(Deze bijdrage
verscheen eerder als column in het decembernummer van het blad
Sporta Magazine.)

Quizvraag: wat is het verband tussen Philippe Muyters, André
Antoine, Rachid Madrane en Isabelle Weykmans?

Antwoord: ze zijn alle vier minister van Sport. Muyters in
de Vlaamse Regering, Antoine in de Waalse Regering, Madrane in de Franse
Gemeenschapscommissie (Brussel) en Weykmans in de Duitstalige
gemeenschapsregering.

Vier ministers, elf miljoen inwoners. Per 2,75 miljoen
Belgen is er dus een minister van Sport, wie doet ons dit na? Als de
hoeveelheid sportministers zich zou vertalen in Olympische medailles, dan
zouden we nu ergens ter hoogte van Australië moeten staan. Helaas, op de Spelen
in Londen van bijna twee jaar geleden haalde België welgeteld nul gouden medailles
(Australië zeven), één zilveren (Australië zestien) en twee bronzen (Australië
twaalf). Zelfs buurland Nederland, anderhalve keer zoveel inwoners als België,
stond in de medaillestand maar liefst 47 plaatsen hoger geklasseerd: 13 versus
60. Nederland haalde zes keer goud, zes keer zilver en acht keer brons in
Londen. In Sotsji was het niet anders. Oranje boven, België met lege handen.

In een land waarin het politieke landschap hopeloos
versnipperd dreigt te geraken, is de materie ‘sport’ al veel langer
versnipperd. De federale regering is verwonderlijk genoeg de enige die geen
specifieke sportminister heeft, omdat sport sinds een aantal jaren nu eenmaal als
een gemeenschapszaak wordt beschouwd. Maar de prestaties worden geleverd onder
de koepel ‘België’ en heel wat sportbonden zijn nog altijd federaal
gestructureerd.

Een confederalistisch model werkt niet in de sport, alleen
een globale aanpak functioneert. Australië is een perfect voorbeeld van een
land dat een gecentraliseerd sportbeleid heeft uitgedokterd om de zwakke
prestaties van de jaren tachtig en negentig uit te wissen. Sydney 2000 was een
wonderbaarlijk evenement, waarin een hele natie zich van zijn beste zijde
toonde. Sindsdien staat Australië telkens weer in de Top 10 van de
medaillestand, naast grotere naties of meer voor de hand liggende sportlanden
als de Verenigde Staten, China, Groot-Brittannië, Rusland, Duitsland, Frankrijk
en Italië.

België heeft gekozen voor een gedecentraliseerd model: de
gevolgen zijn navenant. Er is geen beleid omdat er geen visie is en er is geen
visie omdat de bevoegde ministers er sport domweg hebben bij gekregen. Philippe
Muyters is bevoegd voor Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en, o
ja, ook nog Sport. André Antoine is minister van Begroting, Financiën,
Werkgelegenheid en, kijk eens aan, Sport. Rachid Madrane is Staatssecretaris
voor Huisvuilophaling, Erfgoed en Stedelijke Planning en daarnaast ook nog eens
minister in de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF) met op zijn visitekaartje
Beroepsopleidingen, Cultuur, Schoolvervoer, Sociale Actie, Familie,
Internationale Betrekkingen en – komt-ie! – Sport. En Isabelle Weykmans,
tenslotte, de enige vrouw in dit gezelschap, mag zich in Duitstalig België de
politieke baas noemen van Cultuur, Toerisme, Jeugd, Duurzame Ontwikkeling en,
jawel, Sport.

De politieke waarde van Sport laat zich makkelijk afmeten
aan de rangorde die deze bevoegdheid inneemt. Sport, dat is in dit land iets dat
nauw aansluit bij Begroting, Schoolvervoer, Toerisme en Huisvuilophaling. De
symboliek van dat laatste is eerder pijnlijk dan lachwekkend.

Sport wordt alleen belangrijk wanneer Belgische atleten het
uitzonderlijk goed doen. Dan blijkt dat het recuperatievermogen van onze
toppolitici nog een pak groter is dan dat van onze beste sportmannen en
-vrouwen. Dan stuurt de eerste minister direct een tweet om deze of gene
prestatie te bewieroken, als hij tenminste niet in snelheid wordt voorbijgestoken
door de Vlaamse minister-president, op voorwaarde dat de succesvolle sporter
een Vlaming is, maar dat begrijpt u wel. Eigen sportvolk eerst.

Die politieke apathie, dat ontberen van een
langetermijnvisie, dat schrijnende gebrek aan dadenkracht, worden tegenwoordig
flink gecounterd door de prestaties en de resultaten. Waren de Olympische
Spelen van 2012 een sof, dan viel er vorig jaar veel te juichen en opvallend
genoeg vooral dan in de ploegsporten. Dat is wel eens anders geweest. Als ik onze
ruiters en estafetteploegen buiten beschouwing laat, zat er tussen de deelname
van het mannenhockeyteam aan de Spelen van Montréal (1976) en die van Beijing
(2008) 32 jaar. Twee-en-der-tig jaar zonder deelname van België aan een échte
ploegsport op het grootste sportevenement ter wereld. Tja.

