Blog Image

Maandans

It's a marvelous night for a moondance!

Meningen over actuele gebeurtenissen. Of oude teksten "revisited". Startend vanuit een persoonlijke nood om gehoord/gelezen te worden. Een beetje pretentieus, misschien, in de hoop zo een discussie aan te zwengelen. Of toch op zijn minst tot nadenken te stemmen. Leuk tijdverdrijf mag ook, natuurlijk. O ja, de naam "Maandans" is de letterlijke vertaling van "Moondance", een management-boekingkantoor voor jonge Belgische rockbands dat ik eind jaren tachtig had, maar vooral: een heerlijk swingend nummer van een toen nog piepjonge Van Morrison, één van mijn favoriete artiesten. Kom ook eens langs op Twitter: @FrankVanLaeken of op mijn website: www.frankvanlaeken.eu

Wereldklasse uit Sint-Truiden

Sport Posted on wo, oktober 16, 2019 09:23:27

(Deze bijdrage verscheen maandag 14 oktober als ‘Bankzitter’ in De Standaard.)

Nina. Emma. Nafi. Een andere Emma. Belgische vrouwen staan aan de top in de internationale sportwereld. Prettige vaststelling op iets meer dan negen maanden van de Olympische Spelen. Nina Derwael deed zaterdag wat er van haar verwacht werd, de moeilijkste opdracht in topsport.

De brug met ongelijke leggers is al twee jaar háár toestel. Alleen op het WK 2017 en de Europese Spelen van dit jaar stond ze niet op het hoogste podium. Voor de rest: goud op het EK 2017, EK 2018, WK 2018 en WK 2019. Nina Derwael, nog altijd maar negentien, domineert deze specialiteit. Aan de top geraken is aartsmoeilijk, aan de top blijven is haast even moeilijk. Twee jaar geleden was Derwael de eerste Belg(ische) die een medaille haalde op een WK (brons), vorig jaar behaalde ze als eerste gymnastiekgoud. Nu bevestigt ze.

Donderdag al was Derwael vijfde geworden in de allroundfinale, een plaatsje minder goed dan vorig jaar in Doha. Alle ogen waren zaterdag in Stuttgart op haar gericht. Ze was flink nerveus, zei ze daar achteraf over, maar daar viel niets van te merken tijdens haar winnende oefening. Zelfbewust, gedurfd, geen moment van twijfel. Wereldklasse. Goed voor een beoordeling van 15.233 punten, dat is nog beter dan op vorige wereldkampioenschappen, toen ze respectievelijk 15.033 en 15.200 scoorde. Na de triomf liet ze, niet onbegrijpelijk, de finale van de grondoefening van gisteren schieten.

Derwael-Fenton

Je betekent pas echt iets in het turnen als er een beweging naar je genoemd wordt. De Sovjet-gymnaste Olga Korbut, koningin van het turnen in München 1972, voerde als eerste een achterwaartse salto uit op de balk. Op de brug met ongelijke leggers ging diezelfde Korbut op de hoogste legger staan, waarna ze met een achterwaartse salto diezelfde legger weer vastgreep. De ‘Korbut flip’ werd in de jaren 80 verboden door de internationale gymnastiekfederatie, vanwege: veel te gevaarlijk.

De Yurchenko werd in 1983 bedacht en uitgevoerd door de gelijknamige Russische turnster, waarbij ze bij de sprong eerst een radslag maakte met draai in de richting vanwaar ze vandaan kwam (ook wel ‘arabier’ genoemd), waarna ze via rugwaartse overslag een rugwaartse gehurkte salto uitvoerde. Het klinkt zowaar nog ingewikkelder en het duurt alleszins veel langer om het te lezen dan het op een YouTube-filmpje te bekijken.

De Amerikaanse turnster Simone Biles, de beste gymnaste van dit decennium en een van de concurrenten van Derwael, kreeg maar liefst vier bewegingen naar haar genoemd. De meest complexe is de ‘triple-twisting double back tucked somersault’ die ze dit jaar voor het eerst uitvoerde op de Amerikaanse kampioenschappen. Een dubbele achterwaartse salto gevolgd door een drievoudige schroef.

Nina Derwael heeft ook een eigen beweging, al moet ze die eer delen met de Britse Georgia-Mae Fenton. De Derwael-Fenton is een onderdeel van de oefening op de brug met ongelijke leggers, waarbij de turnster vertrekt in handstand op de hoogste legger, waarna ze de benen onderdoor zwaait en achterwaarts over de legger zweeft. Ze neemt de hoogste legger met gekruiste armen, draait het lichaam en draait vervolgens achterwaarts door. Derwael deed dit voor het eerst op het EK 2017 in het Roemeense Cluj, maar helaas voor haar worden alleen routines erkend die worden uitgevoerd op een WK of Olympische Spelen. Vandaar dat Fenton haar naam naast die van de Truiense mag plaatsen. Terloopse kijktip: op YouTube vind je ook een trainingcompilatie terug van Derwael. Duizelingwekkend.

Tiener-meisje-vrouw

Met die trainingbeelden zit je meteen bij de essentie van het succes. Nina Derwael heeft er gewoon keihard voor gewerkt. Haar medailles zijn het resultaat van natuurlijke elegantie, talent, lef en ontzettend veel doorzettingsvermogen. Vallen en opstaan, en dat mag u letterlijk nemen. Iets uitproberen tot het lukt. Wat je niet ziet, is dat haar dagelijkse dieet aan de Topsportschool bestond uit trainen, les volgen, eten, trainen, les volgen, eten en slapen. Perfectie bereik je alleen door herhaling. Door weg van de camera’s en de media beter proberen te worden. Dat vereist een mentale kracht die alleen toppers kunnen opbrengen.

Vorig weekend werd er al gejuicht toen het Belgisch vrouwenteam zich kwalificeerde voor de Spelen in Tokio. Reken maar dat de aanwezigheid van een wereldtopper de andere meisjes tot grootsere daden aanzette. De oprechte blijheid van Derwael na het resultaat bewees dat ze niet alleen met zichzelf bezig is, maar ook collectief denkt. Nog heel even tiener, blij als een meisje, zelfzeker als een vrouw. Zonder tegenslag of fysieke problemen wordt ze in Tokio een van onze absolute speerpunten.

Vrouwen aan de top

Er wordt volgend jaar veel verwacht van de Belgische hockeymannen en van Remco Evenepoel. Maar de grootste hoop rust op de schouders van vrouwen. Meer bepaald: vrouwen met vierletterige voornamen. Er is Emma (Meesseman), die na de WNBA-titel van de Washington Mystics werd uitgeroepen als Most Valuable Player van de Finals. Kunnen de Belgian Cats nog beter doen dan een vierde plaats op een WK? Eerste opdracht is zich kwalificeren via een pre-olympisch toernooi.

Een andere Emma (Plasschaert) slaagde er vorig jaar in om als eerste Belg(ische) een wereldtitel in het zeilen te behalen, in de Laser Radiaalklasse. Dat zorgt er automatisch voor dat er met vertrouwen mag uitgekeken worden naar haar olympische prestaties volgend jaar, al bleef ze dit jaar op het EK steken op een derde plaats.

Nafi (Thiam) is eveneens een certitude. Op het WK stuitte ze anderhalve week geleden nog op de Britse Katarina Johnson-Thompson, die het beter deed dan verwacht, terwijl Thiam in haar sterke disciplines (hoogspringen, verspringen, speerwerpen) net beneden haar kunnen presteerde. Thiam weet nu dat ze in Tokio top zal moeten zijn, wil ze haar olympische titel van Rio verlengen. De kwetsbare elleboog moet het houden. Aan haar mentale kracht zal het niet liggen.

Dat laatste geldt ook voor Nina (Derwael). Over precies 291 dagen wacht haar moment, tijdens de olympische finale op de brug met ongelijke leggers – tenzij ze al eerder zou stunten all-round, natuurlijk. Het is uitkijken naar zondag 2 augustus op het middaguur. Het zou mooi zijn mocht ze dan ook een beetje bedeesd maar intens gelukkig ‘Voor vorst, voor vrijheid en voor recht’ kunnen meezingen.



Interview met Olga Tokarczuk (1998)

Literatuur Posted on zo, oktober 13, 2019 17:00:27

(Deze bijdrage verscheen op 21 november 1998 in wat toen nog De Financieel-Economische Tijd heette. Ik genoot dus twintig jaar geleden de eer om als allereerste in Vlaanderen de toekomstige Nobelprijswinnares voor Literatuur te mogen interviewen over haar boek Oer en andere tijden.)

