niet meer uitdagend in hun kassen, de tong staat wat vaker stil dan
dat ze ratelt, de blik is op oneindig gericht, hij schuifelt meer dan dat hij
stapt. De man die een God was voor mijn grootvader zaliger, wiens verhalen een
flink deel van mijn jeugd paarswit hebben gekleurd, is een sterfelijk wezen
geworden. Dat werd zaterdag pijnlijk duidelijk.

De cynicus in mij zou het een beetje zielig
gevonden hebben, die huldiging met die nep-Gouden Schoen en de moeizame aftrap
(laten we het een schijnbeweging noemen), maar die cynicus had ik zaterdagavond
thuis gelaten. Geef toe, “Cynicus is een rat, olé olé”, het klinkt niet.
De sarcast in mij zou het handige marketing genoemd hebben, om bij de eerste
thuiswedstrijd van het seizoen veel volk naar het Kiel te lokken, maar ook die
sarcast had de trip naar Antwerpen niet gemaakt. (Ook “Sarcast is een rat,
olé olé” bekt niet lekker!) De supporter in mij (“Frankske is een
rat, olé olé”, ja, waarom niet?) kreeg kippenvel en voelde enig vocht in
de ogen toen de wagen met Coppens voor de spionkop parkeerde en die hem
bedankte met een Antwerps-Engelse versie van You’ll Never Walk Alone, de primus inter pares onder de
voetbalhymnes.

Heeft hij het allemaal ten volle beseft, de
koning van het Kiel? Ik betwijfel het, maar wat maakt het uit? Zoals zo vaak is
het het gebaar dat telt. Het respect. Die diepe buiging van 6.482 toeschouwers
(zelfs de meer dan honderd fans van Witgoor Dessel hadden een mooi spandoek
gemaakt!) voor iemand die ze, op een paar oude knarren na, nooit zelf hebben
zien spelen, maar over wie hun grootvaders ’s zondags bij de koffie en de taart
onvergetelijke verhalen vertelden. De mens Rik Coppens mag dan wel van vlees en
bloed zijn en ooit tot stof en as moeten wederkeren, de legende is dat niet:
die is onsterfelijk.

(KFCO Beerschot Wilrijk – Witgoor Dessel
eindigde overigens op 3-0. In de eerste helft werd er zó traag gevoetbald, dat je dacht
dat het uit respect was voor het voetbal uit de jaren vijftig, maar de enige
die Coppensiaans met zijn kont schudde was een kleine, vinnige zwarte speler
van de bezoekers. Mensah heette die, een slimme voetballer. In de loge moet Rik
Coppens iets van zichzelf in die jongen herkend hebben.)