Recent waren we nog euforisch omdat de Rode Duivels zich
makkelijk hebben gekwalificeerd voor de wereldbeker voetbal, omdat onze
hockeyers (mannen én vrouwen) het buitengewoon goed gedaan hebben op het EK in
eigen land, omdat onze volleyballers (mannen én vrouwen) uitblonken op een
ander internationaal toernooi en omdat onze basketters (mannen) het beter deden
dan verwacht, ook al op een Europees Kampioenschap. Individuele uitschieters
waren er ook, van Sven Nys en Bart Swings tot Frederik Van Lierde. Het regent inmiddels
positivistisch klinkende bijnamen: Rode Duivels, Red Lions, Red Panthers, Red
Dragons, Yellow Tigers, Belgian Lions. Mooi, toch?

Heel even zou je geneigd zijn te denken dat België zowaar
een sportnatie is geworden en niet alleen omdat een aantal van de onderdanen
hard op pedalen kan stoempen in het
veld en op de weg. Neen, we sturen nu ook teams uit die te duchten zijn. Maar
die verdienste ligt, helaas, zelden bij een weldoordachte visie of een
beleidsmatige ondersteuning. Het is een combinatie van zeldzame visionaire
bestuurders, hard werken, talent, toeval en een portie geluk. Er zit geen
systematiek achter.

Dat onze volleyballers het prima deden, komt omdat er binnen
het topsportbeleid een bevlogen en doelgerichte vakman zit: Gert Vande Broek,
tevens coach van de vrouwenploeg. (En ik geef toe, het is de verdienste van de
Vlaamse minister van Sport dat hij Vande Broek tot Chef Sport heeft benoemd op
zijn kabinet!). De topsportverantwoordelijke van Bloso, Paul Rowe, mag mee de
basketbalpluim op zijn hoed steken. In andere bonden hebben enkele verlichte
geesten de deuren open gezet voor deskundigheid van buitenaf. Buitenaf betekent
soms zelfs: van buiten de landsgrenzen, zoals de hockeybond bewees door coaches
uit tophockeyland Nederland te importeren en hen carte blanche te geven om een toekomstgericht
project uit te werken.

Is het dan al kommer en kwel? Neen, zo concludeerde een
wetenschappelijke studie van de internationale onderzoeksgroep SPLISS, die
zestien landen met elkaar vergeleek (van de reuzen Brazilië en Japan tot de
dwergen Estland en Noord-Ierland), met dien verstande dat Vlaanderen en
Wallonië als aparte ‘landen’ werden beschouwd. ‘Vlaanderen heeft zeker
vooruitgang geboekt, maar de concurrentie is niet blijven stilstaan,’ stelt
VUB-professor Veerle De Bosscher, oprichtster van SPLISS, vast. Sinds de
doortocht van Bert Anciaux als sportminister, een man die zich omringde met
deskundigen uit alle geledingen van de sportwereld, valt er inderdaad een
kentering waar te nemen. Mààr: het Vlaamse topsportbudget van 22 miljoen euro
blijft zeer beperkt. Het ‘goede’ nieuws is dan dat Wallonië het véél slechter
doet, zeker wat strategie, onderzoek en innovatie betreft.

Helaas, er zit geen lijn in. In de ene bond zit het vol oude
knakkers die zichzelf o zo geweldig vinden (en die vooral hun duur bevochten
plaatsje rond de vergadertafel willen bewaren), in de andere zitten dynamische
mensen die wél weten hoe je een team en een entourage moet uitbouwen. In de ene
bond woedt al jaren een interne machtsstrijd, die niet zelden politiek gevoed
wordt. In de andere heeft men de euvele moed gehad om persoonlijke macht en
prestige opzij te zetten in functie van waar het echt om draait: resultaten. In
de ene bond vindt men het belangrijker om alle dure recepties af te dweilen dan
om te investeren in sportieve prestaties, in de andere durft men al die
randactiviteiten straal negeren.

Zo lang sport vooral als een persoonlijk wingewest wordt
gezien door politici (enthousiast tweets versturend en, als het even kan, mee
op het podium springend als het goed gaat, ver weggedoken als het tegenvalt) en
vier sportministers van vier verschillende politieke gezindten een gebrek aan
overkoepelende visie etaleren, zullen sportieve successen afhangen van koppige
eenzaten die tegen de stroom in durven roeien met de bescheiden middelen
waarover ze beschikken.

En dan is er nog die andere handicap waar we mee worstelen. Uiteindelijk
blijven we, als puntje bij paaltje komt, een natie van twee sporten: sjotten en koers. Mag ik dat buitengewoon jammer vinden?