Illusies en desillusies van een droomwereld

De Poolse schrijfster Olga Tokarczuk brengt in Oer en andere tijden een universeel, sprookjesachtig verhaal dat zich afspeelt in het denkbeeldige stadje Oer, dat zich zowel in Polen als waar elders ook ter wereld kan bevinden. Het is een wrang sprookje, de droomwereld van de personages is er een zonder illusies. Het lijkt wel de hedendaagse wereld zoals hij is. ‘Zolang ik me kan herinneren heb ik al een boek als dit willen schrijven’, zegt ze. ‘Een wereld scheppen en die beschrijven. Het is de geschiedenis van de wereld die, zoals alles wat levend is, wordt geboren, zich ontwikkelt en ten slotte sterft.’

‘Oer bestond niet. Was zelfs niet ontstaan, want over de aarde, waar iemand het zou hebben kunnen vestigen, trokken aanhoudend horden uitgehongerde legers van oost naar west. Niets had een naam. De aarde zat vol bomkraters, de beide rivieren, ziek en gewond, stuwden troebel water voort en waren moeilijk van elkaar te onderscheiden. Stenen verpulverden in de handen van hongerige kinderen.’

Het Oer waar Olga Tokarczuk het over heeft in Oer en andere tijden (originele titel: Prawiek i inne czasy, verschenen in 1996) is een illusoir stadje, een plaats die overal ter wereld kan liggen. ‘Het was mijn bedoeling een andere kijk op de wereld te brengen’, vertelt de 36-jarige schrijfster. ‘De geschiedenis beschrijft de zaken van buitenuit, mijn visie komt van binnenuit. Het is dan ook een zeer subjectieve wereld. Het gaat over sprookjes, mythen, dromen. Ik ben al heel mijn leven bezig geweest met dromen. Persoonlijk vind ik dat interessanter dan de echte geschiedenis.’

Toch is er een link met de realiteit: de (Poolse?) personages maken twee wereldoorlogen mee in nauwelijks dertig jaar. Tokarczuk: ‘Subjectieve beleving is één ding, maar het is natuurlijk zo dat de mens nu eenmaal in deze wereld en in deze eeuw leeft, hij heeft er een plaats in.’

‘Wat is die werkelijke wereld?’, repliceert ze op onze vraag of de inwoners van Oer moeite hebben om de realiteit te aanvaarden. ‘Het is dan wel een sprookje, maar ik wilde toch de wereld omschrijven zoals hij is. Om dat te bereiken moest ik de werkelijkheid overstijgen. Het is zoals oude mensen die verhalen vertellen aan kleine kinderen: ook zij gaan verder dan de werkelijkheid, ze maken er altijd een soort sprookje van.’

Bouwen/afbreken

‘De mensen van Oer hebben problemen, ze proberen orde te scheppen en de zin van hun leven te ontdekken’, vervolgt ze. Dat lukt niet, aan het eind van het boek is er alleen chaos. Iedereen wantrouwt iedereen, gezinnen vallen uit elkaar, er worden geen zonen meer geboren om de familienaam in stand te houden. Een pessimistisch slot, in onze ervaring tenminste. Tokarczuk: ‘Dat einde is allicht een gevolg van mijn persoonlijke opvatting; hoe ik als mens — niet als schrijver — in de wereld sta. Heel wat Poolse lezers zeggen me nochtans dat dit boek een optimistische geest uitstraalt; ze vertellen me dat het hen geholpen heeft. Interessant dat u dan weer net denkt dat dit een pessimistisch boek is. Is het niet zo dat de lezer zijn eigen realiteit in het verhaal projecteert en dat hij op basis daarvan een oordeel vormt?’

Het optimisme waar Olga Tokarczuk het over heeft, blijkt niet uit de relaties tussen de personages onderling. Zo zijn er bijvoorbeeld de jongeman Izydor en het meisje Ruta — hij, zoon van een alcoholistische bruut; zij, dochter van een ongehuwde, halfwilde uitgestotene — die op elkaar verliefd worden. Ruta wil echter geen formele relatie, omdat ze verkiest te trouwen met iemand waar ze absoluut niet van houdt (ze worstelt met een jeugdtrauma; aan het eind van de oorlog werd ze als klein meisje door een groep soldaten verkracht). Tokarczuk: ‘Aan de ene kant bouwen de personages de wereld op, maar tegelijkertijd is er een vernietigende kracht die alles weer kapot maakt. Die twee krachten vormen de wereld. In de streek waar ik woon, Neder-Silezië, zie je dat zeer goed: het ene jaar wordt er een huis gebouwd, het jaar daarop wordt het alweer vernield. Mijn eigen dualisme zit dan ook in het boek: bouwen en afbreken liggen heel dicht bij elkaar.’

Neder-Silezië was deze eeuw een hele tijd Duits grondgebied. De Poolse staat heeft weinig in de streek geïnvesteerd, zegt ze. ‘De regering had blijkbaar het gevoel dat Neder-Silezië snel weer tot Duitsland zou gaan behoren en vond het niet zinvol er geld in te steken. Neder-Silezië is een beetje de woestijn van Europa.’

Het beeld dat ze in haar hoofd had om Oer te creëren, was dat van de vakantiestreek waar ze in haar jeugd vaak kwam, zo’n honderd kilometer ten noorden van Krakau, vrij centraal in Polen. Polen zat de hele 20ste eeuw geprangd tussen twee invloedssferen. In het oosten was er de Sovjet-Unie, in het westen Duitsland (later: de geallieerde troepen in de DDR). ‘De inwoners van Polen hebben die dualiteit altijd aangevoeld’, vertelt ze. ‘Zo is er bijvoorbeeld de wil om tot het moderne Europa te behoren, maar toch ook het gevoel dat we een grensstaat vormen tussen Europa en Azië, tussen de geciviliseerde en de niet-geciviliseerde wereld.’

Een rode draad door het verhaal in Oer en andere tijden is een oude koffiemolen die telkens op het nippertje van de vernieling gered wordt. Het is het laatste object dat in het boek voorkomt. Dingen zijn belangrijk voor Olga Tokarczuk, zo merken we ook in volgende passage uit het boek: ‘Mensen denken dat ze intenser leven dan dieren, dan planten en zeker dan dingen. Dieren vermoeden dat ze intenser leven dan planten en dingen. Planten dromen dat ze intenser leven dan dingen. En dingen duren voort en in dat voortduren zit meer leven dan in al het andere.’

‘Dat is precies het optimistische element in mijn boek’, vertelt ze. ‘Het is belangrijk dat die koffiemolen gered wordt. De wereld valt uit elkaar, maar die koffiemolen zal later op een andere plaats weer gebruikt worden. Het is in Polen wel vaker gebeurd dat alles vernield werd, op één object na. Precies dat object zorgde ervoor dat mensen hun leven weer konden opbouwen.’

Het is ook een oproep tot meer menselijke bescheidenheid. ‘De talenten die mensen van de Schepper hebben gekregen, zijn heel broos. De verbinding van die broosheid met hun overlevingsdrang stelt hen in staat verder te leven.’

Mensen moeten ook leren het absolute begrip Tijd te relativeren. Ze schrijft: ‘Om te kunnen denken moet men (…) de tijd inslikken: verleden, heden, toekomst en hun voortdurende veranderingen verinnerlijken. Tijd is werkzaam in het menselijke brein.’

God (m/v)

Opvallend in Oer en andere tijden is de dubbelzinnige, vaak zelfs dubieuze rol die God speelt. Via het achtdelige (tussen)spel ‘Ignis fatuus, oftewel Het Leerzame Spel voor één speler’ voert Tokarczuk een opperwezen op dat van karakter verandert naarmate Hij meer werelden ontdekt. In de Zevende Wereld aangekomen, merkt Hij dat de mensen proberen een hoge constructie te bouwen (de toren van Babel?) die hen naar de hemel moet voeren.

God vindt dat niet echt leuk, lezen we in het boek. ‘God keek op hen neer en dacht verontrust: zolang ze één volk blijven dat één taal spreekt, zullen ze alles kunnen doen wat bij hen opkomt… Ik zal dan ook verwarring zaaien in hun taal, ik zal ze in zichzelf opsluiten en ervoor zorgen dat de een de ander niet meer verstaat. Dan zullen ze tegen elkaar in opstand komen en mij verder met rust laten. En dat is wat God deed. De mensen verspreidden zich over alle windstreken en werden elkanders vijanden. Maar de herinnering aan wat ze hadden gezien bleef. En wie eenmaal de grenzen van de wereld heeft gezien, die zal des te pijnlijker zijn opsluiting beleven.’

De God die Tokarczuk opvoert is allesbehalve de perfectie zelve. ‘Ik heb God erbij gehaald als middel om te zien hoe de wereld in elkaar zit; Hij vertaalt alles. De alomtegenwoordige God, die het symbool is van liefde en goedheid, is eigenlijk vals. Het klopt gewoon niet. De God in mijn boek is een demiurg, een wereldbouwer die niet goed weet wat Hij wil en wie Hij is. Wij, mensen, denken dan weer soms dat we God genaderd zijn, dat we Hem bij de benen kunnen pakken, maar dan is Hij plots weer verdwenen. We kunnen geen vat op Hem krijgen.’

Wanneer Izydor, gefrustreerd omdat Ruta niet met hem wil trouwen, het klooster in wil, wordt hij onheus bejegend door een monnik. En een priester probeert Pawel, de vader van Izydor, geld af te troggelen wanneer die zijn overleden vader ten grave wil dragen, zogezegd omdat die zelden naar de kerk ging. Niet alleen God komt er belabberd uit, ook Zijn vertegenwoordigers op aarde. ‘Religie is een zeer intieme zaak’, antwoordt ze. ‘Ik heb geen vertrouwen in Gods vertegenwoordigers. En ik niet alleen. Het is een beetje een Pools syndroom dat mensen buiten de formele wegen om in contact proberen te komen met God. Ik was dan ook zeer verbaasd te horen dat een Duitse recensent mijn boek als zeer katholiek omschreef.’

Religie is altijd heel belangrijk geweest in Polen. Het land leverde niet alleen de huidige paus (Johannes-Paulus II, fvl); toen eind de jaren zeventig de vrije vakbond Solidariteit van Lech Walesa opdook, werd die openlijk gesteund door aartsbisschop Glemp. Tokarczuk: ‘Ik stel vast dat de Polen inderdaad meer met hun geestelijke leven bezig zijn dan de West-Europeanen. Er zijn veranderingen bezig, de kerk zoekt een andere weg. Ze scheidt zich af van de politiek. Ik vind het goed zo. De kerk is er voor het geestelijke welzijn van de mensen, niet om hen in een politieke richting te duwen. Religie is voor een groot deel instinctief: je moet geloven in iets of iemand.’

Interessante passage: tijdens een van Izydors geloofscrisissen gelooft hij, een paragraaf lang, dat God niet een Hij, maar een Zij is. ‘God was een vrouw, machtig, groot, vochtig en dampend als de aarde in de lente. Godin bestond ergens in de ruimte en leek op een onweersvolk vol water. Haar macht was verpletterend en deed denken aan een bepaalde kinderlijke ervaring waar hij bang voor was. Iedere keer als hij zich tot Haar wendde, antwoordde Ze hem met een opmerking die hem de mond snoerde.’

Weg met het traditionele beeld van de oude wijze man met de lange witte baard? ‘Izydor komt uiteindelijk tot de vaststelling dat God noch een Hij, noch een Zij is’, zegt Tokarczuk. ‘Een Het, als het ware, een onzijdig wezen. Op zich is dat niets nieuws. In de geschiedenis werd wel vaker naar de vrouwelijkheid in de figuur van God gezocht. Dat thema zal trouwens ook in mijn volgende boek ter sprake komen.’

Feminisme

God die — al is het dan maar heel eventjes — als vrouw wordt afgeschilderd, de vrouwelijke personages die veel meer geestelijke kracht bezitten dan hun mannen, vrouwen die nadrukkelijk zorgen voor de toekomst (het opvoeden van hun kinderen),… Het lijkt een sterk feministisch geïnspireerd boek. In het tweede hoofdstuk zegt een vrouw uit Oer zelfs: ‘Wat wij nodig hebben, zijn dochters. Als alle vrouwen nu eens in één keer dochters begonnen te baren, dan zou er vrede op aarde zijn.’

Tokarczuk weet het zelf niet. ‘Wat is dat: feminisme? In de wereld waarin ik leef moeten vrouwen opkomen voor hun eigen positie. Rechten en plichten zijn nu eenmaal niet gelijk verdeeld in de wereld. Ik vind het een goede oefening een wereld te scheppen waarin vrouwen meer mogelijkheden hebben. Waarschijnlijk is het naïef wat ik nu zeg, maar ik veronderstel dat er minder oorlogen zouden zijn. Misschien moeten we eens onderzoeken hoe de wereld dan zou functioneren. Het thema houdt me in ieder geval heel erg bezig. Weet je, waar ik nu verblijf — in de buurt van Verdun, in Frankrijk — vind je op de soldatenkerkhoven alleen maar graven van gesneuvelde mannen, geen enkele vrouw.’

Een wereld met alleen maar dochters, dat zou over een aantal jaren ook het einde van de menselijke soort betekenen, werpen we op. ‘Ach, maar die opmerking was pure verbeelding’, lacht ze.

Mannen en vrouwen leven in gescheiden werelden. In het boek wordt dat gesymboliseerd door het letterlijk in tweeën verdelen van het bed van Pawel en Mysia. ‘De scheiding begint al bij de opvoeding’, zegt ze. ‘Meisjes worden helemaal anders opgevoed dan jongens. Wat ik interessant vind, is wat er gebeurt op het moment dat een meisje en een jongen samenkomen.’

Dromen

‘Zich iets verbeelden is eigenlijk een vorm van scheppen’, schrijft ze in het boek, ‘het is de brug van verzoening tussen materie en geest. Als je het maar vaak en intensief genoeg doet. Dan wordt het beeld omgezet in een druppel materie en voegt zich bij de stromen van het leven. Soms raakt er onderweg iets in misvormd en verandert. Vandaar dat alle menselijke verlangens, mits ze voldoende sterk zijn, in vervulling gaan. Niet alles helemaal, tot het einde, zoals je had verwacht.’

De mens moet niet alleen creatief zijn om te overleven, maar ook om te kunnen dromen. Tokarczuk: ‘We maken de realiteit veeleer dan dat we ze tot ons nemen. De werkelijkheid wordt telkens vernieuwd: we verbeelden ze en we interpreteren ze.’

Dit inzicht is een gevolg van haar ‘vorig leven’. Ze studeerde psychologie en werkte vervolgens een tijdje als psychotherapeute. ‘Het is me inderdaad opgevallen hoezeer we apart van elkaar leven: ieder heeft zijn eigen wereld, maar die verschillende werelden botsen voortdurend. Ik ben op zoek naar de betekenis van alle gebeurtenissen in ons leven.’

Oer en andere tijden was haar derde roman, zopas verscheen in Polen haar vierde. Ze ontving in eigen land de prestigieuze Koscielski-prijs en werd in Frankrijk genomineerd voor het beste buitenlandse boek van 1998. Momenteel verblijft ze met een schrijversbeurs in Noord-Frankrijk. Waarom ze schrijfster werd, is ook voor haar een raadsel. ‘Op een bepaald moment vond ik zo’n innerlijke kracht dat ik wel moest opschrijven wat er met me gebeurde en wat ik wilde zeggen. Maar ik wilde zeker geen schrijfster worden: mijn eerste boek heb ik niet geschreven met de gedachte dat ik het ook ging publiceren. Dat ik het uiteindelijk toch ben geworden, heeft vooral met mijn introvertie te maken. Het interesseerde me op zeker ogenblik veel meer wat er binnenin mij leefde, dan wat er met mijn patiënten aan de hand was. Als ik psychotherapeute zou zijn gebleven, zou ik dat heel slecht gedaan hebben. Ik zou alleen maar zijn blijven wegdromen bij de verhalen van mijn patiënten. Vandaag is dromen mijn job geworden.’

Olga Tokarczuk, Oer en andere tijden (Een tijdloze literaire caleidoscoop), 1998, De Geus, Breda.



De afrekening

Radio en Televisie Posted on za, oktober 12, 2019 13:01:20

U zult misschien zeggen: hij heeft de voorbije maanden en jaren een flink deel van zijn inkomsten als zelfstandig journalist te danken aan de openbare omroep en daarom schrijft hij nu een bijdrage om zijn opdrachtgever uit het recente verleden te paaien om hem opnieuw in te schakelen. Dat is uw volste recht en helemaal ongelijk heeft u niet: niet zozeer over het hengelen naar opdrachten (dat zien we wel en wie weet werkt mijn openlijke steun mét een vleugje kritiek wel contraproductief), maar ik heb natuurlijk jaren doorgebracht in dat spuuglelijke en net daarom toch ook op een vreemde manier aantrekkelijke gebouw aan de Reyerslaan. Ik heb er hard gewerkt, goed gewerkt, centen verdiend, domme dingen gedaan en gezegd, mijn kwaliteiten en mijn tekortkomingen bewezen, vrienden en de occasionele vijand gemaakt. Dus: als u bevooroordeeld bent, doe gerust, daar valt toch weinig tegen te doen.

Dit: de manier waarop de Vlaamse regering de VRT in het regeerakkoord kortwiekt, is een schande. Een sterke bevolkingsgroep — die zichzelf volgens sommigen moet uitroepen tot natie — heeft een sterke omroep nodig, die onafhankelijk en onpartijdig kan werken. U moet die sterke bevolkingsgroep niet zoeken, want die is er: de Vlamingen. U moet die sterke omroep niet zoeken, want die is er: de VRT. Openbaar en al, en hij kost u jaarlijks een habbekrats. Vijfenveertig euro per Vlaming, als ik goed kan rekenen (276 miljoen euro dotatie per jaar gedeeld door 6 miljoen Vlamingen, al is het officiële cijfer 41,2 euro/Vlaming). Dat is niets, vergeleken met wat u ervoor terugkrijgt. Je kunt veel zeggen over wat de VRT niet goed (genoeg) doet of je kunt stellen dat de omroep sinds halfweg de jaren 90 te veel de populistische toer is opgegaan — en daar valt inderdaad iets voor te zeggen —, maar je kunt niet beweren dat de VRT niet performant, succesvol, populair en nodig is. Cijfers, statistieken, bewijsmateriaal in overvloed. En dat is nu net het probleem: de VRT is té performant, té succesvol en té populair, dus moet ze een beetje overbodig worden gemaakt.

Net in deze (en de vorige) Vlaamse regering vind je drie partijen terug die historisch ontevreden zijn over de VRT. De N-VA vindt dat de omroep te weinig de nog ongeschreven Vlaamse canon uitdraagt, te zelfkritisch is voor Vlaanderen, te weinig volkseigen. Als grootste partij van dit landsgedeelte vindt de N-VA dat de VRT te links is. Dat vinden ‘grootste partijen’ namelijk al vijftig jaar. Wie de grootste is, is het gevoeligst voor kritiek. Uit die populariteit leiden ze af dat ze boven kritiek verheven staan, want ‘het volk ziet ons graag’. Dus moet de omroep die dat volk vertegenwoordigt dat ook maar te doen. Terwijl het net de opdracht is van de journalistiek om geen rekening te houden met de uitkomst van de democratie en in de eerste plaats machthebbers kritisch te benaderen en alles in vraag te durven stellen. Even terzijde en toch wel merkwaardig: de VRT heet al van begin jaren 70 een links bastion te zijn, maar de journalisten die de omroep in de loop van de jaren hebben verlaten voor het pluche van de politiek, zijn bijna allemaal naar de liberale, christendemocratische of Vlaams-nationalistische partij getrokken. Dus, ofwel klopt dat verhaaltje van die linkse VRT niet, ofwel is die VRT intussen wel héél links geworden. Quod non. Stemmingmakerij. N-VA moet na meer dan tien succesvolle jaren dringend af van die calimeroreflex.

Maar ook CD&V en Open VLD hebben een historisch gegroeid probleem met de openbare omroep. Reeds in 1976 ging de toenmalige CVP-premier Leo Tindemans op de Luxemburgse, maar in Franstalig België veelbekeken, commerciële zender RTL de komst van een commercieel tv-station in Vlaanderen bepleiten. In 1982 schreef Dirk Verhofstadt, broer van, het boekje Het einde van het BRT-monopolie, een blauw(!)druk van de media van de toekomst. In juli 1984 organiseerden de partijvoorzitters van CVP en PVV, Frank Swaelen en Guy Verhofstadt, een conferentie om een nationale commerciële omroep te propageren, die een ‘absoluut objectief journaal’ moest maken, samengesteld door journalisten van kranten, weekbladen en het persagentschap Belga. Dan nog was het bijna vijf jaar wachten op de start van VTM.

CVP/CD&V is altijd een koele minnaar van de openbare omroep gebleven, om dezelfde reden dat N-VA dat vandaag is: de grootste partij — denk aan de CVP-staat van weleer, toen de christendemocraten nog veertig procent van de stemmen haalden — ziet in alle berichtgeving een te kritische aanpak. Ze waren de jaren 60 gewoon, toen een journalist op de premier afstapte, hem vroeg ‘Meneer de premier, wat is er vanmorgen beslist op de ministerraad?’, vervolgens een broodje ging eten, flesje wijn toe, om dan terug te keren en ‘Dank u voor deze uitleg, meneer de premier’ te prevelen, waarna het integrale interview ’s avonds werd uitgezonden. Dat vonden politici van meerderheidspartijen wel prettig. Ongestuurd hun zegje mogen doen, op een eenzame stoorzender als Maurice De Wilde na. Ja, de burgemeester, de notaris en de pastoor hadden toen nog veel meer aanzien, maar dat kwam vooral omdat ‘Wat niet weet, wat niet deert’ een Leitmotiv van de bevolking was.

Open VLD wil, zo gaat dat bij liberalen, zo weinig mogelijk staatsinmenging. Een slanke overheid en dus ook een slanke openbare omroep. Het is heus geen toeval dat de minister van Media de voorbije vierentwintig jaar vier keer geleverd werd door de (Open) VLD, twee keer door de CVP/CD&V en één keer door de N-VA. Tussen 2009 en 2014 werd het mediadepartement in de Vlaamse regering beheerd door een sp.a-politicus, Ingrid Lieten.

Kritiek hebben is één ding, die kritiek omzetten in drastische besparingsoperaties een ander. Wat nu gebeurt is puur revanchisme. De afrekening. Drie partijen die in hun besparingswoede inhakken op organisaties waarmee ze nog een eitje te pellen hebben, of dat nu Unia is, of de VRT. De openbare omroep moet de komende vijf jaar twaalf miljoen euro besparen. Dat lijkt op het eerste gezicht haalbaar, maar die inspanning komt bovenop de miljoenen die al door de vorige Vlaamse regering werden opgelegd. Samen goed voor vierenveertig (44) miljoen minder beschikbaar budget tegen 2024.

Het zal wel vloeken in de kerk zijn, maar de VRT krijgt nu al veel te weinig. Die 276 miljoen euro had allang 500 miljoen moeten zijn, maar dan wel met het verbod op reclame en sponsoring, zodat de andere mediagroepen daarover niet meer konden klagen, en een sluitende verplichting om de Vlaamse cultuur nog meer te ondersteunen, óók de minder toegankelijke vormen.

In een lezenswaardige bijdrage in De Morgen las ik dat ze met name bij de N-VA heel ongelukkig zijn met het Canvas-programma De afspraak. Te gekleurd, blijkbaar. Altijd dezelfde gasten. Hé, dat klopt, dacht ik, maar wel om een andere reden. Als ik voor de zoveelste keer Mia Doornaert en Rik Torfs reactionaire dingen hoor vertellen, erger ik me blauw-geel. Maar misschien wijst dat net op een zekere onafhankelijkheid van het programma. Ik hoor er te veel rechtse dingen vertellen, de N-VA hoort er te veel linkse dingen vertellen, wie weet zit het evenwicht dan wel goed?

Enfin, leve de openbare omroep!



Club Brugge neemt afstand

Sport Posted on wo, oktober 09, 2019 10:11:20

(Deze bijdrage verscheen maandag 7 oktober als ‘De bankzitter’ in De Standaard.)

Club Brugge is de grote winnaar van de tiende speeldag. Het won zelf makkelijk van AA Gent, met flinke medewerking wel van de Gentse defensie, terwijl achtervolgers Antwerp en Standard na een voetbaloorlogje de punten deelden.

Iemand moet de verdedigers van AA Gent toch eens uitleggen dat hun werkgever gisteren niet deelnam aan de Open Bedrijvendag en dat een opendeurdag al helemaal niet aan de orde was. Het leek er nochtans sterk op, de manier waarop met name Dylan Bronn en Igor Plastun liepen te stuntelen. In het veldspel lagen de Buffalo’s niet eens zoveel onder bij Club Brugge, dat gewoontegetrouw volle gas aan de wedstrijd begon. Gent kreeg halve kansen, maar stuitte op een zelfzekere Mignolet, een stevige Mata en een weifelende scheidsrechter Lardot, die tot twee keer toe een mogelijke penaltyfase voor de Gentenaren over het hoofd zag. Mats Rits mocht intussen de ene na de andere overtreding maken, zonder dat er een geel kartonnetje aan te pas kwam. De Gentse frustratie was dus begrijpelijk, maar zelfkritiek zou toch gepast zijn.

Wekenlang schreven Gent-watchers de Tunesische international Dylan Bronn in het elftal. Nu bleek waarom hij op de bank zat. Bij de eerste goal liet hij Vanaken te veel ruimte, waarna die – na een overigens knappe aanval – mooi in de hoek kon knikken. Bij het tweede tegendoelpunt trapte diezelfde Bronn als de eerste de beste vrijetijdsvoetballer half naast de bal. Beredeneerde gok: na de interlandbreak staat Mikael Lustig gewoon weer in het elftal. Tot overmaat van Gentse ramp gaf ook de Oekraïener Igor Plastun een doelpunt cadeau en kon invaller Diagne helemaal op het eind tussen een woud van tegenstanders aannemen, draaien en schieten. Vier-nul. Overdreven uitslag en al te makkelijk tot stand gekomen.

Verzwakken niet toegelaten

De ‘Slag om Vlaanderen’, zo wordt het duel tussen Club en Gent al een tijdje genoemd. Geen idee wie de term bedacht heeft, maar het slaat nergens op. Club is een grootheid in het Belgische voetbal, Gent is weliswaar een vaste waarde, stamnummer 7, maar is pas de voorbije tien jaar uitgegroeid tot een subtopper, bekroond met die unieke landstitel in 2015 en een paar mooie Europese campagnes. Bij de term ‘Slag om Vlaanderen’ denk je aan evenwaardige teams, wat niet het geval is. Bovendien, daar schreven we vorige week al over, wekt die kunstmatig gecreëerde oorlogszucht wederzijdse haatgevoelens op voor de aftrap.

Zeven gele kaarten vielen er in een sportieve wedstrijd en dan vergat Lardot dus nog Rits te bestraffen. De bestrafte overtredingen waren pekelzonden: protest, een schwalbe, het truitje uittrekken na een doelpunt. Opmerkelijk is dat de drie Brugse invallers met geel bedacht werden. De plaatsjes zijn duur, Philippe Clement eist negentig minuten concentratie en grinta. Toen Deli kort voor de negentigste minuut bij een drie-nul tussenstand een slordig balletje trapte tussen twee ploegmaats in, sloeg de trainer hard op het dak van de dug-out. Verzwakken wordt niet toegelaten, nonchalance is uit den boze.

Symbool van de Brugse onverzettelijkheid én klasse is de rechtsachter, Clinton Mata. Die trok voortdurend spurtjes op zijn flank, van de eerste tot de vierennegentigste minuut. Klaar kijkend, hard tackelend, technisch zuiver: de Angolese Belg is een zegen om in je elftal te hebben.

Clement ontgroeit België

Na de halve stunt in Madrid, die een hele had kunnen zijn, zal bij Club de idee beginnen te leven dat er ook bij de Europese elite meer inzit dan een voorspelbare en door de kenners ook voorspelde uitschakeling in de groepsfase. Dit elftal overstijgt de Belgische competitie, is tactisch uitgekookt, technisch meer dan oké en zeer hongerig. Het is geen toeval dat Philippe Clement er aan het roer staat. Twee en een half jaar geleden zat die nog als assistent op diezelfde bank, waarna hij het met succes probeerde als hoofdtrainer bij Waasland-Beveren (een half jaar) en KRC Genk (anderhalf jaar). In die twee seizoenen verzoende hij positief voetbal met werkkracht en efficiëntie.

Dinsdagavond bewees Clement dat hij zich op zijn vijfenveertigste kan meten met een coach die drie keer op een rij de Champions League heeft gewonnen. Vanop afstand leken beide trainers wel lookalikes. Zinédine Zidane reageerde achteraf zuurtjes op het puntenverlies. ‘Wat heeft Club getoond behalve die twee goals?’ vroeg hij zich op de persconferentie af. Hij gaf zelf het antwoord: ‘Niets!’ Tja, tactisch overtroefd worden door een onbekende trainer uit het kleine België doet een beetje pijn. Clement begint België te ontgroeien, net zoals Club Brugge afstand neemt in de Jupiler Pro League.

Voetbaloorlogje

Antwerp begon aan de match tegen Standard met vier ex-Rouches in de rangen: Bolat, Arslanagic, Defour en Mbokani. Kevin Mirallas doorliep dan weer de jeugdrangen op Sclessin, maar vertrok al op zijn zestiende naar Lille. Ook Opare, Alexis de Sart en Yatabaré – niet op het wedstrijdblad gisteren – hebben een Luiks verleden. En dan zijn er nog trainer Laszló Bölöni en sportief directeur Luciano D’Onofrio, voormalige kampioenenmakers in de vurige stede. Veel oude bekenden, al leidde dat niet dadelijk tot een vriendschappelijk onderonsje. De eerste helft was een voetbaloorlogje, met afwisselend venijnige en geniepige fouten, voortdurend oponthoud en weinig spektakel. Gescoord werd er, hoe kan het anders, vanop de stip en na een belachelijke discussie tussen Refaelov en Mbokani. Was er dan niemand aangewezen? (Neen, bevestigden de aanvoerder en de trainer achteraf.) De Israëliër knalde, gelukkig voor hem, hard binnen. Refaelov juichte ingetogen, Mbokani helemaal niet. Het blijven jongetjes, die voetballers, ook al zijn beide heren inmiddels al drieëndertig. Onbegrijpelijk toch dat een coach dit soort knopen niet vooraf doorhakt, zeker niet als het om een controlefreak als Bölöni gaat.

Na de rust tippelde een eenzame duif rond op het veld. Een vredesduif? Feit is, er werd nu iets meer gevoetbald dan gebikkeld en er was dus meer te zien op de Bosuil. Antwerp verdubbelde de voorsprong – Mbokani mocht dan toch juichen -, Standard sloeg twee keer toe via Renaud Emond. Club Brugge was de lachende derde. Het telt drie punten meer dan Standard, met een wedstrijd minder gespeeld.



De ruggengraatlozen

Politiek Posted on za, oktober 05, 2019 12:37:03

Habemus Vlareg!

Daar hoorden toeters, bellen en enkele nachtelijke vergaderingen bij, want zoals algemeen geweten komen de beste ideeën naar boven rond zeven over vier ’s nachts, nadat je al minstens tien uur ononderbroken vergaderd hebt. Not! Die vergaderingen-tot-de-finish behoren tot het macho-gedoe dat in politieke kringen nog altijd bon ton is, zelfs nu de luitjes rond de tafel niet meer allemaal heertjes zijn. Vrouwelijke onderhandelaars willen niet onderdoen voor die testosteronbommen. Terwijl je zou denken: na meer dan vier maanden steekt het niet meer op een dag of twee. Beter een goed dan een snel akkoord.

Maar goed, we hebben een regeerakkoord, weliswaar nog zonder gedetailleerde begroting. Of zit die toch ergens verborgen in een lade, zoals de pas ingezworen minister-president Jambon donderdagavond op een half besloten bijeenkomst van het nationalistisch vriendenclubje van Doorbraak liet verstaan? Was dat een geval van machistische stoerdoenerij, van oppositietje-pesten of van preken voor eigen parochie? Of, nog simpeler, een leugentje om bestwil? Ligt het mapje met de begrotingscijfers misschien wel bovenop de dikke map met foto’s van dansende moslims na de aanslagen van 22 maart 2016?

Het is straf dat de nieuwe coalitie naar het parlement is gestapt zonder cijfers. Het is des te straffer dat de brave volgelingen van N-VA, CD&V en Open VLD op hun inderhaast bijeengeroepen congressen het regeerakkoord hebben goedgekeurd zónder de tekst integraal te hebben kunnen bestuderen en zónder indicatie dat het wel goed komt met de centen. Particratie, inderdaad. Ja-knikkers zonder ruggengraat. Lafheid in het halfrond. Zelfrespect is een luxe die weinigen zich nog durven te veroorloven in politieke middens.

***

Dat deze regering meer rechts dan centrum is geworden, is wel duidelijk. Dat kon, de kiezer had het zo gedicteerd. Je kunt dat betreuren, maar je moet niet zeuren over de uitkomst van een democratisch proces. Wel over de manier waarop dat proces ná die verkiezingen gevoerd werd. In tegenstelling tot federaal waren er op Vlaams niveau geen drie realistische mogelijkheden. Het voortzetten van de coalitie van de verliezers was de meest logische. Alleen omdat Bart De Wever verkoos wekenlang te praten met Vlaams Belang leek het even spannend — waardoor hij op haast perverse wijze druk zette op CD&V en Open VLD, die kleur moesten bekennen (duidelijk maken dat er voor hen niet met Belang kon gepraat worden, ‘Het is dus hún schuld, meneer Van Grieken!’, én dat ze wilden inbinden op hun principes om er zeker bij te kunnen zijn). Is het inruilen van een van de ‘Zweedse’ partijen voor sp.a ooit een realistische piste geweest, of eerder een stok achter de deur? Ik vermoed het laatste. Een eventuele derde piste, een minderheidsregering mét gedoogsteun van Vlaams Belang, was eveneens politieke fictie. House of cards speelt zich vooralsnog niet af in Vlaanderen.

Weg met Unia (maar niet meteen, zo blijkt, want de opzegtermijn is verstreken), weg met het Minderhedenforum, weinig of geen aandacht voor armoedebestrijding (armoede, zo blijkt, is even relatief als racisme voor Vlaams-nationalisten): het lijkt wel alsof N-VA, opgejaagd als ze is door Vlaams Belang, haar hele agenda heeft kunnen opleggen en nog wat kruimels gunde aan partijen die partijtjes zijn geworden, content met het weinige dat hen nog wordt toegeschoven. CD&V en Open VLD zijn de kleuters die per se willen meespelen, ook al betekent dit dat ze de hele tijd braafjes in een hoek van de speelplaats moeten blijven staan. Er niet bij zijn betekende zo goed als overbodig worden. Er wel bij zijn houdt het risico in dat ze naast een dominante N-VA en een in het regeerakkoord zeer aanwezig Vlaams Belang over vijf jaar overbodig worden. Damned if you do, damned if you don’t. Geen prettige uitgangspositie. En toch: wordt dergelijk gebrek aan ruggengraat volgende keer niet sowieso afgestraft? N-VA heeft de rol van brede volkspartij overgenomen van de CD&V en de rol van liberale partij van Open VLD. Wat rest die traditionele partijen nog?

***

Het signaal van dit regeerakkoord en deze regering is onmiskenbaar duidelijk.

Het Vlaamse niveau is belangrijker dan het federale. N-VA haalt politiek zwaargewicht Jan Jambon naar Vlaanderen, gewezen staatssecretaris Zuhal Demir is ook een van de pijlers van de partij. Bij CD&V kiezen een partijvoorzitter en een papieren kandidaat-partijvoorzitter eieren voor hun geld in de vorm van een Vlaamse ministerpost. Wie blijft er met al die grote namen — en met De Wever op het Schoon Verdiep — nog over om federaal te onderhandelen? CD&V en, in mindere mate, Open VLD hebben gekozen voor politiek gewin op korte termijn. Dat Gwendolyn Rutten voorlopig partijvoorzitter blijft, is een geluk bij een ongeluk. Van de kopstukken die (hopelijk) weldra federaal moeten onderhandelen blijven in Vlaanderen enkel Theo Francken, Koen Geens, Gwendolyn Rutten en Maggie De Block over — en niet te vergeten, uiteraard, de partijvoorzitter-burgemeester-Vlaams volksvertegenwoordiger, die het land/de natie bestiert vanop zijn troon. (In Wallonië is de politieke kapitaalvlucht overigens nog een pak groter: Charles Michel en Didier Reynders vluchten naar het Europese niveau — beter betaald, prestigieuzer, meer waardering en weg van het schier uitzichtloos gekrakeel in eigen land —, Elio Di Rupo is minister-president van zijn regio, Laurette Onkelinx heeft mentaal al afscheid genomen en helpt alleen nog wat depanneren als er moet onderhandeld worden, en waar zit ‘Madame Non’ eigenlijk?)

Het Vlaamse niveau is belangrijker dan het lokale. De beste burgemeester van de wereld laat Mechelen achter zich. Veel succes, Bart Somers, om in deze constellatie inburgering onder je hoede te nemen, opgejut als je zult worden door de interne en externe oppositie.

Vlaanderen is belangrijker dan de wereld. Wat we zelf doen, doen we beter, zoals daar is: het terugplooien op jezelf. De Vlaamse canon is belangrijker dan het culturele venster op de wereld. Krampachtig zoeken naar en je vervolgens verankeren aan je identiteit is stilstaan, leven in het verleden. Identiteit is niet statisch, is altijd in beweging. Dat Cultuur geen aparte minister krijgt, maar een beetje wordt ondergeschoven bij de bevoegdheden van de minister-president zegt alles: cultuur moet ten dienste staan van het volk. Héél het volk. Als er straks dringend centen moeten worden gezocht, zal dat ten koste gaan van de cultuursector. Misschien ligt die map met de begrotingscijfers echt wel in een bureaula van de MP-annex-cultuurbaas…

Vlaanderen staat boven de wereld. We liggen hier niet wakker van het klimaat. Het klimaat moet betalen als het wil integreren, maar eens geïntegreerd is het welkom. Of was het nu geassimileerd? Of waren het nu de vreemdelingen — hún woorden — die moeten dokken en zwijgen? De Vlaming is klimaat- en vreemdelingenmoe. Dat wordt beloond. Après nous le déluge.

Vlaamse commerciële televisie is belangrijker dan de openbare omroep. Die moet zich gedeisd houden, moet binnenkort rekening houden met de canon, mag niet meestappen in het opbieden voor sportrechten. Voorlopig zullen de Ronde van Vlaanderen, Luik-Bastenaken-Luik, de Formule 1-prijs van Francorchamps en de finale van de Beker van België voetbal nog wel gratis te zien zijn, omdat ze op een lijst met beschermde sportevenementen staan die voor alle landgenoten toegankelijk moeten zijn. Maar steeds meer sport zal achter een betaalmuur verdwijnen. Of naar een commercieel station verhuizen, omdat die nog wel marktconforme bedragen mogen bieden. De VRT mag nog wel meedoen, maar met de handen op de rug gebonden en de voeten aan elkaar geketend. De openbare omroep mag alleen nog schuifelen, niet lopen en al zeker geen afstand meer nemen.

***

De grootste verdienste van deze Vlaamse regering is dat ze er is, niet dat ze er zal zijn.

Dit regeerakkoord ademt eigenbelang eerst. En ook: eigen Belang eerst. Is het al bijna 2024?



Laat de clubs meebetalen voor de ordehandhaving

Sport Posted on di, oktober 01, 2019 22:39:09

(Deze bijdrage verscheen maandag 30 september in de wekelijkse reeks ‘De bankzitter’ in De Standaard.)

Na een nieuwe wanprestatie sloegen Anderlechtfans dan toch aan het morren, voorlopig nog verbaal en met wegwerpgebaren. Erger ging het eraan toe in STVV-Genk: bij een 3-3 stand werd de wedstrijd stopgezet vanwege supportersrellen. En een vuurpijl uit het Charleroivlak zorgde voor ophef op Sclessin.

Er was dus een Limburgse derby dit weekend. Wie niet in Limburg woont en niet de hele week werd opgewarmd door Het Belang zal dat pas zaterdagavond hebben gemerkt bij het consulteren van de tussenstanden. Of door naar het radioverslag te luisteren, dat verbijsterender werd met de minuut. De realiteit is dat het treffen tussen de Koninklijke Sint-Truidense Voetbalvereniging en de Koninklijke Racing Club Genk buiten de provincie Limburg nauwelijks deining veroorzaakt. Mocht Genk niet de uittredende landskampioen zijn, zouden er alleen Limburgse reporters op de persbanken hebben gezeten. Net zoals Club-Cercle, Zulte Waregem-Kortrijk, Antwerp-Beerschot of het Waalse duel tussen Standard en Charleroi alleen de plaatselijke harten sneller doen slaan, opgepookt door lokale media en clubgebonden journalisten, die hun moment de gloire beleven. De pers als medeplichtige.

Clubbestuurders – die doorgaans beter zijn in zwijgen dan praten – laten zich dan voor een keer goed gaan. Nog voor het eerste fluitsignaal weerklinkt, heerst er een giftig sfeertje in en om het stadion. Relletjes (bijna) verzekerd. In het Engels heet dat ‘accidents waiting to happen’. Het lijkt wel of voetbalderby’s of -toppers niet zonder controverse kunnen leven. Dus blijven media zoeken naar spijkers op heel laag water en krijg je toestanden zoals zaterdagavond. 0-1. Gemor bij de thuisaanhang. 0-2 na een strafschop. Waarschuwing voor het smijten van projectielen op het veld. 0-3 na een nieuwe strafschop. Bekertjes, flesjes en aanstekers vliegen de Genkse doelman om de oren. Scheidsrechter Visser legt de wedstrijd bijna twintig minuten stil.

Wetmatigheid in het voetbal: bij een lange onderbreking is de onderliggende ploeg in het voordeel. Na die gedwongen pauze werd het dus 1-3. En 2-3. En 3-3. Je kunt je vragen stellen bij de belabberde weerbaarheid van de bezoekers. Boze Genkse supporters sloopten een deel van de wand in plexiglas, die hen van het veld scheidde. Ruim in de toegevoegde tijd stuurde Visser iedereen op vraag van de politie definitief naar binnen.

Het was niet alles: zondagavond werd Standard-Charleroi helemaal op het eind even stilgelegd omdat een vuurpijl uit het bezoekende vak op het veld was beland.

Veranda

Behandel je supporters als beesten, dan zullen ze zich gedragen als beesten, ook dat is een wetmatigheid uit deze sport die veel meer agressie uitlokt op en naast het veld dan zogeheten agressieve sporten. Op het WK Rugby zal je dit soort scènes dezer dagen niet zien. ‘Rugby is een sport voor hooligans die gespeeld wordt door heren, voetbal een sport voor heren gespeeld door hooligans’, is een uitspraak die wordt toegeschreven aan de rector van de universiteit van Cambridge, eind negentiende eeuw.

Vanwege vuurwerk op het kunstgras bij een vorige STVV-Genk hadden ze er in Sint-Truiden niets beter op gevonden dan een constructie op te zetten. Een kooi in plexiglas, kostprijs: 45.000 euro. Veranda, hadden ze die op Stayen gedoopt. Láchen, op de voorbereidende vergadering! Het beeld van de onzalige jaren 80 doemde op: hoge hekken om fans op te sluiten in hun vak. Na het Heizeldrama en de ramp van Hillsborough, respectievelijk 39 en 96 doden, verdwenen ze weer. Dat men nu een vergelijkbaar systeem bedacht in Sint-Truiden getuigt van weinig historisch inzicht en pestgedrag.

Niets kan het gedrag van de fanatieke clans goedpraten, maar je kunt wel degelijk spreken van oorzaak en gevolg. Oorzaak: meewerken aan het creëren van een opgefokte sfeer, wederzijdse pesterijen. Gevolg: rellen, wedstrijd stopgezet. Zowel de thuisploeg, de organisator van deze wedstrijd, als de uitploeg gingen uitgebreid in de fout.

Meestal is de overtredende partij duidelijk en ligt de boete voor het stopzetten van een wedstrijd vast, vijftigduizend euro. Anderlecht moest die som ophoesten na de onderbroken match op Standard, op 12 april dit jaar. Lastiger wordt het als beide supportersclans zich misdragen, zoals in december 2016 gebeurde tijdens Charleroi-Standard. Beide clubs betaalden toen vijfduizend euro boete, de doelpunten (1-3) werden wel meegeteld, maar winnaar Standard kreeg de drie punten niet.

Op Stayen was er geen winnaar. Én de thuisaanhang, én de bezoekende fans gingen in de fout. Mogelijke straffen: vijftigduizend euro boete elk of te delen, twee punten aftrekken en de wedstrijd achter gesloten deuren laten overspelen, zodat de eventuele winnaar er slechts één puntje aan overhoudt en de verliezer min twee. Wie weet bedenkt iemand bij de sanctionerende instanties wel dat je de slotminuten bij een drie-drie tussenstand kunt spelen in een leeg stadion, je weet nooit in België.

Verantwoordelijkheid

Supporters worden beschouwd als melkkoeien, ze mogen roepen wat ze willen zolang ze zich maar niet bemoeien met het beleid en keurig hun abonnement of ticket betalen. Hét voorbeeld dat het anders kan vinden we in het nabije oosten. In Duitsland heb je geen meerderheidsaandeelhouders die hun centen in een hobbyprojectje steken en hun zin mogen doen. Supportersinspraak is er verplicht. Duitse clubs zijn financieel gezond, worden zakelijk gerund, óók door fans.

In België krijgen voetbalclubs aanzienlijke fiscale en sociale voordelen, cadeaus waaraan voorwaarden vasthangen, zoals het uitbouwen van een jeugdwerking en het geven van speelkansen aan eigen jeugd, die ze vervolgens aan hun laars lappen. Na het seizoen 2017/2018 bedroeg de veiligheidsfactuur voor de overheid 10.981.437 euro, geld dat alle Belgen ophoesten, ook zij die niet van voetbal houden of zij die zich distantiëren van supportersgeweld. Clubs doen nauwelijks iets om hun fans aan banden te houden, de eigen stewards worden aan hun lot overgelaten. Racistische incidenten lacht men weg. Sancties zijn tot nog toe een lachertje. Als de Geschillencommissie Hoger Beroep een wedstrijd zonder publiek oplegt, wordt die straf door het BAS teruggefloten.

Twee stopgezette wedstrijden in minder dan een half jaar tijd. Misschien moet de ordehandhaving in de toekomst verhaald worden op de Pro League en de clubs. Mogelijk nemen ze dan wel hun verantwoordelijkheid op. Trek die elf miljoen euro maar af van de tv-gelden.



Club blinkt uit (behalve in efficiëntie)

Sport Posted on wo, september 25, 2019 19:28:52

(Deze bijdrage verscheen maandag als ‘De bankzitter’ in De Standaard.)

Club Brugge miste een karrenvracht kansen tegen Anderlecht, al kan je ook zeggen dat Hendrik Van Crombrugge zijn ploeg heel lang overeind hield. Zo bleef de ‘topper’ spannend. Standard blijft intussen wel, met een wedstrijd meer gespeeld, op kop. Eupen was geen partij voor de Rouches.

De bus met de Anderlechtdelegatie arriveerde minder dan een uur voor de aftrap aan het Jan Breydelstadion. Dat overkwam hen eerder ook al bij de uitwedstrijd in Genk. Erg comfortabel is dat niet qua wedstrijdvoorbereiding, je maakt de basisspelers en de staf alleen maar nóg nerveuzer dan ze ongetwijfeld al waren, zeker na die desastreuze competitiestart. Wordt na het ontslag van de teammanager, de materiaalman en de persvrouw nu ook de buschauffeur bedankt voor bewezen diensten?

Aan de aftrap bij paars-wit de Nederlander Derrick Luckassen, huurling van PSV, en zowaar ook de ongewenste Adrien Trebel, spelers nummer 26 en 27 dit seizoen. De herstelde Kompany posteerde zichzelf op de bank. Chadli moest het weer diep in de spits proberen en scoorde zelfs voor de tweede week op rij, na onoordeelkundig uitkomen van Mignolet. Zeldzame flater van de doelman. Club reageerde met een carambole die via de paal en doelman Van Crombrugge over de lijn ging. Na die furieuze beginfase had Club wel de bal (balbezit was eventjes van ondergeschikt belang binnen Het Project, er werd niet uitgevoetbald vanaf het eigen strafschopgebied), de kansen (Dennis wrong ze de nek om) en steriel veldoverwicht.

Club titelkandidaat!

Na de pauze had Hendrik Van Crombrugge – wat een aanwinst! – een reeks miraculeuze reddingen in huis, met handen én voeten. Hij, en hij alleen, hield Anderlecht lang in de match, ook al moest zijn overbuur Mignolet ook een paar keer redding brengen. Tot Diatta twintig minuten voor tijd eindelijk scoorde. Een paar reeds geschreven paragrafen over een aanvallend stotterend Club Brugge, dat in eigen huis achtereenvolgens niet kon winnen van Eupen, Genk, Galatasaray en Anderlecht, mochten onherroepelijk de prullenmand van de computer in.

Al blijft de conclusie overeind dat Club het de voorbije weken uitermate moeilijk had om overwicht om te zetten in doelpunten. Okereke begon flink aan het seizoen, maar viel daarna terug en begon nu op de bank. Dennis, Diatta, Tau en Openda scoren veel te weinig, Diagne en Vossen zijn back-ups die gisteren niet eens het wedstrijdblad haalden. Er kroop heel veel energie in het bereiken van de poulefase van de Champions League en wedstrijden tegen Real, PSG en Galatasaray zullen nog het uiterste eisen van dragende spelers als Vormer en Vanaken. Club ziet af. Als je je wilt meten met de Europese top, moet je daar niet over zeuren.

Om puntenverlies in de eigen competitie te compenseren, is er ‘gelukkig’ dat bizarre play-offsysteem. Club Brugge zal er met die flink gestoffeerde spelerskern honderd procent staan bij de start van Play-off 1. Tegen dan zitten de Europese verplichtingen er wellicht op en kan alle aandacht naar de competitie gaan.

En Anderlecht? De spelers deden hun best, ook al was het veldspel bij momenten niet om aan te zien. Nipt verliezen bij de aartsrivaal is geen schande, maar die 5 op 24 en die vijf nederlagen in acht wedstrijden staan er wel. Vorige week was Play-off 1 amper zes punten weg, nu al negen.

Standard titelkandidaat?

Minder dan tweeënzeventig uur na de Europa League-match tegen Vitória Guimaraes had Michel Preud’homme zijn elftal op zeven plaatsen gewijzigd. Een van de vier blijvers bedankte zijn coach al na zes minuten met een fraaie goal, al werd Konstantinos Laifis weinig in de weg gelegd door de Eupenaren in de centrale as van het veld. De Cypriotische international mocht vrij oprukken, dribbelen en dan met links laag in de hoek knallen.

Dat doelpunt vormde de perfecte illustratie van het zwakke vertoon van de degradatiekandidaat uit de Oostkantons. Ze lieten Standard maar wat doen. Sportieve zelfmoord, die zowel voor als na de rust werd afgestraft door Boljević. Ook die goals verdienden tegelijkertijd het predikaat ‘fraai’ en ‘naïef verdedigd’.  Voor Preud’homme kwam het goed uit dat er na het Europese duel een hapje uit de Jupiler Pro League wachtte. Zo kon hij risicoloos roteren, wetende dat de nieuwe namen gretigheid zouden tonen.

Een van de exponenten van dat hongerige Standard is Maxime Lestienne. Die is na zijn oliedollarseizoenen bij het Qatarese Al-Arabi – dat hem prompt uitleende aan Genoa en PSV – en de roebeljaren bij Roebin Kazan – gevolgd door nog een paar maanden Málaga – opnieuw voetballer. Behalve voor zijn bankrekening waren dat vier jaar sportieve stilstand voor de wispelturige winger, die nu eindelijk weer het plezier van het spelletje heeft herontdekt. Met dank aan zijn mentor; Preud’homme had Lestienne eerder al in Brugge onder zijn hoede en maakte er toen een completere voetballer van.

De lichaamstaal van Lestienne straalt goesting uit. In tegenstelling tot die van Mehdi Carcela, die begin tweede helft de opdracht kreeg om op te warmen en duidelijk tegen zijn zin de dug-out uit slofte. Toen hij dan uiteindelijk mocht invallen kreeg Carcela een hele lange uitleg van assistent-trainer Eric Deflandre, die een lijvige cursus met tactische richtlijnen leek te doorlopen. Vrij zinloos als je weet dat creatieve spelers doorgaans de aandachtspanne van een goudvis hebben. Je zag Carcela denken: wat sta ik hier te doen? Inderdaad, wat doet hij nog in Luik?

Standard kent maar twee mogelijke resultaten dit seizoen: winnen of verliezen, respectievelijk zes en twee keer. Gelijkspelen, daar doen de Rouches voorlopig niet aan. Zo verlies je ook geen onnodige punten. De nederlagen werden geleden op Sint-Truiden en Anderlecht. Op Sclessin gaf Standard nog niets weg: twaalf op twaalf, 13 doelpunten gemaakt, 2 tegen. Al dient gezegd dat de tegenstand tot nog toe bescheiden was: Zulte Waregem, Moeskroen, Kortrijk en Eupen. Met excuses aan Moeskroen, dat onverwacht en allicht tijdelijk bovenin meedraait. Na het bekerintermezzo van komende donderdag tegen Lommel zullen de daaropvolgende vijf opdrachten aantonen of Standard titelkandidaat is dit seizoen: Charleroi (thuis), Arsenal (Europa League, uit), Antwerp (uit), Genk (thuis), Eintracht Frankfurt (Europa League, uit) en Club Brugge (uit). De Rouches staan voor de maand van de waarheid.



Stuurloos team met fysiek en mentaal probleem

Sport Posted on wo, september 18, 2019 18:53:06

(Deze bijdrage verscheen afgelopen maandag in De Standaard, onder de noemer ‘De bankzitter’).

Alweer een nederlaag voor Anderlecht, de vierde al van het seizoen: 1-2 tegen Antwerp. Zonder Kompany-de-voetballer, zonder glans en opnieuw een helft zonder inspiratie. Hoe lang blijven de supporters nog braafjes applaudisseren voor Het Project, als de resultaten blijven tegenvallen?

Het contrast was zeer groot. Woensdag werd de geblesseerde Vincent Kompany na elf indrukwekkende seizoenen door vijftigduizend dankbare fans feestelijk uitgewuifd in Manchester. In het oefencomplex van City werd een straat naar hem vernoemd en binnenkort pronkt zijn standbeeld voor het Etihad Stadium. De brede glimlach bij de inhuldiging van de Vincent Kompany Crescent woensdag maakte plaats voor een realistische blik in de Théo Verbeecklaan na Anderlecht-Antwerp zondag. 1-2. Uit vier thuiswedstrijden puurde paars-wit vier punten: één zege, één gelijkspel, twee nederlagen. Buitenshuis werd er in drie matchen nog maar één schamel puntje gesprokkeld, in Moeskroen. Dat zijn de statistieken van een degradatiekandidaat.

Het zal toch niet? Neen, natuurlijk niet. Daarvoor heeft Anderlecht te veel kwaliteit in de kern zitten. En Waasland-Beveren, Eupen en Cercle zijn heus wel een pak zwakker dan de recordkampioen. Maar Play-off 1 halen wordt een heus karwei. Niet omdat Anderlecht al zo ver van plaats zes verwijderd is – amper zes punten -, maar omdat er geen verbetering te merken valt sinds de desastreuze start van de competitie.

Na de zege tegen Standard lachten waarnemers nog met de vaststelling dat Anderlecht zowel in de oefenwedstrijden als in de competitie alleen nog maar had kunnen winnen als Kompany níet op het veld stond. Nu verlíezen ze zelfs als hij er niet bij is. Hoongelach hoort erbij.

37 kernspelers

Vijfentwintig spelers brachten Simon Davies en zijn opdrachtgever-zonder-trainerslicentie al tussen de lijnen. Dat zijn er evenveel als andere clubs in de kern tellen. Nieuwe aanwinst Samir Nasri werd gisteren gewoon gepasseerd: nog niet fit genoeg. Is hij nog wel goed genoeg voor zelfs maar het Belgische niveau, durven we na enkele magere vertoningen luidop te vragen? Kompany, Najar, Zulj en Dimata zijn onbeschikbaar vanwege blessures. Zondagnamiddag werd Nacer Chadli in de spits uitgespeeld. De Rode Duivel scoorde wel, maar stond duidelijk niet op z’n plaats. Mag binnenkort alle heil verwacht worden van Kemar Roofe, de Jamaicaanse spits die van de Engelse tweedeklasser Leeds United werd overgenomen en die na zijn revalidatie eindelijk klaar is voor de groepstraining?

Extra vervelend is het dat Adrien Trebel, Kenny Saief, Knowledge Musona, Zakkaria Bakkali en Alexandre Chipciu zich nog steeds Anderlecht-speler mogen noemen, tegen de zin van het bestuur en de nieuwe speler-manager in. Overbodige voetballers die elke maand netjes hun salaris ontvangen en die op het oefenveld alleen maar in de weg lopen. Zevenendertig kernspelers ná een transferperiode, veel slechter kan je een club niet beheren. De getalenteerde jonkies worden elke werkdag geconfronteerd met sikkeneurige profs die een veelvoud van hun maandloon incasseren. Erg motiverend kan dat niet zijn.

Onmisbare Mbokani

Niet dat Anderlecht tegen Antwerp ondermaats presteerde. Het begin was, zoals in zowat alle competitiewedstrijden tot nog toe, aardig en bemoedigend, met veel balbezit, leuke combinaties en een paar halve kansen. Mede omdat de bezoekers in de eerste helft vergaten dat ze ook aanvallende taken hadden. Nieuwkomer Steven Defour flirtte met de uitsluiting, hij mist wedstrijdritme en werd voortdurend voorbijgesneld door afwisselend Vlap en Verschaeren.

Dieumerci Mbokani schermde de bal prima af, maar deed er vervolgens weinig mee. De Congolees was een paar maanden geleden nog even in beeld bij Anderlecht, wat ongeveer alles zegt over de staat waarin die club zich bevindt, als je moet hopen op de komst van een bijna 34-jarige. Zelfs in dit dossier viel de besluiteloosheid van het paars-witte bestuur op, waarna Mbokani gewoon bijtekende bij Antwerp, waar hij een onmisbare pion blijft.

Na de pauze schoot Antwerp als een speer uit de startblokken. Binnen de twee minuten had het drie doelrijpe kansen versierd, meer dan Anderlecht er in de hele wedstrijd zou verzamelen. Doelman Van Crombrugge hield de thuisploeg met een reeks knappe saves overeind, ook al omdat zijn verdedigers hem in de steek lieten. Naast speler-Kompany is Hendrik Van Crombrugge een uitstekende aanwinst, mogelijk mogen we daar ook Nacer Chadli nog aan toevoegen, als die tenminste op zijn beste positie wordt uitgespeeld, op de linkerflank.

Antwerp scoorde dan toch, via Lior Refaelov en diens vervanger Koji Miyoshi, Anderlecht had tussendoor gelijk gemaakt na zwak verdedigen bij de bezoekers. Na de uitsluiting van Sambi Lokonga – overigens een veel betere controlerende middenvelder dan Zulj – zag je de hoop wegsijpelen uit de Anderlechtse rangen.

Amechtig vs. Ambitieus

Zo belanden we bij het grote euvel in het Astridpark. Technisch zijn alle spelers voldoende onderlegd, maar fysiek en vooral mentaal is er een gigantisch probleem. Als Kompany niet meespeelt, missen de jonkies iemand die hen wakker houdt, aanvuurt en moed inspreekt. Als de leider toekijkt vanuit een loge, is er geen andere leider die opstaat. Stuurloos team. Ze zijn zo fragiel, meneer! En terwijl de speler-Kompany gemist wordt, slaagt de manager-Kompany er intussen niet in zijn voetbalfilosofie in resultaten om te zetten, net zomin als zijn handpop in de dug-out. Blijft Kompany koppig vasthouden aan dit spelsysteem zonder dat het de komende weken punten oplevert, dan zullen de fans niet beleefd en toch-nog-altijd-een-beetje enthousiast blijven klappen.

Het verschil met Standard en Club Brugge is momenteel pijnlijk. Ook zij speelden dit weekend maar een helft op behoorlijk niveau, maar dat volstond voor al bij al makkelijke zeges in Oostende en in de stadsderby bij Cercle. Vergeten we ook de verdienste van Antwerp niet: terwijl de tegenstander van gisteren deze zomer vruchteloos naar een nieuwe spits zocht, versterkte Antwerp zich de laatste dagen van de transferperiode nog met interessante namen als Defour, Mirallas, Hoedt en Benson.

Antwerp, met de A van Ambitieus. Anderlecht, met de A van Amechtig. Dat vat het zo’n beetje samen.



Volgende »